Skip to main content

navolgingc

Page 1

1. In het voetspoor van Thomas a Kempis? De navolging van Christus Tom Hage Inleiding Het boekje De Imitatione Christi van Thomas a Kempis uit grofweg halverwege de vijftiende eeuw is ongetwijfeld de bekendste en invloedrijkste tekst die de Moderne Devotie heeft voortgebracht. Die blijvende populariteit is uitzonderlijk. Zesduizend edities zijn ervan bekend, het is in negentig talen vertaald en in meer dan negenhonderd middeleeuwse handschriften overgeleverd. De betekenis van dat laatste krijgt reliĂŤf als men weet dat van een van de meest bekende teksten uit de Middelnederlandse letterkunde, Karel ende Elegast, geen enkel volledig manuscript maar slechts fragmenten zijn bewaard gebleven. De populariteit van De navolging van Christus heeft iets fascinerends, omdat de verklaring daarvan niet zo makkelijk is te geven. De bekende C.C. de Bruin, hoogleraar te Leiden en kenner bij uitstek van de religieuze literatuur uit de middeleeuwen, die ook een uitgave bezorgd heeft van de Middelnederlandse vertaling van De Imitatione Christi, vat zijn zoeken naar verklaringen samen door te verwijzen naar een citaat van Thomas zelf dat beter dan welke uitleg ook het geheim van de auteur en zijn boek ontraadselt: ‘Zalig de oren die het zachte fluisteren van de adem

9


Gods opgevangen hebben en verstaan hebben.’ Daar ergens zit het geheim dat ook Vincent van Gogh met al zijn gevoeligheid op het spoor is als hij in een van zijn brieven aan zijn broer Theo schrijft dat hij bezig is de Navolging over te schrijven en ‘dat daar zijn woorden in zoo diep en ernstig, dat men ze niet zonder ontroering en bijna vrees kan lezen … die taal is wel de welsprekendheid die harten wint omdat zij uit het hart voortkomt’. Overigens, dat dit traktaat zo’n blijvende belangstelling heeft kunnen oproepen, komt ook daardoor dat men niet heeft geschroomd het te lezen en te interpreteren vanuit een eigentijds perspectief. Daar zijn meerdere recente voorbeelden van te geven. Want Thomas is in. Zo verscheen in 2013 een Thomasglossy – ‘stap in de verrassende wereld van zijn spiritualiteit – liefde, mystiek, lifestyle en levenskunst’ – en vervolgens werd niet zo lang geleden de Navolging bewerkt door Mink de Vries ‘in jonge taal’ en publiceerde Keimpe de Vries Leiderschap door navolging.Thomas voor ondernemers, waarin Thomas gekoppeld wordt aan het bedrijfsleven en vragen de revue passeren zoals ‘Wat kun je als hedendaagse manager of ondernemer leren van een vijftiende-eeuwse monnik? Wat is de basisfilosofie achter je bedrijf en hoe helpt dat jou en je bedrijf om koers te houden? Hoe verbind je persoonlijk leiderschap met het leiden van een organisatie?’ Eerstgenoemde auteur wist de Moderne Devotie zelfs tot in het postmoderne uit te rekken: Pleidooi voor Postmoderne devotie. Navolging van-

10


uit vrijheid en gemeenschap. Deze recente aandacht voor Thomas staat niet op zichzelf, hij voegt zich bij de veel gekochte boeken van bijvoorbeeld Wil Derkse en Anselm Grün, die eveneens uit de monachale tradities wijsheid voor nu putten. Deze belangstelling, waarbij de verbinding met Thomas’ intieme en bijna mystieke religiositeit een vaag decor wordt voor praktische levenswijsheid in een seculiere wereld, kan men denk ik zonder helemaal in algemeenheden te vervallen, zien als een hang naar zingeving, rust en stilte in een hectische en ‘platte tijd’ waarin velen het metafysische dak boven zich hebben weggeslagen. Maar herwaardering van religie is in, niet om het geloof op zich, maar om het vermeend gunstige effect op ons gedrag. Het gaat hier om cultuurchristendom dat de waardering voor het geloof herleidt tot de positieve effecten die het zou hebben, zowel in ons persoonlijk leven als op maatschappelijk niveau, en vanuit dat motief zou de brede waardering voor Thomas weleens te verklaren kunnen zijn. Ook in de kringen van de Nadere Reformatie in de zeventiende eeuw had Thomas zijn adepten, weliswaar vanuit een geheel andersoortige affiniteit, maar die overigens, net als nu, hem eclectisch benaderden. Gijsbertus Voetius was een van hen. In de inleiding van protestantse edities van de Navolging stuit men vaak op een aan hem ontleend citaat dat de Navolging ‘en begrijpt [=bevat] geen Paepsche Leere maer een ware en innerlicke Oeffenin-

11


ge van Godtsaligheydt ende aendagt. Ja, dat meer is, ick soude wel derven seggen dat ick na de Heylige Schrift, noyt yet eenvoudiger, krachtiger, noch Goddelicker gesien en hebbe, eenige kleynigheden uytgenomen’. Maar deze hartelijke aanbeveling lijdt misschien wel aan hetzelfde euvel als de moderne waardering, in die zin dat de tekst is gemodelleerd naar het zelfbeeld, want in de protestantse edities uit de zeventiende eeuw is dat gedeelte uit de Navolging weggelaten dat als titel heeft: Innige aansporing tot de Heilige Communie. Wat Voetius waardeerde bij Thomas was de nadruk op zelfverloochening, de hechte verbondenheid met Christus en zijn verlangen en streven naar hemelse dingen. Het is die herkenning van bevinding die hem doet voorbijzien aan het in Thomas’ werk aanwezige synergistische karakter van de genadeleer. Die waardering van Voetius voor Thomas blijkt ook hieruit dat hij Willem Teellinck, een andere nadere reformator, ‘een tweeden Thomas a Kempis (doch ghereformeerden)’ noemt. De reden voor die gelijkstelling is de overeenstemming in de interne praktijk der godzaligheid, dus het punt van de inwendige vroomheid.Teellinck zelf was ook gegrepen door de De Imitatione Christi van Thomas en nota bene de meeste citaten die hij in zijn oeuvre aan hem ontleent komen uit dat gedeelte van de Navolging waarvan de oorspronkelijke titel luidt: Aansporing tot de Heilige Communie. Geschriften van Teellinck waarin die uitvoerige citaten voorkomen zijn Sleutel der Devotie: Ons Openende De Deure des Hemels (1624), maar

12


vooral het vier jaar later verschenen Soliloquium ofte Betrachtinghen eens sondaers die hy gehadt heeft inden angst zijner Weder-gheboorte. Op de wijze van de alleenspraak worden hierin de zielsbevindelijke gangen van het geestelijk leven naar voren gebracht van iemand die zich bekeert van de ijdelheid der wereld tot God en in de passages over het verlangen naar vereniging met de Bruidegom citeert Teellinck Thomas zelfs woordelijk! De verbinding die hier wordt geconstateerd ligt in de relatie tussen de wereld van het gereformeerd piÍtisme en de spiritualiteit van Thomas, waarin deze nadere reformatoren zich herkend hebben – maar waarin zij, zoals zal blijken, eclectisch zijn geweest. Anders gezegd: zij hebben die elementen uit de navolging geselecteerd waarin zij zich geestelijk verwant voelden met Thomas. Maar ook van rooms-katholieke zijde heeft men in latere edities de De Imitatione Christi aangepast aan de eigen kerkelijke voorkeuren. Men heeft namelijk de oorspronkelijke door Thomas aangegeven volgorde van de vier boekjes waaruit De Imitatione is samengesteld, veranderd. Het boekje dat handelt over De Heilige Communie is verplaatst naar het eind, dat wil zeggen na het Boek van de innerlijke vertroosting, een omzetting die men tot op heden nog in veel edities aantreft. De reden daarvan was dat van kerkelijke zijde aan het eind van de middeleeuwen druk werd gelegd op de parochianen om aan de communie niet slechts geestelijk deel te nemen, zoals vaak het geval was, maar ook sacramenteel. Een reden daarvoor was

13


dat velen zich van deelname aan de mis onthielden vanwege de angst zich een oordeel te eten als men onwaardig deelnam. Door deze omzetting van de volgorde werd de communie gepropageerd als het sluitstuk van een ascetische weg, als einddoel. In de oorspronkelijke opzet van de Navolging heeft de communie een meer ondergeschikte plaats in die zin dat zij door Thomas wordt beschouwd als een opmaat voor de innerlijke vertroosting, de mystieke vereniging en omgang met Christus waarop naar de oorspronkelijke bedoeling van Thomas de nadruk ligt en die hij in het laatste gedeelte uitvoerig beschrijft. Ik ben nogal uitvoerig ingegaan op enkele momenten uit de receptie van de Navolging om duidelijk te maken dat ook deze tekst, zoals zo vaak, gemodelleerd wordt naar de eigen situatie of wensen of dat deze op de tekst zijn geprojecteerd. Maar nu gaat het mij in deze bijdrage er niet in de eerste plaats om die populariteit in kaart te brengen of de receptie te traceren, maar vooral om zicht te krijgen op de oorspronkelijke spiritualiteit, en zo een voorstelling te maken van wat dit thema van navolging of discipelschap voor Thomas inhield. Dus komt met name de historische context aan de orde, dus een poging De Imitatione te verstaan in het milieu waarin het traktaat ontstond en functioneerde om het vervolgens tegen het licht van de gereformeerde traditie te houden. De receptie krijgt daarom aan het slot nog even aandacht.

14


Het ontstaan van de Moderne Devotie, typering van de beweging Binnen die context bespreek ik enkele aspecten van de Moderne Devotie, omdat de geestelijke inhoud en de vormgeving van De Imitatione Christi niet los gezien kunnen worden van die godsdienstige opwekking waarvan Thomas een van de voornaamste vertegenwoordigers is geweest en waarvan zijn boekje wel de schoonste vrucht is genoemd. De beweging van de Moderne Devotie uit de veertiende eeuw was vooral een godsdienstig reveil, in gang gezet door Geert Grote als een opwekkingsbeweging niet vanuit de kerk, maar door leken in die verwarrende en verwarde wereld van de late middeleeuwen. Richtinggevend was het verlangen naar ‘eigentijdse vroomheid’, naar een actualisering van een op God en Christus gericht leven. Dat betekende allereerst een oriëntatie op het verleden, op de Vroege Kerk, de ecclesia primitiva, als uiting ‘van een diepgewortelde hunkering naar een renaissance van het christendom in zijn geïdealiseerde gestalte’. Ook impliceerde dat een zich richten naar de norm van de Vroege Kerk zoals onopgeefbaar verwoord in de eerste hoofdstukken van Handelingen, waar beschreven wordt hoe de eerste christenen ‘volhardende waren in de leer der apostelen en in de gemeenschap, en in de breking van het brood en in de gebeden (…) en allen die geloofden waren bijeen en hadden alle dingen gemeen, verkochten hun goederen en have en

15


verdeelden dezelve aan allen naar dat elk van node had’ (Hand 2:42-47 en 4:32-35). Dat verlangen naar eigentijdse vroomheid ging samen met een streven naar ‘innerlijke vernieuwing’ of ‘vernieuwde innigheid’. Het is deze connotatie die de begrippen devotio en devotus kenmerken, het geloof dat zich niet alleen toont naar buiten maar dat vooral in het hart als centrum van het innerlijk en de ervaring verankerd is. Die bedoeling blijkt bijvoorbeeld uit de titel van het tweede deeltje van De Imitatione Christi: Wenken die op het innerlijk betrekking hebben (Ammoniciones ad interna trahentes). Kenmerkend voor deze religieuze vernieuwing was vervolgens ook de Schriftuurlijke oriëntatie, de aandacht voor het Woord zelf en dan met name voor de evangeliën. Daar zit een verband tussen, want waar een persoonlijke godsvrucht zich toont, ontstaat de behoefte aan Bijbellectuur. Daarom heeft de beweging van de Moderne Devotie grote betekenis gehad voor de verspreiding van de Bijbel, niet alleen door te zorgen voor een ‘kritische’ handgeschreven editie van de Vulgaattekst, maar ook door delen van de Bijbel te vertalen in het (Middel)Nederlands. Veelzeggend in dit verband is dat Thomas zelf verscheidene malen de volledige tekst van de Bijbel heeft gekopieerd. Die gerichtheid op de Schrift concentreerde zich vooral op de evangeliën, op Christus. Dat christocentrische toont zich weliswaar in het bijzonder in Thomas’ traktaat over navolging, maar was ook een dragend element van de gehele beweging, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de opmerking van Geert

16


Grote aan het begin van zijn traktaat Over de studie van de bijbel (De sacris libris studendis) dat het Evangelie van Christus grondslag van de studie en spiegel van het leven moet zijn. Onder de inspirerende leiding van deze patriciërszoon uit Deventer verwierf de beweging snel brede sympathie, mede dankzij de inzet van Floris Radewijnsz, die andere voorman van het eerste uur, die geraakt door een preek van Geert Grote zijn prebende – en dus zijn inkomen – als kanunnik van de Sint-Pieterskerk in Utrecht verwisselde voor een bescheiden positie van kapelaan aan de Deventer Lebuïnuskerk en zijn woning aldaar in 1381 openstelde voor mannen die hun leven op God wilden richten. Zeven jaar daarvoor had Geert Grote hetzelfde gedaan, maar dan voor arme, ongehuwde vrouwen die ‘er Gode dynen willen’. Zo werd de basis gelegd voor de latere zuster- en fraterhuizen van de devoten, waar mannen en vrouwen hun leven inrichtten in navolging van het door Geert Grote uitgedragen ideaal. Thomas, die vier jaar voor de dood van Geert Grote (1384) werd geboren, heeft slechts zijdelings de beweging van de moderne devoten in deze vorm leren kennen doordat hij als scholier van de kapittelschool van de Lebuïnuskerk enkele jaren woonde – en moreel-religieus gevormd werd – in een van de internaten of convicten die de devoten aan studerende jongens ter beschikking stelden. Thomas’ leven is vooral verbonden geraakt met de monachale richting binnen de devoten. Want de be-

17


weging beperkte zich in haar invloed en verbreiding niet tot het stichten van dergelijke frater- en zusterhuizen, maar breidde zich al spoedig uit met een monachale tak: er ontstonden namelijk broeder- en zusterhuizen die volgens een kloosterregel (de derde regel van Franciscus) gingen leven. Er werd op aanraden van Geert Grote zelf al spoedig aan kloosterstichting gedaan. Het klooster Windesheim – ongeveer tien kilometer ten zuiden van Zwolle – was het eerste, gesticht in 1387 door Floris Radewijnsz, in 1398 volgde het Agnietenklooster op de Nemelerberg vlak bij Zwolle, dat daarvoor als broederhuis fungeerde. In dit klooster, waar men leefde volgens de regel van Augustinus, trad Thomas in 1399 in om er tot aan zijn overlijden in 1471 zonder enige onderbreking te verblijven. In dat milieu, in de stilte van de kloostercel, is De Imitatione Christi geschreven. De historische context Alvorens de aandacht op Thomas’ hoofdwerk te richten, rijst de vraag hoe de vitaliteit van deze religieuze vernieuwing is te verklaren. Die vraag stel ik omdat het antwoord tegelijk enig licht kan werpen op de accenten die in de Navolging constateerbaar zijn. De situatie waarin de kerk verkeerde, vormt het eerste voor de tijdgenoten ongetwijfeld onthutsende decor. Tijdgenoten ervoeren de ontluistering van de kerk in de ‘Babylonische ballingschap’, een min of

18


meer afgedwongen verblijf van de paus en het kerkelijk bestuursapparaat in Avignon (1309-1377), gevolgd door de schok van een schisma doordat er tot 1417 zowel te Avignon als te Rome een paus zetelde, een situatie die ook het leven van de gelovige op parochiaal niveau niet voorbijging. Geert Grote sprak in dit verband over een ‘monster met twee koppen’. De gelovige verloor zijn houvast in de kerk als hoedster van het leven juist op een moment dat de kwetsbaarheid van het leven zich nadrukkelijker dan ooit opdrong door de komst van de pest, voor het eerst in epidemische vorm in 1350 verschijnend om daarna in golven steeds terug te keren. In genoemd jaar verloor Geert Grote zijn beide ouders, de pest was ook de oorzaak van zijn eigen dood in 1384, en Thomas vertelt dat er van de eerste broeders die in 1386 het klooster op de Agnietenberg kwamen wonen, er in 1398 acht stierven aan de gevolgen van de pest. Daarom ‘zalig wie het uur van zijn dood altijd voor ogen heeft en zich iedere dag gereed houdt om te sterven. Wees daarom altijd bereid en leef zo dat de dood je nooit onvoorbereid treft’, aldus Thomas (DIC I 23 v 14,19). Daarnaast is de ‘innigheid’ die de devoten kenmerkt, een symptoom van twee synchroon zich sterker dan voorheen manifesterende verschijnselen: de bewustwording van de individualiteit – ook wel aangeduid als the discovery of the individual – en een emotionele intensiteit waarmee ervaringen gepaard gaan. Ik denk hier aan een figuur als Franciscus van As-

19


sisi, in wie beide aspecten zichtbaar worden, zijn individueel gemoedsleven en de buitensporigheid waarmee hij dat tot uitdrukking bracht. Een mateloos mens noemt Hélène Nolthenius hem in zijn biografie. Die intensiteit waarin het leven zich toen in de late middeleeuwen uitdrukte is door de historicus Huizinga omschreven in termen als ‘’s levens felheid’ of ‘de zucht naar schooner leven’ die velen leidde – ook Thomas – op de weg van de wereldverzaking. Ook dat was een decor waartegen de opkomst van de beweging van de Moderne Devotie zich voltrok en het leven van Geert Grote zich aftekende, die ‘als de geest over hem vaardig werd, wel drie uren achtereen preekte, de kerken [waren dan] geregeld te klein om de toeloop te bergen, maar in zo’n geval preekte hij met liefde opnieuw’. En ‘nam hij bij voorkeur voedsel tot zich dat beschimmeld of aangebrand was; zijn lievelingsvoedsel bestond uit gekookte erwten met een rauwe haring’. Beter dan woorden doen de hierna volgende illustraties de mentaliteit proeven die de eeuw van Geert Grote en Thomas a Kempis stempelde en dus ook in hun bestaan zal hebben geresoneerd.

20


Het betreft een voorstelling van ‘De drie levenden en de drie doden’ die voorkomt in een Psalterium dat dateert uit circa 1340, dus uit de tijd van Geert Grote. De illustraties, beïnvloed door de recente ervaring van de pest, die zijn verwoestende spoor door Europa trok, tonen een incredible intensity. De illustratie uit een getijdenboek hieronder is ongeveer van een eeuw later, 1435, dus uit Thomas’ tijd. Deze weerspiegelt de diepe emotie die het lijden van Christus oproept: de wenende Maria kan niet door Johannes getroost worden, die in zijn verwarring het hoofd opricht tot een bedroefde God.

21


22


Een laatste factor die van invloed is geweest op de opkomst en brede receptie van deze vroomheidsbeweging was dat er tussen de theologie en de beleving van het geloof een kloof was ontstaan die de gelovige – zeker in relatie met het voorgaande – deed verlangen naar een boodschap die het hart raakte. Daaraan voldeed de theologie onvoldoende doordat zij door haar scholastieke methode verzand was in rationele systematiek. Die kritiek en het verlangen naar het tegendeel zijn op verschillende plaatsen in de De Imitatione Christi te constateren, zoals bijvoorbeeld wanneer Thomas Christus laat spreken: ‘Ik onderricht zonder gedruis van woorden, zonder verwarring van meningen, zonder hoogmoedige eerzucht, zonder de polemiek van argumenten’ (DIC IV 43 v 12) of: ‘Wat voor nut heeft grote spitsvondigheid over verborgen en duistere zaken? Wij zullen er bij het oordeel toch niet op worden aangesproken dat wij die niet gekend hebben (DIC I 3 v 3; I 1 v 7-10)? En al zou je de hele Bijbel en alle filosofen van buiten kennen, ‘wat zou je er allemaal aan hebben zonder de liefde van God en de genade?’ Erasmus als representant van de Moderne Devotie De mentaliteit waaruit de Moderne Devotie voortkwam en die ik hiervoor getracht heb te tekenen, laat zich treffend illustreren aan Erasmus, wiens leven en werk door de Moderne Devotie is beïnvloed. Dit brengt ons bij het klooster in de heerlijkheid

23


Stein, vlak bij Gouda, waar Erasmus verbleef van 1488 tot 1493. Ook dit klooster had zich aangesloten bij de monachale tak van de devoten. De naam ervan, Emmaüs, is veelzeggend door de verwijzing naar Christus’ verschijning aan de Emmaüsgangers, ‘wier hart brandende in hen was toen Hij tot hen sprak op de weg en toen Hij hen de Schriften opende’ (Lukas 24:32). Later verhuisde het klooster van Stein naar Gouda en de beglazing van de kapel die voor de nieuwe behuizing werd gebouwd, had het lijden van Christus als centraal thema, dus opnieuw die kenmerkende nadruk op Christus. Ook Erasmus, die in zijn jeugd op de Lebuïnusschool in de stad van Geert Grote had doorgebracht en net als Thomas op een van de internaten van de moderne devoten had gewoond, had een sterk christocentrisch geloof. Dit duidde hij aan als de philosophia Christi, de leer die alle filosofieën overtrof en waarvan de kern voor hem de navolging was van ‘Hem Die ons de hemelse, de christelijke filosofie heeft geleerd – de filosofie die Hij met zijn dood aan het kruis heeft bezegeld’. Deze woorden lijken te weerklinken als Thomas schrijft dat ‘het onderricht van Christus [doctrina christi] alle onderrichtingen van de heiligen te boven gaat. Wie de geest had, zou daar het verborgen manna vinden’ (DIC I 1 v 4). Kenmerkend is ook dat Erasmus binnen zijn totale oeuvre zijn Griekse editie van het Nieuwe Testament als zijn magnum opus beschouwde, omdat dit de kern was van zijn streven het Woord, en dat zijn in de eerste plaats de woor-

24


den van Jezus, in een zuivere, onbedorven tekst toegankelijk te maken, een intentie die ook de activiteiten van de moderne devoten kenmerkt met hun Bijbelverspreiding. En tot slot, in de woorden ‘lieve God’, die Erasmus op zijn sterfbed heeft gesproken, vermoed ik een uiting van de centrale deugd van de moderne devoten: ootmoed. Want de man die zijn leven lang de talen der geleerdheid sprak en schreef en decennialang de gevierde intellectueel van geheel Europa was, legde op dat moment voor het aangezicht van God alle grootsheid van zich af en viel terug op zijn moedertaal, want – aldus Thomas – ‘als ik mij klein maak, mij tot niets herleid, met alle eigendunk ophoud … dan zal Jouw (Christus’) genade mij gunstig zijn en Jouw licht mijn hart nabij zijn’ (DIC IV 8 v 3). De totstandkoming van De Imitatione Christi. Invloeden op de vormgeving Over het auteurschap en de totstandkoming van de De Imitatione Christi is veel discussie gevoerd. Ik ga daaraan voorbij en beperk mij tot wat van belang is voor de intentie en de interpretatie van het werkje. Uit een door Thomas zelf geschreven verzamelhandschrift, zoals de slotpagina aangeeft – ‘beëindigd en voltooid door broeder Thomas a Kempis op de Agnietenberg bij Zwolle’ – blijkt uit nader onderzoek dat hij daaraan lang heeft geschaafd en gewijzigd alvorens het in 1441 een soort eindversie

25


kreeg. Uiteindelijk zijn er in totaal dertien traktaatjes in opgenomen. De eerste vier daarvan vormen samen de De Imitatione Christi zoals we die nu in hedendaagse edities kennen. Dit werkexemplaar bevat ook een door Thomas zelf opgestelde inhoudsopgave. Deze inhoudsopgave geeft de beginregels van de eerste hoofdstukken van die dertien traktaten weer en daaruit wordt ook duidelijk dat Thomas de eerste vier traktaten als een samenhangend geheel beschouwde. Maar of hijzelf ook deze eerste vier traktaatjes van de nu gangbare titel heeft (willen) voorzien, is onduidelijk. Want de traditionele titel is in feite de titel van het eerste hoofdstuk van het eerste deeltje van de De Imitatione Christi en het is waarschijnlijk dat latere bewerkers die hoofdstuktitel als aanduiding voor het gehele werk zijn gaan gebruiken. Hierbij even de vinger te leggen is in zoverre relevant dat dit accent op navolging de gedachte zou kunnen wekken dat een soort praktisch discipelschap Thomas’ primaire bedoeling zou zijn geweest. In die zin zou deze titel de lezer op het verkeerde been kunnen zetten omdat de navolging van Jezus niet concreet door Thomas wordt ingevuld. Er komen geen verwijzingen voor naar concrete momenten uit het leven van Jezus – hoewel de navolging ‘onmiskenbaar externe gestalte aanneemt, is zij’, zo merkt dr. A. de Reuver terecht op, ‘toch primair een zaak van intern gehalte. Voor Thomas is de kern van het menszijn aan de binnenkant gelegen’. Voordat ik daar verder op inga noem ik nog enke-

26


le andere factoren die bij het ontstaan en de vormgeving van de De Imitatione Christi een rol hebben gespeeld en die voor de interpretatie van belang zijn. Het werkje is namelijk in meerdere opzichten beïnvloed door gewoonten die zich binnen de kring van de moderne devoten hadden gevormd. Een van die gewoonten was het houden van collationes in de convicten of internaten voor arme scholieren waarin, zoals hiervoor al opgemerkt, ook Thomas een aantal jaren heeft gewoond. Het waren stichtelijke cate­chese-achtige bijeenkomsten en vermanende gesprekken waarin aan de jongeren die de fraters onder hun hoede hadden, voorbeelden van deugdzaam leven werden voorgehouden om hen moreelreligieus te vormen. Wat dat concreet inhield valt af te leiden uit het Collatieboek van een moderne devoot en tijdgenoot van Thomas, Dirc van Herxen. Deze stelt in zijn preken thema’s en deugden aan de orde – hoogmoed, gulzigheid, traagheid, toorn, achterklap, lichtvaardig oordeel, naastenliefde, geduld, dankbaarheid, gebed, kuisheid, lijdzaamheid en dergelijke – titels die ten dele overeenkomen met die in de De Imitatione Christi. Een met de collationes vergelijkbare functie had de admonitio – een soort bemoediging door de broeders van de jongeren of scholieren uit hun kring. Dat Thomas in de titels van de eerste twee delen van De Imitatione dit begrip expliciet opneemt, is in dit verband daarom opvallend: Admonitiones ad vitam spiritualem utiles (Wenken dienstig voor het geestelijk leven, eerste boek) en Ammoniciones ad

27


interna trahentes (Wenken/aansporingen die op het innerlijk betrekking hebben, tweede boek). In de structuur van De Imitatione is ook het rapiariumkarakter te herkennen. Rapiaria waren een soort notitieboekjes met korte persoonlijke aantekeningen van geestelijke tekstgedeelten of zinnen waardoor men tijdens de meditatie geraakt was en die men dan opschreef om ze verder te doordenken, te ‘herkauwen’, te ruminare zoals men het noemde. Het aanleggen van rapiaria was kenmerkend voor de spiritualiteit van de moderne devoten. Ze zijn herkenbaar aan hun ‘brokkelige, puntsgewijs opgestelde teksten, de indeling in korte hoofdstukken, de opeenvolging van verwante thema’s en eerder een associatieve dan redenerende gedachtegang’. Aan de basis van de De Imitatione Christi liggen vermoedelijk rapiaria die Thomas heeft uit- en omgewerkt. En in een van zijn andere werken adviseert hij aan novices het samenstellen van een rapiarium als de eerste stap op de geestelijke weg. Het onderkennen van deze karakteristieke eigenschap van Thomas’ werkje heeft ertoe geleid dat men minder aandacht had voor de interne samenhang van de Navolging, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de typering door De Reuver dat de ‘traktaten afzonderlijk ook eerder fragmentarisch te noemen zijn dan samenhangend. Thomas biedt geen systematische uitwerking van een vooropgezet werk’. In die visie staat hij overigens niet alleen, maar niettemin gaat zij aan de essentie van de De Imitatione Christi voorbij omdat daarin een geeste-

28


lijke weg wordt getekend die het hart van de navolging vormt, zoals hierna zal blijken. De vormgeving en de opbouw van De Imitatione Christi is niet alleen te herleiden tot de vorming die Thomas in zijn jonge jaren door de broeders des gemenen levens ontving, ook het milieu van het Agnietenklooster heeft zijn sporen nagelaten. Thomas had daar de functie van novicenmeester, dat wil zeggen dat hij een geestelijk leidsman was van jongeren die de stap naar een monachaal leven hadden gezet. Het primaire functiemilieu van het boekje was dus het klooster, waarbij het boekje bedoeld was voor jonge monniken ‘in opleiding’. Dit betekent ook dat in Wenken voor het geestelijk leven (ad spiritualem vitam) ‘geestelijk’ (spiritualis) allereerst slaat op de geestelijke stand, dus op het leven als monnik of kloosterling, zoals op een aantal plaatsen duidelijk blijkt, bijvoorbeeld in het hoofdstuk ‘Over het monastieke leven’ en ‘Over de oefeningen van een goede kloosterling’ (DIC I 17, 19). Hier komt bij dat Thomas’ leven als priester en monnik gevormd was door het levenspatroon van de regulier kanunniken. Concreet betekende dit een dagelijks ritme van het koorgebed van de getijden – wekelijks alle 150 psalmen – en van drie uur studie gevuld met lezen en meditatie en drie uur handarbeid, die Thomas besteedde aan het kopiëren van teksten. Zo heeft hij verschillende malen de Bijbel overgeschreven. Er is een prachtexemplaar van zijn hand bewaard gebleven, vijf delen, waaraan Thomas twaalf jaar heeft gewerkt (1427-1439). Dit aan stu-

29


die, gebed, meditatie en schrijven gewijde leven was een ‘lezen met de pen’, een dagelijkse onderdompeling in de ‘spiritualiteit van het scriptorium’ en een ‘verinnerlijking’ van Schrift en traditie. De Imitatione Christi als zorgvuldig geconci­pieerde eenheid De hiervoor geschetste lijnen convergeren in het punt dat De navolging van Christus een zorgvuldig samengesteld werk is, dat dus niet zozeer moet worden gezien als een aantal aforismen die men meditatief ‘herkauwt’, maar als een tot in detail doordacht geheel met een bewust aangebrachte structuur die de lezer stapsgewijze verder wil leiden op een weg die hem brengt bij ‘dat gevoelen dat ook in Christus Jezus was’ (Fil. 2:5). Daarbij ligt de nadruk op innerlijke vernieuwing, het is een geestelijke weg, veel meer spiritueel-meditatief van aard dan een actieprogramma. Daarvoor zijn aanwijzingen te vinden in de tekst. Begin en slot van het eerste boek zijn sleutelverzen. Daarin wordt de aangesprokene, de lezer, gewenkt (ammonemur, admonitio) ‘Christus’ leven uit te beelden voor zover als wij waarachtig verlicht willen worden’ (DIC I 1 v 2). Het eindigt met de oproep ‘Waak over jezelf, wek jezelf op, vermaan jezelf. En hoe het ook met de anderen (medebroeders?) staat, verwaarloos jezelf niet. Je zult slechts voortgang maken naarmate je er jezelf voor inzet. Amen’ (DIC I 25 v 54-55). Regelmatig is er sprake van ‘vorderen’,

30


‘voortgang maken’ (DIC I 3 v 19, v 21; I 10 v 11; III 7 v 6). Die voortgang wordt ook zichtbaar in de verschuiving in de gehanteerde communicatievorm in de opeenvolgende vier delen: aanvankelijk wordt de lezer aangesproken met jij (maar dan zonder persoonlijk voornaamwoord), vervolgens meer individueel – met de nadruk op ‘jij’ (tu) –, dat via een spreken tussen ‘de beminde’ (dilectus, Christus) en de leerling (discipulus) een intieme samenspraak wordt tussen de zoon (filius) en Christus. Een beschrijving in de vorm van een voortgang, een opklimmen, is gezien het milieu waaruit de Navolging is voortgekomen, niet verwonderlijk. De weg die gewezen wordt, is geworteld, zij het met daarin eigen accenten, in de monastiek-mystieke traditie en verloopt via en aantal stadia. De eerste is de weg van de zuivering (via purgativa), die erop neerkomt dat men onder leiding van de genade zich toelegt op zuivering van de zonden en verkeerde neigingen, gedreven door een verstandige liefde tot zichzelf en een heilzame vrees voor God, waarbij de meditatie als hulpmiddel wordt gezien om in de juiste verhouding tot God, de naaste en zichzelf te komen. Dan volgt de weg van verlichting (via illuminativa), waarlangs door ijverig beoefenen van de deugden door de kracht van Christus, en het inwendig gebed van het hart de persoonlijke omgang met Christus en de navolging van Zijn deugden wordt bevorderd. Het laatste gedeelte van de weg is de ‘vereniging’ (via unitiva). In dit derde stadium groeit er een innige ver-

31


houding tussen Christus en de mens. Deze vereniging van de ziel met God in Christus kan uitmonden in een ‘direct gegrepen worden door God’ en dus samenvallen met een mystieke ervaring. Andere ook met de monastieke weg verbonden elementen zijn de ascese, de apatheia – zonder hartstochten zijn – en het vacare Deo – vrij, leeg zijn voor God – de weg van het leren loslaten van zichzelf en de wereld door oefening, meditatie en gebed om je zo innerlijk vrij te maken voor God. De stadia van de geestelijke weg in de Navolging Lezing van de Navolging laat zien dat Thomas de hiervoor geschetste lijn volgt. De wenken tot het monastieke/geestelijke leven, die de kern van het eerste boek uitmaken, beantwoorden aan het eerste stadium. Dus navolging is op weg gaan vanuit de duisternis naar het licht en gehoor geven aan de oproep Christus’ leven en gedrag zo ver uit te beelden als men zich ervoor inzet. De richting wordt gewezen: ‘Onze hoogste toeleg moet dus zijn in het leven van Jezus Christus mediteren’ (DIC I 1 v 3). Dit brengt met zich ‘het niet achten van alle ijdelheid van de wereld’; ‘zich toeleggen op deemoed’; ‘hartstochten en beproevingen leren weerstaan’; ‘gehoorzaamheid leren en de eigen wil leren verzaken’; ‘andermans gebreken leren verdragen’; ‘je verdiepen in de voorbeelden van de vroege monniken’; ‘liefde voor de eenzaamheid en de stilte’; ‘mediteren over de

32


dood, de vergankelijkheid en het oordeel’. ‘Leg je er op toe je hart van de liefde voor de zichtbare dingen los te maken en jezelf over te brengen naar het onzichtbare’ (DIC I 1 v 20). En ‘Wie dus tot doel heeft aan het innerlijk (interiora) en het geestelijke te geraken, moet met Jezus de massa ontwijken’ (DIC I 20 v 10). Zie op de woestijnvaders voor wie ‘ieder uur te kort scheen om vrij te zijn voor God (ad vacandam deo)’ en die ‘niets van de wereld meer begeerden (apatheia) en die nauwelijks het hoognodige gebruikten voor het lichaam. Slaaf zijn van het lichaam stemde hen droevig (ascese)’ (DIC I 18 v 9-10). ‘In stilte en rust maakt de innig levende ziel (anima devota) voortgang en leert zij de verborgenheden van de Schriften. Daar vindt zij de vloed van tranen waarmee zij zich iedere nacht kan wassen en reinigen om met haar Schepper vertrouwelijker te worden naarmate zij verder van alle aardse opwinding verwijderd leeft’ (DIC I 20 v 29). Immers, als je je hebt losgemaakt van ‘de wereld’, kun je je richten op je innerlijk, het thema van het tweede boek: ‘Wenken die betrekking hebben op het innerlijk’. Want navolgen is vervolgens ‘voor Christus van binnenuit een waardige woning bereiden’ (DIC II 1 v 5).‘Geef aan Christus een plaats en ontzeg al het overige de toegang’ want ‘met God innerlijk wandelen en door geen genegenheid van buiten gebonden worden, dat is de staat van de innerlijke mens’ (DIC II 6 v 27). En wat Thomas nadrukkelijk aangeeft en verfijnt is dat Christus die woning betrekt langs de weg van de beproeving en

33


de weg van het kruis. Hoofdstuk twaalf,‘Over de Koninklijke weg van het kruis’, geeft de intenties weer van het geestelijk leven van Thomas en meer algemeen, van de kring van de devoten. Christus is ‘gestorven voor jou aan het kruis, opdat ook jij je kruis zou dragen en ernaar streven aan het kruis te sterven’ … ‘Er is geen andere weg naar het leven dan de weg van het heilig kruis en de dagelijkse versterving.’ Maar de navolging in de weg van het kruis krijgt een invulling die tegelijk het perspectief op het kruis aan het licht brengt. De navolging doet zozeer verlangen ‘naar narigheid en tegenspoed uit liefde voor de gelijkvormigheid aan Christus’ kruis dat hij niet zonder smart en narigheid zou willen zijn. Want hij gelooft dat hij God des te welgevalliger (acceptiorem) is naarmate hij omwille van Hem meer en zwaarder kan verdragen’ (DIC II 12 v 37). Hier is Christus niet allereerst de Verlosser Die de schuld heeft gedragen maar de Man van smarten en van de vernedering, Die daarin wordt nagevolgd door meditatief de deemoed steeds te betrachten maar ook door de vernedering te zoeken. Die visie op Christus, die ook door Thomas wordt gedeeld, sprak ook uit de afbeelding van Maria en Johannes die wenen bij het kruis van Christus maar blijkt evenzeer uit het volgende citaat van een andere devoot:‘Hadden we alleen verlossing nodig gehad, Christus zou wel volwassen ter wereld kunnen komen en zich de volgende dag laten kruisigen.’ Het leven van Jezus is hier dus veeleer exemplarisch. Het is langs deze weg dat men toegang krijgt

34


tot het Koninkrijk: ‘Als wij dus alles goed hebben doorgelezen en onderzocht hebben, moet dit de slotsom zijn: Het hoort bij ons dat wij pas na veel narigheden het koninkrijk van God binnengaan’ (DIC II 12 v 67-68). Dit binnengaan van het Koninkrijk brengt ons echter nog niet dicht bij Jezus en daarom roept Thomas in het derde boek op tot deelname aan het sacrament van de communie als opmaat tot de via unitiva. Het is in het gehoorzamen aan die oproep om als een bedelaar tot Zijn tafel te naderen, waarvoor men toestemming krijgt alleen op grond van Zijn (Christus’) goedheid en genade, dat de innige band met Christus versterkt wordt die als een voorsmaak van de vereniging met Hem wordt ervaren: ‘Dan zal heel mijn binnenste juichen, wanneer mijn ziel volkomen met God verenigd (unita) zal zijn. Dan zal Hij tot mij zeggen: Als jij bij Mij wilt zijn, wil Ik bij jou zijn. En ik zal Hem antwoorden: … Dit is heel mijn verlangen dat mijn hart met Jou verenigd mag zijn’ (DIC III 13 v 14-19; III 12 v 8-9). In het vierde en meest uitvoerige boek – Boek van de innerlijke vertroosting (interne consolacionis) – bestaat de navolging/imitatio in de ervaring van de troost die de zekere beloften van de hemelse heerlijkheid inhouden. Dit betekent dat een leven van imitatio een uitzien is naar en een diep verlangen om bij Christus te zijn: ‘O allerzaligst verblijf in de stad daarboven! O klaarlichte dag van de eeuwigheid!’ ‘Goede Jezus, …wanneer zal ik met Jou zijn in Jouw rijk dat Jij van eeuwigheid bereid hebt voor Jouw beminden’ (DIC IV 48 v 1-2, 11-12)?

35


Dit verlangen gaat samen met het voortdurend besef van het onvolmaakte hier op aarde en in jezelf, van het leven in ballingschap: ‘O wanneer komt er een eind aan dit onheil? Wanneer zal ik bevrijd worden uit de erbarmelijke slavernij van de zonden’ (DIC IV 48 v 7)? ‘Want alles is mij een last wat deze wereld ook maar aan troost te bieden heeft.’ Door die troost kan men ook alle beproevingen omwille van het eeuwige leven verdragen in stille lijdzaamheid: ‘Schrijf, lees, zing, zucht, zwijg, bid, verduur moedig tegenslag. Het eeuwig leven is het waard, al deze en nog zwaardere gevechten. Komen zal de vrede op die ene dag … Dan zul je niet meer zeggen: Wie zal mij bevrijden uit het lichaam van deze dood’ (DIC IV 47 v 8-10)? Thomas sluit dit vierde boek af met een gebed om Gods erbarming over hem ‘die ver van Jou verbannen leeft in het gebied van de doodsschaduw’ en of God de ziel van Zijn knechtje wil richten ‘op het vaderland van de altijddurende klaarte’ (DIC IV 59 v 20-21). De Navolging als spiegel Het voorgaande maakt duidelijk dat de Navolging vooral een geestelijke, spirituele weg beschrijft en voorhoudt – je losmaken van deze wereld, je richten op je innerlijk. Daar vindt de Christusontmoeting plaats en de verdiepte relatie met Hem leidt tot een diep verlangen nabij Hem te zijn, hier nog onvolmaakt, maar uiteindelijk volledig. In die zin sluit

36


Thomas aan bij een lijn in de christelijke traditie die ver teruggaat, de mystiek-monastieke lijn, en daarom zou men De Imitatione Christi een traditioneel boek kunnen noemen. Ik zou ter illustratie kunnen verwijzen naar de Geestelijke opklimmingen, een vergelijkbaar werk, ook van een moderne devoot, Gerard Zerbolt van Zutphen (1367-1398). Ook theologisch behoort de Navolging tot de periode van voor de Reformatie. Want hoewel Thomas soms met grote nadruk spreekt over zijn nietswaardigheid tegenover God – ‘Als ik aan mijzelf word overgelaten, zie: een niets, en een en al zwakheid’ (DIC IV 8 v 5; IV 13 v 9-15) en uitspreekt dat zijn ziel door ‘het kostbaar bloed van Christus is vrijgekocht’ (DIC III 9 v 9; II 12 v 10) – is zijn spreken over de genade vrijwel geheel conform de contemporaine opvatting dat de genade door God is geschonken maar dat de mens daaraan moet meewerken (gratia operans et homo cooperans) (DIC IV 54 en 55). Wanneer dus dit werkje in genoemde opzichten weinig oorspronkelijk is, dan ligt het eigene denk ik in wat in de inleiding gezegd is, namelijk het kennen en verwoorden van de diepste roerselen van het menselijk gemoed, dat zich met zijn twijfels, vragen en innerlijke strijd openlegt voor God en getuigt van verlangen naar en liefde tot Christus en in dat alles het zachte fluisteren van de adem Gods opgevangen heeft. En het is dit bevindelijke aspect dat door de beweging van de Nadere Reformatie is herkend in combinatie met de afwending van de ‘wereld’. Onlangs

37


is er nog op gewezen dat de beweging van de Nadere Reformatie een proces van verinnerlijking heeft ondergaan. Deze affiniteit van de nadere reformatoren met Thomas op het punt van de innicheit en de wereldverzaking is ook in kringen van de gereformeerde gezindte herkenbaar. Dit is een Bijbelse lijn die men ook bij Paulus vindt, zoals bijvoorbeeld wanneer hij zegt dat ‘het leven hem Christus is en het sterven gewin’ of ‘dat het lijden van deze tegenwoordige tijd niet is te waarderen tegen de heerlijkheid die aan ons zal worden geopenbaard’ (Fil. 1:21, Gal. 2:20 en Rom. 8:18), en ook bij Calvijn. Maar daarbij is het wel de vraag of er niet iets is verschoven in de navolging en of de lijn van Thomas naar de Nadere Reformatie en in het verlengde daarvan naar de gereformeerde gezindte een doorgaande lijn is. Het is juist díé vraag die De Reuver in zijn inaugurele rede aan de orde heeft gesteld: Calvijn, breuk of brug. Over de spiritualiteit van Thomas a Kempis en Johannes Calvijn. Daarin heeft hij Calvijns verhouding tot de laatmiddeleeuwse spiritualiteit onderzocht, toegespitst op enkele hoofdstukken uit boek drie van de Institutie over het leven van de christen, waaronder zelfverloochening, kruisdragen en overdenking van het toekomende leven. Hoewel hij in zijn afweging het zwaartepunt eerder legt op continuïteit dan op discontinuïteit, is er juist op die punten die in de Navolging zo sterk op de voorgrond zijn getreden, sprake van verschillen die meer dan oppervlakkig zijn. Te noemen is dan in de eerste plaats het mystago-

38


gische of bijna-mystieke dat het werk van Thomas ademt en dat verwante trekken vertoont met het bevindelijke dat in kringen van de gereformeerde gezindte voorkomt in een vorm die bij Calvijn naar mij dunkt minder geprononceerd is geweest. Dat geldt in nog sterkere mate voor de houding van wereldmijding die zo sterk uit de Navolging spreekt en die via de Nadere Reformatie in de gereformeerde gezindte haar belijders heeft. Want daarin verschilt Calvijn radicaal van de naar binnen gekeerde Thomas doordat hij de spiritualistische wereldmijding heeft afgewezen en de vocatio van de gelovige betrok op deze wereld als Gods schepping. Daarin was Erasmus met hem verwant, die juist op dat punt zich distantieerde van zijn beĂŻnvloeding door de moderne devoten. Voor hem maakte de devotio, de innicheit plaats voor pietas, die niet alleen inhoud gaf aan de relatie tussen individu en God maar ook aan de verhouding tussen het individu en de maatschappij die gevoed werd door de philosophia Christi. Deze spanning tussen wereldmijding en roeping in de wereld enerzijds en het evenwicht tussen de zekerheid van het geloof als een subjectieve ervaring of als een zeker weten en een vast vertrouwen anderzijds is steeds aanwezig geweest in de christelijke traditie. Als het gaat om navolging, dan kunnen wij op grond van wat hiervoor is betoogd ons beter op Calvijn dan op Thomas richten als we naast de Schrift naar personen of teksten zoeken die daarin leidend voor ons zouden kunnen zijn. Want wie aan de doorgaande lijn van Thomas,

39


Nadere Reformatie en bevindelijk gereformeerden Calvijn als schakel toevoegt, zoals De Reuver voorstaat, gaat voorbij aan wezenlijke verschillen tussen het calvinisme en de spiritualiteit van Thomas zoals die hiervoor is beschreven. Ten opzichte van het calvinisme en de brede reformatorische traditie vormt het mystiek-bevindelijke samen met het wereldmijdende geen hoofd- maar veel eerder een zijlijn. Literatuur Bange, P., C. Graafland e.a. (red.), De doorwerking van de Moderne Devotie Windesheim 1387 – 1987, Hilversum 1988. Beek, L. van, Leken trekken tot Gods Woord. Dirc van Herxen (1381-1457) en zijn Eerste Collatieboek, Hilversum 2009. Bruin, C.C. de, E. Persoons en A.G.Weiler, Geert Grote en de Moderne Devotie, Zutphen 1984. Geest, P. van, Thomas a Kempis (1379/80-1471) Een studie van zijn mens- en godsbeeld. Analyse en tekstuitgave van de Hortulus Rosarum en deVallis Liliorum, Kampen 1996. Geest, P. van, Thomas a Kempis. Mystagoog op de breuklijn tussen de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd, Kampen 2008. Goudriaan, K. (red.), Vernieuwde innigheid. Over de Moderne Devotie, Geert Grote en Deventer, Nieuwegein 2008. Hage, A.L.H., ‘Het God meest welgevallige werk: onderwijs en moreel-religieuze vorming bij de broeders van het gemene leven, Erasmus en Melanchthon’, in: F. van der Pol (red.), Philppus Melanchthon Bruggenbouwer, Kampen 2011. 40


Kempis, T. a, De navolging van Christus naar de Brusselse autograaf, vertaald door Gerard Wijdeveld en ingeleid door Paul van Geest, Kampen 19953. Kempis, T. a, Navolging van Christus naar het oorspronkelijke handschrift (1441), vertaald en toegelicht door Rudolf van Dijk met een inleiding door Rudolf van Dijk en Kees Waaijman, Kampen 2008. Oostrom, F. van, Wereld in woorden. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, Amsterdam 2013. Reuver, A. de, Calvijn, breuk of brug? Over de spiritualiteit van Thomas a Kempis en Johannes Calvijn. Rede uitgesproken bij aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar Gereformeerde Godgeleerdheid RUU, 1995. Reuver, A. de, Verborgen omgang. Sporen van spiritualiteit in Middeleeuwen en Nadere Reformatie, Zoetermeer 2002. Waaijman, K. e.a., Nuchtere mystiek. Navolging van Christus, Kampen 2006. Zutphen, G.Z. van, Geestelijke opklimmingen. Een gids voor de geestelijke weg uit de vroege Moderne Devotie, Amsterdam 2011.

41


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
navolgingc by Erdee Media Groep - Issuu