Skip to main content

thuislandc

Page 1

Hoofdstuk 1 z

E

en schuine baan van bleek zonlicht viel door het raam links van Lanie, over haar kastanjebruine haar, en gaf het een lichtgouden gloed. Ze boog zich over het Warm Morning-fornuis, trok de asla open en schepte de grijze as met snelle, handige bewegingen in een grote emmer. Ze graaide met haar hand in een oude appelkist die was gevuld met hout dat haar vader ‘rijkhout’ noemde – stukken hout die zo harsrijk waren dat ze als een toorts brandden als je ze met een lucifer aanstak. Lanie stapelde wat stukken hout op het rooster in het fornuis, pakte een lucifer uit een doosje dat op een plank stond en streek de lucifer langs de ruwe strip aan de zijkant van het doosje. Ze boog naar voren en hield de vlam in het fornuis tot het rijkhout vlam vatte. Snel haalde ze wat kleine stukken aanmaakhout en legde die bovenop het vuur. Ze legde drie kleinere stukken haardhout – eikenhout – gekruist over elkaar zodat er een schikking ontstond die gelijkmatig brandde. Ze deed de deur van het fornuis dicht en trok de wissel in de kachelpijp open, wachtte even en luisterde naar het knetteren van de vlammen en de luchtstroom door de schoorsteen. Tevreden draaide ze de knop van de trekregelaar half dicht om het vuur wat te temperen. Lanie Belle Freeman wachtte en luisterde naar de vlammen. Ze streek een eigenwijze krul van haar voorhoofd achter haar oor. Ze was veertien jaar oud en had de leeftijd bereikt waarop ze geen tiener meer was, maar een jonge vrouw. In de meeste dingen was ze bedachtzaam – voorzichtig en soms zelfs wat aarzelend in haar besluiten, maar als ze eenmaal wist wat ze wilde, kon ze snel aanpakken. Haar groene, verschoten jurk met een patroon van witte bloemen benadrukte haar beginnende, vrouwelijke 7


rondingen. Haar armen toonden een kracht die ongewoon was voor haar leeftijd. Het zonlicht benadrukte de rondingen van haar wangen. Haar ogen waren groot en grijs met een vleugje groen erin. Ze waren mooi van vorm en stonden bedachtzaam, maar ze konden bij tijd en wijle ook vurig fonkelen. Haar mond was vol en expressief en als ze glimlachte, verscheen er een kuiltje in haar rechterwang. Ze liep naar een groot, houten keukenkabinet met een grijs gespikkeld, porseleinen blad en trok de la met meel open. ‘Meel genoeg’, mompelde ze. Er kwam een gedachte bij haar op en ze pakte het notitieblok dat op het aanrechtblad lag en liep ermee naar de tafel die aan de andere kant van de keuken stond, naast de ijskist. Toen ze een pen pakte en op een stoel met een rieten zitting aan tafel ging zitten, verscheen er een glimlach om haar mondhoeken. Ze sloeg het notitieboek bij een lege pagina open en begon te schrijven. Haar handschrift was vlot en gelijkmatig en ze schreef netjes: 12 april 1928 Lanie Belle Freeman 600 Jefferson Davis Avenue Fairhope Stone County Arkansas Amerika Noord-Amerika Aarde Zonnestelsel Melkwegstelsel Lanie bekeek was ze zojuist had opgeschreven. Even kregen haar ogen een peinzende uitdrukking en ze glimlachte. ‘Daar kan ik 8


