i September 1955. ‘Mij zie je maar één keer!’
Op het plein voor het Centraal Station staat Rembrandt van Rijn. Net echt, met schildersbaret, een ezel en een palet. ‘Mij zie je maar één keer’, roept hij nog eens, en hij maakt er een weids gebaar bij, zodat zijn lange mouwen wapperen in de zachte najaarswind. ‘Waarom maar één keer?’ roept een jongen van een jaar of vijftien die naast me blijft stilstaan. ‘Denk je dat ik hier voor de lol sta?’ zegt Rembrandt nu speciaal tegen ons tweeën. ‘Dit is mijn ontgroening. Ik moet hier de hele dag staan schilderen en de komiek uithangen. Aan het eind moet ik tien gulden bij elkaar hebben.’ Ik loop snel door. Zouden ze mij ook zoiets laten doen straks? Of doen niet alle studentenverenigingen zoiets? Ontgroenen, het lijkt mij eerder een legale manier van treiteren. Pas na je ontgroening hoor je er echt bij, zeggen ze. Dan heb je de proef doorstaan. Het zal me benieuwen. De drukte op het stationsplein bevalt me wel. Er is genoeg te zien. Maar ik moet opschieten, want ik heb gezegd dat ik er rond vier uur zou zijn. Vijf minuten lopen, zei juffrouw Holmer. Voor het station naar links, dan naar rechts en je ziet de Prins Hendrikkade al liggen. Prins Hendrikkade 67, daar woont ze. Daar woon ík, moet ik zeggen sinds vandaag. 5
Het ging eigenlijk heel makkelijk. Toen meneer Vaasse van geschiedenis hoorde dat ik in Amsterdam wilde gaan studeren, kwam hij gelijk met het adres van juffrouw Holmer aan. Hij had er vaker jongens heen gestuurd en ze hadden het er prima, zei hij. Vaasse heeft nog altijd contact met mensen uit Amsterdam, omdat hij er zo’n heerlijke tijd heeft gehad. Zelf zat hij tijdens zijn studententijd bij een oudere vriendin van haar in de kost. Afgelopen jaar vertrokken er net drie studenten bij juffrouw Holmer, had deze dame hem verteld. Afgestudeerd. ‘Ga jij daar maar eens je geluk beproeven’, had Vaasse lachend gezegd. ‘Het is een echte Amsterdamse, die Holmer, je kunt een hoop lol aan haar beleven.’ En hij gaf er een veelbetekenende knipoog bij. Een goeie vent, die Vaasse. Af en toe een beetje té. Zoals met die studie. Dat zag hij helemaal zitten. ‘Dat kun jij, Van Dongen, geen gepiep alsjeblieft’, zei hij toen ik de inschrijving bij geschiedenis moest regelen. Dat was vorig jaar. Nu ga ik, Michiel van Dongen, geschiedenis studeren in Amsterdam. Ik ga op kamers bij juffrouw Holmer en zal me in het studentenleven storten. Nou ja, storten niet echt. Ik geef het een kans. De stad, de studentenwereld, de studie, het huis. Ik heb geen idee waar ik aan begin. De meeste jongens uit het dorp gaan gelijk werken als ze van school komen. Mijn generatie heeft geluk, zei mevrouw Bernard van Frans altijd. ‘In de oorlog hadden we niks. Nog maar tien jaar 6
geleden was alles op de bon. En moet je nu zien, jullie denken maar dat alles gewoon is. Zoals de jeugd zich na de oorlog heeft ontwikkeld, wie had dat ooit kunnen denken.’ Vaak schudde ze er haar hoofd bij, terwijl haar sprieterige knotje probeerde kokette dansjes te doen. Nou, ik moet ophouden met aan dit soort dingen te denken. Voorbij, voorbij, voorbij is het. En ik vind het heerlijk. Ik wil er geen dag van overdoen. Geen dag. Dít is waar ik op heb gewacht. Vroeger is voorbij. Nu maak ik een nieuwe start. Beginnen bij nul, en dan zien we wel wat mijn pad kruist. Mijn kamer deel ik met twee andere jongens, heeft juffrouw Holmer verteld. ‘Jongeheren’, noemde ze hen steeds door de telefoon. En tegen mij zei ze: ‘Jongeman.’ Verder vertelde ze niets over hen. Zouden ze ook van het platteland komen of zouden het echte stadse jongeheren zijn? Hier is het. Een statig pand met hoge schuiframen en een trapgevel. Laat ik maar meteen aanbellen, voordat mijn keel helemaal dichtgeknepen zit. Wat zou ze zeggen? Zou ze meteen over vroeger beginnen en vragen gaan stellen? Of zou ze juist heel stil zijn? Ik hoor een klik, de deur gaat open en blijft op een kiertje staan. Een trekkoord zeker. Ik geef zachtjes een duw tegen de deur. ‘Kom maar verder’, klinkt het van boven. Het portaal achter de deur is donker en klein. Na drie stappen ben ik bij de trap. Mijn koffer sleep ik zo behen7
dig mogelijk met me mee naar boven. In mijn andere hand houd ik de nieuwe leren aktetas die ik van mijn ouders gekregen heb na mijn examen. Hij is een beetje te zwaar, dus ik moet hem op de grond zetten. Ik veeg even met mijn mouw langs mijn voorhoofd. Daar staat ze. Juffrouw Holmer. Ze ziet er anders uit dan ik me had voorgesteld na ons telefoongesprek. Een kleine, kranige dame met een witte schortjas aan. Grijs haar, bruine kraaloogjes. Haar mond is slechts een rood streepje onder haar neus. Haar handen houdt ze in de zakken van het schort. Haar ogen nemen me van top tot teen op. ‘Zo, daar ben je, jongeman’, zegt ze en ze laat een korte stilte vallen. Dan steekt ze haar hand uit. ‘Kom verder, ik laat je meteen je kamer zien.’ Ik loop achter haar aan de donkere gang in. Mijn kamer is hoog en licht. In de hoek bij het raam staat een bed met daarnaast een klein bureau. Aan het voeteneind van het bed staat een kledingkast en daarnaast begint het territorium van een andere kamergenoot. Opnieuw een bureau, een bed en een kast. Tegenover mijn hoekje hetzelfde trio voor de derde student. Anton en David heten mijn kamergenoten, zei juffrouw Holmer net. Anton gaat geneeskunde studeren en David kunstgeschiedenis. Het zullen wel heel verschillende types zijn, als ik op hun studiekeus af moet gaan.
8
‘Jongeman, kom je eten?’ Juffrouw Holmer heeft een grappig accent. ‘Eton’, zegt ze. Dat is me tijdens het telefoongesprek helemaal niet zo opgevallen. Goed onthouden, dan kan ik dat eens aan Ruud vertellen. Ruud vond het niet leuk dat ik naar Amsterdam ging. Nu zit hij alleen bij vader en moeder. En hij moet nog wel een paar jaartjes, want hij is net twaalf. Als ik huiswerk maakte, kwam hij vaak op mijn bed zitten. Soms zei hij een hele tijd niets en zat hij alleen maar rond te kijken. Genietend, leek het wel. Alsof alleen al het zitten op mijn bed een eer voor hem was. Een andere keer vroeg hij me het hemd van het lijf en praatte hij honderduit. ‘Kom je wel ieder weekend thuis als je in Amsterdam woont?’ en: ‘Als ik ook mag studeren, kan ik dan bij je wonen?’ Of hij babbelde wat over school. Zouden zijn klasgenoten tegen hem ook zo vervelend doen? De oorlog is nu al tien jaar geleden afgelopen, maar op het dorp weet iedereen het nog van vader. ‘Dames en heren, ik heb het voorrecht u te mogen inwijden in de geschiedenis van de klassieke oudheid, te beginnen bij het jaar 700 voor Christus. We zijn hier iedere week twee uur aanwezig en u krijgt gelegenheid aan het eind van dit semester getentamineerd te worden.’ Wat een taalgebruik heeft die man. Professor Huizer heet hij. We zitten met zo’n vijftig man in een zaal op de tweede verdieping van de universiteit. De harde bankjes dwingen me om recht te blijven zitten. 9
‘Anders dan u wellicht denkt, gaat geschiedenis niet over vroeger, maar over het heden. Kennis van de geschiedenis leert u anders naar de maatschappij anno 1955 te kijken. Daarom heeft u natuurlijk ook voor deze studie gekozen in de stad die het bruisend hart is van onze samenleving.’ Rondom mij grinniken enkele studenten. Zachtjes, want de verschijning van professor Huizer boezemt ontzag in. Tenminste, bij mij wel. Een driedelig pak, met een gouden zakhorloge, een grijzende, golvende haardos die naar achteren is gekamd, een korte baard en een krulsnor. Dit is niet zomaar iemand, dat zie je zo. ‘Wat u zich misschien niet realiseert, en daarom zeg ik dit er maar even bij, is dat de studie u ook verantwoordelijkheden oplegt.’ Hij zwijgt even. ‘Wat doet Julius Caesar ertoe als niemand meer van hem afweet? Zijn de helden in de Ilias en de Odyssee nog helden als geen mens hen kent? Aan u, aanstormende historici, de taak de geschiedenis levend te houden door haar te bestuderen met een kritisch-intellectuele blik.’ Het begint me te duizelen. Blijft deze man de hele tijd zo praten? Kan ik dit ooit allemaal volgen als hij straks college gaat geven? Wat moet ik opschrijven en wat kan ik langs me heen laten gaan? Ik wil alles onthouden, maar weet nu al dat dit me nooit gaat lukken. Straks hebben we nog twee colleges. Nog meer indrukken. Moet je mij horen, ik lijk wel een ouwe vent. Opletten. ‘In de klassieke oudheid, de periode van ongeveer 700 voor Christus tot de val van het West-Romeinse Rijk in 10
476 na Christus, hebben we te maken met een periode van grote bloei. Zoals u weet, bloeiden eerst de Grieken, daarna de Romeinen.’ De zaal lacht. Ik meen een kleine twinkeling in Huizers ogen te zien, maar helemaal zeker weten doe ik het niet. Hij houdt zijn blik steevast op de zaal gericht en lijkt de studenten in de rijen een voor een aan te kijken. ‘We gaan in deze collegereeks, zoals de Engelsen zo mooi zeggen, beyond de geschiedschrijving van de klassieken. We gaan verder kijken dan naar de nuchtere feiten alleen. We kijken naar de oudheid met onze eigen ogen. U met uw ogen, ik met de mijne. En helaas moet ik u zeggen dat we ook altijd naar de geschiedenis kijken door de bril van onze tijd. Een bril die we niet kunnen afzetten. Houd daar rekening mee als u uw aannames doet in scripties of tijdens tentamens. Een brildrager die niet weet dat hij een bril op zijn neus heeft, maakt zichzelf bespottelijk.’ Lieve help, moet ik bij deze man tentamens gaan doen? Hij is inmiddels bij mij aangekomen met zijn blik-doorde-rijen. Even kijkt hij me aan. Een seconde misschien. Maar lang genoeg om rood uit te slaan. Sufferd, houd toch eens op. Hij kent je niet eens, dus waar moet je bang voor zijn? Niemand kent je hier. Je bent een nieuw leven begonnen. Na een lange dag vol colleges loop ik via de Dam terug naar huis. Het is een beetje om, maar juffrouw Holmer drukte me op het hart om niet over de wallen te gaan. 11
‘Dat doe je niet met een gedoopt voorhoofd’, zei ze. Volgens Holmer lonken daar dames naar je tussen de gordijnkieren. ‘Dames van lichte zeden, snap je wel? Ik ben niet zomaar een hospita, ik wil ook dat ik trots op mijn studenten kan zijn. Voor je het weet, gaan er praatjes over jullie rond’, zei ze. En ze keek er extra priemend bij. Ik voel me moe van alle indrukken en van het lange zitten in de harde banken. Zo veel nieuwe gezichten, zo veel gedachten. Het lijkt hier in niets op het dorp en op het gymnasium. Op de Dam wordt mijn blik vanzelf getrokken naar het immense paleis en de kerk ernaast. De muren van het paleis zijn wat grijzig, alsof ze een schoonmaakbeurt nodig hebben. Maar toch straalt het pand een enorme kracht uit. Hier stonden de mensen te juichen toen Juliana koningin werd. Elf jaar was ik. Mijn moeder wilde de pas gekochte radio aanzetten. Vader zei niets, maar draaide meteen de knop uit. ‘Die nieuwe koningin? Die fietst op zondag. Dat geeft geen pas.’ Moeder beet alleen maar op haar lip en zweeg. Met iets meer stemverheffing, alsof hij uit de Bijbel las, voegde vader er nog aan toe: ‘Wee het land welks koning een kind is.’ Die tekst had ik nog nooit gehoord en ik begreep niet wat hij bedoelde. De volgende dag op school vroeg de meester wie er geluisterd had naar de inhuldiging. ‘Jullie niet zeker, Michiel?’ Tegenover het paleis, aan de andere kant van de Dam, staan stellingen. Erachter is nog net wat wit marmer 12
zichtbaar. Hier komt een nationaal monument om alle oorlogsslachtoffers te herdenken. Daar heeft van alles over in de krant gestaan. De bouwwerkzaamheden zijn in volle gang. Er staat nu een tijdelijk monument, een muur met twaalf urnen erin met daarin grond van executieplaatsen uit iedere provincie en grond uit voormalig Nederlands-Indië. Die urnen worden straks verwerkt in het nieuwe monument. Hoe zouden ze op dat idee gekomen zijn? Luguber eigenlijk, misschien zit er nog wel bloed in van de slachtoffers. Ik krijg het even warm en koud tegelijk en loop snel door. Ik moet niet steeds over die tijd nadenken. Nu ben ik student, nu is het tijd voor een nieuwe start. En als ze erover beginnen, doe ik alsof ik van niets weet. Alsof de oorlog en de tijd erna zonder veel problemen aan mij voorbijgegaan zijn. Juffrouw Holmer heeft het eten klaar. David en Anton zijn er al. Aardige jongens, zo op het eerste gezicht. Anton – kort en blond – heeft vandaag kennisgemaakt met zijn medestudenten geneeskunde. Hij doet redelijk laconiek over zijn studie. In ieder geval lijkt hij me niet zo arrogant als Jochem op het gymnasium. Die deed alsof hij de wereld ging redden nadat hij zich had ingeschreven voor de opleiding. ‘Geschiedenis is een alfastudie en een alfastudie is geen wetenschap’, zei hij herhaaldelijk. Waarschijnlijk aapte hij zijn vader na, die was ook al zo onhebbelijk en arrogant als je bij hem in zijn dokterspraktijk kwam. 13
En David, David lijkt me heel anders dan Anton. Hij heeft donker haar en een wat melancholieke blik. Op het eerste gezicht is hij net zo vriendelijk. Hij ging net als ik vandaag voor het eerst naar college. Zenuwachtig lijkt hij me niet. Meer gelaten en een beetje vroegwijs. Hij zal wel artistiek zijn, want kunstgeschiedenis ga je niet studeren als je zelf niets met kunst hebt. Ik zal het hem eens vragen. Hoe meer anderen praten, hoe minder ik zelf aan het woord hoef te zijn. ‘Heb jij je ingeschreven voor een studentenvereniging?’ begint Anton tegen mij tijdens de maaltijd. Hij prakt een aardappel fijn en kijkt me ondertussen vragend aan. ‘Nog niet’, zeg ik. ‘Maar ik wil er weleens langsgaan om te kijken.’ ‘Jij gaat ook naar L.A.N.X., neem ik aan?’ ‘Ja, dat is wel de vereniging waar de meesten van mijn oude school naartoe gaan.’ Bah, wat komt dit er weer volgzaam uit. Waarom zou ik iets moeten doen wat de meesten van mijn oude school gedaan hebben? De jongens lijken het niet te merken. ‘Waar staat dat eigenlijk voor, L.A.N.X.?’ vraagt David. ‘Leonum arida nutrix, waar de dorstige leeuw zich laaft’, antwoordt Anton met een spottende grijns, en hij strijkt er geleerd bij over zijn kin. ‘De meeste jongeheren hier in huis zijn naar L.A.N.X. gegaan’, mengt juffrouw Holmer zich in het gesprek. ‘We hebben hier altijd keurige jongeheren in huis, hoor. 14
Geen branieschoppers. Als ze lastig werden, heb ik ze er altijd direct uitgebonjourd.’ ‘Maarre, Michiel, ga je vanavond anders mee? Er is een inloopavond, kunnen we eens kijken of het wat is. David wil niet, die heb ik net al gevraagd.’ David trekt zijn gezicht in een grimas. Ze lijken al goed aan elkaar gewaagd, die twee. ‘Goed, ik ga wel mee’, zeg ik, iets zachter dan ik had gewild. Even schiet mij die jongen op het plein voor het station in gedachten. Wie weet wat ze nu bedacht hebben voor groentjes. Nou ja, we zijn in ieder geval met z’n tweeën. De sociëteit ligt aan de Korte Leidsedwarsstraat. Dat is ruim tien minuten fietsen, volgens Anton. Anton is hier al veel geweest met zijn ouders voordat hij ging studeren. Afgelopen zomer heeft hij alle belangrijke adressen opgezocht. Wat een luxe. Ik heb deze zomer geholpen bij boer Theunissen, net buiten het dorp. Melken, eieren uithalen en op het land helpen. Ik zit achterop bij Anton. Een fiets heb ik hier nog niet. Ik moet maar eens zien of ik er ergens eentje goedkoop op de kop kan tikken. Na veel gehobbel over straten met kinderhoofdjes zijn we er. Het lawaai komt ons buiten al tegemoet. Anton gaat voorop. We lopen door een smalle gang naar binnen. Een paar jongens van een jaar of twintig – ouderejaars noem je dat, zegt Anton – komen op ons af. ‘Groentjes zeker? Ga maar naar die tafel om je in te schrijven. Er 15
kunnen hier geen groentjes genoeg zijn.’ Lachend slaan ze elkaar op de schouders. Achter de tafel zitten jongens in rokkostuum. Anton en ik hebben allebei het grijze pak aan waarin we vandaag ook naar college zijn geweest. Het maakt meteen een bepaalde hiërarchie duidelijk. ‘Amici’, begint de voorzitter op gewichtige toon. En vervolgens steekt hij een verhaal af over de oorsprong van de vereniging L.A.N.X. aan de Vrije Universiteit. Opgericht in 1880, maar ontstaan in 1901, samengesmolten uit diverse disputen. Niet echt logisch, lijkt me. Ik begin het weer net zo warm te krijgen als vanmorgen tijdens het college. Gelukkig zitten we achterin, bij de deur. Een zachte najaarswind blaast wat koelte naar binnen. De ruimte van de sociëteit mag er zijn. Aan het hoge plafond hangen vijf kristallen kroonluchters. De wanden zijn bekleed met stof in diverse patronen. Het ziet er oud en voornaam uit. ‘Waar de dorstige leeuw zich laaft.’ Mooi zinnetje. ‘Dag, ik ben Anton Dijkema en dit is mijn huisgenoot Michiel van Dongen.’ Met een vrijmoedigheid die mij totaal vreemd is, stapt Anton op een groepje studenten af. Ik geef ze na hem allemaal een hand en mompel mijn naam nog een keer. Indruk maken bij een eerste kennismaking is niet mijn sterkste kant. Ik voel mezelf rood worden en kijk omlaag. ‘Wat doen jullie?’ vraagt er een. ‘Michiel doet geschiedenis en ik ga geneeskunde studeren.’ 16
‘Leuk.’ ‘Weten jullie al van ons gevecht om het biervat?’ begint een ander. We schudden ons hoofd. ‘Ieder jaar gaan we op het Museumplein in gevecht met de roomse studenten. Vorig jaar hebben wij gewonnen. De inzet is een vat bier.’ De student veegt een lange lok haar naar achteren en neemt een slok. Een echt studentikoos type, heb ik al gemerkt. ‘Bier’ is geen ‘bier’, maar ‘beewwwj’. ‘En we hebben er ook een strijdlied bij’, lacht de eerste weer. De mannen gaan in een rij staan en beginnen te brullen: De roomse horden rukken aan om ’t vrije VU-corps neer te slaan. Vermomd verschuilt zich in de schaar een jezuïet met veldaltaar. Het is stil op straat als we terugfietsen. Anton trapt stevig door. Ik houd me vast aan de spiraal onder het zadel. De avond is nog steeds zacht en de straatverlichting geeft de stad een dromerige sfeer. ‘Leuke jongens, vind je niet?’ Ik wacht even. ‘Ja, leuk ja’, zeg ik dan. Wat ik anders zeggen moet, weet ik niet goed. Heel leuk vond ik hen niet. Maar om nu meteen zo negatief te beginnen, lijkt me niet handig. Anton is de hele avond vriendelijk geweest en heeft me steeds bij alle gesprekken betrokken. Het 17
schijnt voor hem normaal te zijn, omdat we huisgenoten zijn. Daar ben ik blij mee, want als ik alleen naar de vereniging was gegaan, had ik nooit zo veel nieuwe mensen gesproken als nu. Juffrouw Holmer heeft een sinaasappel voor ons klaargelegd op het aanrecht in de keuken. Daar had ze het na het eten al over. Ze kondigt alles wat ze doet met veel bombarie aan. ‘Ik heb appeltjes van oranje gehaald voor de jongeheren, want ik wil niet dat jullie moeders denken: die tante zorgt niet goed voor mijn jongen.’ We eten de sinaasappel staand bij het aanrecht op en gaan daarna naar onze kamer. Als we langs de kamer van juffrouw Holmer lopen, zie ik een streepje licht onder de deur, maar ze komt niet naar buiten. David is al naar bed gegaan. Hij zit, met een kussen in zijn rug, een dik boek door te bladeren. ‘Dit moet ik helemaal uit mijn hoofd kennen’, zegt hij terwijl hij het boek zuchtend boven zich houdt. Ik moet een beetje lachen om zijn moedeloze blik. ‘Toch niet vanavond nog?’ lacht Anton, die zijn schoenen uittrekt en onder zijn bed zet. ‘Nee, dat niet. Hoe was het bij de dorstige leeuw?’ ‘Zeer enerverend, weledelgeleerde heer’, antwoord ik. Dat klinkt goed, vind ik zelf. De volgende avond, na een lange dag colleges, gaan Anton en ik naar de catechisatie. Opnieuw blijft David thuis. Hij bidt wel mee tijdens het eten, maar of hij naar 18
de kerk gaat, vraag ik me af. We hebben het er nog niet over gehad. Voor de kerk zijn wat kinderen aan het knikkeren. Ze zijn een jaartje jonger dan Ruud, denk ik. Gek, ik heb helemaal niet aan thuis gedacht vandaag. We lopen langs de kinderen naar binnen, de kerk in. In het catechisatielokaal zitten al zeker dertig jongeren in een grote kring. ‘Welkom’, zegt de dominee en hij geeft ons een hand. ‘Komen jullie van ver?’ Ik knik. De dominee babbelt meteen weer verder: ‘We hebben hier veel studenten zitten, maar ook rasechte Amsterdammers. Sommige studenten moeten daaraan wennen, maar dat kan andersom ook het geval zijn. We zullen snel genoeg zien of we een beetje aan elkaar gewaagd zijn.’ ‘Zeker, dominee, dat zal vast wel’, antwoordt Anton met een kort, volwassen knikje en een vriendelijke glimlach. Wat een heer is hij toch. Ik voel me een provinciaaltje naast hem. De dominee heeft net als juffrouw Holmer een Amsterdamse tongval. Hij is een jaar of vijftig, schat ik. Een lange, magere man. Hij leest en bidt en begint dan aan de eerste les uit het catechisatieboekje, over zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus. Hoe kan het ook anders. ‘Wat is uw enige troost, beide in leven en in sterven? Dat ik met lichaam en ziel, beide in leven en in sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben … dat zonder de wil mijns hemelsen Vaders geen haar van mijn hoofd vallen kan.’ 19
Het zijn bekende woorden. Op school geleerd. Vaak begonnen we een nieuw jaar weer met zondag 1. Alsof we het nog niet wisten. De cadans van de woorden vind ik prachtig. Zo mooi dat ik niet eens meer let op de inhoud ervan. Dat heb ik wel vaker, dat woorden blijven hangen zonder dat ik doorheb waar ze over gaan. Een psalmvers bijvoorbeeld: ‘De lief’lijkheên van ’t zalig hemelleven, zal eeuwiglijk Uw rechterhand mij geven.’ Of iets heel anders, een tekst uit Shakespeares Julius Caesar: ‘Caesar, now be still. I killed not thee with half so good a will.’ Dat kan ik eindeloos in mijn hoofd hebben zitten. ‘Zijn er nog vragen?’ De dominee kijkt de kring rond. Niemand zegt iets. ‘Dan wil ik afsluiten met dankgebed.’ Na het danken gaat de groep de zaal uit. In de hal blijven sommigen nog wat napraten. Anton ook, zie ik. Ik heb geen zin om op hem te wachten en zeg tegen hem dat ik vast ga lopen. Het is frisser dan gisteren. Donkerder ook. Ik heb op de kaart van Amsterdam gezien dat de grachten in ringen rond de Dam liggen. Als ik dus langs de gracht blijf lopen, kom ik vanzelf op de Raadhuisstraat, achter het paleis. Heerlijk, om even alleen te zijn. De afgelopen drie dagen hier zijn snel voorbijgegaan. Tijd om rustig na te denken heb ik eigenlijk niet gehad. Juffrouw Holmer, Anton, David, professor Huizer. Ik zie hun gezichten voor me. Hoor hun stemmen. Dit zijn mensen van mijn nieuwe wereld. Hier moet ik het 20
de komende jaren mee doen. Ze zijn nog zo onbekend voor me. Totaal vreemden eigenlijk. Die professor Huizer heeft wel indruk op me gemaakt. Ik weet niet goed waarom. Zijn verschijning, zijn stem, zijn blik die hij langs de studenten liet gaan alsof hij hun gezichten allemaal wilde onthouden. Iemand als hij ben ik in het dorp nooit tegengekomen. Zo voornaam. Zo vol vuur over zijn vak. Ik ben benieuwd naar het eerste tentamen bij hem. De manier waarop je overhoord wordt, kan heel erg verschillen per docent, heeft meneer Vaasse gezegd. De een gaat in op de hoofdlijnen, de ander wil dat je alles tot in het kleinste detail in je hebt opgenomen. ‘Lezen, lezen, lezen’, zei Vaasse. ‘Dan kom je er wel. En niet uitstellen. Laat alles wat je vandaag kunt doen niet tot morgen wachten.’ Wandelend langs het water moet ik ineens weer aan thuis denken. Aan vader en moeder toen Vaasse langskwam om te vragen of ik mocht gaan studeren. Vader staarde verlegen naar de vensterbank. Moeder maakte met eenzelfde blik vlechtjes van de kwasten aan het wollen tafelkleed. ‘Als die jongen zich maar niet gek leert’, zei vader. ‘Ach welnee, dan was hij nu toch ook al gek geweest’, lachte moeder zenuwachtig. Vaasse keek even afwachtend naar allebei en vertelde toen wat de mogelijkheden waren. We konden een beurs aanvragen, maar de kans was klein dat die uitgekeerd zou worden. Het mooiste zou zijn als de familie zelf het 21
geld zou kunnen opbrengen. En ik kon natuurlijk gaan werken in de zomermaanden. We hadden het er nog nooit over gehad, maar voor ik het wist, besloten vader en moeder dat ‘dat dan maar moest.’ Even knipoogde moeder naar me. Vader keek door het raam naar buiten. ‘Als hij zich maar niet gek leert’, mompelde hij nog eens.
22