1
Het was rustig op de begraafplaats in Ridderkerk. Er lagen al vergeelde bladeren op de grond, terwijl het nog maar eind augustus was. Enkele vogels vlogen boven de grafzerken. Rechercheur Verschoor zat voorovergebogen op het bankje voor het graf van zijn vriend en collega Van Zessen. Een paar maanden geleden was hij koelbloedig geliquideerd. Verschoor was er ooggetuige van geweest. Het stond nog vers in zijn geheugen. Soms zag hij in zijn slaap beelden van de liquidatie voorbijflitsen. Dan werd hij klam van het zweet wakker en bedacht dat hij beter zijn bed uit kon gaan, omdat hij voorlopig toch niet meer kon slapen. Soms deed hij dit ook, maar meestal bleef hij liggen en telde de uren tot eindelijk de wekker ging. Dan sprong hij zijn bed uit, maakte een kop sterke koffie met karamel en dronk die leeg. Zo begon hij de dag toch nog enigszins fit. Twee keer in de week bezocht hij, voordat hij naar zijn werk ging, het graf van Van Zessen. Het was inmiddels een soort ritueel geworden. Toen een grote zwarte kraai op de grafzerk ging zitten, keek Verschoor op. De vogel keek zoekend rond. Even leek het of de blikken van Verschoor en de kraai elkaar kruisten. 8
Al snel vloog de kraai weer weg. Verschoor keek hem na. De vogel cirkelde hoog in de lucht en verdween toen achter de bomen, die een groene rand om de begraafplaats vormden. Een snelle blik op zijn horloge zei hem dat het tijd was om naar zijn werk te gaan. Langzaam stond hij op. Bijna geruisloos liep hij het pad af naar de uitgang. Verschoor wilde zo min mogelijk geluid maken. Dat had hij van zijn moeder geleerd. ‘Je moet respect hebben voor de dood. Als je dat niet hebt, zal ook niemand respect hebben voor jouw dood’, zei ze dan. Zijn moeder was een bijgelovige vrouw. Dat had ze niet van haar vader, hij was christen. Zelf geloofde Verschoor niet in God. Er was immers door de wetenschap nooit bewezen dat er een God bestond, maar het geloof van zijn opa vond hij toch erg bijzonder. Zijn sterke geloof en vertrouwen in God waren zo vanzelfsprekend aanwezig in zijn leven, daar kon niemand omheen. Verschoor keek nog even om naar het graf van Van Zessen. Opeens schaamde hij zich. Het feit dat zijn beste collega en vriend daar lag, zei hem niks meer. Het was puur een gewoonte geworden om naar de begraafplaats te gaan. Moest hij er nog wel mee doorgaan? Verschoor voelde zijn telefoon trillen. Haastig graaide hij het toestel uit zijn broekzak. Commissaris Dekker, zag hij. Hij nam op. ‘Verschoor.’ ‘We hebben een zaak’, viel Dekker met de deur in huis. 9
‘Dat werd tijd na een maand papierwerk’, zei Verschoor sarcastisch. ‘Let op je woorden’, bestrafte Dekker hem. ‘Het gaat om een moordzaak.’ ‘Vertel.’ Verschoor voelde weer de drang naar uitdaging. ‘Er is een vrouw gevonden in een steeg vlak bij de Westblaak.’ ‘Oké, ik kom eraan. Over een kwartiertje ben ik bij je.’ Zonder op een reactie te wachten verbrak hij de verbinding. Hij bleef even staan. Een shot adrenaline schoot door zijn lichaam. Hij was blij dat er een zaak was, dat kon hij niet ontkennen. Alleen was het triest dat daarvoor iemand vermoord moest worden. De een z’n dood is de ander z’n brood. Dat gezegde was op zijn beroep zeker van toepassing … Verschoor liep met grote stappen de begraafplaats af. Rechts van hem was de parkeerplaats, die via een trapje bereikt kon worden. Hij liep naar zijn Chrysler 300C. Snel stapte hij in en reed weg in de richting van de A16. Al van ver zag hij Loïs staan. Ze drentelde voor de ingang van Politiebureau Zuidplein, het bureau van waaruit zij hun werk deden. Het was een eenvoudig vierkant gebouw dat voor het grootste gedeelte uit matglas bestond. Het licht van de felle zon weerkaatste in de ramen. Loïs was zenuwachtig. Ze kon geen moment stilstaan. Schichtig keek ze in de richting van Verschoor. Toen ze 10
hem zag, liep ze naar de rand van de doorgaande weg. Zo hoefde Verschoor alleen maar even te stoppen en konden ze gelijk wegrijden. Even keek hij in zijn achteruitkijkspiegel en toen hij zag dat er geen auto achter hem reed, trapte hij het rempedaal krachtig in en stopte precies voor Loïs. Ze trok meteen het portier open en plofte op de bijrijdersstoel. Even duwde Verschoor zijn zonnebril omhoog en knikte naar Loïs. Terwijl hij optrok zette hij zijn bril weer op zijn neus en keek nog eens naar Loïs. Ze had haar smartphone in haar handen en draaide het ding telkens om. ‘Ben je zenuwachtig?’ Loïs stopte met het draaien en keek hem secondelang aan. ‘Nee’, zei ze kort en ze wendde haar gezicht van hem af. ‘Als je zenuwachtig bent, dan kan ik dat goed begrijpen. Het is de eerste moordzaak in je carrière.’ Ze reageerde niet. Verschoor wist dat als hij zijn mond zou houden, ze er vanzelf wel over zou beginnen. Hij kreeg gelijk. Toen ze de Maastunnel uit reden, keek Loïs naar hem. Hij fronste zijn wenkbrauwen. ‘Het klopt’, verklaarde ze, ‘ik ben zenuwachtig, want er is nog iets.’ Ze slikte. ‘Wat is er dan nog meer?’ Het bleef even stil. ‘Als ik straks bij het lichaam sta …’ Ze maakte haar zin niet af, keek Verschoor alleen maar aan. 11
Verschoor schrok. ‘Wat bedoel je?’ ‘Toen in die parkeergarage heb ik wel gezien hoe iemand werd gedood.1 Dat was de eerste keer dat ik zag dat iemand werd doodgeschoten. En toen ik hem in die onnatuurlijke houding zag liggen … Dat kan ik nooit meer vergeten.’ Verschoor knikte meelevend. ‘En nu ben je bang dat het lichaam dat je zo krijgt te zien, die herinnering weer naar boven zal halen.’ Loïs knikte alleen maar. Het bleef een tijdlang stil in de auto. ‘Wat treffen we aan op de plaats delict?’ vroeg Verschoor toen. Met een schuin oog keek hij naar Loïs die haar tablet tevoorschijn haalde. Ze had een pikzwart vest aan. De capuchon zat wat verfrommeld tussen haar rug en de autostoel. Het stond haar goed. Het lange blonde haar leek nu nog blonder. Net toen Loïs haar notities wilde gaan voorlezen, zei Verschoor: ‘Stoer vest heb je aan!’ Loïs glimlachte. ‘Thanks. Maar op dit moment gaat het over wat anders dan kleding.’ Verschoor richtte zijn aandacht op de weg en wachtte af wat Loïs zou gaan vertellen over de plaats delict.
1. Zie Een onmogelijke zaak voor rechercheur Verschoor
12
‘Er is een dode vrouw aangetroffen in de steeg naast het café aan de Oude Binnenweg’, vertelde ze. ‘In een steeg naast een café, zei je?’ ‘Ja, meer is me niet verteld.’ ‘Dat zal wel het slachtoffer van een of andere steekpartij zijn’, voorspelde Verschoor. ‘Dat zien we zo’, antwoordde Loïs. ‘Politiearts Beverswijk zal ons wel inlichten.’ Verschoor stuurde zijn Chrysler 300C van de drukke Blaak de Karel Doormanstraat in. Zijn oog viel op de politieauto die half op de stoep geparkeerd stond. Aan de andere kant van de straat stonden een paar mensen te praten. Sommigen maakten wilde gebaren en anderen waren zichtbaar verbaasd. Verschoor reed langzaam langs de politieauto en keek de Oude Binnenweg in. De Oude Binnenweg was een winkelstraat. Hoewel de straat afgezet was en uitgestorven leek, waren de winkels gewoon open. Verschoor draaide zijn auto de Oude Binnenweg in. Na tien meter moest hij stoppen omdat een rood-wit lint de weg versperde. Toen hij uitstapte scheen de zon fel in zijn gezicht. Meteen kwam Kai, een gespierde surveillant van Chinese afkomst, in zijn richting lopen. Verschoor wist dat de spierbundels het resultaat waren van jarenlange fitnesstrainingen. ‘Ze zitten op je te wachten, Verschoor’, deelde Kai mee 13
terwijl hij Verschoor een stevige schouderklop gaf. ‘Waar is het?’ vroeg Loïs. Ze ging tussen de beide mannen in staan en keek hen om beurten glimlachend aan. Even keken Kai en Verschoor elkaar verstoord aan. Kai wees naar de ingang van een steeg tussen een cafetaria en een restaurant. ‘Als je die steeg in loopt, zie je het vanzelf.’ Verschoor stak zijn duim op. Met een handige beweging dook hij onder het lint door. Nieuwsgierig hoe Loïs dit zou doen, draaide hij zich om. Met een glimlach zag hij dat ze hem probeerde na te doen. Het ging wat stuntelig, maar het lukte. Zonder hem aan te kijken liep ze hem voorbij. Al snel bereikten ze de aangewezen steeg. Hoewel de zon fel scheen, was het er schemerig. Verschoor zag ongeveer tien meter bij hem vandaan Beverswijk staan. Toen de politiearts Verschoor zag, trok hij zijn blauwe wegwerphandschoentjes uit, liep op hem af en gaf hem een hand. Verschoor probeerde langs hem heen een glimp van het lichaam op te vangen. Het lukte niet, de collega’s van de technische recherche waren bezig het lichaam op sporen te onderzoeken. Een andere collega speurde de muur af met ultraviolette stralen. Daarmee kon je bloedsporen zichtbaar maken die niet met het blote oog te zien zijn. ‘Dus jij wordt op deze zaak gezet?’ vroeg Beverswijk. Verschoor knikte. ‘Samen met mij’, kwam Loïs tussenbeide. 14
De politiearts knikte en liep weer terug. Verschoor liep met hem mee. Opeens merkte hij dat Loïs hem niet volgde. Zoekend keek hij achter zich. Ze was verdwenen. Hij haalde zijn schouders op, ze zou zich wel redden. Misschien was ze op zoek naar degene die het slachtoffer had gevonden. Hij maakte zich geen zorgen. In de korte tijd dat hij Loïs kende, was hij er al achter gekomen dat ze een zelfstandige tante was. Toen Verschoor en Beverswijk bij het lichaam kwamen, drapeerde iemand van het Forensisch Onderzoeksteam er net een wit laken over. Beverswijk wurmde snel zijn handen in de handschoentjes en vroeg aan de rechercheur: ‘Kunnen we even kijken?’ De man wenkte Verschoor. ‘Geen probleem.’ De politiearts zakte door zijn knieën, ademde diep in en pakte het laken voorzichtig aan de twee voorste hoeken vast. Langzaam sloeg hij het laken een stukje terug. Een grauw vrouwenhoofd kwam tevoorschijn. De levenloze ogen waren opengesperd. De mond stond halfopen en uit de linkermondhoek was een straaltje bloed gelopen. Verschoor nam het beeld in zich op. De gezichtsuitdrukking was bang en tegelijk verbaasd. ‘De vrouw is waarschijnlijk door een mes of een ander scherp voorwerp om het leven gekomen’, vertelde Beverswijk met monotone stem. Langzaam trok hij het laken weg tot aan de bovenbenen van de vrouw. Verschoor floot tussen zijn tanden toen hij het boven15
lichaam bekeek. Ter hoogte van haar maag zat een grote bloedvlek. Hoewel de vrouw een donkerrood jurkje aanhad, was de bloedvlek duidelijk te zien. De bleke linkerhand van de vrouw rustte op de dodelijke wond. Vermoedelijk had ze die dicht willen drukken. Verschoor haalde zijn smartphone uit zijn zak en noteerde wat Beverswijk had gezegd. De politiearts liep naar de muur aan de overkant van de steeg. Er stonden bierkratten opgestapeld naast een bruine deur. Beverswijk wees naar een plek net voor de bierkratten. In de ondefinieerbare prut die lag te rotten in het donkere steegje waren duidelijke schoenafdrukken te zien. ‘Hier heeft de vrouw gestaan. Dat zie je aan het profiel van haar schoenzolen.’ Verschoor knikte en speurde de grond af naar nog meer schoenafdrukken. Hij ontdekte er nog eentje vlak naast het slachtoffer. Alleen was deze schoenafdruk vager. Het leek erop dat de vrouw was uitgegleden. ‘Wat kan je daarvan zeggen?’ vroeg hij terwijl hij naar de schoenafdruk wees. Beverswijk kwam naast hem staan. ‘Ik denk dat de vrouw na de steek in haar buik naar achteren is gewankeld en toen is gevallen. De vuilniszakken hebben haar val gebroken.’ ‘Maar ze is helaas toch overleden’, merkte Verschoor wrang op. 16
Beverswijk knikte nauwelijks zichtbaar. ‘Weten we wie het slachtoffer is?’ vroeg Verschoor. Beverswijk haalde zijn schouders op. ‘Ik niet. Ik heb net Silvia naar de café-eigenaar gestuurd. Misschien dat hij meer weet.’ Verschoor bedankte Beverswijk en wilde weglopen. Opeens schoot hem een vraag te binnen. Hij draaide zich om naar Beverswijk, die net het laken teruglegde over de vrouw. ‘Beverswijk, gaat het slachtoffer naar Den Haag?’ Beverswijk knikte. ‘Jazeker, het NFI2 zal de doodsoorzaak vaststellen. Zal ik Vincent bellen om de sporen veilig te stellen?’ Verschoor knikte, stak groetend zijn hand op en liep de steeg uit.
2. Nederlands Forensisch Instituut
17