nog maar één ding aan toevoegen, dacht ik zo.’ Onderaan de lijst schreef ze nog: ‘Universum’; daarna bestudeerde ze haar eigen schrijfsel. Ze glimlachte, lachte toen hardop. ‘Ik zou zeggen dat ik dus precies weet waar ik ben.’ Ze sloeg het boek met een klap dicht, schoof het naar het uiteinde van de tafel en legde de pen ernaast. Ineens hapte ze naar adem. ‘IJs!’ Ze draaide zich snel om, liep naar de eiken ijskist en deed het ijsvak open. Er was nog maar een klein stukje ijs over. Ze deed het deurtje weer dicht en bukte zich om het lekvat te controleren. Het zat bijna vol. Ze stormde de keuken uit, de lange gang door die naar de voordeur leidde en liep rechts de woonkamer in. Ze ving een glimp op van haar broer Cody die midden in de kamer op de vloer met iets bezig was, maar ze besteedde geen aandacht aan hem. Ze liep naar het raam en reikte naar een grote, vierkante kaart die aan de muur hing en waarop aan verschillende kanten grote, zwarte cijfers stonden: 25, 50, 75 en 100. Ze zette de kaart in het raam met de ‘100’ naar boven, zodat de ijsventer zou weten hoe groot het ijsblok dat ze nodig had moest zijn. ‘Cody’, richtte Lanie zich tot de jongen, ‘ga het lekvat van de ijskist eens leeggooien.’ ‘O nee, Lanie, ik ben net bezig. Doe jij het maar.’ Cody Freeman keek niet eens op. Hij had een schroevendraaier in zijn ene hand en was een of ander apparaat in elkaar aan het zetten. Elf jaar oud was hij en hij was het grootste deel van de tijd bezig met het uitvinden van dingen. Zijn uitvindingen deden maar zelden wat ze moesten doen, maar het vertrouwen dat hij op een dag een soort tweede Edison zou worden, werd daar niet door aan het wankelen gebracht. ‘Je hebt gehoord wat ik zei, Cody. Leg dat ding even neer. Als je het lekvat hebt geleegd, kun je weer verder.’ Cody bromde, maar kwam wel overeind. Hij had hetzelfde kas9


tanjebruine haar en dezelfde grijsgroene ogen als Lanie en hij had een levendige uitstraling. Hij rende de gang door en tegen de tijd dat Lanie weer in de keuken was, had hij het lekvat al uit de ijskist gehaald en een grote plas water op de grond gemorst. ‘Je maakt er een bende van, Cody!’ ‘Nou, jammer dan, ik kan er niks aan doen dat dat domme ding zo vol zit!’ ‘Als jij hem had leeggegooid op het moment waarop je hem leeg had moeten gooien, dan was hij niet zo vol geweest. En nu wegwezen met dat ding.’ ‘Ik ga iets uitvinden waardoor die domme, oude ijskist uit zichzelf leegloopt, zodat niemand meer met dat domme water naar buiten hoeft te lopen!’ ‘Nou, tot het zover is, doe jij het gewoon – en hou eens op met alles dom te noemen!’ Lanie hield de hordeur open voor Cody, die met het vat naar buiten liep en een spoor van water achterliet. Nadat ze de kachel had gecontroleerd, knikte Lanie tevreden. Het rijkhout had vlam gevat en het vuur brandde. Ze kwam overeind en draaide de trekregelaar nog wat verder dicht om de luchttoevoer nog iets te minderen. Ze was een expert geworden in het aansteken van de houtkachel en ze had er zelfs plezier in. Na een blik op de klok zag ze dat het al bijna drie uur was. Ze ging naar de slaapkamer van haar ouders waar haar moeder in een schommelstoel zat te haken. Elizabeth Ann Freeman was zesendertig. Haar bolle buik verraadde dat ze een kind verwachtte, maar ze had haar vroegere schoonheid grotendeels behouden. Haar kinderen hadden hun uiterlijk vooral van haar geërfd, met name hun kastanjebruine haar en hun grijze ogen. Ze had een mooi gezicht met een korte, Engelse neus en een klein deukje in haar kin. ‘Mama, ik moet weten hoe je gebakken pasteitjes maakt.’ 10


