Hoofdstuk 1
September 2010 ‘Roos!’ Er klinkt een harde brul vanaf een container. ‘Tijd geleden, Roos! Kom je me helpen?’ Roos loopt door het winkelmagazijn en speurt langs de rij containers waar de stem vandaan komt. Een jongen met rood piekhaar zit op zijn knieën boven op de achterste container. ‘Hé Bas! Wat doe jij daar zo hoog?’ Ze grinnikt: ‘Ben je wat kwijt? Je USB-stick misschien?’ ‘Ho even, ander onderwerp.’ Hij trekt een gek gezicht. ‘Dat is precies één keer gebeurd en nou moet ik het mijn hele leven aanhoren!’ ‘Zielenpiet.’ ‘En uiteindelijk was dat stickie niet eens in de container tussen de snoepzakken gevallen, maar zat hij gewoon in mijn andere broek.’ ‘Slimmerd.’ ‘Kan je wel zeggen, ja. Maar Roos, ik zoek zelfrijzend bakmeel. Het huismerk. Een klant vraagt erom en het moet in deze container zitten. Kan jij er niet even bovenop klimmen? Jij was toch altijd zo lenig?’ Wás. Dat zeg je goed, denkt Roos. Toen ik dit strakke har5
nas nog niet had. Automatisch duwt ze haar handen even tegen haar buik. Die geeft geen millimeter mee. Ze voelt de koude, keiharde brace, die als een koker om haar lichaam zit en ervoor moet zorgen dat haar rug recht gaat groeien. ‘Zoek het zelf maar uit’, zegt ze. ‘Nou was ik zo blij dat jij eraan kwam en dan help je me niet eens?’ ‘Ik werk hier niet meer.’ ‘Maar dan kan je je arme ex-collega toch wel even bijstaan?’ Ze schudt haar hoofd. Bas wijst met zijn vinger naar beneden. ‘Aha, ik weet het al. Je durft niet. Je bent bang dat je eraf valt en je been breekt of zo. En dan krijg je niks vergoed, omdat de Jumbo jou niet meer in de bedrijfsongevallenverzekering heeft. Dat is het!’ ‘Ja, dat zal het zijn. Zoek jij je bakmeel nou maar op. Volgens mij hoor ik ergens een mevrouw hysterisch gillen, omdat jij nog steeds niet met haar boodschap op komt dagen!’ Als Roos door het magazijn naar achteren loopt, verdwijnt de grijns langzaam van haar gezicht. Al zou ze nog zo graag willen, het zou niet eens meer lukken om op zo’n container te klauteren. Vanaf haar nek tot haar heupen wordt haar rug in bedwang gehouden. Hoe kan je dan nog ergens in klimmen? Wrevelig schuift ze de tussendeur naar de winkel open. Met al haar gezeur heeft mam het uiteindelijk wel bij het rechte eind gehad. Ook al wilde zijzelf er eerst niet naar luisteren, toch heeft ze een paar weken geleden haar baantje opgezegd. Hoe zou ze ooit nog in de supermarkt kunnen werken met zo’n brace om haar lijf? 6
Als Roos de winkel binnenstapt, kijkt ze meteen alle stellingen langs. Zal Tim wel werken? Het zal toch niet zo zijn dat hij vanmiddag vrij heeft? Juist nu zij vandaag nog eens op haar oude werkplek komt kijken? Op school heeft ze hem de eerste week na de zomervakantie nog niet gezien. Waarschijnlijk heeft de parallelklas waar hij in zit een heel ander rooster. Echt vervelend. Wanneer kan ze hem dan eens spreken en hem aan zijn belofte houden? In de laatste schoolweek had hij haar in de schoolgang staande gehouden en zijn hand op haar schouder gelegd. ‘Zullen we samen een keer in de stad gaan chillen? Als jij straks niet meer bij de Jumbo werkt, zien we elkaar zo weinig.’ Zijn donkerbruine ogen keken haar warm aan. Ze voelde haar wangen rood worden. Als hij dat maar niet zou zien … Spontaan had ze gereageerd: ‘Ja, leuk! Doen we! Zeg jij wanneer?’ ‘Na de vakantie, je hoort het wel.’ Ze had hem nagestaard toen hij bij de kluisjes vandaan de gang verder in liep. ‘Yes!’ had ze zachtjes gefluisterd. Haar vuisten had ze van plezier samengebald. Maar dat was een week voor de zomervakantie gebeurd. En nu is het alweer halverwege de tweede schoolweek en nog steeds heeft ze niets van hem gehoord. Woensdagmiddag is het vaste prik dat er een bepaalde groep vakkenvullers in de Jumbo werkt. Tim is daar bijna altijd bij. Net als zijzelf. Totdat ze die brace kreeg. 7
