1. Het verlies van een kind: oorzaken en cijfers Een advertentie Rouwadvertenties. Dagelijks staan ze in de krant. Meestal betreft het oudere mensen. We nemen er kennis van. We staan er misschien even bij stil, maar dan lezen we weer verder. Tenzij ons oog valt op de advertentie van een kind. Dat is anders. Dat raakt ons hart. Ook als we het kind niet kennen. Wat zou er gebeurd zijn? Wat verschrikkelijk voor die ouders!. Als dat eens in ons gezin zou gebeuren, met ĂŠĂŠn van onze kinderen?
En nu, wat verwacht ik, o Heere? Mijn hoop die is op U. Psalm 39:8 Met grote verslagenheid en diepe droefheid delen wij u mee dat de Heere, na vijf dagen van hoop en vrees, uit ons midden heeft weggenomen ons lieve zoontje en broertje, onze
Menno op de leeftijd van 5 jaar Sterke de Heere ons in dit grote verlies Jeroen en Machteld Groenewegen-Kloosterman Annelien, Andries, Paul en Lieke 8 april 2017
15
Een advertentie zoals die van Menno is niet zomaar een advertentie. Er is een kind gestorven, nog maar aan het begin van zijn leven. Een kind van vijf jaar, de jongste in het gezin. Een vrolijk, actief kind, altijd in beweging, steeds op onderzoek uit. Die zaterdagmiddag speelde hij met zijn vriendje in de voortuin met een bal. Op een gegeven moment vloog de bal over de afscheiding heen. Menno maakte het hekje open, liep over het trottoir zomaar de weg op, de bal achterna. Daar werd hij gegrepen door een auto. De buren zagen het gebeuren. Ze belden direct de alarmdienst en waarschuwden z’n ouders. Menno werd naar het ziekenhuis gebracht, zwaar gewond. Daar heeft hij nog vijf dagen geleefd, na twee operaties. Ongelooflijk zware dagen voor zijn vader en moeder, broertjes en zusjes. Herinneringen die zij voor altijd met zich mee dragen. Ouders verliezen een kind. Kinderen verliezen hun broertje of zusje. Opa’s en oma’s hun kleinkind. Een kind dat nog alles voor zich heeft, dat nog lang niet volwassen is, sterft. Dat is onnatuurlijk. Dat gaat tegen alle verwachtingen van mensen in. Dat is misschien wel het ergste wat mensen kan overkomen, het moeilijkste om mee verder te leven. Menno. Achter die ene naam, achter die ene advertentie, gaat een wereld van verdriet schuil.
Cijfers en oorzaken Menno is een van de kinderen in Nederland die vroegtijdig om het leven komen door een ongeluk. Of die sterven als gevolg van een plotselinge ziekte of na vele jaren van ziekenhuisopnamen, operaties, chemokuren, aanvankelijk herstel en hoop die uiteindelijk toch de bodem is ingeslagen.
16
Om een indruk te geven van de omvang van al dit leed geven we enkele cijfers en oorzaken van sterfte onder kinderen. Achter deze onpersoonlijke gegevens staan de namen van kinderen die in de herinnering van velen voortleven. De gegevens zijn ontleend aan het Statistisch Jaarboek 2015 van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Zij hebben betrekking op doodsoorzaken bij kinderen en jongeren in met name 2014 en in de periode vanaf 2006. Wie in die tijd een kind heeft verloren, zal het vreemd te moede zijn dat dit kind nu deel uitmaakt van deze cijfers.
700 600 500 400 300 200 100 0
j
m
0 jarigen
j
m
1-4 jarigen
j
m
5-9 jarigen
j
m
j
m
10-14 jarigen 15-19 jarigen
Linker kolom jongens, rechter kolom meisjes; Onderste helft: sterfte door ziekte, bovenste helft: sterfte door ongeval.
Sterfte bij kinderen in 2014 (bron: CBS)
In de grafiek zijn de doodsoorzaken over 2014 onderverdeeld in ziekten en ongevallen per leeftijdsgroep voor jongens en meisjes. Bij ongevallen moeten we denken aan verkeersongevallen, verdrinking en ongelukken in en rondom het huis, zoals een val van de
17
trap, het eten en drinken van gevaarlijke stoffen, enzovoort. Uit de cijfers blijkt dat het sterven van kinderen van 0-14 jaar meestal wordt veroorzaakt door ziekten. Een kleiner aantal kinderen sterft als gevolg van een ongeval. Alleen bij de oudste groep van 15 tot 19 jaar gaat dit niet op. Het is schokkend om te zien dat bijna de helft van deze jongeren sterft als gevolg van een ongeval, meestal in het verkeer. Hierbij zijn vooral jongens betrokken. Er sterven in Nederland gemiddeld meer jongens dan meisjes. Het overgrote deel van de sterfte onder kinderen tussen 0-14 jaar betreft baby’s. Zij overlijden met name aan aangeboren afwijkingen (prenatale oorzaken, zoals bijvoorbeeld hartafwijkingen en ernstige handicaps) en aan aandoeningen die ontstaan tijdens de geboorte (perinatale oorzaken, zoals bijvoorbeeld infecties). In het eerste levensjaar sterft een klein aantal baby’s als gevolg van wiegendood. De oorzaak van wiegendood is nog steeds niet met zekerheid vast te stellen. Men vermoedt wel dat het samenhangt met een stoornis in het ademhalingscentrum in de hersenen. Wanneer een baby onvoldoende ademt of even stopt met ademen, krijgt hij geen nieuwe ademhalingsprikkel waardoor hij opnieuw of sneller zou gaan ademen. Maar misschien is dit niet de enige oorzaak. Een kind verliezen door wiegendood is voor ouders moeilijk te verwerken, juist omdat voor het plotseling overlijden geen echte verklaring te geven is. Kinderen die als gevolg van een miskraam ter wereld komen en kinderen die kort voor de bevalling sterven zijn niet in het sterftecijfer van baby’s meegerekend. Het betreft kinderen die niet levensvatbaar geboren zijn, onder andere door ernstige aangeboren afwijkingen, zoals een open ruggetje. Toch willen we ook deze
18
kinderen noemen. De indruk wordt nog wel eens gewekt dat het sterven van zo’n heel klein kindje voor ouders gemakkelijker te dragen is dan het sterven van een ouder kind. We moeten hier uiterst voorzichtig mee zijn. Het verlies van een kindje vóór of kort na de geboorte brengt specifieke moeilijkheden met zich mee. We zullen nog zien dat in de verwerking van het verlies van een kind herinneringen een grote rol spelen. Bij een miskraam of bij het overlijden bij de geboorte is er nauwelijks sprake van een herinnering aan (het uiterlijk van) de baby. Dit betekent dat ouders rouwen om een kind waar zij zich moeilijk een voorstelling van kunnen maken. Dit bemoeilijkt het rouwen, temeer omdat het niet gedeeld kan worden met anderen die het kindje helemaal niet gekend hebben. Door omstanders wordt het kind immers niet gemist. Dit versterkt het gevoel van ouders dat zij er in hun verdriet alleen voor staan. In de periode 2006-2015 overleden in totaal ongeveer 10.000 kinderen. Daarvan stierven 820 kinderen aan een vorm van kanker, voornamelijk hersenkanker en leukemie. Dat betekent gemiddeld 82 kinderen per jaar of bijna 7 kinderen per maand. Tussen 2006 en 2015 kwamen meer jongens (447) dan meisjes (373) te overlijden aan kanker. Leukemie en lymfeklierkanker komen vaker bij jongens voor dan bij meisjes. Kijken we nog een keer naar de grafiek over 2014, dan zien we in de periode vanaf 1 jaar (als kinderen gaan lopen) een toename van ongevallen, vooral weer bij jongens. Op de peuter- en kleuterleeftijd zijn kinderen vaak ondernemend (zoals Menno). Bovendien zien zij nog geen gevaar, met alle risico’s van dien. Het aantal kinderen dat op die leeftijd verdrinkt, is aanmerkelijk groter dan
19
bij oudere kinderen (die al hebben leren zwemmen). Verdrinking komt het meest voor bij kinderen van 2 jaar. Bij jongetjes van 2 tot 5 jaar is verdrinken zelfs de belangrijkste doodsoorzaak. In de meeste gevallen gaat het om peuters en kleuters die in een vijvertje in de tuin of in water vlak bij de woning zijn gevallen. Veel minder vaak zijn het oudere kinderen van 5 tot 10 jaar. Kinderen die op die leeftijd verdrinken konden nog niet goed zwemmen en komen om in open zwemwater of in het zwembad. Bij vijf- tot veertienjarige kinderen is het sterftecijfer het laagst. De hele kindertijd overziend is het aantal ongevallen onder basisschoolkinderen het laagst. In de periode tien tot en met veertien jaar neemt dit aantal weer enigszins toe. We zien dan vooral een stijging van het aantal overleden kinderen als gevolg van een verkeersongeval. Dit aantal stijgt in de periode 15 tot 20 jaar nog verder. In vergelijking met de andere leeftijdsgroepen, uitgezonderd de nuljarigen, is dit erg veel. De stijging wordt vooral veroorzaakt door het hoge aantal verkeersongelukken, met name weer bij jongens. Een andere doodsoorzaak is zelfdoding bij pubers en jongeren. Aan de ontreddering in gezinnen die hiervan het gevolg is, besteden we in dit boek geen aandacht. We verwijzen daarvoor naar het boek Jong en depressief (zie literatuurlijst).
Achter de cijfers In dit boek proberen we te ontdekken wat er achter deze sterftecijfers van kinderen schuil gaat. Wat gaat er om in het leven van vaders en moeders die net als de ouders van Menno een kind verloren hebben? Hoe kunnen omstanders (familie, vrienden, ambtsdragers en gemeenteleden) met hen meeleven? Hoe kunnen ouders hun
20
andere kinderen tot steun zijn bij het verlies van een broertje of zusje? Dat proberen we te weten te komen. Omdat in het contact met ouders die een kind verloren hebben ‘goed luisteren’ misschien wel het allerbelangrijkste is, laten we in de volgende drie hoofdstukken eerst ouders aan het woord die vertellen over het sterven van een kind bij de geboorte (hoofdstuk 2), na een langdurige ziekte (hoofdstuk 3) en als gevolg van een verkeersongeluk (hoofdstuk 4). We luisteren naar hun verhaal en proberen te begrijpen wat er in hen en in hun gezin omgaat.
21