Ze keek op naar haar dochter. ‘Gebakken pasteitjes? Weet je niet hoe dat moet?’ ‘Ik heb het u zien doen, mama, maar ik heb het nog nooit zelf gedaan.’ ‘Nou, ga hier dan maar zitten, dan leg ik het je wel uit.’ Lanie ging op het bed zitten en luisterde aandachtig, terwijl haar moeder het recept uit de doeken deed. Ze schreef nooit iets op, want ze had een fenomenaal geheugen. Het viel Lanie op hoe moe haar moeder eruitzag. Lanie wist dat het niet zou meevallen voor haar om deze baby te krijgen, want haar moeder had al elf jaar geen kind meer gehad. Ze had wallen onder haar ogen en haar blik was vreemd strak. Dokter Givens had haar medicijnen gegeven. Hij had ook gezegd dat Elizabeth geen fysiek werk mocht doen, maar dat ze zoveel mogelijk in bed moest blijven. Lanie had het huishoudelijke werk op zich genomen en ook haar broertjes en zusje deden wat ze konden. ‘Dat moet lukken, mama. Het klinkt niet moeilijk.’ Elizabeth glimlachte. ‘Ik weet dat je het kan, lieverd. En vertel me nu eens over die wedstrijd op school. Hoe gaat het?’ Lanie haalde haar schouders op en trok een gezicht. ‘O, geen idee. Ik doe mijn uiterste best, maar het gaat echt moeilijk worden. Er zijn zoveel slimme kinderen.’ De William McKinley-school had een wedstrijd uitgeschreven om de leerlingen die het beste presteerden, te belonen. Er waren nog meer criteria, maar hun cijfers zouden het zwaarste meetellen. De winnaar van elke klas zou honderd dollar krijgen. De beste leerling van de hele school zou tweehonderd dollar winnen en een zilveren beker krijgen, het soort wisselbeker dat je ook kon winnen bij een sportwedstrijd. Omdat ze net op deze school zat, verwachtte Lanie niet dat ze de hoofdprijs zou winnen, maar haar cijfers waren op de basisschool al buitengewoon goed geweest en haar moeder moedigde haar altijd aan om haar uiterste best te doen. 11


Lanie voelde zich onzeker over haar talenten. ‘Misschien win ik de prijs voor de eerstejaars, maar Roger Langley wint vast de hoofdprijs.’ Roger Langley was de zoon van Otis Langley, de rijkste man in Fairhope. Behalve dat was Roger ook de vlam van elk meisje op school – hij was lang, knap en minstens zo goed in sport als in andere vakken. ‘Ik … ik denk niet dat ik dat kan, mama.’ ‘Natuurlijk kun je het wel! Waar een wil is, is een weg, Lanie.’ Er verscheen een blos op Lanies wangen. ‘Ik kan het als u me helpt, mama.’ Ze lachte. ‘Het helpt als je een moeder hebt die schooljuf is geweest.’ ‘Ik heb al in geen tijden lesgegeven, maar samen krijgen we het wel voor elkaar.’ ‘Ik zal mijn uiterste best doen, mama. Maar nu ga ik papa’s lievelingseten maken – gebakken kip, jus, sperziebonen en vruchtenpasteitjes.’ ‘Hij zal het vast heerlijk vinden!’ Lanie ging terug naar de keuken en keek op de klok. Ze draaide de radio aan die op de tafel naast de ijskist stond. Haar favoriete programma Lum & Abner ging zo beginnen en ze was blij dat ze de omroeper hoorde zeggen: ‘Laten we eens kijken hoe het in Pine Ridge gaat …’ Ze liep naar het kabinet met het porseleinen blad en begon aan de pasteitjes. Ze schepte meel in een schaal, deed er wat zout bij en voegde reuzel toe. Daarna mengde ze alles met haar handen door elkaar, waarbij ze het meel goed met de reuzel mengde. Ze voegde water toe en bewerkte het deeg tot het een zachte bal was. Die rolde ze uit op het aanrechtblad en ze gebruikte een schaaltje om rondjes uit te steken. Snel legde ze op één kant van elk rondje wat fruit. Ze doopte haar vingers in water en maakte de randen van het deeg nat. Vervolgens vouwde ze het deeg dubbel en drukte de randen samen met een vork. Lanie had allebei haar handen nodig om de zware, gietijzeren 12


