1 Moeder sliep. Het hoofd voorovergebogen op de borst. De mond iets open. Maria zuchtte. Haar handen zochten steun op de gladde zwarte vensterbank. Haar hoofd schuurde daarbij langs de ruwe bakstenen van de lage boerderij. Het schrijnde, maar veel minder dan de pijn vanbinnen. In gedachten zag ze moeder door het huis gaan. Altijd zorgend. Nu was moeder zo in haar eigen wereld. Even bleef ze voor het zijraam van de oude boerderij staan. Toen drukte ze de stalen klink naar beneden en stapte de lage keuken binnen. Teddy, de oude bruine hond, blafte van blijdschap. Ze streelde zijn ruige vacht totdat hij kalmeerde. ‘Braaf beest’, zei ze. Teddy jankte zacht, bleef nog even langs haar heen drentelen en ging toen naast moeders stoel liggen. Moeder knipperde met de ogen, keek haar van achter haar ronde donkere brilletje wat suffig aan. ‘Dag moeder.’ Ze hurkte voor moeder neer, legde haar hand op die van moeder. Moeders knokige hand met de blauwe aders voelde koud aan. ‘Dag eh ...’ klonk het nadenkend. ‘Maria’, hielp ze. ‘Dacht je dat ik jou niet kende?’ Moeders bruine ogen keken haar een ogenblik recht aan, staarden daarna weer voor zich. ‘Natuurlijk.’ Maria drukte de oude hand. ‘U kent uw eigen dochter heus wel.’ ‘Bent u moe?’ vroeg ze, terwijl ze de hand zacht streelde. ‘Moe? Ben je mal. Ik kom net uit bed’, zei moeder. 5
Ze ging wat rechterop zitten, trok haar donkere jurk strak over haar knieën en zette haar voeten dicht naast elkaar. Maria stond op. Ze had kramp in haar been en streek langs haar kuit. ‘U heeft nog niet gegeten’, zei ze, terwijl ze naar de gedekte tafel keek. ‘Dat kan nog wel’, antwoordde moeder ontwijkend. Ze nestelde zich wat dieper in haar stoel. ‘Kom maar’, nodigde Maria. Ze liet haar blik over de tafel gaan. ‘Willem heeft alles netjes voor u klaargezet.’ Moeder kwam moeizaam overeind. ‘Waar is Willem?’ vroeg ze, terwijl ze aan tafel ging zitten. ‘Ik zal eens even kijken’, zei Maria. Ze pakte de geopende agenda, die op de tafel lag. Iedereen gebruikte die om moeder overal van op de hoogte te houden. Het was een idee van de dokter en het werkte. Dag moeder. Ik ben naar mijn werk. Ik hoop om twaalf uur terug te zijn. Willem, stond er in Willems forse handschrift. Ze schoof moeder de agenda toe. ‘Willem is naar zijn werk. Kijk maar. Hier staat het.’ Moeder las de zinnen een paar keer aandachtig over. ‘Zeker vroeg weggegaan’, zei ze toen. Ze duwde de agenda een eindje van zich af en vouwde haar handen. Het bleef een tijd stil. Met een zucht trok moeder even later het bordje naar zich toe. Nog steeds hetzelfde bord als vroeger: wit met een blauw hertje aan de rand van het bord. Er waren verschillende af beeldingen, maar het hertje won het. Moeder vond dat zelf ook het mooist. Willem had het vast expres voor haar neergezet. ‘Eet smakelijk’, wenste ze. ‘Neem ook wat’, zei moeder. Ze schoof haar het stuk kaas toe. ‘Die moet ik eten van de dokter’, zei ze af keurend. Ze smeerde een boterham, deed er jam op en legde 6
daarover een dun plakje kaas. ‘Zo’, zei ze. Na een paar hapjes schoof ze het bordje weg. ‘Ik hoef niet meer.’ ‘U moet wel goed eten, moeder’, zei Maria. Moeder werd mager de laatste tijd. De dokter had niet voor niets kaas voorgeschreven. Moeder moest voldoende binnenkrijgen. Ze at en dronk te weinig. Vooral drinken was belangrijk voor oude mensen, zei de dokter pas nog. Maar als zij er niet achteraan zat, dronk moeder alleen koffie, wat het lichaam niet als vocht, maar als voeding zag. ‘Na koffie altijd een glas water’, zei de dokter, maar moeder deed dat niet. ‘Ja’, antwoordde moeder. ‘Dat doe ik wel.’ Ze at langzaam nog een paar stukjes op. ‘Ik lust niet meer ...’ Moeder stond op en nam de Bijbel van de schoorsteenmantel. Hardop las ze een Psalm. Maria deed haar ogen dicht. Het leek op vroeger als vader er niet was. Dan las moeder ook altijd. Toen moeder de Bijbel sloot, kwam ze met een schok tot de werkelijkheid terug. Het was niet zoals vroeger. Alles was anders. Vader leefde al drie jaar niet meer en moeder was erg achteruit gegaan. Moeder ging weer in de stoel zitten. Ze liet de ontbijttafel staan. Ze keek er zelfs niet meer naar. Maria ruimde alles op. Ze legde de kaas in de koelkast. Er was nauwelijks plaats. Er lagen vijf pakken melk en drie pakken pap in de kleine koelkast. Dat was veel te veel voor moeder en Willem samen. Ze moest er eens met Willem over praten. ‘Het kleed moet er nog op’, zei moeder. ‘Ja, dat doe ik.’ Maria nam het rode pluchen kleed van de stoel en legde het over het geblokte tafelzeil. ‘Het is zwaar’, zei ze. ‘Ja, ’t is een best kleed’, mompelde moeder. ‘’k Heb het nog van je vader gehad.’ 7
‘Mooi hoor. Zo, dat is klaar’, zei Maria. ‘Het ligt nog niet goed’, zei moeder, terwijl ze wat aan het tafelkleed schikte. ‘Trek eens’, sommeerde ze. ‘Hier hangt het niet recht.’ Maria trok het zware kleed iets naar zich toe. Moeder knikte tevreden. ‘Zo is ’t goed.’ Nu moesten al de spullen nog op tafel die er altijd lagen: de agenda, het breiwerk, een boek en het doosje met dropjes. ‘Klaar. Nu gaan we u even bijwassen. Morgen komt de zuster.’ ‘De zuster?’ vroeg moeder verwonderd. Ze duwde haar brilletje wat rechter op haar neus. ‘Ja, dat heb ik toch verteld? Ze komt u voortaan wassen.’ ‘Wassen ...’ herhaalde moeder. Ze ging er verder niet op in, maar liep gewillig mee naar de badkamer. ‘Even uw gezicht en handen wassen.’ Voorzichtig waste ze moeders gezicht. Veegde de grijze haren wat uit haar ogen. Daarna de handen. Moeder liet het gelaten toe. Opeens greep ze in de spiegel naar de handdoek die achter haar aan de muur hing en weerkaatst werd in het glas. ‘Moeder ...’ schrok Maria. Ze maakte moeders hand los en legde de handdoek, die ze gebruikt had, achter zich op een stoel. ‘Wat is er?’ vroeg moeder verbaasd. Ze keek Maria verwonderd aan. Moeder wist er al niets meer van. Het had geen zin om het te zeggen. ‘Niets’, antwoordde ze zacht. ‘Kom maar, even de bril op ... dan gaan we weer naar de keuken.’ Ze nam de kam uit het blauwe ijzeren bakje aan de muur. Het bakje was blijven hangen toen de badkamer opgeknapt werd. Moeder was gehecht aan haar spullen. Het bakje was iets ver8
roest. Maria wilde een nieuw kopen, maar het oude mocht niet weg. ‘Niks nodig. ’t Is nog best’, had moeder gezegd. In de keuken maakte Maria moeders knotje los en kamde het haar. Moeders haar was dun geworden. Na het kammen zaten er weer heel wat haren in de kam. Ze boog zich naar voren. ‘Zal ik een stukje van uw haar knippen? Dan valt het niet meer zo uit.’ ‘Da’s goed’, antwoordde moeder. ‘Als het maar niet teveel is.’ Ze bleef stil zitten wachten op wat er ging gebeuren. Maria zocht in het laatje van de tafel. ‘Ik zie geen schaar’, zei ze. ‘Hij ligt toch in de la’, zei moeder. Maria keek nog eens goed. Er was geen schaar. Vreemd ... Of was het beter dat hij er niet meer lag? Had Willem hem soms weggelegd? Willem sloot tegenwoordig het gas ’s nachts ook af. Dat deed hij vroeger nooit. ‘Ik vertrouw het niet meer’, zei hij. ‘Moeder is ’s nachts zo actief. Ze loopt vaak harder dan overdag.’ Hij was zeker bang dat ze de schaar zou pakken. ‘We knippen uw haar wel een volgende keer’, zei Maria. ‘Da’s goed’, zei moeder. Ze wilde al opstaan. ‘Nog even blijven zitten. Ik moet uw haar nog verder afmaken.’ Behoedzaam vlocht ze de weinige haren en stak het knotje vast. ‘U ziet er weer keurig uit’, zei ze tevreden, terwijl ze haar hand op moeders schouder legde en moeder in het gezicht keek. ‘Dat moet ook’, zei moeder. ‘Ik zal eens koffie gaan zetten.’ Ze kwam iets omhoog, maar leunde toen weer achter9
over. Gespannen wachtte Maria. Misschien dacht moeder er zo weer aan. Moeder bleef echter zitten. ‘Een kop koffie zou wel lekker zijn’, zei Maria na een tijd. ‘Helemaal vergeten’, schrok moeder. Ze kwam snel overeind en wankelde. Maria schoot toe, greep haar nog net op tijd. ‘Blijf maar zitten. Ik doe het wel’, zei ze, terwijl ze moeder terug in de stoel hielp. De schrik zat haar in de benen. Haar handen beefden toen ze de koffie in het filterzakje deed. Ook lichamelijk was moeder niet sterk meer, terwijl ze afgelopen zomer nog in de tuin werkte. ‘Het ruikt goed’, snoof moeder. ‘Roep Willem maar.’ ‘Willem is naar het werk, moeder’, antwoordde ze. ‘Dat weet u wel hè? Het staat in de agenda.’ ‘O ja. Nou dan drinken we samen. Dat kan ook best.’ In de verte blafte een hond. Teddy gromde onder de tafel. ‘Dat is de hond van Hannes’, zei moeder. ‘Ja’, zei Maria. ‘Hannes zal zo wel voorbijkomen.’ Moeder keek vanuit het keukenraam naar de weg. Het duurde lang voordat de buurman voorbijkwam. Eindelijk kwam hij eraan. Moeder stak haar hand op. Er kwam geen wedergroet. ‘Hij zwaait niet’, mompelde moeder teleurgesteld. ‘Dat doet hij anders altijd.’ ‘Hij zal wel op de hond moeten letten. Die is zo sterk’, zei Maria. ‘Dat zou kunnen’, zei moeder. ‘Ja, dat zal het zijn.’ Ze keek weer stil voor zich uit en dommelde in. Maria liet haar even rusten. De melk moest toch nog gekookt 10
worden. Ze klopte de melk tot hij schuimde. Toen nam ze de gebloemde koektrommel en pakte de ontbijtkoek eruit. Naast de broodtrommel stond de witte stenen botervloot. Ze smeerde een dun laagje roomboter op de koek. Dat was moeder zo gewend. Nog steeds sliep moeder. Het was jammer om haar wakker te maken, maar het kon niet anders. ‘Moeder ...’ zei ze zacht. Moeder keek niet op. Ze snurkte zacht. Maria keek naar het dierbare gelaat. Talloze rimpels waren er in het ronde gezicht. De haren waren strak achterover gekamd. Het grijs begon het eindelijk te winnen. Moeder was lang donker geweest. Het kleine donkere brilletje rustte alweer te ver op het puntje van de neus. De mond hing weer iets open. Wat was moeder oud als ze sliep ... Moeder moest nu toch wakker worden. ‘Moeder!’ riep ze. ‘Wat is er?’ Moeder schrok op uit haar slaap. ‘Niets, maar we gaan koffiedrinken.’ Moeder schurkte zich behaaglijk in haar stoel en geeuwde. ‘Nou, nou’, zei Maria. ‘U bent toch een beetje moe. Daar zullen we eens verandering in brengen. Alstublieft.’ Ze gaf het kopje in moeders handen, liet het schoteltje met de ontbijtkoek op tafel staan. ‘Dank je wel.’ Moeder genoot van het bakje. Ze kreeg wat meer kleur. De laatste tijd zag ze vaak bleek. ‘Het smaakt goed’, zei ze tevreden. ‘Ja’, zei Maria. ‘Zeg moeder ... Zullen we straks een eindje gaan lopen? Het is zulk mooi weer.’ ‘Ik moet breien’, zei moeder. ‘De sokken moeten af.’ Ze pakte een plastic zakje dat naast haar op tafel lag. 11
Voorzichtig legde ze een sok op tafel en paste een andere erbovenop. ‘Ik moet nog een heel eindje, maar ik krijg hem vandaag wel af.’ ‘Maar daarom kunnen we wel even naar buiten. Het is goed voor u, heeft de dokter gezegd.’ ‘De dokter zegt zoveel’, sputterde moeder tegen. ‘Hij bedoelt het goed’, hield Maria vol. ‘Dat zal best’, zei moeder. ‘Maar de sokken komen niet vanzelf af.’ ‘Laten we toch een eindje gaan lopen. Het is zo mooi buiten met die herfstkleuren.’ ‘Goed dan’, zuchtte moeder. ‘Je blijft toch bezig.’ Ze stond op en liep naar de gang. Maria pakte moeders jas van de houten kapstok, die tegen de muur hing en hield hem haar voor. ‘Het andere armsgat. Wacht even.’ Ze hielp moeder in haar jas. Teddy stond al kwispelend naast hen. Hij blafte blij. ‘Nee Teddy, je mag deze keer niet mee’, zei ze. Moeder was toch al niet zo stevig op de been op het moment. Daar had ze haar handen vol aan. ‘Teddy, blijf ’, zei moeder. Teddy kroop met zijn staart tussen de poten in zijn mand. Verdrietig legde hij zijn snuit op de rand en keek moeder na. Hij mocht altijd met de vrouw mee. Waarom nu dan niet? ‘We komen zo terug, Teddy’, zei moeder. Haar ronde gezicht kwam teer boven het bontje van haar jas uit. ‘Ik moet breien.’ ‘Doe uw jas maar goed dicht’, raadde Maria haar aan. ‘Het is fris buiten.’ Ze deed de keukendeur op slot. Teddy jankte niet meer. 12
Maria haalde diep adem. De prikkelende buitenlucht deed haar goed, het verdreef het gespannen gevoel in haar hoofd. Ze liepen het pad naar het bos in. De lucht was stralend blauw. Hier en daar zweefde een wolk als een witte wollen wat. ‘Gaat het moeder?’ vroeg ze, toen ze vlak bij het bos waren. ‘Best’, antwoordde moeder, maar ze hijgde. Maria vertraagde haar pas, stond af en toe bijna stil. Ze werd er moe van, maar moeder kon niet harder. Moeder wees naar een paddenstoel. De bruine zwam rustte in lagen tegen een boomstam. ‘Dat is mooi’, zei ze. Ze leek geïnteresseerd in de paddenstoel, maar nam de pauze waarschijnlijk alleen te baat om uit te rusten. ‘Ja’, zei Maria. ‘Als Claire hem zag, zou ze hem schilderen.’ ‘Natuurlijk’, zei moeder. ‘Claire houdt van schilderen. Net als ik.’ ‘Zo oma, zo kleindochter’, beaamde Maria. ‘Claire en Coen zijn nu de babykamer aan het verven.’ ‘O ja. Claire krijgt een kind, hè? Wanneer ook weer?’ ‘In april.’ ‘Ze krijgt er sneller één dan jij toen je getrouwd was’, wist moeder. ‘Ja, Job en ik moesten er zeven jaar op wachten. Dat viel niet mee, maar toen kregen we Claire.’ ‘Ja, en ’t is zo’n lief kind’, zei moeder peinzend. ‘Ze lijkt op jou, toen jij jong was, ook zo donker. Wanneer komt ze weer eens?’ Ze stond nu helemaal stil. ‘Al gauw. Ze komt elke woensdag en zaterdag bij u.’ ‘Dan is ’t goed’, zei moeder. Ze bleef staan en keek wat in het rond. 13
‘We gaan terug’, zei Maria. Ze wilde omdraaien, maar moeder gaf niet mee. ‘Natuurlijk niet. Doe niet zo f lauw’, antwoordde moeder. Ze liep langzaam verder. De bladeren begonnen al te kleuren. Warm stak het oranje en bruin af tegen de groene dennentakken. Vader hield zo van dit jaargetijde ... Zou moeder daar ook aan denken? Ze wilde het graag weten, maar durfde het niet te vragen. Moeder leek juist iets opgewekter de laatste dagen. Misschien ging ze dan weer zitten piekeren. Na vaders dood was het met moeder snel minder geworden. ‘Daar hebben we het huis van oom Jan’, zei Maria. Wat zou moeder zeggen? Zou ze erheen willen? Ze was altijd erg op haar broer gesteld. Het bleef stil. Ze keek opzij. Moeder staarde recht voor zich uit, keek zelfs niet naar het ouderlijk huis. Ze had genoeg aan de wandeling. Zwaar hing ze aan haar arm. Die leek wel van lood. Toch had ze het idee dat moeder het fijn vond om te wandelen. ‘Gezellig hè, moeder?’ Ze drukte moeders arm tegen zich aan. ‘Ja’, knikte moeder. Haar donkerbruine ogen keken Maria dankbaar aan. Maria voelde de moeheid in haar arm niet meer. ‘Het is gezond voor u’, praatte ze verder. Moeder antwoordde niet. Maar haar ogen stonden helder en ze had een frisse kleur. Daar was het hek van de boerderij weer. Het einde van de wandeling kwam in zicht. Het was maar goed ook, moeder stopte steeds vaker. Maria hield haar vast terwijl ze de deur opende. Teddy kwam hun blij tegemoet, kwispelde heftig met zijn staart. Uitgeput liet moeder zich in de stoel vallen. ‘Rust maar lekker uit, moeder’, zei Maria. Als het maar 14
niet teveel voor moeder was geweest. Ze zag er zo moe uit. ‘Ik ga naar huis. Willem komt zo. Morgen hoop ik er vroeg te zijn, nog voor de zuster komt.’ ‘Dat is goed’, zei moeder. Toen Maria haar fiets pakte, keek ze nog even naar binnen. Moeder stond gebogen bij de tafel. Ze wuifde haar na.
15