Sam Snel werkt over Israël. Hij kleurt een mooie plaat. ‘Kijk Sam’, wijst juf, ‘dit is het land waar het vandaag om gaat.
God gaf dit land aan Abraham, die mocht er dus in wonen. Ook Izak hoorde daar al bij, en Jakob met zijn zonen.’
Sam pakt een velletje papier met Joodse tekst erop. Omdat hij nog niet lezen kan, houdt hij het op zijn kop.
‘O, o’, zegt juf, ‘draai het maar om en plak het stevig vast aan deze rolletjes karton. ’k Weet zeker dat het past.’