steelpan op de kachel te zetten. Na een paar minuten was het vet in de pan heet en met een spatel legde ze voorzichtig twee pasteitjes in de pan. Ze keek toe hoe ze bakten en gluurde onder de rand van het deksel tot de korst bruin was. Daarna draaide ze de pasteitjes voorzichtig om. Toen ze klaar waren, legde ze de gebakken pasteitjes op een linnen handdoek, gemaakt van oude meelzakken, om het vet op te nemen. Ze bakte snel en handig de rest van de pasteitjes en had net het laatste stel in de oven gezet toen Beau begon te blaffen. ‘Dat moet dominee Jones wel zijn.’ Ze hoorde voetstappen op de veranda en liep naar de deur om open te doen. ‘Dag dominee.’ ‘Hoe is het, mejuffrouw Lanie? Een stuk van honderd pond?’ Dominee Jones was een grote, zwarte man. Hij had een blok ijs van honderd pond op zijn rug, dat hij met grote tangen op zijn plaats hield. Zijn leren schoudermantel zorgde ervoor dat zijn rug droog bleef. ‘Dat klopt.’ Lanie glimlachte en deed de ijskist open terwijl dominee Jones het grote blok in kleinere stukken sloeg die in het metalen ijsvak zouden passen. Hij deed de deur dicht en glimlachte naar Lanie. ‘Daar kunnen jullie vast wel een dag of twee mee vooruit.’ ‘Als u tijd hebt, dominee – ik heb gisteren een appeltaart gebakken en er is nog wat thee.’ ‘Nou, dat zou me best smaken, mejuffrouw Lanie.’ Hij ging zitten; zijn enorme lichaam paste maar net in de stoel. Madison Jones was niet alleen de ijsventer van Fairhope, maar ook de dominee van de episcopale methodistenkerk Greater Mount Zion, de zwarte kerk van de stad. Hij keek toe hoe Lanie een blikken plaat uit het warmhoudvak van de keukenkachel haalde, hoe ze een royaal stuk voor hem afsneed, op een bord legde, een vork pakte en toen de taart voor hem neerzette. Ze deed de ijskist open en brak 13


een stuk ijs af dat net in een groot glas paste en schonk er de thee bij. ‘Er zit al suiker door. We hebben alleen geen citroen in huis.’ ‘Dat is geweldig lekker, juffie. Precies zoals ik het graag heb.’ ‘Hoe gaat het met Melanie?’ ‘O, ze doet het heel goed. Helemaal over haar bof heen, maar de rest van de kinderen krijgt het natuurlijk ook nog.’ Lanie vroeg altijd naar de acht kinderen van de dominee en naar zijn vrouw en dat viel bij de grote man in goede aarde. ‘Hoe is het met je moeder, meissie?’ ‘Best goed, geloof ik.’ ‘Je lijkt niet al te zeker van je zaak.’ ‘Nou, het is lang geleden dat ze een baby heeft gehad en de dokter lijkt niet al te …’ Toen Madison Jones zag dat het haar niet lukte om haar zin af te maken, slikte hij de hap taart die hij in zijn mond had door en zei zacht: ‘Het komt allemaal goed. De goede God zal voor je mama zorgen.’ ‘Ik weet het. Maar ik maak me soms gewoon zorgen.’ Madison at het laatste stuk appeltaart op en spoelde het weg met de thee. ‘Ik wil je voor vandaag een Bijbelse belofte meegeven.’ ‘Dat doet u altijd. Welk vers is het deze keer?’ ‘In de heilige Schrift staat geschreven: “Onze God is toch in den hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.” Dat is Psalm 115 vers 3. Dus je snapt dat onze goede God voor je mama zorgt – en voor jou en voor mij en voor iedereen.’ Lanie glimlachte. ‘Dank u wel, dominee. Ik zal eraan denken.’ Madison stak zijn enorme hand uit en Lanie legde haar hand erin. Hij nam haar hand in de zijne en zei: ‘Jij en ik, we zullen samen bidden voor je mama.’ Nadat de grote man vertrokken was, ging Lanie even aan de tafel zitten. Ze vouwde het stuk papier open dat ze in haar zak droeg, likte aan de punt van een potlood en begon te schrijven. 14


De ijsventer Iedereen brengt wel iets mee naar ons huis. Gisteren bracht Cap’n Brown ons een dode muis. Vandaag nog bracht de ijsventer een groot blok ijs en een Bijbeltekst – wat heel aardig van hem was. Ik zou willen dat ik net zo’n geloof had als dominee Jones, maar soms word ik bang en wankelt mijn geloof! Lanie las het gedicht hardop voor en stopte het toen in haar zak. ‘Hij is niet heel goed, maar ik kan er vanavond verder aan werken.’ Vanaf het moment dat ze kon schrijven, had Lanie gedichten geschreven, maar ze liet ze aan niemand lezen. In haar gedichten kon ze dingen kwijt die ze verder tegen niemand durfde te zeggen. Ze keek richting de slaapkamer van haar ouders, schudde toen haar hoofd en zei: ‘Ik moet die domme kip gaan slachten.’ Haar mondhoeken gingen naar beneden en haar gezicht kreeg een uitdrukking van af keer. Normaal slachtte haar vader of haar moeder de kippen, maar deze keer was het haar taak. Met tegenzin liep ze naar de voordeur, stapte naar buiten en liep het trapje af. Even keek ze om zich heen en nam de achtertuin en de akkers in zich op. De wetenschap dat haar familie eigen land en een eigen erf had, gaf Lanie altijd een goed gevoel. Hun land besloeg vijf hectare en ooit had het onderdeel uitgemaakt van de grote plantage van Jesse en Elma Freeman, de overgrootouders van haar vader. Tijdens de Wederopbouw was het land herverdeeld en het enige wat er nu nog van de plantage over was, waren deze vijf hectare land net buiten Fairhope. De gevel van het huis, dat uit twee verdiepingen bestond en dat voor de Burgeroorlog was gebouwd, zag uit op de Jefferson David Avenue, aan de oostelijke buitenrand van de stad. Ongeveer een mijl de andere kant op begonnen lage heuvels op te rijzen en daarachter 15


torenden de Buffalo Mountains, die als grote, donkere, gebochelde olifanten tegen de hemel afstaken. Lanies blik dwaalde door de grote tuin, die net weer oogst begon te geven, en haar oog viel op het grote, roodbruine paard, Stonewall, dat zich tegoed deed aan het groene weidegras helemaal aan de buitenrand van hun land. Het paard werd oud, maar Forrest Freeman gebruikte hem nog steeds om de grond van de enorme tuin die hij ieder jaar inzaaide te ploegen. Ze hoorde achter het hek het diepe, schorre geknor van hun zeug Delilah en het gekakel van een kip. Lanie zette koers richting de kippenren, net op het moment dat Beau, een reusachtige, kaneelkleurige hond, op volle snelheid de hoek om kwam rennen en zich op haar stortte. Lanie zette zich schrap. Zijn voorpoten kwamen op haar borstkas neer en terwijl hij haar gezicht af likte, verplaatste zij haar gewicht naar haar linkervoet en stapte met haar rechtervoet hard op zijn achterpoten. Beau liet een scherp, gekweld geblaf horen en liet zich op zijn vier poten zakken. Hij wierp haar een gekwetste blik toe die Lanie aan het lachen maakte. ‘Jij bent de enige hond die kan kijken alsof iemand hem diep heeft gekwetst. Als jij niet tegen mensen opspringt, gaat er ook niemand op je tenen staan.’ Beau draaide zich om en liep, met zijn kop naar beneden, terug naar het huis. Altijd als hij zich gekrenkt voelde, vond Beau wel iets waar hij naar kon kijken, en deze keer was het de zijkant van het huis. Hij ging met zijn kop naar de zijmuur van het huis liggen en hij weigerde op te kijken. Hij was een felle vechtersbaas, maar iemand in het gezin hoefde zijn stem maar tegen hem te verheffen of hij kon al een halve dag met zijn gezicht naar de muur gaan liggen. ‘Het spijt me, Beau, maar het is echt je eigen schuld.’ Toen Lanie langs de grote walnotenboom liep die aan de oostkant van het huis stond, hoorde ze stemmen en keek naar boven. 16


Cody had het plan opgevat om een enorme boomhut te bouwen in de laagste takken en het afgelopen jaar was hij, met de hulp van Davis, zijn oudere broer, druk in de weer geweest met het verzamelen van oud hout. Die twee sleepten elk stukje hout dat ze maar konden vinden naar huis en inmiddels had de boomhut een vloer, vier muren en een dak. Er zat zelfs een raam in. De deur had Davis opgescharreld bij de vuilstort van de stad. Lanie keek naar boven. Toen nam ze snel een besluit en klom de ladder op, helemaal naar de hut. Ze hoorde Maeva giechelen en Cody lachen. Toen ze de deur opendeed, ving Lanie de geur van rook op. Haar ogen werden smalle spleetjes en ze stapte naar binnen. ‘Zitten jullie hier te roken?’ ‘Tuurlijk zitten we te roken! Neem ook een trekje’, zei Maeva. Maeva Elizabeth Freeman was een jaar jonger dan Lanie, maar op de een of andere manier leek ze ouder. Ze was een rouwdouwer, nergens bang voor, ijzersterk en ze zat altijd vol streken. Daar zat ze, met groene ogen die schitterden en een zelfgedraaide sigaret van maïshaar tussen haar lippen. Ze nam een trekje en blies de rook uit. ‘Wil jij er ook een, Lanie?’ ‘Nee, ik wil niet roken!’ Lanie walgde ervan. Cody keek een beetje beschaamd weg, maar Maeva niet. Cody en Maeva hadden maïshaar geplukt uit de groene maïskolven die in de tuin stonden. Daarna hadden ze het uitgespreid op het tinnen dak van de schuur en het laten drogen tot het bros en bruin was. Vervolgens hadden ze het maïshaar in echte vloeitjes gerold die ze wie weet waar vandaan gehaald hadden. Maeva grijnsde. ‘Wil je zien hoe ik een cirkel van rook maak?’ ‘Nee, dat hoef ik niet te zien en als papa erachter komt wat jullie uitspoken, dan krijgen jullie een pak slaag!’ ‘Ga je het vertellen dan?’ vroeg Cody met een bezorgde uitdrukking op zijn gezicht. ‘Nee, ik ben geen klikspaan, maar jullie twee moeten wel naar 17


beneden komen. Cody, ga nog wat extra hout halen. Maeva, jij moet me helpen bij het avondeten.’ Lanie klom naar beneden en de twee anderen volgden haar. ‘Ga je een kip slachten?’ vroeg Cody. Hij streek met zijn hand door zijn haar en grijnsde breed. ‘Ik zou het wel leuk vinden om die tobbers weer te zien rondrennen als hun kop er net af is! Hoe kunnen ze nou lopen zonder hoofd? Ze zien niet eens waar ze heengaan.’ ‘Dat is walgelijk! Het is niet grappig om een dier dood te maken’, zei Lanie. ‘Ik vind van wel’, zei Cody. ‘Ik blijf kijken.’ ‘Als jij zo van dode kippen houdt, mag je hem wel plukken als hij straks dood is!’ ‘Weet je wat? Ik ga een kippenplukker uitvinden.’ Cody vertrok zijn mond naar één kant. ‘Daar kan ik wel een miljoen dollar mee verdienen.’ Maeva snoof af keurend. ‘Dat gaat je echt niet lukken, een kippenplukker uitvinden!’ ‘Echt wel!’ Terwijl de twee bleven ruziën, liep Lanie naar de kippenren. Die was afgezet met gaas en er zat een leghok aan de binnenkant. Ook al was Beau een goede waakhond, het bleef een heel gevecht om vossen, wasberen en ander ongedierte buiten de ren te houden. Ze deed het hek open, ging naar binnen en de kippen verzamelden zich, kakelend en met bewegende koppen, om haar heen. De moed zonk haar in de schoenen. Ze had elke kip een naam gegeven. Ze hield ervan om de dieren een naam te geven, maar dat maakte het wel moeilijker om ze te slachten. ‘Welke ga je doodmaken?’ vroeg Cody. ‘Het maakt niks uit’, zei Maeva. ‘Het zijn maar kippen.’ Snel nam Lanie een besluit. Lucille legde al een tijdje niet zo best meer. Ze bukte zich en pakte de kip bij de nek op. Het dier liet een verrast gekakel horen. Snel en behendig draaide Lanie de 18


kip rond. De kop was los van het lijf en Lucille viel op de grond. Ze stond meteen weer op en begon precies zo rond te rennen als Cody had gezegd. Met af keer keek Lanie naar de kop in haar hand. De ogen leken haar verwijtend aan te kijken. Ze rilde en liet de kop vallen. ‘Moet je kijken hoe die rent, zeg!’ zei Cody vol bewondering. ‘Zou het pijn doen, denk je?’ Lanie keek verstoord. ‘Zou jij pijn hebben als iemand je hoofd eraf draaide?’ Ze liep richting de kip die inmiddels stil op de grond lag. ‘Je hoeft je niet naar te voelen’, zei Maeva. ‘God heeft de kippen geschapen zodat wij ze kunnen opeten.’ ‘Ik kan het niet helpen. Ik hou er niet van om een dier dood te maken.’ Maeva pakte de kippenkop van de grond en keek ernaar met een klinische blik. Daarna smeet ze hem weg, richting de wei. Ze gooide als een jongen, hard en nauwkeurig, en ze bleef kijken tot de kop neerkwam op de grond. ‘Ik zou er echt niet mee zitten. Voortaan maak ik ze wel dood.’

19


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook