Skip to main content

kerstfeestindewildernisabe

Page 1

1. De winter komt Tom schrikt wakker. Hoort hij daar beneden zijn vader al? Wat gaat hij zo vroeg doen? Hij kijkt even naar zijn twee slapende broertjes. Nee, die moet hij niet wakker maken! Vlug steekt hij zijn benen in de pijpen van zijn broek. Brrr! Wat is het koud hier boven op de kleine zolder. Gelukkig heeft hij zijn dikke sokken aangehouden. Waar is zijn trui? Zo, dat voelt beter! Zo zacht mogelijk stapt hij op de ladder bij het zolderluik en klimt naar beneden. Zie je wel, zijn vader is ook al aangekleed! ‘Zo, slaapkop!’ zegt zijn vader plagend. Hij zit met het geweer aan tafel en heeft het open geklikt. Met een doekje veegt hij alles nog eens schoon. Toms ogen beginnen te glinsteren. Hij weet wat dit betekent. Vader gaat jagen! Op de tafel ziet hij de doos met kogels die zijn vader gegoten heeft, en ook zijn hoorn met kruit. Het wordt al lekker warm in de hut. Het vuur in de haard vlamt hoog op. Tom kan zien dat zijn vader er heel wat blokken hout op heeft gegooid. Natuurlijk ook 9


voor moeder, want die heeft meteen een pot boven het vuur gehangen. Het begint al lekker te ruiken. ‘Hmmm. Zeg, Tom …’ Vader heeft de deur van de blokhut een kiertje opengedaan en staat naar de lucht te kijken. Die is nog donker, met wild bewegende wolken. ‘Ik denk dat we nog veel meer sneeuw krijgen. Er is nog niet zo veel gevallen. Maar ik voel het … Ik heb de vogels allemaal naar het zuiden zien vliegen en gisteren liepen alle hertensporen ook die kant op ...’ Hij wacht even. ‘De dieren voelen het ook. Daarom ben ik vroeg opgestaan. Ik wil toch nog proberen een hert te schieten …’ Hij kijkt naar Tom. Die knikt. Natuurlijk! Met Kerst moeten ze toch een hert hebben! Dat doet vader elk jaar. De laatste jaren is hij altijd meegegaan, en af en toe heeft zijn vader hem zelfs laten schieten. Dat ging best al heel aardig, al heeft hij nog nooit echt iets geraakt. Maar dat was alleen maar om te leren hoe je een geweer moest gebruiken, zei zijn vader altijd. Zo moest je beginnen. Waarom kijkt zijn vader hem nu zo aan? Net alsof hij heel lang en diep staat na te denken en eigenlijk niet goed weet hoe hij het moet zeggen.

10


‘Ik heb vannacht de wolven horen huilen …’ Vader schudt zijn hoofd en kijkt hem aan. ‘Daarom ga ik zo gauw mogelijk op pad, voordat de sneeuw me tegenhoudt. Maar nu nog wat anders, Tom. Kijk eens naar de stapel hout. Dat is niet zo veel meer. Ik zou graag willen dat jij die hele berg naast het schuurtje in stukken hakt en het hout hier naast de deur opstapelt. Dan kunnen we er altijd bij als het nodig is. En je moet ook emmers water putten en in de ton naast de deur hier gieten. Maar we zetten die ton eerst binnen.’ Tom staat zijn vader even verbaasd aan te kijken. Hout hakken? Hij kijkt naar het geweer op de tafel … En water halen? Maar zijn vader gaat jagen … Vader zucht even en schudt dan zijn hoofd. ‘Ik weet het, Tom, dat je liever met mij meegaat, maar de plicht gaat voor.’ Tom knikt. Hij kan niets zeggen. Hij slikt … slikt … nee, geen tranen … daar is hij veel te groot voor. Moeder zet een paar dampende kommen pap op de tafel. ‘Eten, mannen!’ zegt ze, en ze klopt Tom even op zijn schouder. ‘Ik ben blij dat er in ieder geval nog een man in huis is als er een sneeuwstorm komt!’

