Inhoudsopgave Woord vooraf 1. Ds. J.A. Kloosterman 2. Ds. C.M. Buijs 3. Ds. N. den Ouden 4. Ds. C.M. Buijs 5. Ds. D. Heemskerk 6. Ds. J. Joppe 7. Ds. J. Joppe 8. Ds. A.J. Britstra 9. Ds. A.J. Britstra 10. Ds. A.J. Britstra 11. Ds. J. Joppe 12. Ds. Joh. Post 13. Ds. D. Heemskerk 14. Ds. D. Heemskerk 15. Ds. A. den Hartog 16. Ds. G. Kater 17. Ds. IJ.R. Bijl 18. Ds. J.A. Kloosterman 19. Ds. J.A. Kloosterman 20. Ds. G. Kater 21. Ds. G. Kater
22. Ds. A. den Hartog 23. Ds. IJ.R. Bijl 24. Ds. A. den Hartog 25. Ds. N. den Ouden 26. Ds. N. den Ouden
Psalm 4:7 Een gebed aan het begin van het nieuwe jaar Lukas 4:12 Gij zult de Heere, uw God, niet verzoeken Johannes 1:29 Zie op Christus alleen Johannes 4:16 Een ontdekkende vraag Mattheüs 5:4a De droefheid naar God Mattheüs 13:58 Ongeloof verhindert Mattheüs 14:10 Door onthoofding Thuisgehaald Markus 9:30-32 De tweede lijdensaankondiging Mattheüs 16:24 Wie achter Mij wil komen … Lukas 9:28 De verheerlijking op de berg Mattheüs 17:22b De Zoon des mensen in handen van mensen Johannes 15:13 De hoogste liefde Mattheüs 25:8 De noodzaak van de toepassing Mattheüs 26:8 Belijdenis Mattheüs 26:14a Een van de twaalve ... Mattheüs 28:9 De opgestane Jezus verschijnt aan de vrouwen Lukas 24:16,31,32 Gesloten ogen, geopende ogen Lukas 24:36 Vrede zij ulieden Johannes 20:29b Mijn Heere en mijn God! Johannes 21:6 De opgestane Jezus en de kracht van Zijn Woord Johannes 21:17 De belangrijkste levensvraag en het belangrijkste levensantwoord Efeze 4:10 Nedergedaald en opgevaren Handelingen 1:5b De doop met de Heilige Geest beloofd 1 Korinthe 3:16 Pinksteren 1 Korinthe 15:29 Gedoopt op het kerkhof Filippenzen 1:6 Het goede werk begonnen zal God ook voleindigen
27. Ds. R.W. Mulder 28. Ds. IJ.R. Bijl 29. Ds. H.J. van Marle 30. Ds. J. Lassche 31. Ds. L.M. Jongejan 32. Ds. J. Lassche 33. Ds. Joh. Post 34. Ds. H.J. van Marle
2 Korinthe 11:14 De tactiek van satan Hebreeën 4:9 Rust Genesis 8:1a En God gedacht aan Noach Genesis 12:8b Abram in Kanaän Genesis 18:22b De voorbede van Abraham Genesis 28:16 Jakob ontwaakt uit een droom Genesis 32:24b Worstelingen Gods Richteren 6:11 Christus’ komst tot een zondaarsvolk 35. Ds. H.J. van Marle Richteren 6:12m In God is heil 36. Ds. P. de Vries Psalm 88:2 Een roepen bij dag en nacht 37. Ds. P. de Vries Psalm 90:15-17 God houdt Zelf Zijn kerk in stand 38. Ds. P. de Vries Psalm 102:8 Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij 39. Ds. L.M. Jongejan Psalm 103:2 Davids oproep 40. Ds. J. den Boer Spreuken 1:23 en 33 Eis en belofte … 41. Ds. J. den Boer Spreuken 2:7 De rijkdom van een bestendig wezen 42. Ds. J. den Boer Spreuken 3:32b Een wonderlijke, geheime omgang 43. Ds. J. Lassche Jeremia: 3:4 Oproep tot erkenning 44. Ds. L.W.Ch. Ruijgrok Daniël 6:11b Het wortelgestel 45. Ds. L.W.Ch. Ruijgrok Micha 4:6 Wie gaat hinkende door het leven? 46. Ds. L.W.Ch. Ruijgrok Zacharia 1:8a Mirten in de diepte 47. Ds. D. Heemskerk Maleachi 4:2a Het grote onderscheid 48. Ds. R.W. Mulder Psalm 98:9 Hij komt! 49. Ds. L.M. Jongejan Jesaja 9:5b Jezus’ Namen 50. Ds. Joh. Post Lukas 1:53a Een zalig hongeren en dorsten 51. Ds. C.M. Buijs Lukas 2:38 Het getuigenis van Anna 52. Ds. R.W. Mulder Psalm 90:12 Een wijs hart
Woord vooraf Het oprechte geloof wordt gewerkt en versterkt door het onderwijs vanuit het onfeilbare Woord Gods. Bijzonder op de dag des Heeren gaat dit Woord tot ons uit wanneer wij opgaan naar het huis des Heeren. De Heilige Schrift wordt in het midden der gemeente gelezen en ons uitgelegd onder aanroeping van de noodzakelijke werking van de Heilige Geest. Wat de dag des Heeren betreft houdt de Heidelbergse Catechismus ons het volgende voor: ‘Dat ik, inzonderheid op de sabbat, dat is op de rustdag, tot de gemeente Gods naarstiglijk kome, om Gods Woord te horen, de Sacramenten te gebruiken, God de Heere openlijk aan te roepen, en de armen Christelijke handreiking te doen’ (HC Zondag 38). Het is daarom zeer gepast om ons voor te bereiden op deze bijzondere dag die de Heere ons gegeven en tot nu toe gelaten heeft. Deze voorbereiding wordt nogal eens nagelaten door allerlei omstandigheden. De vraag kan daarbij ook zijn: Hoe moeten wij ons op Gods dag voorbereiden? De 52 meditaties in deze bundel, geschreven door meerdere predikanten uit de Hersteld Hervormde Kerk, willen hiermee een handreiking bieden. Elke zaterdagavond is er wellicht voor uw gezin of voor u persoonlijk een moment om de werkweek af te sluiten en door middel van het Woord Gods u voor te bereiden op de dag des Heeren die aanstaande is. Uiteraard zijn deze meditaties ook bij andere gelegenheden te gebruiken, bijvoorbeeld een weekopening of een weeksluiting, maar de meditaties zijn in eerste instantie geschreven ter voorbereiding op Gods dag. Dat blijkt ook uit de titel van dit boek. Het is de bedoeling dat u door het lezen én het onderzoek van de inhoud van deze meditaties temeer opgewekt wordt om het Woord Gods op Zijn dag te horen. De Heere zegene Zijn Woord, opdat het mag dienen tot een zaad der wedergeboorte bij de aanvang of een spijze der ziel bij de verdere voortgang. Ds. D. Heemskerk Ouderkerk aan den IJssel, mei 2013 9
1. Een gebed aan het begin van het nieuwe jaar Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere! Psalm 4:7 Psalm 4 wordt wel een avondlied genoemd. We zien hier hoe David zijn hart voor de Heere uitstort. Samen met Psalm 3 wordt deze psalm wel geplaatst in de tijd dat koning David op de vlucht voor Absalom een goed heenkomen moest zoeken. In die dagen weet hij van God als zijn Schild tot bescherming en weet hij van God als de Levende, Die hem hoort in de benauwdheid en hem ruimte maakt. Hierin ligt het geheim van zijn leven. Vanuit deze geloofswetenschap komt ook de hoop en het vertrouwen op waarover wij in deze psalm lezen. ‘Velen zeggen: wie zal ons het goede doen zien?’ Dat zeggen ook de mannen die de ijdelheid beminnen en de leugen zoeken (vers 3). Zij geven uiting aan hun teleurstelling. David was een koning van wie velen klaarblijkelijk hoge verwachtingen hadden. En die verwachtingen worden niet bewaarheid. Het valt zo tegen met deze koning. Mensen die het verwachten van prinsen of van wat ook hier beneden, zullen altijd beschaamd uitkomen. Met mensen val je om, dat gold toen, dat geldt vandaag nog. Aan het begin van het nieuwe jaar wordt ons in de tekst een andere weg gewezen. Ook in onze dagen zijn er velen die dezelfde vraag stellen: Wie zal ons het goede doen zien? Waarvan en van wie zullen wij het verwachten? Dat geldt als het gaat om de tijdelijke dingen, maar niet minder als het gaat om de geestelijke dingen. David kende door genade een uitnemender weg. Tegenover de velen horen wij hem als de enkeling voor Gods aangezicht spreken. Hij geeft geen hoopvolle antwoorden gebaseerd op eigen kennen en kunnen. Nee, David, de man naar Gods hart, gaat voor in gebed. Dat wij dat gebed aan het begin van het nieuwe jaar zouden kennen! Wat bidt David? Te midden van tegenstand en smaad, van moeite en beproeving, bidt hij: ‘Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere!’ De woorden van het gebed zijn woorden uit de 11
Aäronitische zegenbede uit Numeri 6 vers 22. De koning neemt priesterlijke woorden op de lippen. Nadat hij zich in vers 3 tot en met 6 tot mensen heeft gericht, richt hij zich in onze tekst tot de Heere. Wij mogen het gebed van David gerust een gebed uit de diepte noemen. Tegelijk richt het geloof zich uit de diepte naar de hoge dingen die bij de God van hemel en aarde gevonden en verkregen worden. Het ware geloof verschijnt voor Gods aangezicht. Wat is het genade van God en een levenslange les, als wij ontdekt worden aan onszelf en leren dat in het vastklemmen aan mensen en zaken hier beneden geen enkel houvast ligt. David roept tot de Heere: ‘Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns.’ Nóg mag dat het gebed zijn en zal dat het gebed zijn van eenieder die zich door het geloof heeft leren vastklemmen aan het Woord van God. Bij de almachtige God, Die Zijn aangezicht verheft over degenen die Hem vrezen, is uitkomst en verwachting. Tegenover verberging van Zijn aangezicht staat de verheffing van Zijn aangezicht. Als alles om ons (en in ons) tegen is en wij in de hopeloosheid van ons eigen hart teruggeworpen worden op onszelf, zou alle moed ons ontzinken. Maar bij het vallen van de avond willen de woorden van David ons leiden tot het licht van Gods aangezicht. Omdat Gods gunst meer sterkt dan de uitgezochtste spijzen. Hoe kan David, die hier toch gebukt gaat onder de gevolgen van zijn eigen zonde, dit bidden? Hoe kan een zondaar roepen om verheffing van Gods aangezicht? Dat is alleen mogelijk, omdat Hij het licht van Zijn aangezicht verborg toen Zijn eigen lieve Zoon aan het kruis hing in de Godverlatenheid. Niet omdat Hij ook maar één zonde gekend of gedaan had, maar omdat Hij voor Zijn Kerk vrijwillig de weg wilde gaan door het oordeel heen. Hij Die alle gerechtigheid der goddelijke wet vervuld heeft en uitriep: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ opdat wij tot God zouden genomen, en nimmermeer van Hem verlaten zouden worden. Daarom kan David hier bidden om die verheffing. Daarom kan het in de duistere nacht van vertwijfeling en strijd licht worden. Wie het met David mee leert bidden, weet dat er alleen om Christus’ wil gebeden kan worden om de verheffing van Gods aangezicht. In de Zoon van Zijn eeuwige liefde kan God naar zondaren omzien. Waar alles ons ontvalt, leren wij dat er niets anders overblijft dan het roepen om Gods gunst in Christus. In Hem doet de trouwe Ver12
bondsgod werkelijk het goede zien. Het goede is door Gods genade geborgenheid vinden onder de schaduw van Zijn vleugelen. Dan geldt: ‘Hoe donker ooit Gods weg moog’ wezen, Hij ziet in gunst op die Hem vrezen.’ Hoe wonderlijk als dit gebed door de Geest der genade in het hart gewerkt wordt! Dat wij ook aan het begin van een nieuw jaar dit gebed van David zouden leren nabidden. Daarmee zijn de stemmen van de ‘velen’ niet het zwijgen opgelegd, maar daarmee zijn wij er wel mee op de juiste plaats terechtgekomen. Dan zingt het geloof: ‘Ik zal gerust in vrede slapen, en liggen ongestoord ter neer; want Gij alleen, mijn Schild en Wapen, schoon ’t onheil schijnt voor mij geschapen, zult mij doen zeker wonen, Heere.’
VWX
13