1. Brandje blussen ‘Papa, tuta, tuta!’ Ruben staat voor het raam. Hij drukt zijn neus tussen de planten door bijna tegen het glas. Komt er een politieauto aan? Of een brandweerwagen? ‘Ik weet het al’, zegt papa, als de sirenes in de verte blijven loeien. ‘Vandaag mag je kijken in de brandweerkazerne. Er is open dag. Daarom hoor je al die sirenes.’ ‘Gaan wij ook kijken?’ vraagt Ruben. ‘Goed plan!’ zegt papa. Ruth gooit haar tekenspullen aan de kant. ‘Mag ik ook mee?’ ‘Tuurlijk’, zegt papa. Als mama boodschappen gaat doen, pakt papa zijn fiets uit de schuur. Hij tilt Ruben in het fietsstoeltje. Ruth stapt op haar eigen fiets. Ze trapt stevig op de pedalen. ‘Is de open dag nog niet afgelopen?’ vraag Ruth onderweg. Ze kijkt bezorgd. ‘Nee hoor, hoezo? Het begint net’, zegt papa. ‘Ik hoor de sirenes niet meer’, zegt Ruth. ‘Dat is maar goed ook’, zegt papa. ‘Als die de hele tijd blijven loeien, zijn we straks doof!’ 10
Even later zetten ze hun fietsen tegen het hek van de brandweerkazerne. Als ze naar de ingang lopen, springt Ruth ineens opzij. ‘Help!’ roept ze geschrokken. Een grote straal water spuit vlak langs haar benen. Iets verderop hoort Ruth iemand lachen. Het is Maarten, een grote jongen uit de straat. Hij heeft een brandweerslang in zijn hand. ‘Leuk dat je er bent!’ roept Maarten met een grijns. Hij heeft een donkerblauw pak aan en een helm op. Van de jeugdbrandweer. ‘We oefenen elke week’, zegt Maarten. ‘Later ga ik bij de echte brandweer, net als m’n vader!’ Maarten wijst naar de brandweerslang in zijn hand. ‘Hier kun je vandaag zelf een brandje blussen’, zegt hij stoer. ‘Proberen?’ Maar papa zegt tegen Ruth: ‘We gaan eerst binnen kijken. Dat spuiten komt straks wel.’ ‘Mogen er ook meisjes bij de jeugdbrandweer?’ vraagt Ruth als ze verder lopen. ‘Vast wel’, zegt papa. ‘Wil je soms brandweervrouw worden?’ ‘Ja, cool!’ juicht Ruth. ‘Waar zijn de auto’s nou?’ vraagt Ruben ongeduldig als ze door de grote brandweerkazerne lopen. 11
Hij ziet alleen maar benen van grote mensen die door de gang schuifelen. ‘Kijk hier eens’, zegt papa. Hij wijst naar een lokaal waar kleurplaten op tafel liggen. Er staan brandweermannen met grote helmen en stoere brandweerauto’s op. ‘Is dit de jeugdbrandweer?’ wil Ruth weten. Een jongen in uniform knikt. ‘Maar kleuren doen wij niet.’ Hij wijst naar een digibord aan de muur. ‘Hier krijgen we op zaterdagmorgen les. Brandweerles.’ Hij kijkt er heel serieus bij. ‘Je moet een hoop leren voordat je een brand kunt blussen.’ Ruben kijkt nieuwsgierig naar de kleurplaten op tafel. ‘Zoek er maar een uit’, zegt de jongen tegen Ruben en zijn zus. Met een kleurplaat in de hand lopen ze verder. ‘Die ga ik thuis kleuren’, zegt Ruben. Ineens laat hij papa’s hand los. Hij rent vooruit naar de garage. Daar staan vijf brandweerauto’s. Papa tilt Ruben op en zet hem achter het stuur van een grote, rode wagen. Ruben zit op het puntje van de stoel. Zijn hoofd komt net boven het stuur uit. ‘Wil je een helm op?’ vraagt een brandweerman. Ruben knikt zachtjes. Zijn ogen glimmen. Maar als de helm op z’n hoofd zit, zakt die helemaal 12
voor zijn ogen. Ruben duwt hem snel weer omhoog. ‘Ik zie niks!’ roept hij. ‘Gaan we nu naar buiten?’ vraagt Ruth. ‘Ik wil bij Maarten kijken.’ Papa knikt. Hij tilt Ruben uit de brandweerwagen. Samen lopen ze de kazerne uit. ‘Hé, kijk!’ roept Ruth. Ze wijst verbaasd naar een brandweerman die voorbij fietst met een grote, houten ladder op z’n rug. Hij hangt voorovergebogen over zijn stuur en trapt hard. ‘Er zit een poes in de boom. Hij durft er niet meer uit!’ roept de brandweerman hijgend. 13