11


Vader is weg, de broertjes Bert en Bob zitten hun pap op te eten en Tom staat buiten het hout te bekijken dat hij in stukken moet hakken. Hij heeft zich goed aangekleed voor de kou. Wat een stapel! Denkt zijn vader nu echt dat ze dit allemaal nodig hebben? Hij kijkt naar de lucht. Die is somber en grijs, maar de wind huilt niet meer zo. Misschien valt het allemaal wel mee! Eerst de bijl maar scherp maken … en dan hakken … Tjonge, wat een inspannend karwei … Eerst die sjaal maar eens af. En die muts is ook veel te warm. Zie je wel, het is helemaal niet zo koud! En een storm? Het lijkt er nog niet op! Hij had best … Wel … pats! Dat is een hard stuk! De bijl vliegt bijna uit zijn handen. Maar hij laat zich niet op de kop zitten! Hij heft de bijl nog eens omhoog en laat hem met een dreun neer komen. Ziezo! Dat stuk is doormidden! Snap, de hond, komt vrolijk blaffend naar hem toe. Tom gaat even kijken of er nog voer in zijn bak zit. Ja, er zit nog genoeg in! Maar Snap lijkt helemaal niet hongerig. Die zal wel wat anders gevangen hebben! Waarom zou vader hem niet meegenomen hebben? Snap is niet zo’n goede jachthond, moppert zijn vader

12


weleens. Hij draaft te veel heen en weer en zoekt altijd wat om zelf op te vreten! Tom grinnikt en kriebelt de hond even achter zijn oren. ‘Blijf maar gezellig bij ons, Snap’, zegt hij. De hond blaft vrolijk, alsof hij het er mee eens is. Bert en Bob komen ook naar buiten. Ze zijn dik ingepakt. Ze kijken nieuwsgierig hoe Tom weer een dik stuk hout doormidden klieft. ‘Jullie mogen de stukken naar het huis brengen’, zegt Tom. ‘Maak maar een mooie stapel, precies naast de deur, zo hoog mogelijk.’ Dat vinden Bert en Bob een mooi klusje. Ze draven steeds maar heen en weer tussen de blokhut en de stapel hout. Tom staat even te kijken of ze het goed doen. Het is een fijne hut, die zijn vader heeft gebouwd. Tom kan het zich nog herinneren: met een grote huifkar zijn ze hier naartoe gereden. Alles hadden ze erin geladen: hun beddengoed, de potten en pannen en natuurlijk de kisten met kleren en vaders gereedschap. Ook Snap heeft de lange tocht gemaakt, onder de huifkar. Toen ze hier aankwamen, waren er alleen maar bomen. Grote, dikke bomen en kleine dunne boompjes. Er leek geen eind aan te komen. Maar zijn vader had precies

13


geweten waar hij naartoe moest. Na een tijd had hij gezegd: ‘Zo, dit stuk land is voor ons. Hier gaan we ons huis bouwen!’ Tom had alleen een paar kleine paaltjes gezien. Verder was er niets. Helemaal niets! Wel had hij tussen de bomen door water zien glinsteren. Daar liep een kronkelig beekje. Heel leuk! Vader had toen een tent opgezet, waar ze voorlopig in moesten wonen. Daarna had hij bomen omgekapt, de bast eraf gehaald en ze precies op de juiste maat gezaagd. In sommige stammen had hij een inkeping gemaakt, zodat de andere stammen er precies in pasten. Zo waren de muren steeds hoger geworden. Vader

14


had er toen een paar vierkanten in gezaagd voor de ramen en aan de achterkant had hij van stukken rots een haard gebouwd. Op een dag had hij de paarden weer voor de huifkar gezet en was met een paar boomstammen weggereden. Hij was wel drie dagen weggeweest, maar toen hij terugkwam, hadden er allemaal planken in de kar gelegen en een paar vierkante stukken glas voor de ramen. Die planken had een molenaar netjes op maat voor hem gezaagd, had zijn vader verteld. Twee dagen erna had er een mooie, gladde planken vloer in de hut gelegen. Nou, daar was zijn moeder heel blij mee geweest! De tent werd afgebroken en toen konden ze in hun eigen blokhut wonen! Tom hakt flink door en de broertjes blijven sjouwen. Maar na een paar uur lopen ze niet zo hard meer. Ook Tom doet het wat rustiger aan. Af en toe gaat hij even op een blok hout zitten om uit te rusten. Juist als hij staat uit te hijgen, doet moeder de deur open en roept: ‘Kom eerst maar een poosje binnen! Ik heb pannenkoeken en koffie!’ Natuurlijk zijn de jongens daar wel voor te porren. Ze laten de houtblokken liggen en gaan gauw naar binnen. 15