Naast de flessenautomaat wil Victor net de lamellen opzij duwen om naar achteren te gaan als zij langs hem loopt. ‘Hé Roos! Leuk je te zien! Kom je toch weer terug?’ ‘Nou nee, dat denk ik niet. Ik kwam zomaar even langs.’ ‘Ik zie je straks wel bij de koffie!’ Hij duwt de lamellen opzij en direct daarna hoort ze hem rommelen bij de flessen. Langzaam loopt ze een pad in en kijkt bij iedere hoek of het donkerbruine hoofd van Tim opduikt. Zal hij dan toch vrij hebben? Bij de zuivelafdeling zit Marieke op haar hurken en zet yoghurtbekers op de juiste plaats. Het is rustig in de winkel. Roos sluipt op haar sneakers dichterbij en tettert opeens in haar oren: ‘Hoi Marieke!’ ‘Hé! Help!’ Van schrik verliest Marieke haar evenwicht. Als ze op de grond zit, kijkt ze verbaasd omhoog. ‘Roos! Ik schrik me lam! Jij hier?’ ‘Yep. Even inspecteren of jij je werk wel goed doet!’ ‘O, leuk dat je er bent! Kunnen we weer eens lachen. Ga je straks mee koffiedrinken? Ik heb over twintig minuten pauze. Eerst deze bekers nog en dan de rest van die kar.’ ‘Zal ik even helpen?’ ‘Graag. Of eh, nee …’ ‘Wat? Denk je dat ik het niet meer kan?’ ‘Tuurlijk wel. Maar eh …’ Roos schudt haar hoofd en gaat op haar knieën op de vloertegels zitten. ‘Zal ik even spiegelen? Dit hele vak zeker nog?’ Meteen steekt ze beide handen naar voren en zet de pakken pap en melk in het gelid. Het ene pak een millimeter 8
naar voren, het andere twee millimeter naar achteren, totdat alles in een strakke lijn staat. Dan komt ze moeizaam overeind en inspecteert het resultaat. ‘Zo, netjes toch? En wat nu? Die container verder leegruimen? Zal ik alvast met die potten vis beginnen?’ ‘Nee! Of nou ja …’ Geërgerd kijkt Roos naar Marieke. ‘Wat is het nou? Wil je niet dat ik je help? Denk je dat ik het verleerd heb?’ Met een diepe zucht haalt Marieke een doos uit de container. ‘Nee joh, jij doet niks fout, maar ik. Zet jij de vis neer? Dan pak ik de worst. Maar let alsjeblieft goed op de houdbaarheidsdatum.’ ‘Doe ik toch altijd?’ ‘Ja. Jij wel. Maar ik niet.’ Terwijl Marieke de oude worsten uit het vak haalt en de nieuwe achteraan neerlegt, vertelt ze: ‘Het was mijn eigen schuld. Ik moest de hele week de visproducten doen. Maar ik had het die week heel druk, ik moest ’s avonds twee toetsen leren. Nou ja, ik denk dat ik daarom mijn hoofd er niet helemaal bij had. In ieder geval had een klant ernstige buikklachten doordat de haring in roomsaus over de datum was. Voedselvergiftiging. Berend was laaiend. Ik heb hem nog nooit zo kwaad gezien. Ik werd enorm uitgefoeterd en daarna kreeg het hele team nog eens een beurt. Maar ja, het was natuurlijk ook verschrikkelijk dom van mij.’ ‘En die klant?’ ‘Kreeg geld terug en een bloemetje. Vandaar dat ik tegenwoordig ieder visproduct minstens twee keer check op de 9
houdbaarheidsdatum. Dat moet me niet nog een keer overkomen!’ ‘Snap ik.’ Met moeite zet Roos de laatste pot op de juiste plaats. Haar brace zit gruwelijk in de weg. Lastig dat ze niet meer normaal naar voren kan buigen. Ze krabbelt overeind. Hoe krijgen andere bracedragers het voor elkaar om wel in een winkel te kunnen blijven werken? In het blad van de scoliosevereniging vertellen sommige meiden dat toch? Haar lukt het niet, werkelijk niet. Nu heeft ze nog maar een paar dingen gedaan en dat voelt al heel vervelend. In gedachten hoort ze haar moeders woorden: ‘Rosalie, het is echt beter dat je gaat stoppen bij de Jumbo. Al dat bukken en sjouwen is heel slecht voor je rug.’ Hoe vaak zal mam dit niet gezegd hebben? O, wat heeft ze een hekel aan dat gedram. Maar ze moet het in ieder geval wel toegeven: het vakken vullen lukt haar niet meer. Ze rekt zich uit. ‘Ik loop nog even door de winkel, Marieke. Zie je zo in de kantine.’ Tim is er niet. Vast niet. Ze heeft gewoon domme pech. Langzaam slentert Roos naar de kassa’s. Zal Wieneke er zitten? Met haar had ze regelmatig een leuk praatje. Het is nog steeds niet druk in de winkel, zodat ze tijd genoeg hebben voor een gezellige babbel. ‘Hé! Ho!’ Haar voet glibbert over de natte vloer. Ze zwaait met haar armen en gaat bijna onderuit. 10
‘Roos!’ Bruine ogen kijken omhoog. Donkere haren zwaaien naar achteren. ‘Hé Tim!’ Een brede glimlach verschijnt op zijn gezicht. Hij zit op zijn hurken naast een emmer met water en houdt een dweil in zijn handen. Een witte plas ligt op de vloer. Een paar tellen weet Roos niet wat ze moet zeggen, maar dan flapt ze eruit: ‘Kon je het weer niet laten? Ben je weer aan het knoeien?’ ‘Ho even! Een klant smeet met dat pak melk en …’ ‘Ja, ja, dat zeggen ze allemaal!’ ‘Wat?! Wou je zeggen dat ik …’ ‘Ja, tuurlijk!’ Roos grijnst en bauwt de stem van de chef na: ‘Mensen, voorzichtig omgaan met de artikelen. Niet knijpen in de pakken chips.’ Met een ondeugend gezicht voegt ze eraan toe: ‘En in de pakken melk.’ ‘Kijk uit, meisje!’ dreigt Tim terwijl hij met de druipende dweil overeind komt. Zijn ogen schitteren. ‘Roosje, ik zou maar op mijn woorden passen!’ ‘Help!’ Direct draait Roos zich om en wil ervandoor rennen, maar botst tegen Victor op. ‘Waar wou jij naartoe gaan?’ Meteen hoort ze de doffe klap van de dweil tegen haar lijf. De spetters vliegen in het rond. Maar ze voelt er niets van. In een flits schieten de woorden van haar vader door haar heen: ‘Elk nadeel heb zijn voordeel.’ 11
Ha, de brace is zeker een groot nadeel, maar hij heeft als voordeel dat ze lekker geen nattigheid op haar lijf voelt. Net als ze zich wil bukken om de dweil op te rapen, is Tim haar voor. Met de vieze dweil loopt hij terug naar de emmer en gaat verder met zijn klus. ‘Ik krijg je nog wel!’ roept ze hem toe. ‘We zullen het zien’, grijnst hij. ‘Roos, we hebben je gemist. Nou hebben we tenminste weer iemand om te plagen!’ Over vijf minuten begint de koffiepauze. Nog net een momentje tijd voor Wieneke, die vanaf de eerste kassa glimlachend naar haar zwaait. ‘Zo, goed te merken dat het jonge grut weer terug is. Je brengt leven in de brouwerij!’ merkt ze op. ‘Ja, oude dame’, grapt Roos, ‘maar alleen voor vanmiddag. Ik heb nog geen huiswerk en kom hier zomaar even kijken. Gaat het goed met jou en je kids?’ ‘Prima hoor. Robin zit sinds vorige week op school. In groep 1. Hij heeft het geweldig naar zijn zin en de juf is de liefste van de hele wereld.’ ‘Op zijn moeder na toch zeker?’ Wieneke lacht maar wat en keert zich naar de oude dame die rustig haar boodschappen op de band neerlegt. Roos kent haar wel en biedt aan om haar tas in te pakken. ‘Graag’, zegt ze. ‘Gelukkig staat service hier nog hoog in het vaandel. Kijk meisje, hier is mijn tas.’ Netjes stopt Roos de artikelen erin. Wacht, is dat mevrouws portemonnee? 12
‘Alstublieft, deze zat er nog in.’ ‘O dankjewel kind. Ik word wat vergeetachtig. Dat is toch zo lastig. Gistermiddag was ik vergeten om het dakraam dicht te doen en raad eens wat ik op mijn bed ontdekte?’ ‘Een inbreker’, lacht Roos. ‘Een takje’, raadt Wieneke. De dame schudt haar hoofd. ‘De poes van de buren. En het erge is dat hij wel vaker naar binnen komt. Door het poezenluikje, en dan eet hij alle brokjes van mijn Snorhaartje op.’ Zo verontwaardigd mogelijk schudden Roos en Wieneke hun hoofd. Prachtig, die verhalen van de vaste klanten. Vanuit haar ooghoek ziet Roos op de klok dat het halfvier is. ‘Koffietijd. Ik ga alvast naar de kantine.’ ‘Special for you.’ Ze ziet de woorden direct als ze binnenkomt. Geschreven op een papiertje dat tegen een reusachtige moorkop staat. Speciaal voor haar. ‘Wisten jullie nog dat ik daar gek op ben?’ ‘Tuurlijk’, grijnst Tim. ‘Maar waaraan heb ik dat verdiend?’ ‘We hebben je gemist. Dat zei ik toch al?’ Op Tims gezicht ligt een enorme glimlach. Zo ongeveer van oor tot oor. ‘En omdat je in het ziekenhuis hebt gelegen’, zegt Bas. ‘Een week lang toch?’ vraagt Marieke. Roos knikt. Er trekt een warm gevoel door haar heen. Alles is anders, omdat ze nu alleen maar op bezoek komt bij de Jumbo. En toch lijkt het alsof ze nooit is weggeweest. 13
‘Wat is er nu precies met je gebeurd?’ vraagt Bas. Ze neemt een slok van haar koffie en speelt met het vorkje in haar hand. Dan vertelt ze: ‘Jullie weten toch dat ik scoliose heb? Dat is een zijwaartse verkromming van de wervelkolom. Fysiotherapie hielp niet genoeg en de dokter besliste dat ik een brace moet dragen. Hopelijk duwt die de ruggenwervels weer een beetje in de goede stand.’ ‘Wat houdt zo’n brace in?’ vraagt Bas. ‘Heb je die nu ook om?’ Allemaal kijken ze Roos aan. Ze knikt. ‘Hoor maar.’ Met de achterkant van haar gebaksvorkje tikt ze op haar lijf. Dan gaat ze staan en valt met een plof neer op de houten stoel. Tok! klinkt het. ‘Hoe groot is die brace?’ vraagt Marieke schuchter. Roos pakt haar hand. ‘Voel maar. Vanaf mijn oksels tot de stoel.’ Als ze de belangstellende blikken om zich heen ziet, vervolgt ze: ‘Hij is van kunststof, een paar millimeter dik. En ik moet hem zeker een jaar dragen.’ ‘’s Nachts mag hij toch wel af?’ Tot nu toe heeft Tim niet veel gezegd. Dit is de eerste vraag die hij stelt. Ze schudt haar hoofd. ‘Nee. Ik moet hem drieëntwintig uur dragen. Hij mag een uurtje af om te douchen of zo. Of om te sporten.’ ‘Hoe hou je het uit!’ kreunt Tim. Roos knikt. Ja, dat vraagt ze zichzelf ook af. Als ze zou zeggen dat hij knelt, dan is dat nog zachtjes uitgedrukt. Zal het 14
haar lukken om hem zo veel uur op een dag te blijven dragen? Er zit nu al een plekje op haar rug dat helemaal beurs aanvoelt. Maar het móét. Het kan niet anders. ‘Ik vond je rug helemaal niet krom’, merkt Victor op. ‘En je had toch nooit rugpijn? Waarom moet dat dan?’ Roos zucht eens diep. Hoe moet ze het nu precies uitleggen? Maar Marieke is haar voor. ‘Heb je die man weleens gezien die zó loopt?’ Ze staat op, buigt haar hoofd naar beneden, zodat haar kin op haar borst hangt. Victor knikt. ‘Ja. Die heeft de grootste moeite om de producten op de plank vóór zich te zien. Hij kan alleen maar naar beneden kijken.’ ‘Nou, zo zou Roos haar rug worden als ze er niks aan doet. Toch, Roos?’ Roos knikt. Met verlangende ogen kijkt ze naar de moorkop. Ze heeft er echt zin in. Al dat gezeur over haar rug. Als ze die moorkop nu maar op kan krijgen. Door de brace zit ze al snel propvol en krijgt ze soms een gevoel alsof ze moet overgeven. Gelukkig, Victor en Bas beginnen te praten over de containers die nog moeten worden uitgeruimd. Maar wat zit Tim haar nou aan te staren? Ze prikt een groot stuk van de chocoladesoes op haar vork en schept er flink wat slagroom bij. Mmm … Dat wordt genieten! Ze wil net een enthousiaste kreet uitstoten, maar dan proeft ze het witte spul. Haar mondhoeken trekken naar beneden. Ze knijpt haar ogen halfdicht van de vieze smaak en spuugt het stuk moorkop op haar schoteltje uit. 15
‘Ughr’, gruwt ze. Meteen vallen haar de lachende gezichten van Tim en Bas op. ‘Gemenerds!’ roept ze uit. ‘Zijn jullie weer bezig geweest? Wat hebben jullie erin gestopt? Vertel op! Marieke, weet jij het?’ ‘Ik weet van niks.’ Marieke spreidt haar handen voor zich uit. ‘Ik zie hier alleen een fles haarmousse staan, maar ik weet niet of …’ Met een zwaai heeft Roos de fles te pakken en houdt hem boven Tims hoofd. ‘Wou je je haar in model hebben? Dat doet Roos graag voor je! Je zegt het maar!’ Meteen spuit ze een flinke lading op zijn haar en op zijn shirt. Lachend duwt Tim haar van zich af. ‘De pauze is voorbij!’ Hij schuift zijn stoel naar achteren en rent ervandoor. Vanuit de verte roept hij: ‘Er staat een goede in de kast achter je!’ Roos spoelt haar mond bij de kraan. Nog nalachend pakt ze de nieuwe moorkop. Die zal toch wel te vertrouwen zijn? Ze valt op haar stoel neer en neemt voorzichtig een hapje. Mmm, deze is echt heerlijk. Geweldig, het is hier nog net als eerst. Kon ze maar iedere week even komen buurten, maar dat zou misschien een beetje vreemd overkomen. Kon ze hier nog maar gewoon de vakken vullen … Ze waagt het erop. Als iedereen weer aan het werk is, loopt ze Tim achterna. Hij is buiten bezig om een rij winkelwagens netjes neer te zetten. Onmiddellijk helpt ze hem met de andere rij. 16
‘Bedankt, Roos, ben je niet meer boos?’ rijmt hij. Ze schudt haar hoofd. Plotseling kijkt ze hem vrijmoedig aan en vraagt: ‘En, wanneer gaan we?’ Even kijkt hij verbluft. Dan komt er een brede glimlach op zijn gezicht en knikt hij. ‘Ja, wij gaan wat afspreken!’ Het gekke is dat de glimlach opeens weer wegtrekt. Hij fronst zijn wenkbrauwen. ‘Ik zou wel willen’, zegt hij, ‘maar …’ ‘Wat “maar”? We zouden toch een keer samen naar de stad gaan?’ ‘Weet ik. Wil ik ook.’ ‘Nou dan!’ Hij schopt tegen een blikje dat op de grond ligt en volgt het met zijn ogen als het onder een winkelkar rolt. Dan kijkt hij haar aan. ‘Ik wil geen ruzie met je moeder krijgen.’ ‘Wat?’ Haar ogen worden groot. ‘Mijn moeder? Wat heeft die hiermee te maken?’ ‘Vorige week, op de openingsavond van school, stond mijn moeder tijdens de pauze een poosje met de jouwe te praten.’ ‘O. Niks van gemerkt. Ik was zeker met mijn klasgenoten aan het kletsen.’ ‘Maakt niet uit. Ik heb het ook niet gezien. Maar toen we thuis waren, zei mijn moeder dat ze in de kantine heel gezellig had staan praten. Met de moeder van ene Rosalie. “Dat meisje zit in klas 4C”, vertelde ze. Ik natuurlijk aan het peinzen. “Rosalie? Nou mam, ik ken iedereen uit 4C, want we 17
zijn vorig jaar met die klas op werkweek geweest en ik weet zeker dat daar niemand in zit die Rosalie heet.”’ Roos grinnikt. ‘Ha ha, dat is een goeie! Officieel heet ik echt Rosalie, maar de enige die me zo noemt, is mijn moeder. Ik kan het niet aan haar verstand gepeuterd krijgen dat ik Roos een veel leukere naam vind. Ze blijft stug volhouden met Rosalie … Nou ja, laat maar. Móéders!’ Roos draait even met haar ogen. ‘Toen zei mijn moeder dat ze met haar achternaam Van Dalen heette en wist ik natuurlijk dat jij het moest zijn’, gaat Tim verder. Roos knikt. ‘Hé, maar wat had je nou over ruzie krijgen met mijn moeder?’ ‘O ja.’ Tim strijkt zijn haar naar achteren en aarzelt even. Dan zegt hij: ‘Jouw moeder zei dat ze jou nog veel te jong vindt om met jongens om te gaan.’ ‘Wat?! Dat meen je niet!’ Verlegen kijkt Tim haar aan. ‘Toch wel. Mijn moeder verzon het niet. Ze hadden het over klassenavonden en zo. En over jongens en meiden. Niet per se over ons, want ik denk dat ze niet eens weten dat wij allebei bij de Jumbo werken. Het ging over het omgaan met elkaar van jongens en meiden. En toen zei jouw moeder dat.’ Het lijkt alsof Roos’ ogen vuur spuwen. ‘Niet normaal! Hoe komt ze erbij! Belachelijk! Je kan als jongen en meisje toch gewoon met elkaar optrekken? Waar slaat dat nou op?’ Een man duwt zijn winkelwagentje in de rij en kijkt haar fron18
send van opzij aan, maar Roos merkt er niets van. Tim wrijft zachtjes over haar bovenarm. ‘Rustig nou maar, Roos, ik wist niet dat je zo kwaad zou worden.’ ‘Kwaad? Ik ben woest! Hoe haalt ze het in haar hoofd om zo over mij te praten! Te jong …!’ ‘Misschien kwam het wel door mij.’ ‘Door jou? Ze kent je niet eens!’ ‘Nee, niet echt, maar wel per telefoon. Toen jij twee weken geleden in het ziekenhuis lag om aan je brace te wennen, kreeg ik bij jouw mobiel steeds de ingesprektoon. Daarom heb ik naar je huis gebeld. Ik wilde weten hoe het met je ging. En toen kreeg ik je moeder aan de telefoon.’ Roos’ mond valt halfopen. ‘Jij hebt mij gebeld? Leuk!’ Verwonderd zegt ze erachteraan: ‘Maar daar wist ik niks van.’ ‘Ik vroeg of ze jou de groeten wilde doen van mij.’ ‘Ze heeft helemaal niks tegen mij gezegd!’ Roos vouwt haar armen krampachtig over elkaar. Heeft mam die groeten per ongeluk vergeten? Of expres? En waarom maakt ze zo’n opmerking over het omgaan met jongens? Dat kan ze toch nooit zo bedoeld hebben? Ze schaamt zich wild tegenover Tim. Opeens lijkt het of de boosheid zomaar uit haar wegsijpelt, het rioolputje in. Er blijft alleen een dof gevoel over. Verdrietig kijkt ze Tim aan. ‘Ik wist er niks van. En ik vind die opmerking verschrikkelijk.’ 19
Tim doet een stapje dichter naar haar toe. ‘Sorry Roos. Het spijt me.’ Ze wrijft langs haar vochtige ogen. ‘Mijn moeder … Stoor je niet aan haar … Ik ben vijftien. Víjftien, Tim! Ik zou niet weten waarom we niet samen naar de stad kunnen gaan. Ik heb er juist zo’n zin in. Dat laat ik me niet afpakken door zo’n gekke opmerking!’ Nog eens wrijft ze over haar wangen en haalt haar neus op. In haar linkerzak vindt ze een zakdoek en veegt ermee over haar gezicht. Tim wiebelt van zijn ene been op zijn andere. Zou hij nu nog wel met haar uit willen gaan? Opeens staat hij vlak naast haar en slaat zijn arm om haar heen. Zie je wel, schiet het door Roos heen. Hij vindt me leuk! Net als ze tegen hem aan wil leunen, veert zijn arm met een ruk terug. ‘Je bent hard’, schrikt hij. ‘Ja, mijn brace’, verklaart ze. ‘O, ik dacht er even niet aan.’ Voorzichtig legt hij zijn arm voor de tweede keer om haar heen. Even lijkt hij de juiste plaats op te zoeken. ‘Hard’, zegt hij terwijl hij haar middel vasthoudt. Dan verschuift hij zijn arm naar haar schouders. ‘En zacht.’ Een paar tellen trekt hij haar tegen zich aan. Maar Roos houdt haar hoofd rechtop en is er met haar gedachten niet bij. ‘Roos, wees niet boos, stop het in een doos’, probeert hij haar aan het lachen te krijgen. Ze reageert niet en staart voor zich uit. Vindt Tim het zo vreemd om haar brace te 20
voelen? Misschien vindt hij haar nu zo lelijk dat hij niet eens meer met haar uit wil … Als hij haar loslaat, loopt ze zwijgend bij hem vandaan, naar de uitgang. ‘Ik sms je nog!’ roept hij. Bijna onhoorbaar komt er uit haar mond: ‘Goed. Doei!’ Zodra ze haar jas uit heeft, staat haar moeder voor haar met een glas sinaasappelsap in haar hand. ‘Net geperst, Rosalie. Goed voor je. Je ziet zo wit.’ Eigenlijk heeft Roos er helemaal geen trek in, maar toch pakt ze het glas aan en gaat op de punt van een keukenstoel zitten. Haar moeder neemt plaats tegenover haar en steunt met haar ellebogen op de tafel. ‘En, hoe was het bij de Jumbo?’ ‘Vervelend.’ Met haar vingertop duwt Roos een klein pitje tegen de wand van het glas aan naar boven. ‘Vervelend? Had je soms last van je brace?’ ‘Heb ik altijd.’ ‘O. Akelig.’ Roos neemt een grote slok. Het klokkende geluid klinkt hard in de keuken als ze doorslikt. ‘Je hebt toch al koffie op?’ Haar moeder wijst naar het sap. ‘Daar ging ik eigenlijk van uit. Vandaar dat ik wat sinaasappels geperst heb. We eten pas over een uur, want papa heeft nog een interview laat in de middag.’ Roos knikt. Even schiet de gedachte aan de moorkop door haar heen. Ze staat op het punt om erover te vertellen, maar 21
toch doet ze het niet. Steeds weer ziet ze Tims gezicht voor zich toen hij haar brace voelde. En zijn aarzelende blik toen hij vertelde wat zijn moeder over de hare had gezegd. Net wil ze haar glas neerzetten en haar stoel achteruit schuiven als haar moeder vraagt: ‘Het was toch wel leuk om je excollega’s weer eens te zien?’ Die vraag doet haar boosheid in één tel omhoog borrelen. Ze barst los: ‘Nee. Het was niet leuk. Helemaal niet. Of denkt u dat het leuk is om te horen wat voor geks u aan andere moeders rondbazuint? Een collega van mij vertelde wat u pas tegen zijn moeder had gezegd. Op de openingsavond van school. Dat ik niet met jongens mag omgaan. Belachelijk! Hoe komt u erbij?!’ Roos ziet het gezicht tegenover zich onzeker worden. Haar moeder haalt haar ellebogen van de tafel en legt haar armen op schoot. Net opent ze haar mond om wat te zeggen, maar Roos is haar voor. ‘Zoiets zeg je toch niet? Ik ging compleet af tegenover die jongen!’ ‘Maar Rosalie …’ Met een ruk staat Roos op. Door de vaart valt haar stoel bijna op de grond. Nog net weet ze hem tegen te houden. ‘Mam! Ik ben vijftien! En geen kind meer, zoals u soms denkt!’ Geschrokken kijkt haar moeder haar aan en stamelt: ‘Misschien … o Rosalie, ik had dat misschien niet moeten zeggen. Ik bedoelde … ik wou alleen maar zeggen dat ik je te jong vind voor verkering.’ 22
‘Waar slaat dat nou op? Er zijn meiden genoeg die op hun dertiende al een vriend hebben. En dan nog … Zoiets zeg je zeker niet tegen de moeder van een jongen die net zo oud is als ik. Ik vind het compleet gestoord!’ ‘Rosalie!’ Maar Roos kijkt niet meer op of om en rent met grote stappen de trap op. ‘Gifkikkers!’ lacht Roos’ vader. ‘Ik had me enorme kikkers voorgesteld, maar het waren zulke kleine beestjes.’ Hij wijst met zijn duim en wijsvinger ongeveer drie centimeter aan. ‘De man die ik moest interviewen heeft zo’n tien terraria in een kamer staan met allerlei kikkertjes. En ik hoefde voor dat gif niet bang te zijn. Omdat ze hier heel ander eten krijgen, is er niet één meer giftig. Maar móói, al die felle kleurtjes!’ Roos brengt rustig een hap bami naar haar mond en kijkt haar vader met een klein lachje aan. Zo te merken heeft mam niets aan hem verteld. Prima. Houden zo. ‘Leuk, Floor’, knikt haar moeder hem toe. ‘Maar laat je eten niet koud worden.’ ‘En zo apart!’ gaat Roos’ vader enthousiast verder. ‘We stonden beneden in de gang en er klonk een hoog fluitend geluid. Leek precies een of ander vogeltje. Maar niks hoor, het was een vuurrood kikkertje!’ Opeens kijkt hij hen tweeën aan. ‘Ik zit maar achter elkaar te kletsen! Hoe is jullie dag eigenlijk geweest? Nicky, hoe was het hier?’ 23
‘O, gewoon. Gestoft, gezogen, boodschappen gedaan.’ Roos’ vader knikt met zijn mond vol. Dan slikt hij snel door en vraagt: ‘Niet even wezen wandelen op de Tiendweg?’ Roos ziet het gezicht van haar moeder onmiddellijk opklaren. ‘Jawel. Vanmorgen. Toen Rosalie op school zat. Ik heb een prachtige foto gemaakt van twee zwanen met hun koppen tegen elkaar aan.’ ‘Laat zien!’ ‘Nu?’ ‘Ja, waarom niet? Roos heeft haar bami toch nog niet op. Wat jij, Roos?’ Roos knikt even, maar kijkt snel weer naar haar bord. ‘Jullie gaan je gang maar’, mompelt ze. Als haar moeder haar de foto voorhoudt, kijkt ze er niet langer dan een seconde naar. Eigen schuld. Moet mam maar niet zulke absurde dingen tegen Tims moeder uitkramen. Haar vader prijst: ‘Mooi, Nicky. Met precies een hartvorm tussen die gebogen halzen. Je zou hem als fotokaart kunnen gebruiken.’ Dan keert hij zich naar Roos. ‘En, had jij een fijne dag?’ ‘Hm, gaat wel.’ ‘Hoeveel uur had je les?’ ‘Alleen vanmorgen. Vanmiddag ben ik bij de Jumbo wezen kijken.’ ‘Leuk! Zeker weer allerlei geintjes uitgehaald met je collega’s?’ ‘Ex-collega’s’, verbetert ze. ‘Best wel.’ Ze hoort zelf hoe tam het eruit komt. 24
Ze ziet de vragende blik van haar vader naar haar moeder, maar doet net of ze niets merkt. Ze heeft geen zin om te praten. Zelfs niet over de nepmoorkop. Stuurs blijft ze voor zich uit turen. Na het beëindigen van de maaltijd tikt haar vader haar arm aan. ‘Roos, ik heb nog een paar nieuwe. Weet je hoe een paling heet die onder de tram is geraakt? Een aalmoes! En ken je deze al: Waarom krijg ik geen eten in het vliegtuig?’ Even wacht hij voordat hij zelf het antwoord geeft. ‘Omdat de cockpit.’ Ze moet er even om lachen, maar niet zo uitbundig als anders. Haar vader kijkt haar onderzoekend aan. Hij wrijft langs zijn kin, zodat ze de baardstoppels hoort knisperen. ‘Nou Roos, ga jij maar gauw naar boven. Het lijkt wel of je de moppertor hebt ingeslikt.’ Maar ook om dat grapje kan ze vandaag niet lachen. Met een zucht laat Roos zich op haar bed vallen en leest wat oude berichtjes op haar mobiel. Er zijn geen nieuwe bij gekomen. Niet van haar beste vriendin Suzan. Niet van haar andere vriendinnen Myrthe en Debby. Niet van haar nichtje Henneke. En ook niet van Tim. Besluiteloos glijdt haar vinger over het scherm. Welke app zal ze aanklikken? Of zal ze zelf iemand wat sturen? Opeens krijgt ze een idee. Ze veert overeind en opent een scherm. Vliegensvlug tikken haar duimen op de letters. Een paar regels, huplakee, en dan de datum erboven. 25
Het lijkt wel een dagboek. Tevreden leest ze haar zinnen over. Woest ben ik! Hoe haalt mam het in haar hoofd!! Tegen Tims moeder heeft ze gezegd dat ik niet met jongens mag omgaan. Is ze nou helemaal stapel? Straks durft Tim nooit meer wat met me af te spreken! Ik voel me net een kleuter. En juist vandaag sloeg hij voor het eerst zijn arm om me heen. Maar hij schrok toen hij mijn brace voelde. Snertding! Ik zou hem wel op het dak willen smijten!! Maar ik wil en ik moet het volhouden. Mijn rug mag niet krommer worden. Ik zal doorbijten, echt waar. En ik bid iedere dag wel tien keer of de Heere mijn rug recht wil laten worden. Je mag toch alles aan Hem vragen? Ze staat op en trekt haar dekbed recht. Terwijl ze haar kussen opschudt, denkt ze er opeens weer aan wat haar moeder een paar dagen geleden vertelde. ‘Als klein peutertje liep je me altijd achterna. Als ik de badkamer aan het soppen was, vroeg je me het hemd van het lijf: “Mama, wie doet de lichten buiten aan?” en “Waarom zijn er hoogspanningsmasten?” O, ik werd er soms niet goed van en ik prakkiseerde me suf voor het juiste antwoord! Maar je was zo’n lief ding. Altijd ging je me helpen, al was het vaak van de wal in de sloot.’ ‘Was ik zo lastig?’ ‘Welnee.’ Haar moeders ogen glommen van plezier. ‘Je bezorgde me soms alleen wat extra werk. Op een morgen 26
leerde ik je hoe je jouw bed af moest halen, zodat ik het beddengoed kon wassen. Dat vond je blijkbaar zo’n leuk werkje dat je het de volgende dag weer deed. Kwam ik je wakker maken en daar stond je met een smile van hier tot ginder. Zo van: Mama, kijk eens hoe goed ik alles al in de wasmachine heb gestopt!’ ‘Oeps, niet zo handig.’ ‘Ach …’ Haar moeders glimlach verwarmde haar van top tot teen. ‘Maakte niet uit. Je was zo verschrikkelijk hulpvaardig en ook zo verschrikkelijk lief!’ Een moment staart Roos voor zich uit. Dan komt ze overeind en haalt tekenpapier en aquarelverf uit de kast. Kom, ze heeft al maanden geleden een schets van klaprozen gemaakt. Die kan ze vanavond mooi afmaken, ze heeft toch niets anders te doen. Terwijl ze de tekening op haar bureau neerlegt, ziet ze het vriendelijke gezicht van haar moeder weer voor zich terwijl ze die woorden zei. Meteen trekt ook het prettige gevoel van dat moment weer door haar heen. Ze doet haar verfdoos open en pakt haar penseel. Voorzichtig zet ze de eerste streken op het papier. Ik hou van mam, echt waar. Alleen niet van haar idiote opmerkingen. Het piepje van haar mobiel heeft ze niet gehoord. Wanneer Roos de tekening van zich af houdt om de klaprozen eens goed te bekijken, pakt ze haar telefoon op. Een halfuur geleden is er een sms’je binnengekomen. Van Tim! Hoi Roos! Vanavond een ijsje om halfnegen bij Olala naast de 27
super? Ondanks de woorden van haar moeder heeft hij haar gesms’t. Ze kan wel een gat in de lucht springen! Onmiddellijk schrijft ze terug: Yep! See you! Ze pakt haar penseel weer op en zet de rode klaprooskleur extra dik aan. Haar kwast lijkt te dansen over de bloemblaadjes. Samen met Tim naar de snackbar. Misschien samen een stukje lopen? In het park zitten? Hij vindt haar vast leuk. Anders zou hij zoiets toch niet afspreken? Opeens klinkt er een roffel op haar deur. ‘Ja!’ Haar vader staat met een brede grijns in de deuropening. ‘Roos, we gaan die moppertor van jou wegjagen! Of is hij al weg? Nou, dat is nog beter. Ga je mee? We gaan een sorbet halen in Dordt.’ Verwachtingsvol kijkt hij haar aan. Roos tikt met haar vingers op het bureaublad. Help! Wat moet ze doen? Een ijsje of een sorbet? Hoe gaat ze dit oplossen?
28