Skip to main content

reformatietoenennua

Page 1

Vrijheid als gebondenheid aan genade Dr. P.C. Hoek 1. Inleiding Een belangrijk thema binnen de theologie van de Reformatie is dat van vrijheid en gehoorzaamheid. Genade maakt een mens vrij, gebonden als hij is als zondaar. Het gaat echter om een vrijheid die niet gekarakteriseerd wordt door ongebondenheid, maar door de gebondenheid aan de genade van God. In deze bijdrage vragen we naar de betekenis hiervan voor het geloof aan de hand van begrippen als bekering, vernieuwing en volharding. In verband met het feit dat we dit jaar gedenken dat de nationale Synode van Dordrecht precies vier eeuwen eerder samenkwam, wordt daarbij bijzondere nadruk gelegd op de wijze waarop de Dordtse Leerregels uitdrukking geven aan deze theologische erfenis van de Reformatie. We doen dat in de overtuiging dat ‘Dordt’ accenten zet in het belijden van de kerk van de Hervorming en breder nog van de catholica, niet meer en niet minder.1 Hoe heeft Dordt de Schrift verstaan op het punt van de vrijheid? Dan gaat het om de vraag naar de vrijheid van een gevallen mens én over de vrijheid van een vernieuwd mens. De enkele keer dat Dordt de vrijheid ter sprake brengt, gaat het om één van deze twee brandpunten. Die nemen we dan ook nader in ogenschouw: vrijheid in relatie tot de bevrijding van een zondaar én vrijheid in relatie tot de bevrijde zondaar. Om te ontdekken hoe de canones van Dordt zich verhouden tot de theologische erfenis van de Reformatie relateren we de overwegingen ten aanzien van de vrijheid in deze dubbele zin aan respectievelijk de positie van Luther en Calvijn.

1.  Cf. G. van den Brink, Dordt in context. Gereformeerde accenten in katholieke theologie, Heerenveen 2018, 24-44; W. van ’t Spijker, ‘Voorgeschiedenis’, in: W. van ’t Spijker et al., De Synode van Dordrecht in 1618 en 1619, Houten 1987, 11-56 (m.n. 26-29).

9

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 9

15-01-19 10:07


2. De bevrijding van de zondaar Als het gaat om de bevrijding van de zondaar zet Dordt radicaal en totaal in op de genade. Om te beginnen ontkent Dordt dat er in het geval van de gevallen mens sprake is van een vrije wil ten goede. We laten enkele belangrijke passages in dit verband de revue passeren. Om te beginnen een fragment uit hoofdstuk II dat gaat over de betekenis van het offer van Christus. Bij de zogenaamde ‘Verwerping van de dwalingen’ komt het volgende ter sprake. II,6a. Die het onderscheid tussen verwerving en toeëigening daartoe gebruiken, opdat zij den onvoorzichtigen en onervarenen dit gevoelen zouden kunnen inplanten, dat God, zoveel Hem aangaat, aan alle mensen die weldaden, die door den dood van Christus verkregen worden, gelijkelijk heeft willen mededelen; maar dat sommigen de vergeving der zonden en het eeuwige leven deelachtig worden, anderen niet, dat zulk onderscheid hangt aan hun vrijen wil, dewelke zichzelven voegt bij de genade, die zonder onderscheid aangeboden wordt, en dat het niet hangt aan die bijzondere gave der barmhartigheid, die krachtiglijk in hen werkt, opdat zij zichzelven die genade boven anderen zouden toeëigenen (…). Want dezen, zich houdende alsof zij dit onderscheid in een gezonde mening voorstelden, trachten den volke het verderfelijk venijn van de Pelagiaanse dwalingen in te geven. In hoofdstuk III/IV dat gaat over de verdorvenheid van de mens, de bekering tot God en de hoedanigheid van dien, lezen we het volgende: III/IV,10. Maar dat anderen, door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, komen en bekeerd worden, dat moet men den mens niet toeschrijven, alsof hij zichzelven door zijn vrijen wil zou onderscheiden van anderen, die met even grote of genoegzame genade tot het geloof en de bekering voorzien zijn (hetwelk de hovaardige ketterij van Pelagius stelt); maar men moet het Gode toeschrijven, Die, 10

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 10

15-01-19 10:07


gelijk Hij de Zijnen van eeuwigheid uitverkoren heeft in Christus, alzo ook dezelfden in den tijd krachtiglijk roept, met het geloof en de bekering begiftigt … III/IV,14. Zo is dan het geloof een gave Gods; niet omdat het aan den vrijen wil des mensen van God wordt aangeboden, maar omdat het den mens metterdaad wordt medegedeeld, ingegeven en ingestort … Daarmee reageert Dordt op de positie van de remonstranten zoals die ingenomen was in de Remonstrantie (1610). II. Dat desen volgende Jesus Christus de Salichmaker des werelts voor alle ende yeder mensche gestorven is, alsoe dat hyse alle door den doot des cruyces de versoeninge en[de] vergevinghe van sonden verworven heeft, al-soe nochtans dat niemant deselve vergevinge der sonden datelyck geniet dan de geloovige: mede naer twoort des Evangelii by Johannem aent 3e Capittel vs. 16. Soo lieff heeft Godt de werelt gehadt dat hij sijnen eenigen Sone gegeven heeft opdat alle die in hem gelooft niet en vergaen maer het eeuwige leven hebben: en[de] inden eersten brieff Johannis int II e Captttel vs 2. Hy is de versoeninge voor onse sonden, en[de] niet alleene voor onse maer voor des gantschen werelts sonden. III. Dat de mensche t’salichmakende geloove van hem selven niet en heeft, noch uyt cracht van synen vryen wille, alsoe hy in den staet der afwyckinge en[de] der sonde niets goets dat waerlyck goet is (gelyck insonderheyt is het salichmakende geloove) uyt en[de] van hemselven can dencken, willen, ofte doen, maer dat het van noode is dat hy van Godt in Christo door synen H. Geest werde herboren en [de] vernieuwt in verstant, affectie off wille, en[de] alle crachten, op dat hy het ware goet te rechte moge verstaen, bedencken, willen, en[de] volbrengen naer twoort Christi Joh. 15.5. Sonder my en cont ghy niet doen. IIII. Dat dese genade Godes is het beginsel, de voortgangh, en[de] volbrenginge alles goets, oock soe verre dat 11

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 11

15-01-19 10:07


de wedergeboren mensche selfs sonder dese voorgaende ofte voorcomende, opwecken[de], volgen[de] en[de] medewerckende genade noch het goede dencken, willen ofte doen can, noch oock eenige tentatie ten quaden wederstaen: soe dat alle goede daden, ofte werckinghen, diemen bedencken can de genade Godes in Christo moeten toeges[chreven] werden: Maer soe vele de maniere vande werckinge derselve genade aengaet, die en is niet onwederstandelyck; want daer staet van velen geschreven, dat sy den H.Geest wederstaen hebben. Act.7 en[de] elders, op vele plaetschen. In hoofdstuk III/IV wordt duidelijk waarom Dordt deze positie afwijst. In dit deel van de Canones peilt Dordt de verlorenheid van de mens: III/IV,1. De mens is van den beginne naar het beeld Gods geschapen, versierd in zijn verstand met ware en zalige kennis van zijn Schepper en van andere geestelijke dingen; in zijn wil en hart met gerechtigheid; in al zijn genegenheden met zuiverheid; en is overzulks geheel heilig geweest. Maar door het ingeven des duivels, en zijn vrijen wil van God afwijkende, heeft hij zichzelven van deze uitnemende gaven beroofd, en heeft daarentegen in de plaats van die over zich gehaald blindheid, schrikkelijke duisternis, ijdelheid en verkeerdheid des oordeels in zijn verstand; boosheid, wederspannigheid en hardigheid in zijn wil en hart; mitsgaders ook onzuiverheid in al zijn genegenheden. Kortom: de wil van een mens is een gebonden wil. Met deze positie huldigt Dordt zeker geen nieuw inzicht; integendeel, de Canones gaan in de weg van de kerk der eeuwen. Van de tijd van de Vroege Kerk af heeft de kerk, in lijn met en gehoorzaam aan het apostolisch getuigenis, zich geweerd tegen de voorstanders van de vrije wil. In de citaten uit de Leerregels zoals we die hiervoor aanhaalden, viel de naam van Pelagius al een- en andermaal. We kennen hem als de grote opponent van de ‘Doctor gratiae’, Au12

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 12

15-01-19 10:07


gustinus.2 Volgens Augustinus is de mens geheel en al afhankelijk van Gods genade, doet hij niets toe aan zijn verlossing en heeft hij geen vrije wil. Pelagius nam aanstoot aan deze positie die tegelijk een confessie is. God ziet toch tevoren de goede werken van een mens? Dat werd ook door anderen in het tijdvak van de Vroege Kerk gezegd. Echter Pelagius ging veel verder. Hij ontkent de innerlijke genade (gratia interior), afkomstig van de Heilige Geest Die in het hart van de gelovige werkt. Terwijl Augustinus juist nadruk legt op deze innerlijke genade die als een innerlijke kracht uitgaat van de Heilige Geest, de innerlijke Leermeester (magister interior).3 Pelagius weigerde te aanvaarden dat het vermogen van de mens om zichzelf te verbeteren of te bekeren onherroepelijk was aangetast. Het idee van de erfzonde, waardoor het voor een mens onmogelijk is om niet te zondigen (non posse non peccare) kwam hem volslagen onzinnig voor. Hij stoorde zich bijzonder aan de woorden uit boek X van Augustinus’ Confessiones die tot op deze dag vaak worden aangehaald: ‘Geef wat Gij beveelt en beveel wat Gij wilt.’4 Het latere debat tussen Luther en Erasmus scherpt deze twist verder aan. Erasmus was het helemaal met Luther eens dat een mens voor zijn behoud niet heeft te vertrouwen op iets van zichzelf, maar zich geheel en al op God en Zijn genade moet verlaten. Wie Erasmus leest, en in dit geval gaat het dan over zijn De libero arbitrio (1524), merkt tot zijn verrassing dat de humanist veel uitspraken doet die van harte te beamen zijn. Overigens was de houding van Erasmus tegenover Luther, zeker in het begin, er een van sympathie. De positie van Erasmus komt erop neer dat het begin en de voltooiing van de rechtvaardiging van een mens helemaal toegeschreven moeten worden aan Gods genade. Alleen in de tussenfase werkt de vrije wil, maar met die beperking dat de genade van God de hoofdoorzaak is en de wil van de mens een nevengeschikte oorzaak, die zonder de genade tot niets in staat

2.  Zie voor de verhouding van Augustinus en Pelagius: Peter Brown, Augustinus van Hippo, Amsterdam 1992, 296-306; voor de ontwikkeling van Augustinus’ denken over de genade en de menselijke wil: G. van den Brink, Dordt in context, 27-33. 3.  J. van Oort, Augustinus. Facetten van leven en werk, Kampen 19912, 38. 4.  Peter Brown, Augustinus van Hippo, 298-299.

13

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 13

15-01-19 10:07


zou zijn.5 Dit samengaan van oorzaken maakt dat de mens het heil geheel te danken heeft aan God, omdat dat wat de vrije wil hier doet zeer weinig is én omdat de mens het feit dat hij tot iets in staat is eveneens te danken heeft aan God, Die de vrije wil eerst geschapen heeft en hem daarna heeft bevrijd en geheeld.6 Erasmus meent dat de vrije wil, evenals het verstand, wel aangetast is door de zondeval maar niet vernietigd. De gevallen wil is volgens hem niet in staat zichzelf te verbeteren en in die zin is zijn vrijheid verloren. De wil is machteloos met betrekking tot het eeuwig heil, tenzij de genade erbij komt. Daar volgt volgens hem echter niet uit dat de mens helemaal geen vrije wil heeft om het goede te willen. Hij mist niet helemaal elk vermogen of gebruik van de vrije wil. In het bijzonder wanneer God met Zijn aanbod van ‘genade van bijstand’ komt, houdt een mens de vrijheid om die te aanvaarden of die af te wijzen.7 ‘Erasmus’ kerngedachte lijkt te zijn, dat de vrije wil onvervreemdbaar is: hij omvat de vrijheid om te spreken of te zwijgen, te zitten of te staan, en ook om aandacht te schenken aan zaken zoals de Schrift en verkondiging, waardoor God de zondaar bewust maakt en hem doet dingen naar de uiteindelijke, heiligmakende genade.’8 Of zoals hij zelf aan het begin van zijn De libero arbitrio de vrije wil omschrijft: ‘… een kracht van de wil waardoor de mens zich kan wenden tot hetgeen zijn eeuwig heil dient of zich daarvan kan afwenden.’9 Erasmus distantieert zich nadrukkelijk van Pelagius. Volgens hem was het verschil tussen de opvatting van Pelagius en de leer van de kerk dat de mens nadat zijn wil door de genade hersteld is, volgens Pelagius geen nieuwe genade nodig heeft, terwijl de kerkelijke leer stelt dat hij niet zonder kan.10 De niet-pelagianen vallen zijns 5.  T.H.M. Akerboom, Vrije wil of genade. Een theologie-historisch onderzoek naar het dispuut tussen Erasmus en Luther over de (on)vrijheid van het menselijke willen, Nijmegen 1995, 177. 6.  T.H.M. Akerboom, Vrije wil of genade, 178. 7.  T.H.M. Akerboom, Vrije wil of genade, 208-209. 8.  T.H.M. Akerboom, Vrije wil of genade, 209. 9.  W. van ’t Spijker, Luther, belofte en ervaring, Goes 1983, 94. Akerboom wijst erop dat het hier nog slechts een voorlopige beschrijving betreft, geen exacte definitie die het resultaat is van nauwgezette argumentatie. 10.  T.H.M. Akerboom, Vrije wil of genade, 198-199.

14

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 14

15-01-19 10:07


inziens in twee groepen uiteen. Zij houden beiden vast aan de noodzaak van de voortdurende hulp van God maar verschillen van mening als het gaat over de vraag naar de wijze waarop de genade van God gegeven wordt. Aan de ene kant staan zij die grote nadruk leggen op de vrije wil. Zij menen, volgens Erasmus, dat de mens na de zondeval in staat is zonder de (mede)werking van Gods genade daden te doen die hem voorbereiden op de genade en God tot genade bewegen. Deze groep duidt hij aan als de volgelingen van Duns Scotus. Zij menen volgens hem dat de kracht van de vrije wil na de zondeval nog van dien aard is dat de mens, zonder de genade ontvangen te hebben die de zonde uitdelgt, met zijn natuurlijke vermogens in staat is moreel goede werken te doen waardoor hij de heiligmakende genade verdient, niet in strikte zin omdat het rechtvaardig is (de condigno) maar omdat het billijk is (de congruo). Anderen beweren daarentegen dat men zich niet kan voorbereiden op heiligmakende genade zonder een speciale genade (gratia peculiaris). Zij stellen dat moreel goede werken voor God even walgelijk zijn als misdaden als zij niet voortkomen uit het geloof en liefde tot God. Deze lijn ziet Erasmus als de lijn van Augustinus. Deze ontkent immers dat de mens die aan de zonde onderworpen is zelf zijn leven kan beteren of iets kan doen wat tot het heil bijdraagt, tenzij hij daartoe van Godswege door onverdiende genade wordt aangespoord en in staat gesteld. De volgelingen van de Doctor gratiae ontkennen dat de mens iets goeds kan beginnen, bevorderen of voltooien zonder de hulp van de goddelijke genade, die dat goede werk begint en voltooit.11 Erasmus ziet zichzelf in deze lijn staan. Volgens hem doen in de optiek van Augustinus de vrije wil en de genade tegelijkertijd hetzelfde werk, waarbij de genade leidend is. De genade moet de wil bewegen tot berouw, waarbij de wil dan weer wel in zekere mate vrij is om de genade te accepteren of te verwerpen. Als Erasmus echter later, na het verschijnen van Luthers De servo arbitrio (1525), de anti-pelagiaanse geschriften van Augustinus aan nader onderzoek onderwerpt, ontdekt hij dat

11.  T.H.M. Akerboom, Vrije wil of genade, 200-202.

15

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 15

15-01-19 10:07


Augustinus toch eigenlijk geen ruimte laat voor een vrije wil zoals Erasmus die verdedigde. Erasmus stuit daarbij op een passage in het Tractatus de gratia van Bernardus van Clairvaux, waaruit blijkt dat Augustinus aan de menselijke wil niet de vrijheid (libertas) toekent om de goddelijke genade te aanvaarden of af te wijzen, maar dat hij stelt dat genade een bevrijding (liberatio) tot stand brengt, waardoor de wil bevrijd wordt van de zonde.12 Het zal ons niet verrassen dat Luther, tegen wie Erasmus zijn De libero arbitrio geschreven had, zich in een tafelgesprek liet ontvallen: ‘Ex Erasmo nihil habeo’ (‘Van Erasmus heb ik niets geleerd’). Al valt er wel wat op die uitspraak af te dingen. Erasmus heeft op veel manieren de Reformatie, en dus ook Luther, een grote dienst bewezen. Denk aan de uitgaven van de kerkvaders en de editie van het Griekse Nieuwe Testament die hij bezorgde. Ook het religieus gehalte van zijn humanisme, aansluitend aan de vroomheid van de moderne devotie, heeft, als voorbereiding voor de Reformatie, grote betekenis gehad.13 Theologisch is het verschil inderdaad zo nadrukkelijk, dat in dat perspectief Luthers woorden hout snijden. Als het gaat over de relatie tot Augustinus – dat wil zeggen tot diens belijdenis van Gods genade – maakte Luther zich al vroeg zorgen. Al in 1517 schrijft hij in een brief: ‘Ik lees onze Erasmus en bij de dag vermindert mijn animo jegens hem.’14 Het deed hem deugd dat Erasmus de monniken en de priesters vanwege hun onkunde voortdurend op de korrel nam, maar hij sprak de vrees uit dat hij niet voldoende de genade van God in Christus bevorderde. Voor Luther was de vrije wil een ‘ijdele titel’ die niets voorstelde. Tot ontsteltenis van Erasmus cum suis. En let wel, het ging hier voor de reformator maar niet om een dogmatisch detail. Het raakt aan de leer van Christus; en daarmee raakt het aan het hart van het Evangelie en aan het hart van het heil. In Luthers eigen woorden: ‘Wie verloochent meer de Christus, dan wie aan Zijn genade te weinig en aan de vrije wil teveel toeschrijft? Ik zou wel willen dat het woordje 12.  T.H.M. Akerboom, Vrije wil of genade, 330-331. 13.  W. van ’t Spijker, Luther, belofte en ervaring, Goes 1983, 91. 14.  W. van ’t Spijker, Luther, belofte en ervaring, Goes 1983, 91.

16

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 16

15-01-19 10:07


“vrije wil” nooit was uitgevonden. Het staat ook niet in de Bijbel.’15 Luther kan hier heel krasse uitspraken doen, zoals: ‘De vrije wil is niks.’ Het gaat immers niet over een psychologische, maar over een theologische kwestie.16 Luther ontkent niet de vrijheid van de wil ten aanzien van allerlei zaken die onder de mens liggen, maar wel dat hij die vrijheid heeft ten aanzien van dingen die boven hem staan. Hij bedoelt daarmee: met betrekking tot allerlei alledaagse zaken kan een mens vrij beslissen, afgezien van de vraag of die beslissing door God bestuurd en geleid wordt. Als het gaat over zaken die de zaligheid of het oordeel betreffen, heeft hij die vrijheid niet. In deze (geestelijke) dingen is hij een gevangene, een gebondene, iemand die onderworpen is, hetzij aan de wil van God hetzij aan die van de satan. Voor Calvijn ligt het niet anders. Ook hij grijpt terug op Augustinus. De menselijke wil verkrijgt niet door zijn vrijheid de genade, maar door genade zijn vrijheid. De wil van een zondaar wordt door Gods genadige barmhartigheid tot het goede bekeerd; en bekeerd is het ook door die genadige barmhartigheid dat hij daarin volhardt. De besturing van de menselijke wil ten goede én de standvastigheid na die besturing hangt alleen van Gods wil af, zonder verdienste van de menselijke wil. Zo wordt een mens een zodanige vrije wil gelaten, volgens de kerkvader, die zich niet tot God bekeren noch in God staande blijven kan dan door genade. Door de genade vermag hij al wat hij vermag.17 Wat hier in het geding is, is de onwederstandelijkheid van de genade. Daar gaat het Augustinus om. Daar gaat het Luther om. Daar gaat het Calvijn om. Daar gaat het Dordt om. Dordt zingt op zijn eigen wijze het ‘sola gratia’, het ‘Niets uit ons, al uit Hem!’ En daarin en daarmee gaat het Dordt ten diepste om God! De grote God, Die in Zijn verkiezende liefde omzag. Die voorzag in dat volkomen offer. Die zondaren vernieuwt: een wonder dat in kracht niet minder noch geringer is dan de schepping of de opwekking der doden! En Die voleindigt, wat Hij begint. Dat maakt 15.  W. van ’t Spijker, Luther, belofte en ervaring, Goes 1983, 95. 16.  W. van ’t Spijker, Luther, belofte en ervaring, Goes 1983, 100. 17.  Joh. Calvijn, Institutie, II.3.14.

17

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 17

15-01-19 10:07


ook de troost der verkiezing uit: dat het heil vast is in Hem. Dat niemand Zijn schapen uit Zijn hand zal rukken. De rode draad door Dordt is de grootheid van God. Of zoals een middeleeuws adagium zegt: ‘God is altijd groter …’ (Deus semper maior est). Groter dan ik in mijn diepste gedachten bedenken kan. Groter dat ik in mijn heerlijkste loflied bezingen kan. Groter dan ik in mijn diepste leed bevroeden kan. Wil Dordt ons dat vooral niet leren? Niet berekenen. Evenmin beredeneren. Maar aanbidden! In diepe verootmoediging. En hoe groter we van Hem denken, hoe rijker het geestelijk leven uit Hem en met Hem is; vanwege het meerdere zicht op Zijn heerlijkheid. God is altijd groter. Hoe groot u ook van Hem denkt. Hij is altijd groter. Hoe innig u Zijn liefde ondervindt. Ze is altijd groter. Hoezeer u roemt in Zijn macht: ook die is altijd groter. Hoe overweldigd u zich weet door Zijn goedheid: zij is altijd groter. Hoe hemels we ons Zijn heiligheid denken: zij is altijd groter. En waar ons verstand stilstaat – en dat is best snel – en we bedenken: Hoe groot moet de Heere dan zijn! Ook dan is Hij nóg groter … En díé God zou afhankelijk zijn van een mens? Die God zou Zijn genade afhankelijk maken van de wil van een mens? Die positie – die van Pelagius zeker, maar die van Erasmus en van Arminius niet minder – wijst Dordt dus terug. III/IV,3a. Die leren: Dat in den geestelijken dood de geestelijke gaven niet van des mensen wil zijn gescheiden, nademaal de wil in zichzelven nooit is verdorven geweest, maar alleenlijk door de duisternis des verstands en de ongeregeldheid der geneigdheden verhinderd; en dat, deze verhinderingen weggenomen zijnde, alsdan de wil zijn vrije aangeboren kracht zou in het werk kunnen stellen, dat is: allerlei goed, hetwelk hem voorkomt, uit zichzelven zou kunnen willen en verkiezen, of niet willen en niet verkiezen. III/IV,9a. Die leren: Dat de genade en de vrije wil gedeeltelijke oorzaken zijn, die beide te zamen het begin van de bekering werken, en dat de genade in orde van werking niet gaat vóór de werking van den wil; dat is, dat God niet 18

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 18

15-01-19 10:07


eer den wil des mensen krachtiglijk helpt tot de bekering, dan wanneer de wil des mensen zichzelven beweegt en daartoe bepaalt. Dordt trekt een heel Bijbelse maar theologisch ook een heel klassieke lijn. Dordt leert geen nieuwe dingen; de Dordtse confessie is als een wachter die ons ervoor behoeden wil dat we dingen kwijtraken. Ook de belijdenis dat uit Hem, door Hem en tot Hem alle dingen zijn. Dat het van begin tot eind genade is. Dat het Góds wil is die wonderlijk en heerlijk de doorslag geeft. Melchior Leydecker (1642-1721), theoloog van de soevereiniteit van God, schrijft daar prachtige dingen over.18 Als hij de plaats en de betekenis van Gods wil en de menselijke wil doordenkt, en dan met name de wijze waarop die twee zich tot elkaar verhouden, duidt hij de wil van God aan als alomvattend. Dat betekent volgens hem niet dat een vorm van fatalisme in de theologie geïntroduceerd wordt. De alomvattende wil van God heft de vrijheid van de mens, ondanks dat deze vrijheid een beperkte vrijheid is, niet op. Hoe de wil van God en de wil van de mens in elkaar grijpen, kan volgens hem nooit ten volle begrepen worden. Echter het feit dat we deze relatie niet ten volle kunnen begrijpen, mag niet leiden tot de ontkenning ervan.19 Bijzonder sprekend is in dat verband de ontboezeming die Leydecker doet in zijn systematische betoog door middel van een citaat van de door hem bijzonder gewaardeerde Thomas Bradwardine (ca. 1290-1349): Die god wil ik mij niet tot God hebben, die niet almachtig is in zijn handelen, die niet de meest almachtige heerschappij heeft over mijn zwakke wil, die mij niet op de meest almachtige wijze kan laten willen en doen al wat hij wil, 18.  De volgende twee alinea’s ontleen ik aan mijn artikel ‘De leer als bron van de lof. Melchior Leydecker (1642-1721) en de Nadere Reformatie’, in: J. van de Kamp, A. Goudriaan en W. van Vlastuin (red.), Pietas reformata. Religieuze vernieuwing onder gereformeerden in de vroegmoderne tijd, Zoetermeer 2015, 59-67. Zie verder mijn Melchior Leydecker (1642-1721). Een onderzoek naar de structuur van de theologie van een gereformeerd scholasticus, Amsterdam 2013, 220-233. 19.  Melchior Leydecker, De Providentia Dei, thesis lxix.

19

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 19

15-01-19 10:07


die niet een algemeen werkzame wil heeft, die onwederstandelijk, krachtig en noodzakelijk is in het veroorzaken, ja wiens wil voor mij niet noodzakelijk zou zijn …20 Van Bradwardine is overigens ook de verzuchting: ‘Hoe velen, o God! slaan in deze tijd de handen ineen met Pelagius om te strijden voor de vrije wil en tegen vrije genade.’ Naar dit geheimenis tast Dordt ook als we lezen: III/IV,11. Voorts, wanneer God dit Zijn welbehagen in de uitverkorenen uitvoert, en de ware bekering in hen werkt, zo is het dat Hij niet alleen het Evangelie hun uiterlijk doet prediken, en hun verstand krachtiglijk door den Heiligen Geest verlicht, opdat zij recht zouden verstaan en onderscheiden die dingen, die des Geestes Gods zijn; maar Hij dringt ook in tot de binnenste delen des mensen met de krachtige werking van denzelfden wederbarenden Geest; Hij opent het hart, dat gesloten is; Hij vermurwt dat hard is; Hij besnijdt dat onbesneden is. In den wil stort Hij nieuwe hoedanigheden en maakt dat die wil, die dood was, levend wordt; die boos was, goed wordt; die niet wilde, nu metterdaad wil; die wederspannig was, gehoorzaam wordt; Hij beweegt en sterkt dien wil alzo, dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen. III/IV,12. En dit is die wedergeboorte, die vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking van de doden en levendmaking, waarvan zo heerlijk in de Schrift gesproken wordt, dewelke God zonder ons in ons werkt. En deze wordt in ons niet teweeggebracht door middel van de uiterlijke prediking alleen, noch door aanrading, of zulke manier van werking, dat, wanneer nu God Zijn werk volbracht

20.  Het citaat is te vinden in Leydeckers De Providentia Dei, thesis lxiii-lxix. Het is afkomstig uit: Thomas Bradwardine, De Causa Dei, III.29, ed. H. Savile, London, Norton, 1618 (repr. Frankfurt 1967), 738-739. Zie: P.C. Hoek, Melchior Leydecker (1642-1721). Een onderzoek naar de structuur van de theologie van een gereformeerd scholasticus, Amsterdam 2013, 220-227.

20

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 20

15-01-19 10:07


heeft, het alsdan nog in de macht des mensen zou staan wedergeboren te worden of niet wedergeboren te worden, bekeerd te worden of niet bekeerd te worden. Maar het is een gans bovennatuurlijke, een zeer krachtige, en tegelijk zeer zoete, wonderlijke, verborgen, en onuitsprekelijke werking, dewelke, naar het getuigenis der Schrift (die van den Auteur van deze werking is ingegeven), in haar kracht niet minder noch geringer is dan de schepping of de opwekking der doden; alzo dat al diegenen, in wier harten God op deze wonderbaarlijke wijze werkt, zekerlijk, onfeilbaar en krachtiglijk wedergeboren worden en daadwerkelijk geloven. En alsdan wordt de wil, zijnde nu vernieuwd, niet alleen van God gedreven en bewogen, maar, van God bewogen zijnde, werkt hij ook zelf. Waarom ook terecht gezegd wordt dat de mens, door de genade die hij ontvangen heeft, gelooft en zich bekeert. III/IV,13. De wijze van deze werking kunnen de gelovigen in dit leven niet volkomenlijk begrijpen; ondertussen stellen zij zich daarin gerust, dat zij weten en gevoelen, dat zij door deze genade Gods met het hart geloven, en hun Zaligmaker liefhebben. III/IV,16. Doch gelijk de mens door den val niet heeft opgehouden een mens te zijn, begiftigd met verstand en wil, en gelijk de zonde, die het ganse menselijk geslacht heeft doordrongen, de natuur des mensen niet heeft weggenomen, maar verdorven en geestelijker wijze gedood; alzo werkt ook deze Goddelijke genade der wedergeboorte in de mensen niet als in stokken en blokken, en vernietigt den wil en zijn eigenschappen niet, en dwingt dien niet met geweld zijns ondanks, maar maakt hem geestelijk levend, heelt hem, verbetert hem, en buigt hem tegelijk lieflijk en krachtiglijk; alzo dat, waar de wederspannigheid en tegenstand des vleses tevoren ten enenmale de overhand had, daar nu een gewillige en oprechte gehoorzaamheid des Geestes de overhand begint te krijgen; waarin de waarachtige en geestelijke wederoprichting en vrijheid van onzen wil gelegen is. En tenware dat die wonderbaarlijke Werk21

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 21

15-01-19 10:07


meester alles goeds in dezer voege met ons handelde, de mens zou ganselijk geen hoop hebben van uit den val te kunnen opstaan door zijn vrijen wil, waardoor hij zichzelven toen hij nog stond, in het verderf heeft gestort. 3. De bevrijde zondaar Voor de bevrijding van zonde en dood zijn wij als zondaren aangewezen op Gods genade. Gebonden als we zijn – tot en met onze wil – aan de zonde en de dood. Het heil is met Gods almachtige genade en genadige almacht onlosmakelijk verbonden. Echter, ook als bevrijde zondaren blijven we gebonden aan God en Zijn genade. Dordt belijdt het volgende: I II/IV,11. … maar Hij dringt ook in tot de binnenste delen des mensen met de krachtige werking van denzelfden wederbarenden Geest; Hij opent het hart, dat gesloten is; Hij vermurwt dat hard is; Hij besnijdt dat onbesneden is. In den wil stort Hij nieuwe hoedanigheden en maakt dat die wil, die dood was, levend wordt; die boos was, goed wordt; die niet wilde, nu metterdaad wil; die wederspannig was, gehoorzaam wordt; Hij beweegt en sterkt dien wil alzo, dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen. I II/IV,12. … alzo dat al diegenen, in wier harten God op deze wonderbaarlijke wijze werkt, zekerlijk, onfeilbaar en krachtiglijk wedergeboren worden en daadwerkelijk geloven. En alsdan wordt de wil, zijnde nu vernieuwd, niet alleen van God gedreven en bewogen, maar, van God bewogen zijnde, werkt hij ook zelf. Waarom ook terecht gezegd wordt dat de mens, door de genade die hij ontvangen heeft, gelooft en zich bekeert. Verlossing betekent dus niet dat een mens vrijheid verkrijgt in de zin van autonomie, zelfbeschikking. Het gaat om de nieuwe identiteit in Christus (Gal. 2:20). Genade bindt aan Hem en verenigt met Hem. ‘Niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij …’ Hij Wiens spijze het is om de wil van de Vader te doen. Dat zal betekenen 22

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 22

15-01-19 10:07


dat ik hoe langer hoe meer Hem gelijkvormig word. Het dienen van Christus is en wordt hoe langer hoe meer de lust en het leven van een christen. Want er leeft hoe langer hoe meer liefde … tot zijn of haar Liefste. En tot Zijn wil, zoals Hij die neergelegd heeft in Zijn Woord en wet. De wet die heilig, rechtvaardig en goed is. Ten aanzien van die machtige belijdenis van Paulus – ‘Niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij!’ – merkt Luther op dat Christus en mijn geweten hier tot één lichaam moeten worden. ‘De persoon leeft wel, maar niet in en voor zichzelf.’ ‘Christus dus, zegt Paulus, Die in mij Zijn wezen heeft, met mij versmolten is en in mij blijft, leeft dit leven dat ik heb, in mij; ja het leven dat ik zo leef, is Christus Zelf. Daarom zijn Christus en ik in dit opzicht al één.’ Het geloof bindt Christus en christen nauwer bijeen dan man en vrouw verbonden zijn.21 Vrijheid is nooit ongebondenheid. Daar trekt Paulus tegen te velde. Augustinus, Luther en Calvijn net zo. Calvijn noemt de christelijke vrijheid een ‘geestelijke zaak’. Ze is, zo zegt hij, nooit ‘een voorwendsel voor onze begeerten’.22 Dit is geheel in de geest van Augustinus. De kerkvader heeft sterk benadrukt dat de gelovigen als vreemdelingen op de aarde verkeren (peregrinantur). Hun hoop is gevestigd op het hemels vaderland. Het huisgezin ( familia) van God gebruikt de aardse goederen dan ook als vreemdelinge, stelt hij, zonder erdoor in beslag te worden genomen. De aardse goederen worden gebruikt (uti); genieten ( frui) kan men alleen God en Zijn Koninkrijk.23 Wat zegt Dordt? ‘… maar Hij dringt ook in tot de binnenste delen des mensen met de krachtige werking van denzelfden wederbarenden Geest; Hij opent het hart, dat gesloten is; Hij vermurwt dat hard is; Hij besnijdt dat onbesneden is. In den wil stort Hij nieuwe hoedanigheden en maakt dat die wil, die dood was, levend wordt; die boos was, goed wordt; die niet wilde, nu metterdaad wil; die wederspannig was, gehoorzaam wordt; Hij beweegt en sterkt dien wil alzo, dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen’ (III/IV,11). 21.  Maarten Luther, Verklaring van de brief aan de Galaten, Houten 1992, 117-118. 22.  Joh. Calvijn, Institutie, III.19.9. 23.  J. van Oort, Augustinus. Facetten van leven en werk, 61-62.

23

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 23

15-01-19 10:07


Het is duidelijk dat het één er niet zonder het ander zijn kan: de rechtvaardiging brengt de heiliging mee, de heiliging komt uit de rechtvaardiging voort. Ze zijn als de twee zijden van de ene munt. Calvijn, naar wie we ons in dit tweede deel met name richten, spreekt van Gods tweeërlei genade (duplex gratia).24 Waar sprake is van de vereniging met Christus door het geloof, daar kan de vrucht niet uitblijven. Het belangrijkste wat van dit geloof en deze vrucht te zeggen is, is volgens Calvijn: ‘… dat Christus, Die ons door Gods goedertierenheid gegeven is, door het geloof door ons aangegrepen en bezeten wordt, door Wiens gemeenschap wij voornamelijk tweeërlei genade ontvangen, namelijk dat wij, door Zijn onschuld met God verzoend, in plaats van een Rechter nu een genadige Vader in de hemel hebben, en verder dat wij, door Zijn Geest geheiligd, ons toeleggen op onschuld en reinheid des levens.’25 Christus rechtvaardigt niemand die Hij niet tegelijkertijd heiligt; andersom kunnen we Christus niet tot rechtvaardigheid bezitten zonder in Zijn heiliging te delen. Christus kan immers niet in stukken worden gescheurd.26 Zodra wij door het geloof Christus ingeplant zijn, leeft Christus in ons en leven wij door Zijn Geest. Ons leven kan nooit meer zijn zoals het was toen we zonder geloof waren, aangezien Hij nu heerschappij voert in ons leven. Wie denkt daarbij niet aan de ontboezeming van Paulus die al eerder ter sprake kwam: ‘Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft en Zichzelf voor mij overgegeven heeft’ (Gal. 2:20). Dat is voor Calvijn de kern van de heiliging of de wedergeboorte.27 24.  Voor met name de structuur van deze lezing heb ik dankbaar gebruikgemaakt van de nog altijd prachtige paragraaf ‘Die Wiedergeburt und das Leben des Christen’ uit: François Wendel, Calvin. Ursprung und Entwicklung seiner Theologie, NeukirchenVluyn 1968, 211-224. 25.  Institutie, III.9.1. 26.  A. de Reuver, Bedelen bij de Bron. Kohlbrugge’s geloofsopvatting vergeleken met Reformatie en Nadere Reformatie, Zoetermeer 1992, 267. Cf. W. van Vlastuin, Wordt vernieuwd. Een theologie van persoonlijke vernieuwing, Kampen 2011, 34-35. 27.  ‘Nu, het woord heiligen beduidt afzonderen: dit geschiedt in ons, als wij door de Heilige Geest wedergeboren worden tot nieuwigheid des levens, opdat wij God

24

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 24

15-01-19 10:07


De heiliging of vernieuwing van het leven omvat twee stukken, die wel onderscheiden kunnen worden maar niet gescheiden mogen worden. De afsterving van de oude mens enerzijds en het deelhebben aan het nieuwe leven anderzijds.28 Beide zijn het onmiddellijke gevolg van de vereniging met Christus en op het eigenlijke doel van de wedergeboorte gericht, namelijk het herstel van het beeld van God.29 ‘Want Adam is in den beginne geschapen naar het beeld van God, om de rechtvaardigheid van God als in een spiegel te vertegenwoordigen; maar omdat dit beeld door de zonde is uitgewist, daarom moet het nu in Christus hersteld worden. En voorwaar, de wedergeboorte der godzaligen is niet anders dan een wederoprichting van het beeld van God in hen.’30 Deze twee, de afsterving (mortificatio) en de levendmaking (vivificatio), zijn verankerd in het deelhebben van de gelovigen aan respectievelijk de dood en de opstanding van Christus. ‘Want indien wij waarlijk deel hebben aan Zijn dood, wordt door Zijn kracht onze oude natuur gekruisigd en sterft het lichaam der zonde, opdat de verdorvenheid der eerste natuur geen kracht meer hebbe. Indien wij Zijner opstanding deelachtig zijn, worden wij door haar opgewekt tot nieuwheid des levens, die beantwoordt aan Gods gerechtigheid.’31 Dat betekent niet dat we ineens van zondaren heiligen in de betekenis van zondelozen worden.32 Voor Calvijn zijn de afsterving en de levendmaking nadrukkelijk een werkelijkheid. Die werkelijkheid is echter wel realiteit in Christus! We delen daarin in de mate

en niet de wereld dienen.’ Calvijn, Commentaar, 1 Kor. 1:2; Institutie, III.3.9: ‘In één woord gezegd: ik versta onder boetvaardigheid de wedergeboorte, die geen ander doel heeft dan dat Gods beeld, dat door Adams overtreding bezoedeld en bijna uitgewist was, in ons hersteld wordt.’ 28.  Vergelijk: Heidelbergse Catechismus, Zondag 33. 29.  François Wendel, Calvin, 212. Zie voor Calvijns participatiebegrip: W. van Vlastuin, Wordt vernieuwd, 47-49. 30.  Commentaar, Ef. 4:24. 31.  Institutie, III.3.9. 32.  A. de Reuver, Bedelen bij de Bron, 269: ‘Terwijl de rechtvaardiging niet ten dele [non ex parte] geschiedt, maar ons volledig met Christus’ zuiverheid bekleedt, gaat God in de heiliging ons leven lang geleidelijk en soms langzaam voort [paulatim et interdum lente].’

25

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 25

15-01-19 10:07


waarin we met Christus verenigd zijn. Hij is dan ook, door Zijn Geest, de eigenlijke Auteur van de heiliging.33 In onszelf blijven wij zondaren, ondanks het feit dat we hoe langer hoe meer vernieuwd worden. We blijven altijd arme en ellendige zondaren voor het aangezicht van God, kan Calvijn zeggen.34 ‘En deze vernieuwing wordt niet op één ogenblik, of dag, of jaar volbracht, maar door voortdurende, ja soms langzame voortgang doet God de verdorvenheden van het vlees in Zijn uitverkorenen teniet; Hij reinigt hen van hun vuilheid en heiligt ze Zich tot tempels, terwijl Hij al hun zinnen vernieuwt tot ware zuiverheid, opdat zij zich hun gehele leven oefenen in boetvaardigheid en weten mogen dat deze krijgsdienst geen einde vindt dan in de dood.’35 33.  Kolfhaus geeft een aantal prachtige citaten: ‘‘Alles, was wir an Kraft haben, strömt von Christus uns zu’, er ist, ‘der Kanal, durch den alle Gaben Gottes zu uns gelangen.’’ En: ‘Ohne Christus können wir keinen Schritt tun, lehrt uns auch Calvin: “Nach Christus allein müssen wir hungern, fragen, auf ihn allein schauen, von ihm allein lernen und ihn immer besser kennenlernen, bis jener große Tag aufgegangen ist, an dem uns der Herr die volle Herrlichkeit seines Reiches offenbaren und sich uns zeigen wird, wie er ist.”’ En: ‘Soll irgend etwas Gutes von uns ausgehen, so muß Christi Gnade uns erneuern.’ W. Kolfhaus, Vom christlichen Leben nach Johannes Calvin, Neukirchen 1949, 250. Cf. W. van Vlastuin, Wordt vernieuwd, 49: ‘Door het leven uit de rechtvaardiging wordt alle prestatiedrang aan de heiliging ontnomen. De heiliging is de ruimte waar de rechtvaardiging overgaat in het leven. De heiliging is dan ook geen “plus” bij het geloof in Christus, maar eigen aan het geloofsleven.’ 34.  A. de Reuver, Bedelen bij de Bron, 275: ‘Wij blijven “tousiours pouvres et miserables pecheurs devant la face de Dieu”.’ 35.  Institutie, III.3.9. Cf. Institutie III.6.5: ‘Maar daar aan niemand in deze aardse kerker des lichaams zoveel kracht ten dienste staat, dat hij met voldoende vurigheid zijn loop zou kunnen lopen, en daar het grootste getal door zulk een zwakte gedrukt wordt, dat ze, waggelend en hinkend, zelfs kruipend over de grond, zeer weinig vorderen, moeten wij gaan, een ieder naar de mate van zijn klein vermogen, en de begonnen weg voortzetten. Niemand zal zo ongelukkig voortschrijden, dat hij niet tenminste een klein stukje wegs dagelijks aflegt. Laat ons dus niet ophouden het hierop toe te leggen, dat wij voortdurend iets vorderen op de weg des Heeren, en niet de moed laten zinken vanwege de geringheid der vordering. Want ook al beantwoordt de vordering niet aan onze wens, toch is de moeite niet verloren, wanneer de dag van heden die van gisteren overtreft: laat ons slechts met oprechte eenvoudigheid zien naar ons doel, en streven naar de eindpaal, niet onszelf vleiend en strelend, en ook niet aan onze gebreken toegevend, maar in een voortdurend streven ons hierop toeleggend, dat we beter worden dan we zijn, totdat wij tot de goedheid zelf gekomen zijn; welke wij wel gedurende de ganse tijd onzes levens zoeken en najagen, maar eerst dan zullen grijpen, wanneer wij, na de zwakheid des vleses afgelegd te hebben, tot haar volle gemeenschap zullen zijn aangenomen.’

26

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 26

15-01-19 10:07


Wendel merkt heel treffend op: ‘De heiliging bestaat daarom ten dele daarin dat we erkennen hoe ver we in werkelijkheid nog van de werkelijke gerechtigheid verwijderd zijn.’36 Hoewel gerechtvaardigd in Christus blijft een christen in zichzelf een leven lang zondaar; met deze overgebleven zonde heeft hij dan ook een leven lang te strijden. ‘Zo worden dus de kinderen van God van de dienstbaarheid der zonde bevrijd door de wedergeboorte, niet zo dat ze als het ware het volle bezit van de vrijheid reeds verkregen hebben en daarom geen moeilijkheid van hun vlees meer ondervinden, maar zo dat er voor hen een voortdurende oorzaak tot strijd blijft, om daardoor geoefend te worden, en niet alleen geoefend te worden maar ook hun zwakheid beter te leren kennen.’37 Er blijft immers in de wedergeboren mens een ‘voedingsbodem van kwaad’, waaruit ‘voortdurend begeerten spruiten die hem verlokken en prikkelen tot zonde’. Dit blijft zo totdat we het sterfelijke lichaam afleggen. Met Augustinus zegt Calvijn dat als het over de christenen gaat de zondige begeerte haar heerschappij op aarde verliest, maar dat ze eerst in de hemel verdwijnt.38 Dit alles betekent intussen niet dat Calvijn geen oog heeft voor de werkelijkheid en de vreugde van het nieuwe leven. Naast en met de afsterving van de oude mens is er de opstanding van de nieuwe mens. En dat niet (alleen) in de toekomst: dit nieuwe leven vangt nadrukkelijk hier aan en begint zich meer en meer te ontvouwen. Hoewel er zonde in ons overblijft, is haar heerschappij gebroken.39 Het nieuwe leven ontvouwt zich in een vruchtbaar leven in de zin van de goede werken die vruchten zijn van de vernieuwende Geest. 36.  F. Wendel, Calvin, 213: ‘Die Heiligung besteht also zum Teil darin, zu erkennen, wie weit wir in Wirklichkeit noch von der wirklichen Gerechtigkeit entfernt sind.’ 37.  Institutie, III.3.10. W. Kolfhaus, Vom christlichen Leben nach Johannes Calvin, 110: ‘So ist unsere Aktivität keine Vielgeschäftigkeit, sie ist Seinsethik, nicht Sollethik, bei der man die Gnade leicht vergißt, sondern ein beständiges Ausgehen von Gottes Gnade und Hineilen zu Gottes Gnade. Der Christ geht aus vom dem “Ist” von Christus.’ 38.  Institutie, III.3.10. 39.  Commentaar, Rom. 6:12: ‘Hoewel de zonde in ons woont, zo ware het nochtans zeer ongeschikt dat zij kracht zou hebben om te heersen; want de macht der heiligmaking moet boven de zonde zijn, opdat ons leven betuige dat wij waarlijk leden van Christus zijn.’

27

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 27

15-01-19 10:07


In die hoedanigheid, namelijk als vruchten van de Heilige Geest, zijn de goede werken God aangenaam, maar als product van de zondaar dragen ze de geur van het kwaad van het vlees. ‘Daarom kan God de daden der gelovigen evenmin genadig zijn als de gelovigen zelf, tenzij Hij ze meer in Christus dan in henzelf omhelst.’40 Opmerkelijk – maar vooral troostrijk! – is het verband dat Calvijn signaleert tussen de vernieuwing van het leven en Gods genadige verkiezing. De verkorenen zijn geroepen tot het nieuwe leven én die vernieuwing is ook het doel van hun verkiezing. Waren zij eens satans knechten en slaven van de zonde, krachtens Zijn roeping zullen ze geheiligd zijn tot het dienen van God.41 Gods genade in Christus is een onwederstandelijke genade, die doet strijden tegen de zonde en doet voortgaan op de weg van de heiliging. Bovendien doet ze ook volharden! Daarom is deze strijd een goede strijd – de zege is zeker.42 Calvijn laat het niet bij deze theologische grondstructuur. Hij wordt ook heel concreet als het gaat over de praktijk van het nieuwe leven.43 ‘Wij hebben gezegd dat de bedoeling der wedergeboorte is dat in het leven van de gelovigen blijke een evenredigheid en overeenstemming tussen Gods gerechtigheid en hun gehoorzaamheid en zij zo de aanneming bevestigen, waardoor zij tot kinderen aangenomen zijn. En ofschoon die vernieuwing, waardoor het beeld Gods in ons hersteld wordt, in Zijn wet vervat is, zal het toch, daar onze traagheid vele prikkels en ook hulpmiddelen nodig heeft, nuttig zijn uit verschillende plaatsen der Schrift bijeen te brengen 40.  A. de Reuver, Bedelen bij de Bron, 270-271. 41.  Commentaar, 1 Kor. 1:2: ‘… onze heiligheid vloeit uit de fontein der goddelijke verkiezing, en (…) diezelve is de fontein van onze roeping …’ 42.  Institutie, II.3.11: ‘Want het is volkomen zeker dat waar de genade Gods regeert, zulk een bereidheid tot gehoorzaamheid aanwezig is. Maar vanwaar komt dan dit, dan daaruit, dat de Geest Gods, Die overal met zichzelf overeenstemt, de gezindheid tot gehoorzaamheid die Hij in den beginne verwekt heeft, koestert en versterkt tot de standvastigheid der volharding.’ 43.  Wendel geeft aan dat dit Calvijn na aan het hart gelegen moet hebben. Het hoofdstuk ‘Over het leven van de christen’ heeft Calvijn aan de Institutie van 1539 toegevoegd en in alle volgende edities bijna ongewijzigd overgenomen. In de laatste editie heeft hij het hoofdstuk herverdeeld in vijf afzonderlijke hoofdstukken (III.vix). In 1550 heeft hij dit onderdeeltje van de Institutie zelfs afzonderlijk uitgegeven. François Wendel, Calvin, 215.

28

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 28

15-01-19 10:07


de wijze waarop wij ons leven moeten inrichten, opdat zij wie de bekering ter harte gaat in hun ijver niet afdwalen.’44 Een onmiddellijk gevolg van de wedergeboorte bestaat daarin dat Christus ons vrijmaakt van de wetten van deze wereld om (temeer) Hem te dienen. Wij zijn niet meer van onszelf. ‘Wij zijn niet van onszelf: laat dus niet onze rede of wil in onze plannen en daden heerschappij voeren. Wij zijn niet van onszelf: laat ons dus niet ons dit ten doel stellen, dat wij zoeken wat ons naar het vlees nuttig is. Wij zijn niet van onszelf: laat ons dus, voor zover het mogelijk is, onszelf en al het onze vergeten. Aan de andere kant, wij zijn van God: laat ons dus Hem leven en sterven. Wij zijn van God: laat dus Zijn wijsheid en wil al onze handelingen leiden. Wij zijn van God: laat dus tot Hem, als tot het enige rechte doel, alle delen van ons leven streven.’45 Ware vrijheid is daarom gebondenheid aan de genade van God en aan de God van de genade. Het leven van de heiliging is in de kern leven onder de heerschappij van Christus. Dat leert een mens volgens Calvijn in elk geval drie dingen: zelfverloochening, kruisdragen en gericht zijn op het toekomende leven. Sommigen hebben gesuggereerd dat Calvijn hiermee terugkeert naar de kloosteridealen. Dat lijkt mij niet. Het doel is niet het gering achten van het tijdelijke leven, maar het hoogachten van het eeuwige leven. Het is niet een zich terugtrekken, maar een zich uitstrekken. Het gaat om het verlangen naar hét Leven, Christus. Het leven onder de heerschappij van God wordt er volgens Calvijn door gekenmerkt dat ‘mensen zowel door de verloochening van zichzelf als door de verachting van de wereld en van het aardse leven zich toewijden aan Zijn gerechtigheid, zodat ze streven naar het hemelse leven’.46 Dat Calvijn het eeuwige leven zó hoogacht, betekent intussen niet, al wordt de schijn soms wel gewekt, dat hij dit leven minacht. Het is in vergelijking met de rijkdom van het leven met Christus en in vergelijking met het hemelleven dat dit aardse bestaan in het niet zinkt.47 44.  Institutie, III.6.1. 45.  Institutie, III.7.1. 46.  Institutie, III.20.42. 47.  Calvijn maakt duidelijk dat God Zijn gaven, zoals voedsel en kleding, niet alleen

29

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 29

15-01-19 10:07


Het gaat Calvijn erom dat we zo op God gericht zijn, dat dát ons afwendt van alles wat niet nuttig is. ‘Voorzeker een christen behoort zo geschikt en toegerust te zijn, dat hij bedenkt dat hij in zijn ganse leven met God te doen heeft. Zo zal hij het zijne schikken naar de wil en de beslissing Gods en de ganse opmerkzaamheid van zijn geest Godvrezend op Hem richten. Want wie geleerd heeft in al zijn doen op God te zien, wendt zich tevens af van alle ijdele bedenking.’48 Deze zelfverloochening is alleen door het geloof in Christus mogelijk; de zelfovergave vloeit voort uit het deelhebben aan Hem.49 Dat is de positieve keerzijde van de zelfverloochening: het toevertrouwen van de leiding van ons leven aan Christus. Jegens God komt de zelfverloochening met name tot uitdrukking in onderworpenheid en vertrouwen, in de hartelijke overgave aan Zijn wil. ‘Dus heeft niemand naar behoren zichzelf verloochend dan wie zich geheel zo aan de Heere heeft overgegeven, dat hij het verdraagt, dat alle delen van zijn leven door Gods wil bestuurd worden. En wie in zijn gemoed zo gesteld is, zal, wat er ook gebeurt, zich niet voor ongelukkig houden noch zich over zijn lot tot Gods misnoegen beklagen. En hoe noodzakelijk deze gezindheid is, zal daaruit blijken, indien men bedenkt aan hoeveel geeft om in onze behoefte te voorzien, maar dat we ze ook mogen genieten en tot vreugde gebruiken. Institutie III.10.2: ‘En de natuurlijke gaven der dingen zelf tonen genoegzaam aan waartoe en in hoeverre men ze mag gebruiken. Of zou de Heere de bloemen een zo grote schoonheid geschonken hebben, die zich vanzelf aan onze ogen voordoet, een zo grote lieflijkheid en geur, die in onze reukorganen komt, en zou het dan niet geoorloofd zijn, dat de ogen getroffen worden door die schoonheid of de neus door die heerlijke geur? Wat? Heeft Hij de kleuren niet zo onderscheiden, dat Hij de ene aangenamer maakte dan de andere? Wat? Heeft Hij niet aan goud en zilver, aan ivoor en marmer een schoonheid toegekend, die hen kostbaar maken boven andere materialen of gesteenten? Kortom heeft Hij niet vele zaken, boven het noodzakelijk gebruik, prijzenswaard voor ons gemaakt?’ 48.  Institutie, III.7.2. 49.  Institutie, III.7.1: ‘Deze verandering, die Paulus de vernieuwing van het gemoed noemt (Ef. 4:23), heeft geen enkele wijsgeer gekend, hoewel zij de eerste ingang tot het leven is. Want zij stellen alleen de rede tot bestuurster over de mens, zij menen dat naar haar alleen geluisterd moet worden, kortom aan haar alleen dragen zij op en laten zij over de bevelvoering over de zeden; maar de christelijke wijsbegeerte beveelt haar te wijken uit haar plaats en zich te onderwerpen en onderdanig te zijn aan de Heilige Geest; opdat de mens niet meer zelf leve, maar Christus in zich late leven en regeren (Gal. 2:20).’

30

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 30

15-01-19 10:07


toevalligheden wij onderworpen zijn.’ Calvijn weet van leed en verdriet. Hij geeft geen bespiegelingen ten beste die aan het strijdperk ontstijgen. Het zijn heilbespiegelingen! ‘Maar een gelovige moet ook in deze dingen Gods zachtmoedigheid en waarlijk vaderlijke goedertierenheid opmerken.’50 In de grootste smarten blijven onze harten in Hem gerust! De verloochening van onszelf heeft bovendien gevolgen voor de gezindheid jegens onze naaste: ‘Deze doding zal dus eerst dan plaats in ons hebben, wanneer wij de plichten der liefde vervullen. En niet hij vervult die, die alle plichten der liefde slechts verricht, zelfs al slaat hij geen enkele over, maar hij die dit doet uit een oprechte gezindheid der liefde.’51 Een christen wordt gekenmerkt door ontferming; hij zal degene die hulp behoeft aannemen en op zo’n wijze medelijden met zijn lot hebben, alsof hij het zelf gevoelt en draagt. Is de zelfverloochening de ene kant van het christelijke leven, het dragen van het kruis is er de andere kant van. Calvijn kan het kruisdragen een deel van de zelfverloochening noemen, maar soms kan hij de houding van het kruisdragen ook nauwgezet van de eigenlijke zelfverloochening onderscheiden. Ze drukt een hogere graad van vereniging met Christus uit. ‘Want allen die de Heere heeft aangenomen en de gemeenschap van de Zijnen waardig gekeurd heeft, moeten zich voorbereiden tot een hard, inspannend, onrustig en met zeer vele en verschillende soorten van rampen vervuld leven. Zo is het de wil van de hemelse Vader de Zijnen op zulk een wijze te oefenen, om een gewisse proef van hen te nemen. Begonnen bij Christus zijn Eniggeborene, gaat Hij ten opzichte van al zijn kinderen met deze orde door. Want ofschoon Hij een Zoon was, geliefd boven anderen, en in Wie het hart des Vaders rustte, zien wij toch dat Hij niet toegeeflijk en zacht behandeld is; zodat men naar waarheid kan zeggen dat Hij niet alleen door een voortdurend kruis geoefend is, zolang Hij op aarde gewoond heeft, maar dat zijn gehele leven niets anders geweest is dan de betoning 50.  Institutie, III.7.10. 51.  Institutie, III.7.7.

31

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 31

15-01-19 10:07


van een voortdurend kruis. De oorzaak daarvan wijst de apostel aan (Hebr. 5:8), namelijk, dat Hij gehoorzaamheid moest leren uit hetgeen Hij geleden heeft. Waarom zouden wij dan onszelf uitzonderen van die voorwaarde, welke Christus, ons Hoofd, heeft moeten aanvaarden; vooral daar Hij die om onzentwil aanvaard heeft, opdat Hij ons in Zichzelf een voorbeeld van lijdzaamheid zou tonen? Daarom leert de apostel, dat voor alle kinderen Gods dit als doel vastgesteld is, dat zij aan Hem gelijkvormig worden (Rom. 8:29). En daaruit komt ook een aanmerkelijke vertroosting tot ons, namelijk deze, dat wij in harde en moeilijke omstandigheden, die geacht worden als tegenspoeden en rampen, deel hebben aan het lijden van Christus; opdat wij, evenals Hij uit de doolhof van alle rampen tot de hemelse heerlijkheid is ingegaan, zo tot diezelfde heerlijkheid door verschillende verdrukkingen heen geleid worden. Want zo spreekt Paulus zelf elders (Fil. 3:10), zeggende, dat wanneer wij leren de gemeenschap aan Christus’ lijden, wij tevens leren kennen de kracht zijner opstanding; en wanneer wij gelijkvormig gemaakt worden aan zijn dood, wij zo voorbereid worden tot de gemeenschap van de heerlijke opstanding. Van welk een kracht kan dit zijn tot het verzachten van alle bitterheid van het kruis, dat, hoe meer wij gedrukt worden door tegenspoeden, onze gemeenschap met Christus des te vaster versterkt wordt.’52 Dit is het klassieke thema van de navolging van Christus (imitatio Christi). Als wij voor en met Christus lijden, wordt de band van onze gemeenschap met Hem verstevigd. Deel hebben aan het lijden van Christus is er een onderpand van dat wij met Hem verenigd zijn.53 Calvijn gaat niet zo ver dat hij stelt dat het christenleven louter uit lijden en droefheid bestaat. Toch is de strijd er elke dag; en een ogenblik van rust is niets anders dan een wapenstilstand. ‘Wij moeten derhalve vaststellen dat volgens een hemels plan ons

52.  Institutie III.8.1. 53.  François Wendel, Calvin, 219. Hij wijst in dat verband op de volgende passage uit Calvijns commentaar op Matth. 16:24: ‘De betekenis is dat alleen zij discipelen van Christus gerekend kunnen worden, die in waarheid Zijn navolgers zijn en bereid zijn Zijn voetstappen te drukken.’

32

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 32

15-01-19 10:07


voortdurend de plicht is opgelegd om het kruis te dragen, hoewel er soms een wapenstilstand of verademing gegeven wordt omdat God onze zwakheid spaart, maar al is niet altijd het zwaard tegen ons uitgetrokken, toch moeten wij als lidmaten van Christus altijd gereed zijn om deel te hebben aan Zijn kruis.’54 Doel van dit gekruisigd christenleven beschrijft hij met woorden die ongetwijfeld ook zijn persoonlijke ervaringen weerspiegelen: ‘Immers, indien wij onschuldig en met een goed geweten door de misdaad der goddelozen van onze goederen beroofd worden, worden wij wel bij de mensen tot armoede gebracht, maar aldus groeit de ware rijkdom bij God in de hemel voor ons aan; indien wij uit ons huis gestoten worden, worden wij des te inniger in Gods gezin opgenomen; indien wij gekweld en veracht worden, schieten wij des te steviger wortel in Christus; indien wij met smaad en schande worden gemerkt, des te heerlijker plaats nemen wij in het Koninkrijk Gods; indien wij gedood worden, wordt ons zo de toegang geopend tot het gelukzalige leven.’55 De toekomstige vreugde is daarbij geen loutere beloning voor het geleden leed. Het lijden is de weg waarin we een steeds hechtere vereniging met Christus verkrijgen en in Hem het toekomstige leven beërven. Delen in Zijn lijden betekent immers ook delen in Zijn heerlijkheid! Daarmee raken we – na de zelfverloochening en het kruisdragen – aan de volgende karakteristiek van Calvijns gedachten over de heiliging van het leven: het verlangen naar het toekomende leven. ‘En door welke soort van verdrukking wij ook gedrukt worden, altijd moeten wij zien op dit doel, dat wij ons gewennen tot de verachting van het tegenwoordige leven en daardoor opgewekt worden tot de overdenking van het toekomende. Want aangezien God zeer wel weet, hoe wij van nature geneigd zijn tot een beestachtige liefde tot deze wereld, wendt Hij een zeer geschikt middel aan om ons terug te trekken en onze verlamming te verdrijven, opdat wij niet al te vasthoudend in die liefde blijven hangen.’56 In 54.  Commentaar, Ps. 44:23. 55.  Institutie, III.8.7. 56.  Institutie, III.9.1.

33

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 33

15-01-19 10:07


het licht van de toekomstige heerlijkheid komt de nietigheid van het aardse bestaan aan het licht. Hier moet de traagheid tenietgedaan worden en de aantrekkingskracht van de wereld vergaan. ‘Want we moeten deze opvatting hebben, dat ons gemoed nooit met ernst opgericht wordt tot het verlangen naar het eeuwige leven en tot de overdenking daarvan, tenzij het tevoren vervuld is van verachting voor het tegenwoordige leven. (…) Immers tussen deze twee is geen middenweg: of de aarde moet ons waardeloos worden, of zij moet ons in ongebreidelde liefde tot zich vasthouden. Daarom, indien wij enige zorg voor de eeuwigheid hebben, moeten wij ons naarstig hierop toeleggen dat wij ons uit die slechte boeien losmaken.’57 Daarom is het een christen nuttig om onze dood en onze sterfelijkheid te bepeinzen, alsmede het hemelleven en het gericht … ‘Want die dag zal hun voor ogen staan, waarop de Heere zijn gelovigen in de rust van zijn Koninkrijk zal opnemen, van hun ogen alle tranen zal afwissen, hen zal bekleden met het kleed der heerlijkheid en der vreugde, hen zal weiden met de onuitsprekelijke liefelijkheid Zijner genietingen, hen zal opvoeren tot de gemeenschap met Zijn hoogheid en eindelijk hen het deelgenootschap aan Zijn gelukzaligheid zal waardig keuren.’58 Intussen mogen we dit tijdelijke leven niet verachten en daarmee ondankbaar jegens God zijn, want ondanks de vele ellende moet het leven tot de zegeningen van God gerekend worden.59 God de Vader bereidt ons in dit leven voor op de heerlijkheid. Een christen heeft het aardse leven niet te verachten: het is eerder de leerschool en de voorbereiding op wat komt, het is het leven waarin we ook Gods weldaden beginnen te smaken.60

57.  Institutie, III.9.1-2. 58.  Institutie, III.9.6. 59.  Institutie, III.9.3: ‘Evenwel, de gelovigen moeten zich gewennen aan zulk een verachting van dit leven, dat die geen haat tegen dat leven wekt en geen ondankbaarheid jegens God. Immers dit leven, ook al is het vervuld van talloze ellenden, wordt toch terecht gerekend tot de niet te versmaden zegeningen Gods. Daarom, indien wij daarin niet Gods weldaad erkennen, staan wij reeds schuldig aan een niet geringe ondankbaarheid jegens God zelf.’ 60.  François Wendel, Calvin, 222.

34

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 34

15-01-19 10:07


We ronden af met enkele gedachten van Calvijn over het gebed. In strikte zin behandelt Calvijn het gebed niet onder noemer van het leven van een christen. Echter in de beproevingen die zojuist ter sprake kwamen houdt een christen toch – hoe langer hoe meer – God over? Alleen al daarom kunnen we niet over het nieuwe leven spreken zonder het gebed, dat er de ademtocht van is, ter sprake te brengen. Wendel wijst op de voorname gedachte van Calvijn dat de beproevingen die God ons zendt geen ander doel dienen dan onze aandacht op Hem te richten.61 Dat is wat Hij door het lijden wekt en werkt: ‘Door de weldaad van het gebed verkrijgen wij dus dit, dat wij doordringen tot die rijkdommen, die voor ons bij de hemelse Vader zijn weggelegd. Want het gebed is een zekere samenspraak der mensen met God, waardoor zij, het heiligdom des hemels binnengegaan zijnde, Hem over zijn beloften in eigen persoon aanspreken, opdat ze, wanneer de noodzakelijkheid het zo eist, ervaren dat niet ijdel geweest is wat ze geloofd hebben, toen Hij het hun slechts met woorden toezegde.’62 Wendel noemt het gebed in dit verband een ‘tegenproef’ (‘Gegenprobe’) van het geloof.63 Als we steunen op de beloften Gods en op het gebod van Christus om de Vader te bidden, dan roepen wij God met recht aan en bidden Hem om de vervulling van Zijn beloften. Van dat geloof schrijft Calvijn: ‘… want evenals de belofte ons Christus als de Middelaar aanprijst, zo berooft zij zich, tenzij de hoop om te verkrijgen op Hem gegrond is, van de weldaad van het gebed. Want zodra ons de verschrikkelijke majesteit Gods in de geest komt, kan het niet anders of we worden bevreesd en de erkentenis van onze eigen onwaardigheid drijft ons ver weg, totdat Christus tussenbeide komt om de troon der geduchte heerlijkheid te ver-

61.  Calvijn behandelt het gebed pas later in boek III; in die zin maakt het geen deel uit van de hoofdstukken die in strikte zin gaan over het leven van een christen (zie noot 20). Wendel integreert het wel in zijn hoofdstuk over ‘Die Wiedergeburt und das Leben des Christen’. Daar zijn inhoudelijk goede redenen voor. Bij wijze van slotoverwegingen geef ik er daarom ook kort aandacht aan. Verder wijs ik er nog op dat de Heidelbergse Catechismus in Zondag 45 het gebed ‘het voornaamste stuk der dankbaarheid’ noemt (wat nauw verband houdt met de heiliging). 62.  Institutie III.20.2. 63.  François Wendel, Calvin, 222.

35

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 35

15-01-19 10:07


anderen in de troon der genade; gelijk ook de apostel leert (Hebr. 4:16) dat wij met alle vertrouwen durven toegaan, om barmhartigheid te verkrijgen en genade te vinden in de hulp te bekwamertijd.’64 In de Institutie III.20.4-12 geeft Calvijn vier regels of wetten voor het gebed dat God welgevallig is. Volgens Wendel gaat het hierbij overigens meer om een gezindheid dan om regels in de strikte zin van het woord.65 We laten ze bij wijze van afronding kort de revue passeren. Om te beginnen moeten we ons ervan bewust zijn dat we tot de heilige God naderen. Dat houdt in dat het hart zich los dient te maken van vleselijke zorgen en gedachten. ‘Maar ik verlang hier niet’, zo nuanceert Calvijn meteen heel pastoraal, ‘dat het hart zo vrij is dat het door geen enkele bekommerdheid gestoken en gekweld wordt, want de vurigheid in het bidden moet daarentegen juist door grote benauwdheid in ons worden ontstoken.’66 Hij bedoelt wel dat we met heilige aandachtigheid naderen zullen tot Gods troon. Om onder de indruk van Zijn majesteit aardse zorgen en neigingen af te leggen, dat wil zeggen alles wat van de hemel aftrekt en alles wat naar de aarde neerdrukt. Om werkelijk gericht te zijn op Hem. De scherpzinnigheid van onze geest hebben we op Hem te richten, zo meent Calvijn, en de genegenheid van ons hart moet daarheen volgen. Hoe heilzaam! Immers, voor het aangezicht van Hem blijken de ‘grootste smarten’ toch geringer. En de ‘zee van ramp’ blijkt Hem niet aan te raken. Het zicht op Zijn majesteit stemt bovendien in alle vrijmoedigheid bescheiden: het geeft geen pas om meer te vragen dan Gods ons toelaat. Hierin is de bidder trouwens niet op zichzelf aangewezen of aan zichzelf overgelaten: de Heilige Geest, hem tot een Leermeester gegeven, zal hem leiden. In de tweede plaats is het nodig om onze gebrekkigheid te gevoelen, zodat we ons werkelijk tot Zijn troon gedrongen weten en 64.  Institutie, III.20.17. 65.  François Wendel, Calvin, 224. 66.  Institutie, III.20.4.

36

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 36

15-01-19 10:07


‘een ernstige en brandende begeerte’ paren aan ons gebed. ‘Maar de vromen moeten vooral hiervoor oppassen dat ze nooit voor Gods aanschijn komen om iets anders te vragen, dan wat ze met ernstige genegenheid des harten vurig begeren en tegelijkertijd van Hem verlangen te verkrijgen. Ja zelfs, ofschoon wij in die dingen die we slechts tot Gods eer vragen op het eerste gezicht niet voor onze nooddruft schijnen te zorgen, moeten wij die toch met geen geringere vurigheid en heftigheid van verlangen vragen. Gelijk wanneer wij bidden, dat Zijn Naam geheiligd worde, dan moeten wij vurig, om zo te zeggen, hongeren en dorsten naar die heiligmaking.’67 Behalve op de noodzaak van vurig bidden wijst Calvijn bij deze tweede regel ook op de noodzaak van voortdurend bidden. ‘Intussen is niet minder waar het woord van Paulus (Ef. 6:18), dat men te allen tijde moet bidden, omdat, ook al gaan de zaken voorspoedig naar onze wens en ook al omgeeft ons van alle kanten stof tot blijdschap, er toch geen enkel tijdstip is waarop onze armoede ons niet aanspoort tot bidden.’68 Ten derde zal de bidder elke gedachte aan eigen eer afleggen. Ware deemoedigheid is gepast. ‘Hierbij kome deze derde wet, dat een ieder, die zich voor God stelt om te bidden, van elke gedachte aan eigen roem afstand doe, elke waan van waardigheid late varen en eindelijk alle zelfvertrouwen van zich doe, door het wegwerpen van zichzelf Gode ten volle eer gevend; opdat wij, indien wij ons iets, ook maar het allergeringste, aanmatigen, met onze ijdele opgeblazenheid niet neerstorten van voor Zijn aangezicht. Van deze nederigheid, die alle hoogheid terneder werpt, hebben wij talrijke voorbeelden in Gods knechten; die, naarmate ze heiliger zijn, zich des te meer terneder werpen wanneer ze voor Gods aangezicht verschijnen.’69 In de vierde en laatste plaats wijst Calvijn op het belang van het volle vertrouwen op God en op de vervulling van Zijn beloften. ‘De vierde regel eindelijk is deze, dat wij, zo terneder geworpen en bedwongen door ware ootmoed, niettemin door een vaste hoop op 67.  Institutie, III.20.6. 68.  Institutie, III.20.7. 69.  Institutie, III.20.8.

37

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 37

15-01-19 10:07


verhoring tot bidden bezield worden.’ En spreekt er geen geestelijke ervarenheid uit zijn woorden als hij noteert: ‘Maar ik bedoel niet een vertrouwen, dat het hart van alle gevoel van angst bevrijdt en het streelt met zoete en volmaakte rust. Want zo liefelijk rusten kunnen zij, die, doordat alle zaken naar wens gaan, door geen enkele zorg worden beroerd, door geen enkel verlangen gekweld en door geen enkele vrees verontrust. Maar het best worden de heiligen geprikkeld tot het aanroepen van God, wanneer ze, door hun nood bevangen, door de grootste onrust gekweld worden en bijna bezwijken in zichzelf, totdat het geloof te juister tijd te hulp komt; want te midden van zulke benauwdheden schittert Gods goedheid hun zo tegen, dat ze wel, door de zwaarste der tegenwoordige rampen vermoeid, zuchten, en ook door de vrees van nog grotere beangst en gekweld worden; maar toch op die goedheid Gods vertrouwend, de moeilijkheid van het lijden verlichten en verzachten, en hopen op uitkomst en verlossing.’70 Wat passen die tonen goed bij Calvijns visie op én ervaring met het leven van de heiliging. Het christenleven in het heden voltrekt zich op een oefenterrein, een plaats waar de strijd geleverd wordt om in te gaan. En hoewel er soms een wapenstilstand is, zijn we de strijd pas te boven als we de laatste adem hier uitblazen. Het is wel een goede strijd. Want het is in de eenheid en gemeenschap met Christus dat er gestreden wordt, dat er geleden wordt en dat het kruis gedragen wordt. En in Hem zijn we het eeuwige leven deelachtig. Om Hem wenkt de eeuwige vreugde, waar we met Hem erfgenaam van zijn. 4. Uitleiding Het is in de eenheid en gemeenschap met Christus dat er gestreden wordt, óók in die strijd die innerlijk woedt. In een bevrijd hart. De strijd van het goede dat ik wil en niet doe, versus het kwade dat ik niet wil en wel doe. Een strijd die Paulus doet zeggen, zuchten: ‘Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam van deze dood!’ En dan …? ‘Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere’

70.  Institutie, III.20.11.

38

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 38

15-01-19 10:07


(Rom. 7:24v). In de strijd nochtans vrede – vanwege Hem. In de strijd nochtans goedsmoeds – met Hem. Het is het geheim van het nieuwe leven: gebonden aan Hem! Aan Hem, Die een volkomen offer bracht. Aan Hem Die een volkomen werk doet. En dat is die diepe troost. Waar ook Dordt van zingt. Werkelijk. Wie de delen leest waar de Leerregels stem geven aan de troost van de volharding der heiligen, die merkt dat de leerregel bijna een lied wordt. Nog niet misschien als we in hoofdstuk vijf, bij de verwerping van de dwalingen lezen: V,2a. Die leren: Dat God den gelovigen mens wel voorziet met genoegzame krachten om te volharden, en bereid is die in hem te bewaren, zo hij zijn ambt* (= plicht) doet; doch al is het nu ook dat alle dingen, die nodig zijn om in het geloof te volharden, en die God gebruiken wil om het geloof te bewaren, in het werk gesteld zijn, dat het dan nog altijd hangt aan het believen van den wil dat deze volharde of niet volharde. Want dit gevoelen bevat in zich een openbaar Pelagianisme; en terwijl het de mensen wil vrij maken, zo maakt het hen rovers van Gods eer; tegen de voortdurende overeenstemming der evangelische leer, die den mens alle stof van roemen beneemt, en den lof dezer weldaad aan de genade Gods alleen toeschrijft; en tegen de apostel, die getuigt: Dat het God is, Die ons ook zal bevestigen tot het einde toe, om onstraffelijk te zijn in den dag van onzen Heere Jezus Christus (1 Kor. 1:8). Maar, wat geniet de Bijbelse vroomheid hier een rijke troost – de troost der verkiezing! Ook met het oog op je eigen hart en leven. Als je struikelt, valt, faalt. ‘Ter oorzake van deze overblijfselen der inwonende zonde, en ook vanwege de aanvechtingen der wereld en des satans …’ En inderdaad: ‘… zo zij aan hun eigen krachten overgelaten werden, zouden de bekeerden in die genade niet kunnen volstandig blijven.’ ‘Maar God is getrouw, Die hen in de genade, hun eenmaal gegeven, barmhartiglijk bevestigt en ten einde toe krachtiglijk bewaart.’ Ten einde toe. Ook als ik niet meer kan; 39

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 39

15-01-19 10:07


het niet meer weet. In welke omstandigheden ook. Wat een enige troost. In leven. Met alle kruisen en noden van dien. En in sterven. Deze leer van de volharding der ware gelovigen en heiligen, mitsgaders van de verzekerdheid dezer volharding, welke God, tot Zijns Naams eer en tot troost der godvruchtige zielen, in Zijn Woord zeer overvloediglijk geopenbaard heeft, en in de harten der gelovigen indrukt, wordt wel van het vlees niet begrepen, en wordt van den satan gehaat, van de wereld bespot, van de onervarenen en hypocrieten misbruikt, en van de dwaalgeesten bestreden; maar de bruid van Christus heeft haar altijd, als een schat van onwaardeerbaren prijs, zeer tederlijk bemind, en standvastiglijk verdedigd. En dat zij dit ook voortaan doe, zal God bezorgen; tegen Denwelken geen raad geldt, noch enig geweld iets vermag. Welken enigen God, Vader, Zoon en Heiligen Geest, zij eer en heerlijkheid in eeuwigheid. Amen. (V,15) Dat is toch inderdaad bijna een hymne, een gezang van genade. Dit ‘zingt’ toch? Het is in elk geval ons slotakkoord. We herdachten samen in kort bestek Dordt, althans iets van haar theologische nalatenschap. Vierhonderd jaar na dato. En zonder geesteloos te somberen, stellen we vast dat land en volk – en kerk – in veel verval zijn. Bij momenten lijkt het wel of alles uit elkaar valt. Maar … God is altijd groter. Zijn werk zal bestaan. Ook hier en nu. Zijn Kerk komt af. En daarom hebben we goede moed. Zoals het de Bruid betaamt. ‘… maar de bruid van Christus heeft haar [de leer van de volharding] altijd, als een schat van onwaardeerbaren prijs, zeer tederlijk bemind, en standvastiglijk verdedigd.’ En ze zingt haar bruidslied. ‘Alle roem is uitgesloten, onverdiende zaligheên, heb ik van mijn God genoten; ’k roem in vrije gunst alleen!’ Nog één keer Luther. ‘Ik belijd voor mijzelf vrij en openlijk, dat indien het zou kunnen gebeuren, ik helemaal niet zou willen dat mij een vrije wil gegeven werd, of dat het op enigerlei manier in mijn macht zou worden overgegeven om naar het heil te streven of niet. Niet alleen daarom, omdat ik in zovele wederwaardighe40

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 40

15-01-19 10:07


den en gevaren en bij het aanstormen van zovele duivelen geen tegenstand zou kunnen bieden en ook niet zou kunnen volhouden, omdat een enkele duivel machtiger is dan alle mensen en er daarom geen mens gered zou worden, maar ook omdat ik, wanneer er geen gevaren, geen wederwaardigheden of duivelen waren, toch gedwongen zou zijn voortdurend in het ongewisse te arbeiden en slagen in de lucht zou uitdelen. Mijn geweten zou namelijk, ook al zou ik eeuwig leven en werken, nimmer zeker en gewis worden hoeveel het ook zou moeten presteren, om God genoegdoening te geven. Welk werk er ook maar volbracht werd, er zou altijd een onrustige twijfel overblijven, of het Gode aangenaam zou zijn of niet of dat Hij misschien nog meer zou verlangen. Zo wordt het bevestigd door de ervaring van alle werkheiligen, en ik heb het zelf tot mijn grote schade zo vele jarenlang moeten leren. Maar nu, nu God mijn zaligheid buiten mijn eigen wil genomen heeft en in de Zijne opgenomen en mij, niet door mijn werk of lopen, maar door Zijn genade en barmhartigheid, mij beloofd heeft mij te behouden, nu ben ik zeker en gewis, dat Hij getrouw is en mij niet zal bedriegen, zo machtig en groot is, dat geen duivel en geen wederwaardigheden Hem overweldigen of mij aan Hem ontrukken kunnen.’71 Dr. P.C. Hoek (1971) is universitair docent praktische theologie aan het Hersteld Hervormd Seminarium aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

71.  W. van ’t Spijker, Luther, belofte en ervaring, Goes 1983, 101.

41

Reformatie toen en nu- deel 2_bw.indd 41

15-01-19 10:07


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook