1.2
Hoofdstuk 1
Heiliging en heiligheid In het eerste deel van de Redelijke Godsdienst heb ik uitgebreid besproken hoe de zaligheid door Christus is verworven en hoe deze aan de uitverkorenen wordt toegepast. In dit tweede deel wil ik ingaan op de levenswandel van degenen die tot het genadeverbond behoren, en wat hun allemaal kan weder varen. Ik begin met de behandeling van de heiliging.
1. Betekenissen van ‘heiligen’ [I] Het woord ‘heiligen’ of ‘heilig maken’ kan verschillende betekenissen heb ben: 1. Het gehele werk der zaligheid in een zondaar; inclusief wedergeboorte, rechtvaardiging, heiliging en verheerlijking (zie Hebr. 10:10 en 1 Petr. 1:2). 2. Het erkennen en belijden van Gods grootheid, heiligheid, enzovoorts (zie 1 Petr. 3:15). 3. Het van het algemene gebruik afzonderen ten dienste van God: (a) van tijd: God heeft de zevende dag geheiligd (zie Ex. 20:11); (b) van zaken of voorwerpen, zoals de inventaris van de tabernakel (zie Ex. 40:9 en Num. 5:10); (c) van personen die voor de dienst van God bestemd zijn, zoals eerst de eerstgeborenen (zie Num. 3:13) en later de stam van Levi (zie Num. 3:12,45). Denk ook aan Aäron en zijn zonen, die het priesterambt bekleedden (zie Ex. 40:13). 4. Het zich voorbereiden op de ontmoeting met de Heere (zie Ex. 19:10-11). 5. Het verlaten van de wereld en het zich voegen bij de Kerk (zie Deut. 7:6 en 1 Kor. 7:14). 6. Het vertonen van Gods beeld, zowel inwendig als uitwendig (zie Hebr. 12:14 en 2 Kor. 7:1). Over de laatstgenoemde betekenis gaat het in dit hoofdstuk.
2. Het verband tussen rechtvaardiging en heiliging [II] Bij het ware geloof is altijd sprake van rechtvaardiging én heiliging: waar het ene is, is ook het andere. Iemand moet maar niet denken gerechtvaardigd te zijn als hij niets van de heiliging kent. En omgekeerd: iemand moet zich ook maar niet inbeelden geheiligd te zijn, als hij niet gerechtvaardigd is – of er ten 10
heiliging en heiligheid
minste ernstig naar verlangt om door het geloof in Christus gerechtvaardigd te worden. Niet voor niets komen beide begrippen vaak samen in de Bijbel voor: ‘(…) Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid en heiligmaking’ (1 Kor. 1:30); ‘Maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd’ (1 Kor. 6:11). Dat neemt niet weg dat de heiliging een wezenlijk andere zaak is dan de rechtvaardiging. Ik noem in dit verband het volgende: 1. De rechtvaardiging vindt plaats door God als Rechter. De heiliging vindt plaats door God de Heilige Geest als Herschepper. 2. De rechtvaardiging vindt plaats ten aanzien van de mens; de mens is hier zelf niet bij betrokken1. De heiliging vindt plaats in de mens2. 3. De rechtvaardiging neemt de schuld van en de straf op de zonde weg, en geeft de mens een recht op het eeuwige leven. De heiliging neemt de smet van de zonde weg, en herstelt het beeld van God in de mens. 4. De rechtvaardiging is altijd volkomen. De heiliging blijft altijd onvolkomen, zolang een mens leeft. 5. De rechtvaardiging gaat in orde voorop.3 De heiliging komt uit de recht vaardiging voort en volgt daarop.
3. Wat heiliging inhoudt [III] Ik zal nu een omschrijving van de heiliging geven, en deze vervolgens uit werken. De heiliging is de krachtige werking van God in de uitverkoren, geroepen, wedergeboren en gerechtvaardigde zondaren, waarbij Hij hen door middel van het Woord reinigt van de vuilheid van de zonde, en hen vernieuwt overeenkomstig Zijn beeld. Hij zorgt ervoor dat ze gaan leven naar Zijn wil, die uitgedrukt wordt in de wet van de Tien Geboden.
4. Heiliging is een werk van God [IV-VI] De heiliging is dus een krachtige werking van God. God alleen is de Oorzaak van de heiliging van een zondaar. Zomin een mens iets kan bijdragen aan de wedergeboorte, het geloof en de rechtvaardiging, net zomin draagt hij iets bij aan de heiliging. Christus zegt tegen de discipelen, die al tot geloof zijn gekomen: ‘Zonder Mij kunt gij niets doen’ (Joh. 15:5). Paulus schrijft: 1. geschiet van Godt tot den mensche / als het voorwerp 2. geschiet in den mensche, als het onderwerp 3. *À Brakel spreekt van ‘ordere der nature’, om te benadrukken dat de rechtvaardiging in tijd met de heiliging kan samengaan.
11
1.4
‘Want het is God Die in u – heiligen! (zie Fil. 1:1) – werkt beide het willen en het werken’ (Fil. 2:13). Ook bidt hij: ‘De God des vredes Zelf heilige u geheel en al’ (1 Thess. 5:23). En de Heere zegt bij monde van Ezechiël: ‘De heidenen zullen weten dat Ik de Heere ben, Die Israël heilig’ (Ez. 37:28). Soms wordt het werk van de heiliging in het bijzonder toegeschreven aan God de Vader (‘Aan de geroepenen, die door God de Vader geheiligd zijn’, Jud.:1), soms aan God de Zoon (‘Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende’ (Ef. 5:26) en soms aan de Heilige Geest (‘In de heiligmaking des Geestes’, 1 Petr. 1:2; ‘De vrucht des Geestes is liefde (…)’, Gal. 5:22). De Heilige Geest wordt dan ook wel ‘de Geest der heiligmaking’ genoemd (Rom. 1:4). Hoewel God geen middel nodig heeft om mensen te heiligen, maakt Hij toch gebruik van het Woord: ‘Heilig hen in Uw waarheid; Uw Woord is de waarheid’ (Joh. 17:17); ‘Haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord’ (Ef. 5:26). In het Woord wordt de zonde in al haar afzich telijkheid en het geestelijke leven in al zijn aantrekkelijkheid getekend. Door middel van het Woord worden mensen overtuigd, bestraft, gewaarschuwd en geoordeeld; maar ook opgewekt en aangespoord. In het Woord wordt Christus voorgesteld als de Bron van de heiliging, en is er sprake van de beloften van heiliging. Het is de Heilige Geest Die deze beloften aan het hart van de gelovigen legt en hen daarmee werkzaam maakt. Op al deze manieren is het Woord een middel in Gods hand. Zonder de werking van God doet het middel niets! Ook de dienaren van het Woord kunnen een middel tot heiliging genoemd worden, omdat zij Gods Woord prediken en aan het hart leggen: ‘Wie is dan Paulus, en wie is Apollos, anders dan dienaars door welke gij geloofd hebt? (…) Want wij zijn Gods medearbeiders’ (1 Kor. 3:5,9); ‘De leraars nu zullen blinken als de glans des uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk’ (Dan. 12:3). Zoals in het natuurlijke leven de mens de oorzaak van zijn daden is – hoewel hij in zijn zijn en in zijn doen en laten geheel van God afhankelijk is, en al leen iets kan doen dankzij de voorkomende, medewerkende en uitvoerende kracht van God4 – zo is het ook in het geestelijke leven. Inderdaad, het zijn de gelovigen zelf die de zonde haten, God beminnen, Zijn geboden gehoor zamen en goede werken doen; maar ze doen dat niet onafhankelijk van God of zelfstandig! Nee, de Heilige Geest, Die hun in de bekering geestelijk leven geschonken heeft, onderhoudt dat leven ook voortdurend: Hij wakkert het aan, maakt het werkzaam en zorgt dat het leeft in overeenstemming met de 4. *Zie voor Gods medewerkende kracht in het natuurlijke leven paragraaf I.11.4.
12
heiliging en heiligheid
geestelijke natuur van de wedergeborene. Hij sluit daarbij aan bij de mense lijke aard die God geschapen heeft. Ik bedoel daarmee dat Hij gebruikmaakt van het verstand, de wil, de verlangens en het daaruit voorvloeiende gedrag van de mens. Als de wedergeborene zo door de werking van Gods Geest aangegrepen wordt, gaat hij zelf ook aan het werk: hij gaat heilig leven. Hij doet daarmee niets anders dan datgene waartoe zijn nieuwe natuur geneigd is; anders gezegd: hij doet datgene waarvan hij weet dat hij het moet doen. Zie voor dit alles de volgende teksten: ‘Geliefden, laat ons onszelf reinigen van alle besmetting des vleses en des geestes, voleindigende de heiligmaking in de vreze Gods’ (2 Kor. 7:1); ‘Gelijk Hij Die u geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook gij zelf heilig in al uw wandel; daarom dat er geschreven is: Zijt heilig, want Ik ben heilig’ (1 Petr. 1:15-16).
5. Degenen die geheiligd worden zijn de uitverkorenen [VII] Degenen die geheiligd worden, zijn de uitverkorenen: zij alleen, maar zij ook allemaal: ‘Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, vóór de grondleg ging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde’ (Ef. 1:4); ‘Die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn’ (Rom. 8:29). De uitverkorenen worden in hun totaliteit vernieuwd: niet alleen het ver stand, maar ook de wil; en niet alleen de wil, maar ook het verstand; niet al leen het verstand en de wil, maar ook de gevoelens en de verlangens. Kortom, niet alleen de affectieve zielsvermogens5, maar ook de cognitieve6 worden vernieuwd; niet alleen de inwendige vermogens van de mens, maar ook de uitwendige daden; niet alleen de uitwendige daden – zoals de socinianen beweren, omdat zij van geen inwendige daden willen weten7 – maar ook de inwendige vermogens, zoals verstand, wil en gevoelens. De volgende teksten laten dat zien: ‘Wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds’ (Rom. 12:2); ‘Verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn’ (1 Kor. 6:20); ‘Indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden’ (2 Kor. 5:17); ‘De God des vredes Zelf heilige u geheel en al; en uw geheel oprechte geest en ziel en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onze Heere Jezus Christus’ (1 Thess. 5:23).
5. onderste faculteyten ofte mogentheden der ziele 6. bovenste 7. *De socinianen waren de volgelingen van Faustus Socinus (1539-1604), die de twee naturen van Christus, de Drie-eenheid en de verzoening door Christus’ kruisdood ontkende. Zie ook paragraaf 1d van de kerkhistorische inleiding op deel 1b.
13
1.6
Ook al worden al Gods kinderen in alle opzichten geheiligd, er is toch ver schil in de mate van heiliging. Die is niet bij iedereen gelijk! Niet voor niets spreekt de Bijbel over ‘kinderen, jongelingen en vaders’ (1 Joh. 2:13).8 Er zijn aan de ene kant eikenbomen der gerechtigheid, groene palmbomen en hoge ceders, en aan de andere kant gekrookte rietjes en rokende vlaswieken. Daarbij komt nog dat wie zwak is in heiliging, ook weleens sterk wordt; en wie sterk is, ook weleens zwak – niet alleen wat de uitwendige daden, maar ook wat de inwendige genade betreft. Het geestelijke leven zelf zal echter nooit wijken, en de gelovige komt nooit opnieuw onder de heerschappij van de zonde. Wel kan hij door de zonde als een vijandelijke mogendheid gevan gengenomen en een tijd gevangen gehouden worden. Ook dan echter geldt: ‘Als hij valt, zo wordt hij niet weggeworpen, want de Heere ondersteunt zijn hand’ (Ps. 37:24).
6. Een gelovige heeft een oude en een nieuwe mens [VIII-XI] De daden van de gelovige in de heiligmaking kunnen in tweeërlei opzicht beschouwd worden: (1) hij keert zich tegen de zonde, en (2) is gericht naar heiligheid. Het eerste wordt ook wel aangeduid als het afleggen van de oude mens (zie Ef. 4:22), het doden van de leden die op de aarde zijn (zie Kol. 3:5), het kruisigen van het vlees met de bewegingen en begeerlijkheden (zie Gal. 5:24), het uittrekken van het lichaam der zonde en des vleses (zie Kol. 2:11), het zich onthouden van de vleselijke begeerlijkheden (zie 1 Petr. 2:2) en het zich reinigen van de besmettingen des vleses en des geestes (zie 2 Kor. 7:1). Het tweede wordt ook wel genoemd: het aandoen van de nieuwe mens (zie Ef. 4:24), de verandering door de vernieuwing van het gemoed (zie Rom. 12:2), het gelijkvormig worden aan het beeld van de Zoon (zie Rom. 8:29) en het gestalte krijgen van Christus in ons (zie Gal. 4:19). Met de oude mens bedoelen we onze verdorven natuur. Door de zondeval is de mens in de meest afschuwelijke en afzichtelijke toestand beland: hij vertoont niet langer Gods beeld en mist alle geestelijke kennis, alle ware liefde, alle gerechtigheid, alle heiligheid, alle vrede en alle blijdschap. Hij draagt nu de natuur van de duivel in zich, en is in staat om alle mogelijke gruwelen tegen God en zijn naaste te bedrijven. Zijn wil is totaal tegengesteld aan Gods wil: hij haat God, alles wat op God lijkt en alles wat God beveelt. Het liefst blijft hij zo ver mogelijk bij Hem vandaan. Hij zegt: ‘Laat de Heilige Israëls van ons ophouden!’ (Jes. 30:11) Zijn verlangen gaat uit naar de zonde; aan God wil hij zich niet onderwerpen. Als hij eeuwig in de zonde mocht leven, liet 8. *À Brakels vader Theodorus gebruikt dezelfde drieslag in zijn Trappen des geestelijken levens.
14
heiliging en heiligheid
hij de hemel graag aan God over. Zijn begeerte speelt de baas over hem, en spoort zijn verstand, zijn wil en zijn ledematen aan om aan haar lusten te voldoen. Kortom: hij is totaal verkeerd en verbasterd! Welnu, dit is de mens vóór zijn bekering, die door de Schrift de ‘oude mens’ wordt genoemd. Als deze toestand in de Bijbel zó wordt aangeduid, valt niet voor niets het woord mens: de hierboven beschreven verdorvenheid heeft de mens immers aangetast in zijn totaliteit! Zij is doorgedrongen in zijn verstand, zijn wil, verlangens en ledematen, en is merkbaar bij alles wat hij doet. Denk hierbij ook aan het feit dat de mens soms flink uit balans kan raken9, of dat hij een gevoel van welbehagen gewaar wordt als hij zonden bedrijft. U ziet aan dat laatste dat niet alleen de zonde het resultaat is van menselijke verlangens, maar dat die zonde vervolgens ook weer verlangens opwekt! Kortom, het is waar wat Paulus schrijft: ‘Beide hun verstand en geweten zijn bevlekt, (…) alzo zij gruwelijk zijn en ongehoorzaam en tot alle goed werk ondeugende’ (Tit. 1:15-16). Een slechte boom brengt slechte vruchten voort, en zo brengt een slecht mens slechte dingen voort uit de slechte schat van zijn hart (zie Matth. 12:33,35). Christus zegt: ‘Uit het hart komen voort boze bedenkin gen, doodslagen, overspelen, hoererijen, valse getuigenissen, lasteringen’ (Matth. 15:19). Ook de benaming ‘oude mens’ is treffend, omdat dit al sinds Adam onze toestand is, en wij daarin reeds verkeren vóór we worden wedergeboren. Een onbekeerd iemand is dus niets dan alleen maar oude mens, dat is: enkel verdorvenheid. De oude mens wordt in de Bijbel ook wel aangeduid met ‘begeerlijkheid’ (1 Petr. 2:11), ‘vlees’ (Rom. 7:7-8), ‘wet der zonde’ (Rom. 7:23) en ‘beeld van de eerste Adam’ (1 Cor. 15:49; zie ook Gen. 5:3). Door een tegenstelling te maken kunnen we uit het voorgaande ook te weten komen wat de nieuwe mens inhoudt. Hierbij moeten we namelijk denken aan: geestelijk leven, een vernieuwde toestand, een geheiligde natuur, het vertonen van Gods beeld, alsook ware kennis, gerechtigheid en heiligheid. In Gods Woord wordt de nieuwe mens ook wel aangeduid als ‘de inwendige mens’ (Rom. 7:22), ‘de verborgen mens des harten’ (1 Petr. 3:4), ‘Gods maaksel’ (Ef. 2:10), ‘een nieuw schepsel’ (2 Kor. 5:17) en ‘de goddelijke natuur’ (2 Petr. 1:4). Het woord mens wordt gebruikt omdat de mens (opnieuw) in zijn totaliteit wordt vernieuwd – zowel wat zijn verstand, zijn wil, zijn verlangens en zijn ledematen betreft. In alles wat hij denkt en doet, werkt de nieuwe mens overeenkomstig de nieuwe, heilige natuur. Er is sprake van de nieuwe mens, omdat de nieuwe natuur later geschonken wordt dan de oude mens; namelijk in de wedergeboorte. Een mens wordt dan geheel veranderd en vernieuwd. 9. ongetempertheyt der humeuren
15
1.7
Een mens ontvangt in de wedergeboorte dus een nieuwe natuur: zowel in zijn verstand, zijn wil, zijn verlangens als zijn ledematen wordt alles nieuw. Toch bereikt niemand, hoe lang hij ook leeft, ooit de hoogste trap van volmaakt heid; de vernieuwing blijft in dit leven altijd ten dele. De oude natuur heerst weliswaar niet meer in de mens, maar blijft wel degelijk in hem aanwezig. Een mens raakt ook nooit zijn verkeerde aard kwijt, en laat bovendien niet na die op alle mogelijke manieren te vertonen. Dat de oude mens in Gods kinderen aanwezig blijft, is overeenkomstig Gods wijze wil. Hierdoor komen namelijk Zijn vrije genade, Zijn lankmoedigheid en Zijn macht des te meer tot uitdrukking, aangezien Hij de nieuwe natuur nooit zal laten uitblussen of verslinden door de oude natuur – hoe krachtig die ook nog aanwezig moge zijn! Bovendien blijft door de aanwezigheid van de oude mens Christus’ voldoening altijd heerlijk en noodzakelijk10, omdat we zo voortdurend leren dat alleen Zijn voldoening de enige grond van onze rechtvaardiging en blijdschap is. Ten slotte zorgt de aanwezigheid van de oude mens ervoor dat de gelovige klein en ootmoedig blijft. Hij beseft dat hij hier voortdurend moet strijden, maar dat hij eenmaal ook de overwinnings kroon zal ontvangen. De oude mens doet hem op deze wijze meer verlangen naar de hemel, waar hij volmaakt zal zijn. Hij die wel het verlangen naar de volmaaktheid behoudt, maar zich voor wat betreft dit leven onderwerpt aan Gods wil, heeft Gods handelwijze het beste begrepen. Anders gezegd: Gods handelwijze wordt het beste begrepen door hem, die, omdat hij weet gerechtvaardigd te zijn, zich niet overgeeft aan moedeloosheid, en tegelijk uit de vaste hoop leeft dat hij eenmaal volmaakt zal zijn.
7. De twee naturen in een gelovige voeren een geestelijke strijd [XII] Zoals water en vuur elkaar in een en hetzelfde vat niet kunnen verdragen maar elkaar de baas proberen te worden, zo gaat het ook met de oude en de nieuwe mens. Beide zijn in een wedergeboren mens aanwezig; niet beur telings, en niet nu eens de een helemaal en dan de ander helemaal, maar tegelijk. Het is ook niet zo dat ze beide op verschillende plaatsen in die mens verkeren, bijvoorbeeld de een in het verstand en de ander in de wil, of de een in de ziel en de ander in het lichaam. Nee, ze zijn beide in de hele mens aanwezig – op dezelfde manier als in de schemering licht én duisternis, of in lauw water koud én warm water beide aanwezig zijn. Daarbij voeren ze een hartstochtelijk gevecht om elkaar te verdrijven. Het is bij deze strijd niet zo dat eerst de oude mens wordt weggenomen om plaats te maken voor de nieuwe mens; zoals een oud huis eerst vernietigd moet worden voor er een nieuw huis in de plaats daarvan gebouwd kan 10. versch
16
heiliging en heiligheid
worden. Deze gedachte van mortificatie11 heeft postgevat in de roomse kloos ters, alsook bij de labadisten.12 Laatstgenoemden doen niets liever dan het gedachtegoed van roomse mystieke schrijvers tot zich nemen en navolgen. Daarmee voeren ze de zielen van mensen echter wel van de juiste weg af! Het is niet voor niets dat God al hun voornemens verhindert en in Zijn toorn verwarring onder hen gesticht heeft, zodat de groepering nu uit elkaar gevallen is. Achteraf is gebleken dat ze niet méér deden dan de oude mens weliswaar wat intomen, maar hem als zodanig ongemoeid lieten. Dat hun godsdienst slechts uit algemene religiositeit bestond, blijkt genoegzaam nu ze weer onder de mensen komen: de meesten van hen hebben nog niet de minste zelfverloochening geleerd – in het bijzonder als het om eer en geld gaat. Ik heb het uiteraard niet over degenen die al bekeerd waren vóór ze tot het labadisme toetraden, want in hen blijft de genade aanwezig.
8. Geestelijke strijd (a): de oude mens probeert de zonde te bevorderen [XIII-XV] Dat de gelovige een oude en een nieuwe mens heeft, veroorzaakt dus een niet aflatende strijd. Als de gelovige deze op de juiste wijze voert, zal de oude mens meer en meer het onderspit delven en de nieuwe mens toenemen in heiligmaking. Om dat proces te bevorderen, wil ik nu uitgebreider ingaan op de werkingen van beide naturen. Eerst bespreek ik de natuur van de oude mens, die drie dingen probeert te doen: (1) de gelovige laten zondigen; (2) hem van het goede afhouden; (3) afbreuk doen aan het goede werk dat hij niet kan tegenhouden. 1. De oude natuur probeert de gelovige te laten zondigen. Ze doet dat op de volgende manieren: (a) door hevige aanvallen uit te voeren. Zondige verlangens nemen de gelo vige zodanig in beslag en zetten hem zozeer aan tot het verkeerde, dat hij geen gelegenheid heeft om aan God te denken. Dreigt de vreze des Heeren toch de overhand te krijgen, dan nemen de zondige verlangens zozeer toe dat de heilige verlangens onmiddellijk tenietgedaan worden. Het gemoed van de gelovige wordt op deze wijze heen en weer geslingerd als stof in een wervel storm13. Voor hij tot bezinning komt, heeft de zonde reeds plaatsgevonden. (b) door hem enige rust in het vooruitzicht te stellen. Wie zich voortdurend inspant om naar Gods wil te leven, raakt lichamelijk en mentaal vermoeid. Zo’n leven lijkt onmogelijk om lang vol te houden! Op zoek naar wat rust en 11. *mortificatie betekent: afsterving. 12. *Labadisten waren de volgelingen van Jean de Labadie (1610-1674). Zie voor hen paragraaf 2a van de kerkhistorische inleiding op deel 1b. 13. kaf in een dwarlwind
17
1.8
ontspanning richt de oude mens zich op allerlei aardse zaken. Al snel echter komen de begeerten boven. De gedachten, die zich bezighouden met allerlei zaken die op zich geoorloofd zijn, beginnen zondig te worden – omdat het eigen ik zich erin gaat mengen. Zodoende gaat iemand luchtkastelen bouwen: hij verbeeldt zich vele rijkdommen te bezitten, of een hoge en eerbiedwaar dige positie te bekleden. Terwijl hij terdege weet dat dit alles bepaald niet het geval is, geniet hij van zijn eigen denkbeelden. Vervolgens gaat zijn oude natuur uit naar de zonde waar hij het meest gevoelig voor is14: onreinheid, gierigheid, hoogmoed of iets anders. Nu hij toch al van zijn stuk gebracht is, geeft de gelovige – voor zover het in zijn situatie mogelijk is – aan deze zonde ook toe. Als hij de gelegenheid zou krijgen zou hij zelfs zonden be drijven die hij nooit voor mogelijk had gehouden! Ook is het mogelijk dat wie de gelegenheid krijgt, in de zonde valt waarvan hij dacht dat hij er én door eigen inspanningen én door Gods genade15 van was bevrijd. (c) door hem overmoedig te maken. Een gelovige begeeft zich in een situ atie, waarvan hij weet dat hij daarin meerdere malen ten val is gekomen: eenzaamheid bijvoorbeeld, of juist een bepaald gezelschap. Hij denkt dat hij dit keer niet door de zonde overmand zal worden! Maar nu de gelegenheid er is, gaat hij erop in voor hij het beseft: de dichtstbijzijnde zonde heeft een opening gekregen en neemt de overhand. Denk hierbij aan de uitdrukking: ‘Vet geeft smet’16. (d) door het goede van iets te benadrukken, en de zondige kant daarvan te verdoezelen: ‘Dit of dat is noodzakelijk, aantrekkelijk, nuttig of eerlijk’; ‘dit leugentje is slechts om bestwil’; ‘dat is nodig, want anders kun je geen handel drijven’; ‘dit is geen enkel probleem, want anders kun je niet met goed fatsoen onder de mensen verkeren’; ‘dat is nuttig, want daarmee kun je op termijn heel veel goeds bereiken’; enzovoorts. Dergelijke verontschuldigingen wor den meestal niet aangewend met voorbedachten rade, maar komen op het moment zelf op. De mens veroorlooft zich daardoor wat meer vrijheden, of verzet zich in ieder geval niet meer zo krachtig tegen de zonde. Zo krijgt de oude natuur de overhand, en volgt de ene zonde op de andere. 2. De oude natuur probeert de gelovige af te houden van het goede. Denk hierbij aan de volgende situaties: (a) Een gelovige meent geen tijd te hebben om zijn godsdienstige plichten waar te nemen: bidden, Bijbellezen, zingen en mediteren. Hij verricht ze daarom niet, of slechts terloops – en dan alleen om zijn geweten enigszins gerust te stellen. Het is alsof hij altijd opgejaagd wordt, terwijl hij feitelijk best tijd heeft. 14. digstaenleggende sonde 15. soo door de natuur als genade 16. vetjes maken smetjes
18
heiliging en heiligheid
(b) Een gelovige stelt zijn godsdienstige oefeningen uit. Jazeker, hij zal ze verrichten; natuurlijk! Eerst echter moet dit of dat afgewerkt worden, dan heeft hij daarna des te meer rust en aandacht. Ondertussen ontglipt hem de tijd, of is de juiste gestalte geweken17. Hij kan er zich niet toe zetten, of doet alles zonder werkelijke geestelijke betrokkenheid. (c) Een gelovige ziet tegen zijn geestelijke plichten op. Ze komen hem bo venmate zwaar voor, en daarom probeert hij ze te ontlopen of uit te stellen. Nadat hij eerst door allerlei beslommeringen hindernissen heeft opgewor pen18, zet hij zich eindelijk aan het werk met de ijver van een luiaard, die vooruit kruipt19. Alles is hem te veel, en hij is niet in staat om te doen wat hij zou moeten doen. (d) Een gelovige beschouwt al zijn godsdienstige inspanningen als tevergeefs. Hij denkt dat God hem niet hoort, dat hij niet krijgt wat hij vraagt en dat dat in de toekomst ook niet zal gebeuren. Ook meent hij dat zijn woorden op anderen geen enkele uitwerking hebben, dat hij door zijn woorden al leen maar in de achting van anderen daalt of dat zijn ingetogen gedrag als onoprecht en gemaakt wordt beschouwd. (e) Een gelovige probeert een derde weg te bewandelen20. De weg naar de hemel is toch zeker niet zo smal als gewoonlijk wordt voorgesteld, en zouden dege nen die niet zo precies leven werkelijk allemaal verloren gaan? En bovendien: opgewektheid21, wellevendheid ten opzichte van anderen en vrolijkheid zijn toch zeker niet in strijd met een godzalig leven! Dergelijke gedachten echter beletten de gelovige om heilig te leven en Jezus’ voetstappen te drukken. 3. De oude natuur probeert afbreuk te doen aan het goede dat ze niet kan tegenhouden. Ze doet bijvoorbeeld het volgende: (a) De gedachten laten afdwalen en van het ene op het andere laten over springen. (b) Goede gedachten geven, die echter op dat moment niet van pas komen en slechts afbreuk doen aan de intentie om het goede te doen. (c) Bijbedoelingen geven, en de gelovige gericht laten zijn op zijn eigen ik. Hierdoor wordt hij gehinderd in zijn geestelijke werkzaamheden, verliest hij de juiste ernst, ontvangt hij geen verkwikking en wordt er afbreuk gedaan aan de zuiverheid van zijn werk. (d) Bij de gelovige de gedachte inwerpen dat hij slechts op natuurlijke en niet op geestelijke wijze te werk gaat, of dat hij een huichelaar is. 17. die Geest is wech 18. met vele moeyten sig overdwarst hebbende 19. *À Brakel gebruikt het woord ‘luiaard’ hier niet overdrachtelijk (dus voor een lui mens), maar letterlijk: een luiaard legt maximaal 150 meter per uur af. 20. trachtse maer tusschen beyden door te gaen 21. resoluytheyt
19
1.9
(e) Ruimte geven aan atheïstische en ongelovige gedachten, zodat er zelfs aan het meest geestelijke werk afbreuk wordt gedaan. In plaats van geestelijke verkwikking ervaart een gelovige ontsteltenis! Hij walgt ervan dat hij zo’n goed werk op zo’n slechte wijze heeft verricht. Op al deze manieren gaat de oude natuur te werk.
9. Geestelijke strijd (b): de nieuwe mens probeert de zonde te doden [XVI-XVII] De nieuwe natuur zit echter niet stil! Hij stelt zich tegen de oude natuur teweer: soms om haar een dodelijke wond toe te brengen, dan weer door de nieuwe mens kracht te geven om toe te nemen in heiligheid. Dit is de heiligmaking in eigenlijke zin! Het is de Heilige Geest Die in de wedergeboorte aan de mens een nieuwe natuur schenkt, en die door Hem voortdurend bewaard en beschermd, aan gespoord, ondersteund en bestuurd wordt. Paulus schrijft: ‘Het is God Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen’ (Fil. 2:13). De nieuwe natuur (anders gezegd: het geestelijke leven) gaat onder invloed van deze werking zelf ook meer of minder krachtig22 werken: zij verzet zich tegen de oude natuur en probeert die te doden en ten onder te brengen. Zie hiervoor deze teksten: ‘Indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zo zult gij leven’ (Rom. 8:13); ‘Wandelt door de Geest, en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet. De Geest begeert tegen het vlees’ (Gal. 5:16-17). Ik zal nu in deze en de volgende paragraaf achtereenvolgens ingaan op de twee eerdergenoemde aspecten: (1) het doden van de zonde en (2) het ver sterken van de nieuwe natuur. Wat het eerste betreft, de nieuwe natuur verzet zich tegen de oude natuur op de volgende manieren: 1. De nieuwe natuur treurt over de zonde. Ze is hartelijk bedroefd over het feit dat ze door de zonde omringd wordt, die haar immers vuil en afzichtelijk maakt. Ze krijgt een afkeer van zichzelf. Het doet haar verdriet dat de zonde haar verhindert om te leven in de zoete gemeenschap met God, dat ze voort durend tegen Gods wil ingaat en dat ze zich Gods toorn waardig maakt. De zonde is haar een last, die te zwaar is om te dragen; hoe graag zou ze van dat afschuwelijke monster verlost zijn! Het liefst zou de gelovige de zonde met 22. overeenkomstig hare kracht ofte krachtjes
20
heiliging en heiligheid
grote kracht23 ver van zich werpen, maar die zit te diep in hem geworteld en is te stevig aan hem verbonden. Daarom roept hij uit: ‘Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?’ (Rom. 7:24) Iedere vorm van verdriet over wat dan ook valt in het niet bij het verdriet en het ongenoegen van een gelovige over de walgelijkheid van de zonde. De nieuwe natuur kirt hierover als een duif en piept als een zwaluw (zie Jes. 38:14). Ze verkeert in rouw, en vertoont als het ware ingevallen wangen van verdriet. Nee, ze probeert haar verdriet niet weg te duwen, maar juist te laten toenemen en geestelijk van aard te laten zijn24. Ze stelt zich voor Gods heilig aangezicht zoals ze is, en zinkt weg in haar schaamte. Ze belijdt ronduit haar falen, ze huilt, ze vertelt hoe erg de zonde is, ze treurt, ze bidt om vergeving. Maar ook: ze vlucht tot Jezus, neemt Hem aan als haar deel, gaat met Zijn volkomen verdienste tot God de Vader en worstelt net zolang tot ze zich gerechtvaar digd weet en vrede ervaart. Terwijl hij zo bezig is, gaat een gelovige minder zonde doen, en wordt hij er bovendien banger voor. De volgende teksten gaan hierover: ‘De droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid’ (2 Kor. 7:10); ‘Het treuren is beter dan het lachen, want door de droefheid des aangezichts wordt het hart gebeterd’ (Pred. 7:3). 2. De nieuwe natuur haat de zonde. De psalmdichter zegt: ‘Gij liefhebbers des Heeren, haat het kwade’ (Ps. 97:10); ‘Ik haat de kwade ranken; (…) alle valse pad heb ik gehaat’ (Ps. 119:113,128). Deze haat komt op de volgende wijze tot uiting: (a) In een innerlijke afkeer van de zonde. Bij het licht van Gods heiligheid en Zijn heilige wet ziet een gelovige hoe de zonde tegen God ingaat, en hoe vuil en ongepast ze is. De zonde betekent een verachting en verwerping van God Zelf! Dit besef zorgt ervoor dat de gelovige een afkeer krijgt van de zonde en deze zelfs verfoeit: ‘Hebt een afkeer van het boze’ (Rom. 12:9); ‘Met het gehoor des oors heb ik U gehoord, maar nu ziet U mijn oog. Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw, in stof en as’ (Job 42:5-6). (b) In een gevoel van hevige ontsteltenis als de zonde begaan is. Het hart klopt de gelovige in de keel, de vrede in zijn geweten verdwijnt, de onrust komt er voor in de plaats en er ontstaat een verlangen om tegen de zonde te strijden25: ‘Het geschiedde daarna, dat Davids hart hem sloeg, omdat hij de slip van Saul afgesneden had’ (1 Sam. 24:6); ‘Er is geen vrede in mijn beenderen vanwege mijn zonde’ (Ps. 38:4); ‘Want zie, ditzelve dat gij naar God zijt bedroefd ge worden, hoe grote naarstigheid heeft het in u gewrocht! Ja verantwoording, ja onlust, ja vrees, ja verlangen, ja ijver, ja wraak’ (2 Kor. 7:11). 23. met een mannen-moed 24. te vergeestelyken 25. wraeklust
21
1.9
(c) In het haten van de zonde. De nieuwe natuur kan de zonde niet zien of luchten, wil er niet over horen, wil er niet aan denken en wil er ook geen woorden aan vuil maken. Steekt de zonde toch de kop op, dan wordt die verachtelijk weggeworpen – zoals iemand een vlam op zijn kleding snel weg slaat. Judas schrijft: ‘Haat ook de rok die van het vlees bevlekt is’ (Jud.:23). 3. De nieuwe natuur ontvlucht de zonde. Als ze naar behoren functioneert26, waakt de nieuwe natuur tegen de zonde en probeert ze die iedere gelegenheid te ontnemen om de kop op te steken. Ze heeft geleerd voor welke zonde ze het meest blootligt en in welke omstandigheden de zonde het gemakkelijkst opwelt – verveling, eenzaamheid of juist een bepaald gezelschap. Voor dat alles wacht ze zich: ‘Ik wacht mij voor mijn ongerechtigheid’ (Ps. 18:24); ‘Indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet’ (Spr. 1:10); ‘Kom niet op het pad der goddelozen’ (Spr. 4:14); ‘Wijk af van het kwade’ (Ps. 34:15). 4. De nieuwe natuur bestrijdt de zonde dapper. Ze probeert de zonde te ver drijven. Daarbij begint ze bij het hart, omdat ze weet dat als een mens aan de binnenkant rein is, de buitenkant vanzelf wel zal volgen. Ze neemt geen genoegen met een oppervlakkig verwijderen van de zonde, maar probeert die met wortel en tak uit te roeien. Kortom, ze stelt alles in het werk om de zonde te doden (zie Kol. 3:5), het vlees en zijn begeerlijkheden te kruisigen (zie Gal. 5:24), het hart te zuiveren en de handen te reinigen (zie Jak. 4:8). Zij neemt een vast besluit, trekt de geestelijke wapenrusting aan, vecht dapper en geeft het de zonde niet gewonnen. De liefde van God stelt ze zichzelf voortdurend voor ogen, want die is het die haar dringt. Ze wil haar weg gaan in de vreze des Heeren; ze overdenkt de waarschuwingen tot en oordelen over goddelozen én godvrezenden, die immers dezelfde zonden bedreven waartegen zij nu strijdt; ze bidt om hulp; ze grijpt Gods kracht aan. In dat alles beoefent zij het ware geloof, dat in dit opzicht als volgt te werk gaat: (a) Het geloof richt zich op een belofte van God, die bij de toestand van de gelovige past; bijvoorbeeld: ‘De Heere uw God zal uw hart besnijden (…) om de Heere uw God lief te hebben’ (Deut. 30:6); ‘Ik zal u een nieuw hart geven (…); Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen’ (Ez. 36:26-27). (b) De gelovige ziel houdt zichzelf deze belofte voor ogen en gaat met een beroep daarop tot Christus. Ze neemt Hem aan tot rechtvaardiging, waar door ze bij zichzelf vaststelt dat alle beloften – en dus ook deze belofte – in Christus ja en amen zijn (zie 2 Kor. 1:20). In Hem beschouwt ze zichzelf als een erfgenaam van deze beloften, en weet daarom zeker dat die ook aan haar vervuld zullen worden. 26. alsse op haer dreef is
22
heiliging en heiligheid
(c) Ze strijdt tegen de zonde27, terwijl ze de belofte vasthoudt. (d) In dit alles gebruikt ze alle genademiddelen die God geschonken heeft. (e) Ze klemt zich voortdurend aan de belofte vast, en blijft erop vertrouwen dat die ook in haar leven waar zal worden. Hoewel ze zich aan Gods wil onderwerpt wat betreft tijd en mate van vervulling, is ze onverminderd werkzaam. Zo neemt de nieuwe natuur toe in kracht, en wordt de kracht van de zonde hand over hand minder – ook al ziet ze zelf niet altijd dat ze aan de winnende hand is.
10. Geestelijke strijd (c): de nieuwe natuur doet de nieuwe mens toenemen in heiligheid [XVIII] De tweede werking van de nieuwe natuur is dat ze de gelovige laat toenemen in heiliging. Dit vindt plaats op de volgende manieren: (1) de nieuwe natuur heeft liefde tot Gods wil; (2) ze heeft een verlangen naar heiliging; (3) ze neemt de heiliging onverschrokken ter hand. 1. De nieuwe natuur heeft liefde tot Gods wil. Ze wil niet volstaan met het bestrijden van de zonde, maar wenst ook dat er in plaats daarvan sprake is van een heilige levenswandel! Het ene is dus niet minder nodig dan het an dere. De nieuwe natuur ‘jaagt de heiligmaking na’ (Hebr. 12:14), en doet dat eerst en vooral door de wil van de gelovige gelijkvormig te maken aan Gods wil. Ze laat zien dat de wil van God de wil is van Hem, Die in Christus zijn Vader is. Ze maakt God bekend als de hoge, heilige en soevereine Gebieder. Ze ziet zoveel zuiverheid en heerlijkheid in Gods wil, dat haar wil één wordt met Gods wil; die heeft ze lief! Gods wil gaat haar zozeer boven alles, dat ze zich tot het uiterste inspant om haar eigen wil te laten willen wat God wil dát ze wil. Ik noem in dit verband de volgende situaties: (a) Is het Gods wil dat haar naar ziel of lichaam lijden overkomt, dan wil de nieuwe natuur dat gewillig aanvaarden – omdat het de wil van haar Heere is! Ze omhelst het lijden en neemt het gewillig op zich, ook al is het met tranen in de ogen. Ze voelt de pijn immers terdege, en God vraagt trouwens nergens van ons dat we ongevoelig zijn. Ze vernedert en verootmoedigt zich onder Gods krachtige hand. Ze spreekt Hem niet tegen, ze is niet verdrietig en ze wordt niet moedeloos. Als dergelijke gevoelens opspelen, zegt ze: ‘Zwijg; dat wil de Heere niet!’ Ze onderwerpt zich dus lijdzaam aan Gods bestuur, ook al kan ze geen reden bedenken waarom God zo met haar omgaat. Ze zegt tegen zichzelf: ‘Ik hoef de reden niet te weten waarom God dit doet; God geeft geen rekenschap van al Zijn daden, en waarom zou Hij verantwoording schuldig zijn aan mij, aards en nietig schepsel dat ik ben? Nee, voor mij is 27. hier gaetse dan op aen
23
1.10
het voldoende om te weten dat dit de wil van mijn Vader is. Uit Zijn Woord weet ik dat Hij enkel uit liefde zo met mij handelt. Hij zal ervoor zorgen dat dit alles mij ten beste zal gedijen, ook al zie ik op dit moment niet hoe. Eens zal dit voorbij zijn, en dan is de uitkomst heerlijk.’ De werkzaamheid van het zich buigen onder Gods wil maakt de ziel heilig. Op deze wijze ging David te werk, toen hij verdrukt werd: ‘Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan’ (Ps. 39:10). In Klaagliederen staat: ‘Hij zitte eenzaam en zwijge stil, omdat Hij het hem opgelegd heeft. (…) Want de Heere zal niet verstoten in eeuwigheid; maar als Hij bedroefd heeft, zo zal Hij Zich ontfermen naar de grootheid Zijner goedertierenheden’ (Klaagl. 3:28,31,32). En de apostel schrijft: ‘Deze kastijdt ons tot ons nut, opdat wij Zijner heiligheid zouden deelachtig worden’ (Hebr. 12:10). (b) De nieuwe natuur onderwerpt zich ook aan Gods wil als het gaat om alles wat God wil dat zij doet; zowel wat het lichamelijke als het geestelijke betreft. Als de Heilige Schrift zegt: ‘Dit is de wil van God, uw heiligmaking’ (1 Thess. 4:3), dan wil zij dat ook. Als ze anderen helpt, doet ze dat ‘met goedwilligheid [voor] de Heere, en niet [voor] de mensen’ (Ef. 6:7). In heel haar doen en laten ziet ze op Gods wil; ze doet en laat alles omdat het Zíjn wil is: ‘Doende de wil Gods van harte’ (Ef. 6:6). Omdat ze Gods wil liefheeft, heeft ze ook Gods bevelen en wetten lief: ‘Ik ben vrolijker in de weg Uwer getuigenissen dan over alle rijkdom. (…) Ik zal mijzelf vermaken in Uw in zettingen. (…) Hoe lief heb ik Uw wet! (…) Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest! (…) Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vrolijkheid. Ik heb mijn hart geneigd om Uw inzettingen eeuwig te doen, ten einde toe’ (Ps. 119:14,16,97,103,111,112). Bij iedere daad en in iedere situatie wil ze dus weten ‘welke de goede en welbe hagende en volmaakte wil Gods zij’ (Rom. 12:2). Kortom, de nieuwe natuur heeft geen andere begeerte ‘hetzij inwonende, hetzij uitwonende, om Hem welbehaaglijk te zijn’ (2 Kor. 5:9). 2. De nieuwe natuur heeft een sterk verlangen om heilig te leven. In het boek Nehemia is sprake van ‘Uw knechten, die lust hebben Uw Naam te vrezen’ (Neh. 1:11). Dit verlangen uit zich in de volgende zaken: (a) In het zich aanbieden om de Heere te dienen: ‘Spreek, Heere, want Uw knecht hoort’ (1 Sam. 3:10). (b) In het vragen naar wat de Heere wil dat we doen: ‘Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?’ (Hand. 9:6) (c) In het luisteren naar Gods antwoord: ‘Ik hield wacht om te zien wat Hij in mij spreken zou’ (Hab. 2:1). (d) In de bereidwilligheid om te doen wat God wil: ‘Uw volk zal zeer gewil lig zijn op de dag Uwer heirkracht, in heilige sieradiën’ (Ps. 110:3); ‘Ik heb gehaast en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden’ (Ps. 119:60). 24
heiliging en heiligheid
(e) In vurige ijver tijdens het uitvoeren van Gods wil: ‘Zijt vurig van geest. Dient de Heere’ (Rom. 12:11). (f) In het volharden in de uitvoering van Gods wil: ‘Dezen (…) brengen in volstandigheid vruchten voort’ (Luk. 8:15). 3. De nieuwe natuur heeft, geestelijk gezien, ook de moed en de volharding 28 om door alle belemmeringen heen te breken. Wat er zich ook voordoet, ze laat zich door niets weerhouden. Als ze valt, staat ze weer op; loopt ze een wond op, dan gaat ze naar Christus als haar Heelmeester en neemt ze Zijn bloed aan als een snelwerkend medicijn29. Tegenstand geeft haar juist kracht, zodat ze met des te meer moed de strijd aanbindt. Ze verheft zich in de wegen des Heeren (zie 2 Kron. 17:6), omdat ze weet dat haar vijand al door Christus is overwonnen en zij slechts met zijn stuiptrekkingen te maken heeft. Nooit zal deze vijand haar overwinnen; nee, ze zal zelf als overwinnaar uit de strijd komen en als zodanig gekroond worden! Het bevechten van de vijand is haar daarom tot vreugde, en met blijdschap bindt ze de strijd aan: ‘De liefde is sterk als de dood, de ijver is hard als het graf; haar kolen zijn vurige kolen, vlammen des Heeren. Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblus sen’ (Hoogl. 8:6-7). Deze volhardende kinderen van God worden in de Bijbel ‘helden’ genoemd, bijvoorbeeld in de volgende teksten: ‘De zwakke zegge: Ik ben een held’ (Joël 3:10); ‘Hij zal hen stellen gelijk het paard Zijner majesteit in de strijd (…); zij zullen zijn als de helden, die in het slijk der straten treden in de strijd, en zij zullen strijden, want de Heere zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen die op paarden rijden’ (Zach. 10:3,5). Op deze wijze is de nieuwe natuur werkzaam tot heiliging. Hieruit blijkt tegelijk hoe groot het onderscheid is tussen het intomen van de zonde door onbekeerden enerzijds en de ware heiliging anderzijds; tussen de deugdzaam heid van een onbekeerde en de goede werken van een begenadigde. Och, dat al degenen die niet meer hebben dan burgerlijk fatsoen en natuurlijke deugdzaamheid hierdoor eens overtuigd werden!
11. Heiligheid (a): wat die inhoudt [XIX-XXI] De vrucht van een heilig leven noemen we heiligheid. Het is immers niet zo dat de mens die op deze wijze bezig is, geen vrucht draagt! Nee, hij zal toenemen in heiligheid, en blinken in heilig sieraad (zie Ps. 110:3).
28. couragie ende gemoedigtheyt 29. ras-genesenden-balsem
25
1.11
Heiligheid is het allermooiste sieraad dat een mens kan hebben: ‘De hei ligheid is Uwen huize sierlijk, Heere, tot lange dagen’ (Ps. 93:5); ‘Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag Uwer heirkracht, in heilige sieradiën’ (Ps. 110:3); ‘Maar de verborgen mens des harten, in het onverderfelijk versiersel van een zachtmoedige en stille geest, die kostelijk is voor God’ (1 Petr. 3:4). Het woord ‘heiligheid’ geeft achting en ontzag, zodra iemand het hoort. Hoe heerlijk en ontzagwekkend zal dan ook de persoon zijn die werkelijk heilig is! Heiligheid is niet alleen iets uiterlijks; ze is méér dan alleen het verkeerde na te laten en het goede te doen. Nee, heiligheid heeft haar zetel in het hart. Vanuit de heilige gestalte van het hart haat en ontvlucht de geheiligde gelo vige alle zonden zonder onderscheid, en bemint en beoefent hij alle deugden zonder onderscheid. Wat die heilige gestalte precies inhoudt en hoe daaruit de heilige daden voortkomen, dat weet alleen degene die die gestalte zelf bezit; zoals ook de deugd alleen werkelijk gekend wordt door degene die die deugd beoefent. Heiligheid bestaat in het vertonen van Gods beeld, en hoe zou iemand dan weten wat heiligheid is als hij God niet kent? Wanneer God Zijn uitverkorenen heeft overgebracht tot de staat van het kindschap Gods en hen bekleed heeft met de volmaakte heiligheid van hun Hoofd en Borg, dan bekleedt Hij hen ook met Zijn beeld. Ze doen dan ‘de nieuwe mens aan die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Desgenen Die hem gescha pen heeft’ (Kol. 3:10); ‘De nieuwe mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid’ (Ef. 4:24). Kortom, heiligheid is een afschijnsel van de zuiverheid van God Zelf. De gelovige gaat dan op God lijken: ‘Zijt heilig, want Ik ben heilig’ (1 Petr. 1:16). Ik zal nu beschrijven hoe een geheiligde ziel eruitziet als hij op zijn best is, om de heerlijkheid van zijn toestand des te meer te benadrukken. Laat een klein- en zwakgelovige hier echter niet moedeloos door worden, als hij merkt dat hij zelf nog niet zo ver gevorderd is! 1. God geeft in de ziel een ‘wonderbaar licht’ (1 Petr. 2:9); anders gezegd: ‘verlichte ogen des verstands’ (Ef. 1:18), of: ‘verlichting der kennis der heer lijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus’ (2 Kor. 4:6). Bij dit licht ziet de ziel God en al Zijn deugden – waaronder Zijn verhevenheid en heerlijkheid. Ze beseft dat God het in Zichzelf waardig is dat alle met rede begiftigde schepselen al hun verlangen, blijdschap en liefde op Hem richten, en dat iedereen zich aan Zijn wil volkomen dient te onderwerpen. Ze beseft ook dat God zó goed is geweest dat Hij met mensen te maken wil hebben – zowel in wat Hij de mens gebiedt als in wat Hij hem aan lijden toeschikt. De geheiligde ziel hoeft geen andere reden om dat gebod te gehoorzamen of zich aan dat lijden te onderwerpen dan alleen dat het Gods wil is. Tegelijk ziet ze echter ook dat Gods wet heilig, en Zijn gebod heilig, rechtvaardig 26
heiliging en heiligheid
en goed is (zie Rom. 7:12). Sterker, ze ziet daarin Gods ondoorgrondelijke wijsheid tot uitdrukking komen. Het is dan ook haar vermaak naar Gods wet te horen en die voortdurend te overdenken. Ze ontbrandt in liefde tot die wet – die de uitdrukking is van Gods wil! – en verlangt ernaar om met haar hart en haar daden daaraan gelijkvormig te zijn. We zien dat duidelijk bij de psalmdichter: ‘Hoe lief heb ik Uw wet; (…) Ik ben vrolijker in de weg Uwer getuigenissen dan over alle rijkdom; (…) Ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb; (…) Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest ter plaatse mijner vreemdelingschappen’ (Ps. 119:97,14,47,54). De geheiligde ziel laat het echter bij dit heerlijke gezicht niet blijven, maar neemt het stellige voornemen om die wet ook daadwerkelijk te onderhouden: ‘Ik heb gezworen en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten Uwer gerechtigheid; (…) Ik heb mijn hart geneigd om Uw inzettingen eeuwig te doen, ten einde toe’ (Ps. 119:106,112). Vroeger waren de begeerten van de ziel als ongetemde paarden, die niet luisterden naar wat het verstand en de wil zeiden. Ze stormden altijd vooruit, en wisten ook nog het verstand en de wil met bedrog te dwingen om naar hen te luisteren! Diezelfde begeerten wordt nu hun plaats gewezen, zodat ze weer gaan gehoorzamen. Ze zijn gericht op Gods wil, en krijgen een verlangen om die te volbrengen. Het gehele lichaam van de gelovige wordt ingeschakeld om God te dienen: al zijn ledematen worden ‘wapenen der gerechtigheid’ (Rom. 6:13). Zo worden ze dienstbaar aan de geheiligde ziel; en dan niet alleen om uit te voeren wat die ziel wil, maar ook om via oor en oog voeding voor het geestelijke leven te verschaffen.30 Op deze wijze verdrijft bij een gelovige het geestelijke licht de duisternis, verslindt het leven de geestelijke dood en nemen heiligheid en heerlijkheid de zondige neigingen weg. 2. Hier blijft het niet bij. De ziel heeft niet alleen inwendig een heilige ge stalte, maar laat ook met daden zien dat ze God kent en liefheeft. Ze verzet zich tegen alles wat zonde is en reinigt zichzelf ‘van alle besmetting des vleses en des geestes, voleindigende de heiligmaking in de vreze Gods’ (2 Kor. 7:1). Dat doet ze trouwens ook bij anderen, volgens Gods bevel: ‘Gij zult uw naaste naarstig berispen en zult de zonde in hem niet verdragen’ (Lev. 19:17). Gods kind begeeft zich tot het beoefenen van allerhande deugden: ‘Voeg bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis, en bij de kennis matigheid, en bij de matigheid lijdzaamheid, en bij de lijdzaamheid godzaligheid, en bij de godzaligheid broederlijke liefde, en bij de broederlijke liefde liefde jegens allen’ (2 Petr. 1:5-7). De vrucht van de Geest in haar is ‘liefde, blijdschap, 30. *À Brakel doelt met deze zin waarschijnlijk op het Woord en de sacramenten, die tot de gelovige komen via de zintuigen.
27
1.12
vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedig heid, matigheid’ (Gal. 5:22). Zo komen de gelovigen openbaar ‘als kinderen des lichts’ (zie Ef. 5:8), ‘als kinderen Gods, onstraffelijk in het midden van een krom en verdraaid geslacht, onder welke gij schijnt als lichten in de wereld’ (Fil. 2:15). God verandert en heiligt Zijn kinderen dus vanbinnen en vanbuiten: ‘De God des vredes Zelf heilige u geheel en al; en uw geheel oprechte geest en ziel en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onze Heere Jezus Christus’ (1 Thess. 5:23). En ook al is alles slechts ten dele, en blijft er in dit leven nog veel van de oude mens over, toch zijn de beginselen van de heiligheid zeer aangenaam. Ze geven aan Gods kind dan ook een buitengewone heerlijkheid – zoals bij kleine kinderen de eerste woordjes, de eerste stapjes en de eerste blijken van het gebruik van het ver stand buitengewoon vertederend zijn voor volwassenen.
12. Heiligheid (b): hoe die blijkt [XXII] Heiligheid bestaat niet slechts in het beoefenen van een enkele deugd, maar in het vertonen van het beeld van God. Dat betekent dat er sprake is van vele deugden, die onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn. Dus: de gelovige waarvan God in Zijn eeuwig voornemen heeft bepaald dat deze de zaligheid zal ontvangen, die door de Heere Jezus liefgehad en door Zijn bloed van zijn zonden gewassen is, die door de Heilige Geest wedergeboren en geestelijk levend is geworden, waarop God Zijn heerlijkheid en heiligheid heeft gelegd en die nu ook zelf jaagt naar heiliging – deze gelovige beoefent vele deugden. Ik zal de volgende noemen: 1. Hij is afgescheiden van de wereld. Alles wat in de wereld is, ‘namelijk de begeerlijkheid des vleses en de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens’ (1 Joh. 2:16) is hem vreemd: hij kent het niet, hij wil het niet en hij verlangt er niet naar. Sterker nog: hij schrikt ervoor terug, en doet dat ook voor alle wereldse lieden31. Hij heeft met hun gezelschap niets op, vindt hen verachtelijk en afschrikwekkend en beklaagt hun ellende. Hij zorgt ervoor dat hij wat betreft kleding, spraak of gebaren niet op hen lijkt. 2. Hij is aan zichzelf gestorven en verloochent zichzelf. Hij weet heel goed dat er aan hem niets aantrekkelijks is, en daarom wil hij ook niet dat anderen hem eren, liefhebben, vrezen of ontzag voor hem hebben. Als hij dat alles niet ontvangt, is hij dan ook niet verdrietig, boos, moedeloos of verbaasd, maar juist in zijn schik. Ontvangt hij wel eer, liefde of ontzag, dan beschouwt hij die als genadegeschenken van zijn Heere en gebruikt hij die – zolang het 31. werelts-wichten
28
heiliging en heiligheid
God belieft hem die te laten houden – in Zijn dienst. Bezittingen beschouwt hij als niet meer dan wat reisgeld voor onderweg. Heeft hij veel, dan deelt hij uit onder zijn reisgenoten; heeft hij weinig, dan reist hij met minder bagage en dus gemakkelijker. Hij heeft genoeg aan wat hij heeft! Zijn eigen wil is niet meer belangrijk; hij heeft genoeg aan de wil van zijn Heere. Daarom kan hij zijn eigen wil ook gemakkelijk ondergeschikt maken aan de wil van anderen, mits die niet tegen de wil van de Heere ingaat. 3. Zijn enige verlangen bestaat hierin, dat hij God mag kennen, vrezen en liefhebben; dat hij zich met eerbied aan Hem zal onderwerpen; dat hij gewil lig en blijmoedig Zijn wil zal doen; dat hij Hem zal vertrouwen; en dat hij in Hem vrede, rust en blijdschap ontvangt. God is alles voor hem; alles wat geen God is, heeft voor hem geen waarde. Hij houdt zich niet meer bezig met allerlei zaken, en geeft zich met alles wat hij is en wat hij heeft aan God over. 4. In de kerk is hij eerbiedig, en als hij alleen is, bidt, leest, zingt of mediteert hij voortdurend. In handel en wandel is hij oprecht. In zijn spreken is hij betrouwbaar. In zijn omgang met mensen is hij zachtmoedig, vriendelijk, ingetogen32, nederig, blijmoedig en verstandig. Hij is vervuld van teerhartig heid en medelijden ten opzichte van de behoeftigen, die hij graag en vaak bezoekt en voor wie hij behulpzaam is. Hij is vrijgevig33 richting de armen, maar wel op een wijze manier. In tegenspoed is hij geduldig en lijdzaam. Tegen de zonde strijdt hij ernstig en ijverig. Kortom, hij is ‘standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig in het werk des Heeren’ (1 Kor. 15:58). Met zijn zwijgen onderwijst hij anderen; met zijn spreken onderricht, vertroost en bemoedigt hij hen. In zijn bezigheden is hij ijverig en getrouw, omdat hij beseft dat God hem die gegeven heeft om te doen. In alles wat hij doet is hij voorzichtig. Omdat de ziel ook nog een oude mens bij zich draagt, is hij daarvoor op zijn hoede. Hij begeeft zich gewillig tot de geestelijke strijd, waarbij hij geloof en hoop beoefent en uitziet naar de kroon des levens. Welnu, al deze deugdzame gestalten en handelingen vormen samen een afschijnsel van Gods zuiverheid en heerlijkheid – en dat noemen we heiligheid.
13. Heiligheid (c): de drie vereisten [XXIII-XXV] Niet alles is goud wat er blinkt; en zo is ook niet alles heiligheid wat heilig heid lijkt te zijn of zo genoemd wordt – ik noemde dat hierboven al. Voor ware heiligheid zijn er drie vereisten: (1) De heiligheid komt op uit goede grond, namelijk uit het geloof; (2) Zij vindt plaats overeenkomstig de juiste 32. deftig 33. liberael
29
1.13
regel: Gods wil, die geopenbaard is in Zijn wet; (3) Zij is gericht op het juiste doel, namelijk Gods eer. 1. Wil er sprake zijn van ware heiligheid, dan moet deze voortkomen uit een heilig beginsel. Welnu, het eerste – gezien in orde34 – waarvan in de beke ring sprake is, is het geloof. Dit geloof verenigt ons met Christus, Die ons Leven is (zie Kol. 3:4); het verenigt ons niet alleen met Zijn zegeningen, maar eerst en vooral met Zijn Persoon. Het is Christus Die door het geloof in onze harten woont (zie Ef. 3:17). Wat de ziel is voor de mens, is Christus in een bepaald opzicht voor het geestelijke leven. Het geloof geeft de ziel dus niet alleen een eigendomsrecht aan Christus, maar verenigt haar ook daadwerkelijk met Hem. Daarom vloeit er vanuit Hem ook leven en kracht in de ziel, en daardoor ontvangt een gelovige leven: ‘Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof van de Zoon van God’ (Gal. 2:20). Nu de ziel door deze werking leven ontvangt, is het geloof door de vereniging met Christus werkzaam om het hart te reinigen van zonde (zie Hand. 15:9). Dit gereinigde hart stelt zich teweer tegen de oude mens; een werkzaamheid die door Paulus wordt aangeduid als ‘door de Geest de werkingen des lichaams doden’ (Rom. 8:13). Het gereinigde hart brengt ook heilige daden voort (zie Jak. 2:17-18) en is werkzaam door de liefde (zie Gal. 5:6). Wanneer een boom niet goed is, is de vrucht dat ook niet. Zo is het ook met het hart: als dat niet door de vereniging met Christus geheiligd is – wat alleen werkelijkheid is door het geloof – dan zijn alle daden slecht, hoe heilig ze ook mogen schijnen. De ‘materie’ mag dan goed zijn, de ‘vorm’ is niet goed – en juist die maakt het wezen van iets uit.35 Alleen daden die voortkomen uit de vereniging met Christus door het geloof hebben een heel andere glans; alleen van deze werken blijkt ‘dat ze in God gedaan zijn’ (Joh. 3:21). Daarom zegt de Heere Jezus ook: ‘Die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht’ (Joh. 15:5); en Paulus: ‘Gelijk gij dan Christus Jezus, de Heere, hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem, geworteld en opgebouwd in Hem, en bevestigd in het geloof’ (Kol. 2:6-7); ‘De rechtvaardige zal uit het geloof leven’ (Rom. 1:17). 2. Wil er sprake zijn van ware heiligheid, dan dient er ook sprake te zijn van een goede maatstaf waarmee de innerlijke gestalte en de daaruit voortkomende daden moeten overeenkomen. Deze maatstaf wordt alleen gevormd door Gods wil, 34. *À Brakel bedoelt te zeggen dat er in tijd geen sprake hoeft te zijn van eerder of later. 35. *À Brakel sluit hier aan bij de gedachte van de Griekse filosoof Aristoteles (384-322 v. Chr.), die stelde dat ieder ding bestaat uit materie en vorm. Een stuk klei wordt pas een vaas als het ook de vorm van een vaas heeft. Zo wordt een werk pas werkelijk goed als het de ‘vorm’ van een goed werk heeft, en van die ‘vorm’ is slechts sprake bij inwendige heiligheid.
30
heiliging en heiligheid
die is uitgedrukt in de wet van de Tien Geboden. Wie de rede of het fatsoen tot een maatstaf voor goede en slechte werken stelt, maakt van de rede een god; hetzelfde geldt als menselijke inzettingen, gewoonten of eigen wensen als een maatstaf voor onze levenswandel of voor onze godsdienst worden gehanteerd. Welke mooie schijn alles wat niet met Gods wil overeenkomt ook heeft, het is toch allemaal zonde, en een gruwel in Gods oog. God is de eeuwige en soevereine Schepper en Onderhouder van de mens, die wat betreft zijn bestaan en zijn daden geheel van God afhankelijk is. God is im mers ‘de enige Wetgever, Die behouden kan en verderven’ (Jak. 4:12)! Welnu, deze Heere God heeft de mens een wet gegeven waarnaar hij moet leven. Ware heiligheid bestaat in het onderhouden van die wet; en omgekeerd: uit het onderhouden daarvan blijkt of iemand echt geheiligd is. Paulus schrijft: ‘De wet is heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed’ (Rom. 7:12). Wie heilig wil zijn, heeft grote liefde tot deze wet, en beschouwt die als een maatstaf voor zichzelf door daarop als op een gebaande weg te wandelen: ‘Hoe lief heb ik Uw wet! (…) Die Uw wet beminnen, hebben grote vrede, en zij hebben geen aanstoot. (…) Ik heb verkoren de weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld’ (Ps. 119:97,165,30). Het is niet voldoende om de wet van God als onze leefregel te beschouwen. Nee, we moeten er ons ook steeds van bewust zijn dat het om Gods geboden gaat. Onze eigen mening is hier niet in tel. Wie op dit punt twijfelt of iets geboden is of niet en hij doet datgene vervolgens wel of niet, dan is het in beide gevallen zonde – ook als hij datgene doet wat geboden was. Deze per soon voert namelijk niet doelbewust Gods wil uit; hij doet het wel, maar niet als een uitvoering van Gods wil. Paulus schrijft in dit verband: ‘Die twijfelt, indien hij eet, is veroordeeld, omdat hij niet uit het geloof eet. En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde’ (Rom. 14:23). 3. Wil er sprake zijn van ware heiligheid, dan moet er ook een heilige bedoeling zijn. Heeft iemand een verkeerde bedoeling, zoals het ontvangen van meer eer, het geliefd worden door anderen, het maken van winst of het toebrengen van schade aan zijn naaste – hoe heiliger de zaak is die hij met deze verkeerde bedoeling probeert uit te voeren, hoe gruwelijker hij zondigt. Bij dit punt moet ik duidelijk maken hoezeer de mens in zijn vroegere staat van volmaaktheid verschilde van zijn huidige toestand als zondaar, en hoe zeer die toestand weer verandert als hij wedergeboren wordt. (1) In zijn volmaakte staat kende de mens God volmaakt, dat wil zeggen: in die mate van volmaaktheid die God had bepaald. Gods eer was de reden waarom hij iets deed, maar ook het doel waarop zijn daad gericht was. (2) Sinds de zondeval kent de mens God niet meer, en daarom heeft hij Hem ook niet meer lief en heeft hij ook Zijn eer niet meer op het oog. Hieruit blijkt hoe 31
1.13
dwaas het standpunt van de labadisten36 is, die een onbekeerd mens eerst willen afbrengen van de liefde tot zijn eigen behoud. Deze liefde noemen zij ‘onreine liefde’. Ze vinden dat een mens zich alleen moet bekeren uit liefde tot de eer van God, terwijl een onbekeerde Hem helemaal niet kent en ook niet kan beminnen. (3) Bij de wedergeboorte wordt de mens gedeeltelijk verlicht, zodat hij de Heere gaat kennen en beminnen. Pas nu kan hij ook Gods eer op het oog krijgen. God wil dat de mens zijn eigen behoud nastreeft. Juist dat eeuwig behoud vormt een argument op grond waarvan Hij aandringt tot geloof en bekering. Niet voor niets staat de hele Bijbel vol met beloften en bedreigingen: die hebben als doel de liefde van mensen tot zichzelf gaande te maken, zodat ze uit eigenliefde alle genademiddelen gaan gebruiken die tot hun behoud kunnen leiden. Kortom, in de heiliging mag en moet de mens gericht zijn op toename in geestelijke kennis, in vrede, in reinheid, in blijdschap en in zaligheid. De heiliging vormt het middel om in dat alles daadwerkelijk toe te nemen. Tegelijk kan en wil een wedergeboren mens het daarbij niet laten. Zou hij God alleen maar zoeken om er zelf beter van te worden, en dus alleen maar aan zijn eigen belang denken? Nee, terwijl hij zijn eigen behoud zoekt, krijgt hij tegelijk meer en meer oog voor Gods deugden. Ook al dacht hij aanvankelijk helemaal niet aan Gods eer, uiteindelijk is het hem daar toch om te doen. Dat blijkt wel uit het feit dat hij met iedere ontvangen zege ning dankbaar aan Gods voeten terechtkomt. En hoe meer een mens in heiligmaking vordert, hoe meer hij Gods eer op het oog heeft. Ik bedoel dit: hij is werkzaam vanuit de liefde tot God, de vrees van Zijn Naam en de gehoorzaamheid aan Zijn soevereine wil. Wie van daaruit denkt en werkt, wil niet anders dan God verheerlijken. In dat alles is hij namelijk gericht op Gods deugden, en laat hij die gerichtheid ook duidelijk blijken. En aangezien Gods eer niet losstaat van het heil van andere mensen, wil hij niets anders dan dat anderen door zijn woorden en daden ertoe gebracht worden om te erkennen dat God alleen Heere is. Het gaat hun erom dat ze Hem gaan kennen, liefhebben en vrezen. Welnu, dit alles ligt in het hart van een wedergeboren mens; dit is wat hem beweegt. Hoe meer hij groeit in heiliging, hoe meer hij Gods eer op het oog heeft en hoe krachtiger hij daardoor weer aangezet wordt om heilig te leven. Als hij de verheerlijking van God uit het oog verloren heeft, kan het niet anders of hij wordt onrustig en bedroefd – welke goede daden hij ook gedaan moge hebben. Ontdekt hij dat hij in zijn bezig-zijn zijn eigen eer, genoegen of voordeel op het oog heeft gehad, dan vernedert hij zich voor de Heere in zelfverfoeiing, en zoekt hij verzoening over zijn handelwijze. Heeft 36. *Voor de labadisten, zie voetnoot 12.
32
heiliging en heiligheid
hij wel het juiste oogmerk gehad maar zijn er bijbedoelingen bij gekomen, dan raakt hij van zijn stuk en mist hij de troost – hoe goed zijn werk ook is. Uit dit alles blijkt dat tot de ware heiligheid ook een heilige bedoeling hoort. Daarom gebiedt Paulus: ‘Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods’ (1 Kor. 10:31); ‘Zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn’ (1 Kor. 6:20). Davids verlangen was: ‘Laat mijn mond vervuld worden met Uw lof, de ganse dag met Uw heerlijkheid. (…) Ik zal al Uw lof nog groter maken’ (Ps. 71:8,14). Gods eer is uiteindelijk het doel waartoe God de Zijnen het geestelijke leven schenkt: ‘Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen’ (Jes. 43:21); ‘(…) Een planting des Heeren, opdat Hij verheerlijkt worde’ (Jes. 60:21); ‘(…) Opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht’ (1 Petr. 2:9).
14. Toepassing: aansporingen om heilig te leven [XXVI-XXXII] Neem nu alles wat ik over de heiligheid gezegd heb bij elkaar, en overdenk het nog eens aandachtig. Ik weet zeker dat u het verlangen krijgt en ertoe aangezet wordt om ook deel te krijgen aan de ware heiligheid. U zult ongetwijfeld in Paulus’ voetsporen gaan, die zichzelf op dit punt ten voorbeeld aan anderen stelt: ‘Niet dat ik het alrede gekregen heb of alrede volmaakt ben; maar ik jaag daarnaar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben. Broeders, ik acht niet dat ik zelf het gegrepen heb. Maar één ding doe ik, vergetende hetgeen dat achter is, en strekkende mij tot hetgeen dat voor is, jaag ik naar het wit tot de prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus’ (Fil. 3:12-14). Neem u dus ernstig voor om uzelf te reinigen ‘van alle besmetting des vleses en des geestes, voleindigende de heiligmaking in de vreze Gods’ (2 Kor. 7:1). Sta mij toe dat ik u tot dit heilige werk aanspoor! Luister daarom goed, en laat de volgende raadgevingen ingaan in uw hart: 1. Als u wedergeboren bent, mag u absoluut niet leven als andere mensen of als vroeger. God verwacht en eist nu wat anders van u! Luister daarom naar Zijn vermaningen en bevelen: ‘Zo bid ik u dan (…) dat gij wandelt waardiglijk der roeping met welke gij geroepen zijt’ (Ef. 4:1); ‘Alleenlijk wandelt waardiglijk het Evangelie van Christus’ (Fil. 1:27); ‘Opdat gij moogt wandelen waardiglijk den Heere tot alle behaaglijkheid, in alle goede werken vruchtdragende’ (Kol. 1:10); ‘Voorts dan, broeders, wij bidden en vermanen u in de Heere Jezus, gelijk gij van ons ontvangen hebt hoe gij moet wande len en Gode behagen, dat gij daarin meer overvloedig wordt (…); want dit is de wil Gods, uw heiligmaking’ (1 Thess. 4:1,3). Dus kinderen van God, laat uw hart zich verheffen in de wegen des Heeren, zoals bij koning Josafat het geval was (zie 2 Kron. 17:6). Denk aan de oproep van de psalmdichter: 33
1.14
‘Hoor, o dochter, en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis. Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid; dewijl Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neder’ (Ps. 45:11-12). Paulus beveelt: ‘Wandelt als kinderen des lichts’ (Ef. 5:8); en Petrus: ‘Zijt heilig, want Ik ben heilig’ (1 Petr. 1:16). Als een verzoek, een aansporing of een bevel van God uw Vader ook maar enige uitwerking op u heeft, laat uw hart dan daardoor gaande gemaakt worden om werk te maken van uw heiliging. 2. Overdenk aandachtig uw toestand, en laat u daardoor opwekken tot een heilige levenswandel. (a) Behoort u niet tot het ‘uitverkoren geslacht’ (1 Petr. 2:9)? De Heere heeft u van eeuwigheid gekend, Hij heeft u van alle andere mensen afgezonderd en bepaald dat u tot Zijn gunstgenoten mocht behoren. Uit alle mensen heeft Hij juist u uitgekozen om Hem tot een eigendom te zijn. Hij heeft u gesteld ‘tot verkrijging der zaligheid’ (1 Thess. 5:9). Van u geldt wat Paulus schrijft: ‘Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde’ (Ef. 1:4). Moet het geen indruk op u maken dat u door Hem genadig en op een heer lijke wijze bent afgezonderd van de andere mensen, juist opdat u heilig zou zijn? Vormt dat geen dringende aansporing om een heilig leven te leiden? (b) Laat uw gedachten verder gaan, en zie hoe de Heere andere mensen laat voortleven zonder Christus. Zij blijven ‘vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld’ (Ef. 2:12). Terwijl u van nature gelijk was aan alle andere mensen, heeft Hij u uitverkoren, en ‘gesteld, dat gij zoudt heengaan en vrucht dragen’ (Joh. 15:16); Hij heeft u ‘geroepen met een heilige roeping’ (2 Tim. 1:9). Ook heeft Hij u ‘getrokken uit de macht der duisternis, en overgezet in het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde’ (Kol. 1:13), zodat u nu ‘medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods’ bent (Ef. 2:19). Moet u dan niet een volk zijn dat alleen woont (zie Num. 23:9)? Moet uw wandel niet verschillen van die van natuurlijke men sen? Moet u niet laten zien dat u ‘een koninklijk priesterdom’ en ‘een heilig volk’ bent (1 Petr. 2:9)? Allen die u zien, zouden moeten kunnen vaststellen dat u behoort tot ‘een zaad dat de Heere gezegend heeft’ (Jes. 61:9). Toen Abraham uit Ur der Chaldeeën was geroepen en vertrokken, wilde hij daar niet meer naar terug; en ook mocht na zijn dood zijn zoon daarheen niet terugkeren. Toen Israël uit Egypte was geroepen en getrokken, mochten ze daarheen niet teruggaan. Welnu, u bent geroepen en uit de wereld gegaan; hoe zult u dan ooit nog daarheen terugkeren? 3. Overdenk de opmerkelijke band die u hebt met God en met de Heere Jezus. Laat die u bewegen om alles te verloochenen en te doen wat de liefde van u vraagt. 34
heiliging en heiligheid
(a) Tussen Christus en u heeft een geestelijke vereniging plaatsgevonden; u bent één geest met Hem (zie 1 Kor. 6:17). U bent als een ent in Hem als in een olijfboom ingeplant, en daarom deelt u in Zijn leven en in Zijn natuur (zie Rom. 11:17). Zal dan dat leven van Jezus in uw leven niet openbaar moeten komen, en moet u niet wandelen zoals Hij gewandeld heeft? (b) U bent de bruid van de Heere Jezus – zo wordt het in het Hooglied vaak beschreven. Als nu een bruid zich mooi maakt om in de ogen van de bruidegom aantrekkelijk te zijn, zult u dat dan niet doen voor de Heere Jezus? Zullen we niet met Paulus ‘zeer begerig zijn, hetzij inwonende, hetzij uitwonende, om Hem welbehaaglijk te zijn’ (2 Kor. 5:9)? Het enige versiersel waarmee we Jezus kunnen behagen, is heiligheid: ‘De heiligheid is Uwen huize sierlijk, Heere, tot lange dagen’ (Ps. 93:5). Hierop doelt de Heere Jezus als Hij zegt: ‘Hoe schoon zijn uw gangen in de schoenen, gij prinsendochter!’ (Hoogl. 7:1) Daarom, laat aan Hem zien dat u de wereld veracht, dat u nederig bent, dat u Hem liefhebt en vertrouwt en dat u lieflijk op Hem leunt. Dan zal Hij een welgevallen aan u hebben. (c) U bent als de maagden, die de Heere Jezus hebben lief gekregen: ‘Daarom hebben U de maagden lief’ (Hoogl. 1:3). Welnu, als u werkelijk een maagde lijk hart hebt, moet u uzelf zuiver en onbesmet bewaren van de wereld (zie Jak. 1:27). Heb ogen als van een duif 37 (zie Hoogl. 1:15), en laat al uw liefde alleen naar Hem uitgaan. Hij zal dat zien en een welgevallen aan u hebben. (d) U wordt kinderen Gods genoemd, en u bent dat ook daadwerkelijk: ‘Kin deren Gods zijnde, onstraffelijk in het midden van een krom en verdraaid geslacht, onder welke gij schijnt als lichten in de wereld’ (Fil. 2:15). U hoort dus niet hier thuis, maar in een andere wereld; liever gezegd: in de hemel. Dáár is uw vaderhuis38! Ik vraag u: Zal een kind niet doen wat zijn vader wil, en zich niet teweerstellen tegen diens vijanden? Zal een kind zijn vader niet eren, vrezen, liefhebben, dienen en zich houden aan zijn voorschriften wat betreft gedrag, kleding en gezelschap? Zal het hart en het verlangen van een kind niet altijd uit blijven gaan naar het huis van zijn vader? Welnu, omdat u kinderen van God bent, gedraag u dan ook als zodanig! Laat aan iedereen door middel van uw levenswandel zien dat u een vreemdeling op aarde bent, dat u thuis hoort in de hemel, dat God uw Vader is en dat u een kind van Hem bent. 4. Overdenk wat de zonde en de wereld precies inhouden, zodat u daar des te meer afstand van neemt. Omdat de mens door de zonde van God vervreemd is, zoekt hij zijn genoegens in het zichtbare om hem heen. De onzichtbare 37. *À Brakel wil hiermee zeggen dat we het oog onafgebroken op Christus gericht moeten houden. 38. daer zijt gy kinderen
35
1.14
God laat hij echter voor wie Hij is! De oude mens in de wedergeborenen is nog altijd met deze instelling behept, en daar moeten wij dan ook in het bijzonder voor op onze hoede zijn. Daarom, kinderen van God, nu door genade uw verlangens op God gericht zijn en u alles van Hem verwacht, wat hebt u nog te maken met alles van deze wereld? Zelfs al bekijkt u de wereld van haar mooiste kant, wat stelt ze eigenlijk voor? Salomo zegt, geleid door Gods Geest en wijs geworden door ondervinding: ‘IJdelheid der ijdelheden, zegt de Prediker; ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid’ (Pred. 1:2). (a) Hoeveel mensen staren zich niet blind op iets wat ze willen bereiken39, of streven naar iets groots. De een krijgt het zowaar, maar de ander kan alleen maar toekijken en heeft tevergeefs van alles nagejaagd. Hoe dikwijls hebt ook u uw zinnen gezet op het een of ander, in de verwachting dat het u enig genoegen zou verschaffen? En hoe vaak is het gebeurd dat datgene wat u najaagde als het ware voor u wegvluchtte, zodat u het niet kon inhalen en tijd en moeite verspild waren? (b) Als u wél kreeg wat u wilde, hoe vaak bleek dan niet dat het ging om een doornstruik die u prikte, of om een brandnetel die u pijn deed, of om rotte appels die u vuil maakten? U schaamde uzelf over wat u verkregen had, en u wist niet meer wat u ermee moest. Of wellicht bleek het allemaal niet meer te zijn dan een handvol vliegen, die verdwenen waren zodra u uw hand opende. (c) Behalve dit, hebt u niet lang genoeg ondervonden dat het begeren van de dingen die op de aarde zijn – hoe mooi het vooruitzicht ook was – uw ziel onrust bezorgt, uw geestelijk leven belemmert en de vrede van uw geweten wegneemt? Nam het najagen van wereldse zaken niet het geestelijke zicht op God en de gemeenschap met Hem weg? Werden de ernst en de vertrou welijkheid in uw gebed niet verhinderd? Werd het niet moeilijker om naar Gods geboden te leven? Doe daarom niet zo dwaas, en werk toch niet uw eigen verdriet en schade in de hand! (d) Hebt u niet lang en breed ondervonden dat de wereld grote aantrek kingskracht op u krijgt als u zich ook maar een klein beetje met haar inlaat? Wat een kracht krijgt het verdorven vlees dan weer, en hoeveel moeite kost het niet om uzelf oprecht en helemaal van haar los te scheuren! Hoe snel wordt u afgetrokken van het dienen van God, en hoe moeilijk is het om de zoete smaak, die uw oude mens in de zonde had, te vergeten! Zult u er dan niet voor waken dat de wereld u opnieuw betovert? (e) Afgezien van het bovenstaande is het dienen van de wereld een vorm van afgoderij, waardoor God onteerd wordt. De indruk wordt dan immers gewekt dat er in het schepsel nog iets is wat een mens gelukkig kan maken. Alsof de algenoegzame God de ziel niet zou kunnen verzadigen met Zichzelf, en we naast Hem nog iets anders nodig hebben! Zou God Zich hierover niet 39. gapen na een brok
36
heiliging en heiligheid
vertoornen40? Zou Hij Zijn genade niet inhouden als wij werelds leven? Zou Hij Zijn overspelige kinderen niet straffen, en hen laten ondervinden wat het betekent dat ze zich wenden tot lekkende waterbakken (zie Jer. 2:13)? (f) De meest aantrekkelijke zaken op aarde zijn rijkdom, eer en plezier. Maar: wat stellen deze zaken eigenlijk voor als we ze goed beschouwen? (1) Plezier hebt u als uw gezichtsvermogen, reuk, smaak of verdorven begeer ten41 geprikkeld worden. Maar: dat is altijd maar voor een enkel moment! Alles roept u toe: ‘Bij mij is het niet!’ Waarom laat u uw ogen rusten op iets wat niets voorstelt? De ziel blijft er leeg onder! Wat zeg ik: leeg? Ze wordt vervuld met onrust en aardse vuilheid, die kinderen van God onwaardig is42. (2) Wat stelt de rijkdom van deze wereld voor? Wordt iemand die veel bezit daar in zichzelf ook maar enigszins beter, aantrekkelijker of heerlijker door? Als de rijkdom al op eerlijke wijze wordt verkregen, dan toch niet zonder grote inspanningen! Vervolgens levert het bewaren ervan veel zorgen op, en bovendien is rijkdom zo ongestadig dat ze ook weer zó verdwenen kan zijn. Kortom, rijkdom levert de bezitter verdriet, zorg, onverzadigbare begeerte, hoogmoed en uiteindelijk het verderf op. Velen op deze wereld zouden prima mensen zijn … als ze niet rijk waren. Voor hoevelen werd een klomp goud of zilver niet de molensteen, die hen voor eeuwig in de poel van vuur en sulfer stortte? (3) Maar het gruwelijkst van alles is de ijdele eer. Een kind van God moet zich daar verre van houden en die van zich afslaan – als was het een vurige kool die op zijn kleren terechtkwam. Welke eer zou u hebben, zondaar, dan alleen de eer die uw Hoofd toekomt? U moet uzelf bekleden met Zíjn eer, en daarmee tevreden zijn! Als u echter met uw doen en laten er stiekem op gericht bent dat u zelf eer, roem, toejuiching, vrees of liefde ontvangt, ont neemt u God het Zijne. Sterker: dan maakt u uzelf tot een god! Zo’n houding doet afbreuk aan uw goede daden, zorgt voor duisternis in uw ziel, hindert uw vrijmoedigheid en berooft u van Gods zegeningen. Bedenk toch eens welk voordeel eerzucht u ooit gebracht heeft? Is uw ziel daar ooit wijzer, verstandiger of godzaliger door geworden? Betekent het voor u echt zoveel dat een bos stro43, een dorre boom, een kluit aarde – ik bedoel natuurlijk: een zondaar, een hellewicht44, een slaaf van de duivel – u groet, voor u buigt, u aanbidt, u bewondert en u prijst? Of, op een andere manier: Wilt u echt dat een godvrezend mens u tot zijn afgod maakt en zijn ziel schade berokkent, of dat hij u de liefde schenkt die alleen voor Jezus bestemd was, of dat hij zijn hart aan u geeft terwijl het aan Christus gegeven moest worden? Wat is uw 40. belgen 41. vuyle ketelinge 42. die geen maegden past 43. schoof 44. hellenaes
37
1.14
winst als u Christus van Zijn eer berooft en Zijn kinderen schade toebrengt? In uzelf bent u niets meer dan een ineengeschrompelde ballon45. Schept u er werkelijk genoegen in dat u met lucht gevuld wordt; ja, dat u uzelf opblaast met uw eigen hoogmoed? Ik zeg u dat u uzelf hierdoor walgelijk maakt in de ogen van God, van de heilige engelen en van gezonde christenen. U maakt uzelf bespottelijk, en uiteindelijk zult u beschaamd staan tegenover God en mensen. Daarom, bedenk weloverwogen en met uw volle verstand wat de pracht, het voordeel en het vermaak van de wereld nu werkelijk voorstellen, en u zult beseffen dat die u geen winst maar slechts schade toebrengen. Welnu, kinderen van God: laat de wereld met alles van haar over aan de mensen van deze wereld. Zij ontvangen hun deel in dit leven! U echter moet u bezighouden met geestelijke en onzichtbare zaken, dat is: met de dingen die boven zijn (zie Kol. 3:1). Laat zien dat u een vreemdeling op aarde en een kind van de Koning bent! U bent te edel om uzelf met armoedzaaiers en kinderspeelgoed46 bezig te houden. Sta daarom niet naar eer, wees op niemand afgunstig en zoek niemands hulp. Christus alleen is al uw eer, rijkdom en vermaak. 5. Overdenk wie uw God en Heere is, met wie U een verbond bent aange gaan. Wat zult u hierdoor worden aangezet om heilig te leven! Petrus zegt: ‘Gelijk Hij Die u geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook gij zelf heilig in al uw wandel; daarom dat er geschreven is: Zijt heilig, want Ik ben heilig’ (1 Petr. 1:15-16). Overdenk daarom achtereenvolgens Gods wezen, Gods bevel en Gods eer. (a) Gods wezen. God is het waardig dat u alles wat u bent voor Hem bent! Anders gezegd: dat uw liefde, ontzag, vertrouwen, dienst op God gericht zijn, en dat u met al die gemoedsaandoeningen in Hem eindigt: ‘Wie zou U niet vrezen, Gij Koning der heidenen? Want het komt U toe’ (Jer. 10:7); ‘Gij, Heere, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid en de eer en de kracht’ (Openb. 4:11). Hebt u niet al lang genoeg geleefd zonder werkelijk te besef fen hoe hoog, heerlijk en heilig God is? Hebt u niet lang genoeg nagelaten te bedenken dat God alle eer waardig is, en dat Hij Zelf de belangrijkste beweegreden is om heilig voor Hem te leven? Hebt u niet lang genoeg ver bij God vandaan geleefd? Hebt u niet lang genoeg nagelaten Hem te eren, Hem in al uw wegen te kennen (zie Spr. 3:5) en voor Zijn aangezicht te wandelen? Met deze God bent u nu in een verbond getreden. U hoeft niets anders te doen dan uw ogen op Hem te slaan. Wanneer u dat werkelijk doet, zult u merken dat u daardoor verandert: uw gezicht zal in zekere zin net zo gaan blinken als Mozes’ gezicht, toen hij met God op de berg had verkeerd (zie Ex. 45. verschrokte blaes 46. poppegoet
38
heiliging en heiligheid
34:29). Paulus schrijft hierover: ‘En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest’ (2 Kor. 3:18). (b) Gods gebod. God heeft u geboden om heilig te leven. De psalmdichter zegt: ‘Heere, Gij hebt geboden dat men Uw bevelen zeer bewaren zal’ (Ps. 119:4); en God Zelf zegt: ‘Zijt heilig’ (1 Petr. 1:16). Is het niet genoeg geweest dat u zo lang geleefd hebt zoals u zelf wilde? Ziet u niet in dat het voor een schepsel betamelijk is om zijn wil te onderwerpen aan de wil van God, zijn Schepper, en dat juist daarin de zaligheid van de mens gelegen is? Beseft u niet hoe erg en opstandig het is dat een schepsel, dat op allerlei wijze met zijn Schepper verbonden is, niet alleen nalaat de wil van God uit te voeren, maar zich daar zelfs tegen verzet? Sterker nog: Beseft u niet hoe erg het is dat een kind van God niet alleen nalaat het bevel van zijn God te gehoorzamen, maar in Zijn tegenwoordigheid zelfs in strijd daarmee handelt? Welnu, laat het voor u genoeg geweest zijn dat u zo lange tijd God ongehoorzaam was, uw hart en oor van Zijn wet afkeerde, met een afkerig hart overeenkomstig uw eigen verlangens leefde en niet luisterde naar Gods stem in uw geweten. Uw huidige toestand en Gods bemoeienissen met u vereisen een andere instelling! Daarom: Haast u om heilig te leven47! Hebt u geen verlangen om Gods Naam te vrezen? Hebt u naar de inwendige mens geen vermaak in de wet Gods (zie Rom. 7:22)? Welnu, luister dan naar uw Gebieder en naar Zijn wil, zie toe op uzelf en leef als gehoorzame kinderen. (c) Gods eer. Als u de Heere toebehoort, is een heilig leven tot Zijn eer: ‘Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken’ (Matth. 5:16); ‘Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt’ (Joh. 15:8). Het is een eer voor een vader als zijn kinderen zich op de juiste wijze gedragen en hem navolgen in goed gedrag. Zo is het ook hier: andere mensen geven God geen eer, maar Zijn kinderen heeft Hij geformeerd opdat ze Zijn lof vertellen (zie Jes. 43:21). Ze zijn ‘een planting des Heeren, opdat Hij verheerlijkt worde’ (Jes. 61:3). De hele wereld kijkt naar hen, want ze zijn een stad op een berg en een licht op de kandelaar (zie Matth. 5:14-15). Laat iedere gelovige zich dan ook als zodanig beschouwen! Als u nalaat heilig te leven en uw geeste lijke natuur te tonen door een deugdzame levenswandel, of als u uzelf gelijk maakt aan de wereld en men niet kan zien waarin u van haar verschilt, leeft u niet tot eer van God. Integendeel, u brengt Hem dan oneer toe, en Zijn heilige Naam zal omwille van u gelasterd worden! Laat u echter zien dat u in daad en waarheid een geheiligde bent, dat u de eer, de rijkdom en het vermaak van deze wereld veracht en dat u heilig, rechtvaardig, matig, nederig 47. verwakkert u
39
1.14
en vriendelijk leeft in liefde tot en ontzag voor God, dan zult u bemerken hoe zalig het is dat Hij door u verheerlijkt wordt. Laten dus de verheffingen Gods in uw keel zijn (zie Ps. 149:6), opdat u zou verkondigen ‘de deugden Desgenen Die u uit de duisternis geroepen heeft’ (1 Petr. 2:9). Schijn als een licht in de duisternis, en leef ‘onstraffelijk in het midden van een krom en verdraaid geslacht’ (Fil. 2:15), opdat u God daardoor verheerlijkt. 6. De heiligheid van Gods kinderen is noodzakelijk met het oog op andere mensen. Terecht luidt het spreekwoord: ‘Leringen wekken, maar voorbeel den trekken’48. Het is niet te zeggen wat een heilig leven teweeg kan brengen. Al is iemand de meest welsprekende, imponerende en begaafde predikant, als er in zijn leven geen heiligheid te zien is, zijn z’n gaven alleen maar tot schade. Een predikant die een heilig leven leidt, preekt echter in het hart van hen die God vrezen! En zo is het eigenlijk met ieder kind van God. Welnu, hebt u niet lang genoeg met uw slordige leven – dat weinig méér inhield dan burgermansfatsoen – mensen in blindheid laten voortleven en hen in slaap gewiegd? U bent er de oorzaak van geweest dat ze tevreden waren met de wijze waarop zij zelf leefden, omdat die heel erg leek op de manier waarop u leefde. Zo bleven ze onbekeerd. Ach, als u eens geen struikelblok was geweest voor al die anderen! Ze zagen u gaan naar plaatsen waar zondaars komen, en hoorden u met hen lachen en grappen maken49. Ze constateerden dat u net als andere zondaars hield van pralen en pronken, en met hen uw dagen in leeg vermaak doorbracht. Ze stelden vast dat in u niet méér Godsvreze, geestelijk licht, geestelijk leven, heiligheid, liefde, ootmoed, ernst, hemels gezindheid, verachting van aardse genoegens en zelfverloochening aanwezig was dan bij vele zondaars. Als uw gehele levenswandel werkelijk geestelijk en oprecht was geweest, zouden ze mogelijk begrepen hebben dat hun eigen levenswandel niet juist was en dat echte heiligheid wezenlijk verschilt van de manier waarop zij leefden. Petrus refereert hieraan als hij schrijft: ‘Opdat ook zo enigen het Woord ongehoorzaam zijn, zij door de wandel der vrouwen zonder woord mogen gewonnen worden’ (1 Petr. 3:1). Bedenk verder dat Gods kinderen ook naar elkaar kijken. Als degenen die voor grote christenen doorgaan, in hun leven weinig heiligheid laten zien en zich veel met de wereld inlaten, volgen mogelijk anderen hen daarin na. Zo weet na verloop van tijd niemand meer wat een heilig leven inhoudt, en zijn alle christenen wereldgelijkvormig geworden. Hoe meer dit patroon doorzet, hoe meer glans en heerlijkheid de Kerk verliest. Wanneer echter Gods kinderen – hetzij groot, hetzij klein – de wereld verzaken, in de he 48. regelen leren, maer exempelen trekken 49. boerten
40
heiliging en heiligheid
mel wandelen (zie Fil. 3:20) en in woord en daad een geestelijk en oprecht leven leiden, dan zullen ze werkelijk wat uitstralen! Door zo’n leven kunnen anderen immers overtuigd, beschaamd of aangespoord worden! Dergelijke voorbeelden maken soms diepe indruk. Als gelovigen zó leven, zullen ze overal waar ze geweest zijn een voetafdruk van heiligheid achterlaten. Ook als ze er niet meer zijn, zal de herinnering aan hen net zoveel indruk maken als wanneer ze er nog wel zijn. ‘Kleine’ christenen kunnen zelfs ‘grote’ chris tenen onderwijzen, terwijl omgekeerd ‘grote’ gelovigen voorbeeldfiguren50 voor ‘kleine’ gelovigen kunnen zijn. Alleen zo zal de Kerk weer eerbied afdwingen en heerlijkheid, luister en aantrekkingskracht krijgen; alleen zo vormt Jeruzalem een lof op aarde (zie Jes. 62:4) en is zij tot eer van Christus. Laat daarom iedere gelovige als iemand die zo’n heilig verbond met God is aangegaan, beginnen met heilig te leven. Ik weet zeker dat dan de ene gelovige de andere zal aansteken, zoals de ene kaars de andere aansteekt. 7. Aan een leven in heiligheid verbindt God heerlijke beloften. Natuurlijk moet de eer van God voor een christen de belangrijkste beweegreden zijn om heilig te leven – zoals de gedragingen die uit dat besef voortkomen ook heerlijker en hoger zijn dan andere. Toch mag een christen zich ook laten aansporen door de beloften die God verbindt aan deze of gene zaak. Iets wat God belooft, moet aangenaam zijn in onze ogen; en de weg die God gebruikt om ons ergens toe aan te zetten, moeten wij bewandelen! Dan zullen we ook ervaren dat het zien ‘op de vergelding des loons’ (Hebr. 11:26) – zoals Mozes dat eenmaal deed – een zoete en krachtige drangreden tot een heilig leven is. Het is verdrietig dat deze zaak door Gods kinderen zo weinig in praktijk wordt gebracht, maar daarom blijft het nog wel waar: een heilig leven wordt door God beloond – uit genade, zoals een vader zijn kind beloont. De psalmdichter zegt: ‘In het houden van die [geboden] is groot loon’ (Ps. 19:12). Vraagt iemand hoe groot dat loon is, dan antwoord ik: ‘Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien die Hem liefhebben’ (1 Kor. 2:9). Nee, dat loon wordt niet alleen na dit leven ontvangen; God keert een deel51 daarvan ook al in dit leven uit. Het loon dat de Heere geeft aan degenen die heilig leven, bestaat in de volgende zaken: (a) vrede in het geweten: ‘Die Uw wet beminnen, hebben grote vrede, en zij hebben geen aanstoot’ (Ps. 119:165). Een heilig leven wordt vergeleken met ‘gebaande wegen’ (Ps. 84:6). Degenen die daarop wandelen, gaan voorspoe 50. voorbeelden 51. eenige portie
41
1.14
dig voort. Ze ervaren in hun hart een wonderlijke vrede, namelijk ‘de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat’ (Fil. 4:7). (b) zoete blijdschap en zoet vermaak: ‘Het is [voor] de rechtvaardige een blijd schap recht te doen’ (Spr. 21:15); ‘Ik ben vrolijker in de weg Uwer getuigenis sen dan over alle rijkdom. (…) Ik zal mijzelf vermaken in Uw inzettingen. (…) Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest. (…) Zij zijn mijns harten vrolijkheid’ (Ps. 119:14,16,54,111). De zonde geeft enkel droefheid, maar heiligheid geeft enkel vreugde! Heiligheid is als het ware het Koninkrijk van God in de ziel: wie heilig leeft, ontvangt een voorsmaak van de hemel. Wie vreugde wil ervaren, moet daarom staan naar heiligheid! (c) Gods gemeenschap en nabijheid. De Heere belooft aan degenen die heilig leven dat Hij Zichzelf aan hen zal openbaren: ‘Gij ontmoet de vrolijke en die gerechtigheid doet, degenen die Uwer gedenken op Uw wegen’ (Jes. 64:5). Hoe opmerkelijk is niet Christus’ belofte: ‘Die Mijn geboden heeft en dezelve bewaart, die is het die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden; (…) en Ik zal Mijzelf aan hem openbaren’ (Joh. 14:21). Wat zou een gelovige anders verlangen, dan dat God Zich aan hem bekendmaakt? Welnu, dat belooft de Heere aan degenen die Zijn geboden bewaren. Denk ook aan deze tekst: ‘Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien’ (Matth. 5:8). Wie zich niet inspant om heilig te leven, moet ook niet klagen dat hij zoveel geestelijke duisternis ervaart en zo weinig van God ziet. Wie verlangt naar Gods tegenwoordigheid, die moet zich toeleggen op een heilig leven. Alleen dan zal hij de vervulling van bovengenoemde beloften ervaren. (d) groei en toename in heiliging. Christus zegt: ‘Alle rank die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en alle die vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage’ (Joh. 15:2). Een godvrezend iemand kan zonder heiliging niet leven; als hij geen heiligheid ervaart, is dat voor hem hetzelfde alsof hij langzaam sterft. Het verlangen en de vreugde van zijn ziel is om toe te nemen als mestkalveren (zie Mal. 4:2), of als een palm- of cederboom (zie Ps. 92:13). Is het met u ook niet zo, kind van God? Welnu, laat u aansporen! Zie op het loon dat voor u is weggelegd, verlang daarnaar, en laat u door de groei – die u ongetwijfeld gegeven zal worden! – opwekken om te staan naar heiliging. Zeker, aanvankelijk kan het zwaar zijn om uzelf zo in te spannen, maar later zult u ervaren hoe aangenaam en gemakkelijk het is om heilig te leven. (e) de eeuwige zaligheid. Dat is immers wat God belooft aan degenen die hier zichzelf verloochenen, de wereld verzaken, Christus belijden, God liefheb ben en gehoorzamen en heilig proberen te leven: ‘De godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte van het tegenwoordige en het toekomende leven’ (1 Tim. 4:8); ‘Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft dat Konink rijk. (…) Want Ik ben hongerig geweest en gij hebt Mij te eten gegeven’ (Matth. 25:34-35). Is de eeuwige zaligheid niet alles? Wat is dat een heerlijk 42
heiliging en heiligheid
levenseinde, waar tegelijk nooit een einde aan komt! Daar is licht zonder duisternis, leven zonder dood, blijdschap zonder droefheid, en ‌ heiligheid zonder zonde. Welnu, kinderen van God, deze bestemming stelt God u in het vooruitzicht. Hij wil u daar brengen langs de koninklijke, zuivere, heerlijke en vreugdevolle weg van de heiliging. Kom, waarom blijft u zo stil zitten? Waarom zinkt u weg in moedeloosheid? Waarom zit u uw tijd te verdoen in luiheid? Sta op, ga uit, vergeet wat achter is, strek u uit tot hetgeen voor is en grijp naar het eeuwige leven! In dit hoofdstuk heb ik geprobeerd u op te wekken tot een godzalig leven. Het is echter alleen de Heere Die dat in ons kan werken. Hij, Die het willen en werken aan anderen geschonken heeft, geve het ook aan u, lezer! Amen.
43