Het is gezellig in de blokhut. Het vuur vlamt vrolijk en warmt alles op. Bij een van de ramen staat de tafel die vader heeft gemaakt, met twee stoelen en een grote kist. Tom zit altijd met zijn twee broertjes op die kist, want de twee stoelen zijn natuurlijk voor vader en moeder. Tja … die kist … Die is ook helemaal meegezeuld in de huifkar. Wat erin zit? Tom weet het niet precies. Die kist is zwaar en zit altijd op slot. Vader bewaart zijn kogels en kruit in die kist, dat weet hij wel. Maar verder? Hij heeft het weleens gevraagd, maar vader had kort gezegd: ‘Je mag wel alles eten, maar niet alles weten.’ Nou ja … daar word je ook niets wijzer van. Tom neemt een hap van een pannenkoek. Hmmmmm! Die smaakt toch wel erg lekker! Die middag haalt moeder nog wat extra water uit de beek. Vader heeft er al voor gezorgd dat het ijs in het wak is weggehakt. ‘Gaan jullie maar door met het hout’, zegt ze, terwijl ze een beetje bezorgd naar de lucht kijkt. Tom kijkt ook even naar boven, maar hij ziet niets bijzonders. De wolkenflarden zijn weg en het grijs lijkt dikker en donkerder te worden. Ook de wind gaat met

16


vlagen door de bomen, met een stille fluittoon. Maar verder? Geen vlokje te zien! Moeder komt met een lang touw naar buiten. Ze bindt het naast de deur vast aan een dikke spijker. Dan loopt ze naar de schuur en bindt het ook daar vast. Ze voelt nog eens of het goed vast zit en knikt tevreden. Ze ziet dat Tom haar even vragend aankijkt. ‘Voor de storm’, zegt ze. ‘Als het erg wordt, kunnen we niet zien waar we lopen. Dan weten we tenminste hoe we naar de schuur moeten komen en weer terug.’ Aan het eind van de middag staat Tom tevreden naar de stapel hout te kijken. Tjonge, dat is heel wat! Hij zucht. Zijn armen doen pijn van het hakken. Zo moet het maar genoeg zijn. Hoger kunnen de broertjes de blokken toch niet stapelen. Hij ziet moeder weer naar de lucht kijken. Maar ze staat ook even stil, alsof ze luistert, en dan gaan haar ogen zoekend langs de bosrand. ‘Ik hoop dat je vader gauw terugkomt’, zegt ze met een zucht. ‘Ik vertrouw het weer niet.’ Ze kijkt rond. ‘We moeten straks de ruif van de paarden ook maar extra vol gooien. Dan hebben ze voorlopig genoeg. En vergeet de koe niet.’ Ze draait

17


zich om. ‘Kom, jongens! Eerst wat eten!’ In de hut is het lekker warm. De vlammen in de haard kronkelen zich om de grote ijzeren pot. Hmm! Dat ruikt lekker! Bruine bonen met spek! Ze horen gekrabbel aan de deur. ‘Haal Snap maar naar binnen’, zegt moeder. De hond draait rondjes door de kamer, alsof hij niet weet waar hij zal gaan liggen. Hij jankt zacht en kijkt naar de dichte deur. ‘Ga nou maar liggen, Snap’, zegt moeder. ‘De baas is er nog niet.’ De hond laat zich met een zucht neervallen, zo dicht mogelijk bij het vuur. Ineens … een huilend geluid giert hoog langs de schoorsteen. Buiten kreunen bomen en een paar takken bonken op het dak. Verschrikt kijken ze naar moeder. Die zucht. ‘Ik was er bang voor’, zegt ze. ‘Het voelde zo dreigend … Reken maar dat vader het ook heeft gezien. Hij zal wel gauw komen.’ De twee ramen worden donker. Dikke vlokken plakken ertegenaan. De wind buldert boos en jaagt de sneeuw in dikke wolken rond.

18


Tom luistert. Kraakt het dak daar? Nee, dat kan niet. Vader heeft de hut zo sterk gebouwd … Moeder probeert uit een van de raampjes te kijken. Maar het is helemaal dicht gewaaid. Vader … denkt Tom. Zou hij dit aan hebben zien komen­­­? Als je door de dichte bossen loopt, kun je niet zo ver kijken. Maar vader is zo aan de bossen gewend. Die zal de weg wel kunnen vinden. Vast wel … ‘Vanavond nog een uurtje schoolwerk, jongens’, zegt moeder. ‘Begin maar gauw. Als vader er dan is, ben je klaar. Misschien moet je hem nog helpen.’ Tom kijkt naar haar. Moeder zegt dit wel, maar hij ziet ook hoe ze steeds zit te luisteren! Met een zucht pakt hij zijn lei. Hij moet nog heel wat sommen maken. Als hij die vlug kan doen, is hij misschien klaar als vader komt! Hij weet nog dat hij op een school heeft gezeten. Dat is heel lang geleden. Of … heel lang? Hij weet het eigenlijk niet. Maar het lijkt wel heel lang geleden! Er waren veel meer kinderen op die school, en ze woonden allemaal in datzelfde dorp. Totdat vader op een dag alles in de huifkar had gesjouwd. Hij begreep er eerst niet veel van. Waarom gingen ze zo ver weg? Elke dag reden ze

19


een heel eind, maar als hij vroeg of ze er al waren, zei zijn vader: ‘Nee, nee! Nog niet!’ Hij wilde naar een ander stuk van Amerika, waar bijna nog geen mensen woonden. Daar kon hij een flink stuk grond kopen en eigen baas zijn. Elke avond heeft zijn moeder onderweg met hem gelezen, net zo lang tot hij zelf alles kon lezen. Toen de hut was gebouwd, moest hij ook het andere schoolwerk gaan doen: rekenen vooral. Dat was heel belangrijk zei zijn vader altijd. De twee broertjes hoefden toen nog niets te leren. Maar dat veranderde toen ze wat ouder werden. Nu zorgt moeder er elke avond voor dat ze hun schoolwerk af hebben voordat ze naar bed gaan. Naar bed … Tom ziet dat de twee broertjes zitten te geeuwen. Ze zijn natuurlijk moe na al het werk. Moeder ziet het ook. ‘Jongens, hup! Naar boven jullie! Ik zie dat jullie ogen bijna dichtvallen! Ik heb al een paar keistenen boven het vuur verwarmd. Hier heb ik een paar oude lappen om ze in te rollen. Ik zal ze even in jullie bed leggen, dan heb je lekker warme voeten!’ Moeder klimt met Bert en Bob de smalle ladder op.

20


Tom hoort hen stommelen. Maar hij hoort ook hoe de wind steeds harder tekeer gaat. Zelfs hun huis, dat toch zo stevig in elkaar is gezet, lijkt te kreunen onder het geweld. En vader … Hij is er nog steeds niet! Hoe kan hij nu die domme sommen maken als hij steeds maar zit te luisteren of zijn vader eraan komt? Moeder klimt weer naar beneden. Ze zet voor elk raam een brandende kaars. ‘Er zit sneeuw tegen het glas, maar dit licht schijnt toch wel naar buiten’, zegt ze. Tom zit nog wat aan zijn sommen te prutsen. Maar het gaat gewoon niet. ‘Je moet ook naar bed, Tom’, zegt moeder. ‘Ik weet dat je op vader wilt wachten, maar misschien is hij wel ergens gaan schuilen …’ Schuilen? Gelooft ze dat zelf? Hij kijkt naar haar. Waar zou vader moeten schuilen? In de verre omtrek is geen ander huis te vinden … De wind bonkt van alle kanten tegen de hut. Af en toe lijkt het of hij gierend lacht om dat kleine houten huisje daar midden in die uitgestrekte bossen. Tom gaapt.

21


‘Tom …’ Moeder kijkt hem weer aan. Hij legt zijn schoolwerk op de plank naast de deur. Even later ligt hij te luisteren naar het geweld buiten. Als vader nu komt … maar nee, dat kan toch niet in zo’n storm! Waar zou hij zijn? Tom geeuwt, draait zich om en … slaapt.

22


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook