Deel 1 Karakter en geloof Ds. J. Westerink Dit is een bewerking van de lezing die ds. Westerink hield op de Terdege Vrouwendag 2017.
‘Karakter’ en ‘geloof’ hebben met elkaar te maken, maar wel op een specifieke manier. Of iemand tot het ware geloof komt, het geloof van Zondag 7 uit de Heidelbergse Catechismus, is niet afhankelijk van zijn of haar karakter. Het ware geloof is immers een gave van God. ‘Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave’ (Ef. 2:8). God doorbreekt door Zijn Geest allerlei barricades en ruimt alle mogelijke hindernissen op. Hij verzoent vijanden met Zich en rechtvaardigt goddelozen. Hij breekt het hardste hart. Hij maakt vreemdelingen tot burgers van de stad die fundamenten heeft. Talloze voorbeelden in de Schrift en in de geschiedenis van Gods Kerk laten dat zien. Één voorbeeld werk ik uit. In 1975 woonde ik namens de Christelijk Gereformeerde Kerken een conferentie bij in Kenia. Tijdens een vrije dag maakten wij een uitstapje naar het gebied van de Masai. We waren getuige 7
van een aantal woeste krijgsdansen van grote krijgers, die hun verrichtingen gepaard lieten gaan met wilde krijgsliederen. Tegen een collega die naast me zat, zei ik: ‘Er moet heel wat gebeuren voordat deze mannen de psalmen van David kunnen zingen.’ Op de zondag daarna werden we door een landgenoot die in Kenia werkte, meegenomen naar een klein kerkje, waar een dominee preekte die behoorde tot de eerste bekeerlingen uit de stam van de Masai! Zijn tekst was genomen uit, werkelijk waar, een psalm van David. ‘Heere open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen’ (Ps. 51:17). We hoorden een diepe en toch eenvoudige, warme, persoonlijk doorleefde prediking, waarin de Schriften opengingen en harten geraakt werden. Kortom een Schriftuurlijkbevindelijke prediking. De Geest doorbrak taal- en cultuurgrenzen. Waar Hij werkt, daar werkt Hij als de wind, onweerstaanbaar. Het was een heerlijke dienst waarin de zondaar op het diepst werd vernederd en de 8
drie-enige God op het hoogst verheerlijkt. Geloof en geloven is een werk van God. Zondag 7, vraag en antwoord 21 Wat is een waar geloof? Een waar geloof is een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd, dat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om der verdienste van Christus wil.
Zondag 25, vraag en antwoord 65 Aangezien dan alleen het geloof ons Christus en al Zijn weldaden deelachtig maakt, vanwaar komt zulk geloof?
9
Van de Heiligen Geest, Die het geloof in onze harten werkt door de verkondiging des Heiligen Evangelies, en het sterkt door het gebruik van de Sacramenten.
Daarnaast gaat het in dit boekje over het karakter, over onze persoonlijkheid. Dat speelt zeker een rol in de geloofsbeleving. Het maakt bijvoorbeeld verschil of je man of vrouw bent, of je extravert – naar buiten gericht – of introvert – naar binnen gericht – bent, of je optimistisch of pessimistisch van karakter bent. Er zijn meer gangbare aanduidingen van het karakter te noemen: sommigen spreken van zelfstandige en afhankelijke karakters, onveranderlijke en veranderlijke karakters. Anderen gebruiken een drieslag en spreken van verstandelijke, gevoelsmatige en wilskrachtige karakters. Al die aanduidingen zijn van invloed op en kleuren de geloofsbeleving
10
Professor W. Kremer, mijn hooggeachte leermeester tijdens mijn opleiding aan de Theologische School in Apeldoorn, werkte voor hij theologie ging studeren bij een tuindersbedrijf. De liefde tot en kennis van Gods wondere schepping is hem altijd bijgebleven. Dat was ook merkbaar in zijn colleges. Hij vertelde bijvoorbeeld dat je een beuk, een eik en een kastanje kunt herkennen aan het blad van de boom. Maar hij liet ons zien dat toch niet één blad van één bepaalde boom gelijk is aan een ander blad. Elk blad is uniek. Daaraan koppelde hij de uitdrukking: ‘God houdt er geen confectiewerk op na.’ Ieder stukje van Zijn werk is uniek. Zo is het dus ook met de mens: ieder mens is uniek. Tegelijkertijd hebben de bladeren van een eikenboom ook iets gemeenschappelijks, waaraan ze te herkennen zijn. En zo is het met de mens ook. Elk mens is uniek, maar alle mensen hebben iets gemeenschappelijks.
11
In Nederland kun je merken dat een karakter mede wordt gevormd door de volksaard van het gebied waar iemand vandaan komt. Mensen die leven op de zandgronden van de Veluwe hebben vaak iets wantrouwends tegenover alles wat vreemd is. Je moet op je hoede zijn voor iedere vreemdeling, die van achter een dikke boom opduikt. Misschien vindt dat zijn oorsprong in het verleden. Ooit liepen over de Veluwe de handelswegen die het Duitse Ruhrgebied verbonden met de havens aan de Noordzeekust: een kansrijk gebied voor struikrovers. Als een Veluwenaar ‘Joa joa’ zegt, betekent dat nog geen instemming. Hij wil eerst weten hoe anderen, die hij kent, erover denken, bijvoorbeeld als het gaat om een besluit van de kerkenraad. Pas daarna, als hij die anderen gehoord heeft, geeft hij zijn oordeel. Zeeuwen zijn vaak zeer gesloten als het gaat over hun eigen zielenleven en hun relatie tot de Heere. Een dominee die ernaar vraagt, kan zelfs van ambtsdragers te horen krijgen: 12
‘Dat is een zaak tussen God en mijn ziel. Daar praten wij niet over.’ Een geestelijke verandering merk je daar vaak alleen aan de levensopenbaring en de omgang met de medemens. Friezen zijn vaak mensen van weinig en matige woorden. In de domineeswereld is bekend hoe een ouderling eens met instemming reageerde op een preek: ‘Ik heb me wel eens meer verveeld dan vanmorgen, dominee!’ Natuurlijk is dit een beetje gegeneraliseerd. Maar voor veel mensen zal dit toch wel de nodige herkenning oproepen. De ‘cultuur’ van de plaats waar je grootgebracht wordt, heeft invloed op je persoonlijkheidsontwikkeling. Ook leef- en werkomstandigheden door de eeuwen heen drukken soms een stempel op de bevolking, bijvoorbeeld in agrarische gemeenschappen en vissersplaatsen, waar een diep besef van afhankelijkheid van de Schepper het leven beheerst. 13
Kortom, het karakter van de mensen wordt mede gestempeld door omgeving, omstandigheden, opvoeding, ingrijpende gebeurtenissen, een bepaalde generatielange lijn in de prediking en nog heel veel zaken meer. Daarbij moet nooit uit het oog worden verloren dat wij mensen van nature allemaal vijanden zijn van God. We zijn Adamskinderen, die geboren worden buiten het Koninkrijk van God, voor wie er slechts toegang tot dat Rijk is door de enge poort in de weg van wedergeboorte, bekering en geloof. Verschillende karakters staan daarbij de Heilige Geest niet in de weg. Vele Bijbelse voorbeelden zijn daarbij te geven. Denk alleen maar aan Abraham en Izaäk, Jozef en Juda, Petrus en Thomas, Paulus en Timotheüs. De wind van de Geest waait waarheen Hij wil, altijd verrassend, altijd onverklaarbaar, altijd vrij en soeverein. ‘Wij zien het maar doorgronden het niet’ (Ps. 118:11 berijmd).
14
Geloof en karakter bij de Sunamietische vrouw Een Bijbels voorbeeld van hoe de Heere het geloof werkt en versterkt en hoe Hij daarbij gebruikmaakt van het karakter van een mens vinden we in 2 Koningen 4:8-37. Daar lezen we de indrukwekkende geschiedenis van de vrouw die voor Bijbellezers de naam ‘de Sunamietische’ heeft gekregen; een naam die alleen maar iets zegt over haar plaats van herkomst. De geschiedenis waarin zij een rol speelt, is onderdeel van de geschiedenissen van de profeet Elisa, wiens naam betekent: De Heere helpt, de Heere redt. Vers 8-17 Het geschiedde ook op een dag, als Elisa naar Sunem doortrok, dat aldaar een grote vrouw was, dewelke hem aanhield om brood te eten. Voorts geschiedde het, zo dikwijls hij doortrok, week hij daarin, om brood te eten. En zij zeide tot haar man: ‘Zie nu, ik heb 15
gemerkt, dat deze man Gods heilig is, die bij ons altoos doortrekt. Laat ons toch een kleine opperkamer van een wand maken, en laat ons daar voor hem zetten een bed, en tafel, en stoel, en kandelaar; zo zal het geschieden, wanneer hij tot ons komt, dat hij daar inwijke.’ En het geschiedde op een dag, dat hij daar kwam; en hij week in die opperkamer, en legde zich daar neder. Toen zeide hij tot zijn jongen Gehazi: ‘Roep deze Sunamietische.’ En als hij ze geroepen had, stond zij voor zijn aangezicht. (Want hij had hem gezegd: ‘Zeg nu tot haar: Zie, gij zijt zorgvuldig voor ons geweest, met al deze zorgvuldigheid; wat is er voor u te doen? Is er iets om voor u te spreken tot de koning, of tot de krijgsoverste?’ En zij had gezegd: ‘Ik woon in het midden mijns volks.’ Toen had hij gezegd: ‘Wat is er dan voor haar te doen?’ En Gehazi had gezegd: ‘Zij heeft toch geen zoon, en haar man is oud.’ Daarom had hij gezegd: ‘Roep haar.’ En als hij haar geroepen had, stond zij in de deur.) En hij zeide: ‘Op deze gezette tijd, omtrent deze tijd des levens zult gij een zoon omhelzen.’ En zij zeide: ‘Neen, mijn heer, 16
gij man Gods, lieg tegen uw dienstmaagd niet.’ En de vrouw werd zwanger, en baarde een zoon op die gezette tijd, omtrent de tijd des levens, die Elisa tot haar gesproken had. Deze verzen vormen een soort inleiding, waarin ons iets verteld wordt over de omstandigheden waarin deze vrouw leefde. Ze leefde in het noorden van Israël en was getrouwd met een man die waarschijnlijk een stukje ouder was dan zijzelf. Ze hadden een welvarend boerenbedrijf. Ze wordt aangeduid als een ‘grote’ vrouw, dat betekent dat ze rijk, welgesteld was. Terwijl we van de man verder niet veel lezen dan dat hij instemt met wat zijn vrouw wil, is het duidelijk dat zíj iemand is die de Heere van harte vreest. Dat blijkt uit de gastvrijheid waarmee zij de profeet van de Heere op een royale manier ontvangt. Ze haalt alles uit de kast, zouden wij vandaag zeggen. In haar gulle gastvrijheid, waarbij ze kosten noch moeite spaart, toont ze haar liefde tot 17
het Woord van de Heere, waarvan Elisa de drager is. Wij zijn misschien geneigd te zeggen dat de houding van de vrouw best te begrijpen is. Het gaat haar immers in alles voor de wind! Wacht even met die reactie. Er is in het leven van deze vrouw een groot verdriet. Gehazi, de dienaar van Elisa, heeft het gemerkt. Wanneer de profeet zoekt naar een blijk van waardering voor wat de vrouw allemaal voor hem heeft gedaan, wijst Gehazi zijn meester op het feit dat het gastvrije echtpaar kinderloos is. Vooral het feit dat ze geen zoon hebben, weegt zwaar. Gezien de leeftijd van haar man is kinderzegen niet meer te verwachten. Ook in onze kringen zijn er verschillenden die kinderloosheid als een groot en stil verdriet meedragen. Een verdriet dat verzwaard wordt door het feit dat er in de omgeving en ook binnen de gemeente zo gemakkelijk en goedkoop over dit kruis gepraat wordt. Dit is een verdriet dat het hele leven meegaat en 18
zwaarder wordt als leeftijdgenoten kinderen krijgen, maar ook wanneer ze later kleinkinderen krijgen. Waarom is dit voor ons niet weggelegd? Soms staat dit zelfs tussen de Heere en het hart in. Het is een ‘waarom?’ waar je vaak geen antwoord op krijgt. In Israël werd het leed van kinderloosheid nog verzwaard omdat het werd gezien als een straf van God, waardoor er voor jou geen toekomst was weggelegd in de Messiaanse eeuw. In de nieuwtestamentische bedeling ligt dat anders. Kinderloosheid is daar niet minder verdrietig, maar het mag in het licht van Gods toekomst anders gezien worden. De Heere hecht onderweg naar de voleinding al draden af. De manier waarop de Sunamietische reageert op de belofte van de profeet dat zij over een jaar moeder van een zoon zal zijn, toont iets van het verdriet dat zij moet dragen. Ze heeft haar kruis gelovig verwerkt, dat blijkt uit haar liefde tot de dienst van de Heere, Die haar grootste verlangen niet vervuld 19
had. Maar haar verdriet, al was het verborgen, is gebleven. Dat verdriet moest niet weer opgeroepen worden door die belofte. Wat zien we nu met betrekking tot geloof en karakter? Hier gaat een sterk geloof gepaard met een sterk karakter. De Sunamietische heeft de Heere lief, Die haar verlangen niet vervulde. Haar levensopenbaring geeft antwoord op Gods vraag: ‘Heb je mij lief ondanks alles?’ We zien in haar iets van het ‘nochtans’ van Asaf en Habakuk. De Sunamietische was eenswillend gemaakt met de Heere. Nu krijgt ze alsnog een zoon, een erfgenaam. Dat is in Joods perspectief geen tijdelijke, maar een eeuwige zegen. Wie in Gods toekomst mag delen, moet hier soms alles missen, maar houdt toch alles over: vandaag genade die genoeg is en morgen wat God bereid heeft in Christus.
20
Vers 18-28 Toen nu het kind groot werd, geschiedde het op een dag, dat het uitging tot zijn vader, tot de maaiers. En het zeide tot zijn vader: ‘Mijn hoofd, mijn hoofd!’ Hij dan zeide tot een jongen: ‘Draag hem tot zijn moeder.’ En hij droeg hem, en bracht hem tot zijn moeder. En hij zat op haar knieën tot aan de middag toe; toen stierf hij. En zij ging op, en legde hem op het bed van de man Gods; daarna sloot zij voor hem toe, en ging uit. En zij riep om haar man, en zeide: ‘Zend mij toch een van de jongens, en een van de ezelinnen, dat ik tot de man Gods lope, en wederkome.’ En hij zeide: ‘Waarom gaat gij heden tot hem? Het is geen nieuwe maan, noch sabbat.’ En zij zeide: ‘Het zal wel zijn.’ Toen zadelde zij de ezelin, en zeide tot haar jongen: ‘Drijf, en ga voort; houd mij niet op voort te rijden, tenzij dan dat ik het u zegge.’ Alzo toog zij heen, en kwam tot de man Gods, tot de berg Karmel. En het geschiedde, als de man Gods haar van tegenover zag, dat hij tot Gehazi, zijn jongen, zeide: ‘Zie, daar is de Sunamietische. 21
Nu loop toch haar tegemoet, en zeg tot haar: Is het wel met u? Is het wel met uw man? Is het wel met uw kind?’ En zij zeide: ‘Het is wel.’ Toen zij nu tot de man Gods op de berg kwam, vatte zij zijn voeten. Maar Gehazi trad toe, om haar af te stoten. Doch de man Gods zeide: ‘Laat ze geworden; want haar ziel is in haar bitterlijk bedroefd, en de HEERE heeft het voor mij verborgen, en mij niet verkondigd.’ En zij zeide: ‘Heb ik een zoon van mijn heer begeerd? Zeide ik niet: Bedrieg mij niet?’ Het sterke geloof en het sterke karakter van de Sunamietische worden zwaar beproefd. Na de geboorte van de beloofde zoon zijn er vreugdevolle jaren aangebroken voor het echtpaar in Sunem. Hij wordt op zijn oude dag vader. Zij ziet in hun zoon vooral de vervulling van Gods belofte: erfgenaam van de beloofde erfenis van Israëls God. Maar wanneer dat kind een jaar of vijf is, breekt een zwarte dag aan. Terwijl het jochie tijdens de oogstwerkzaamheden bij zijn vader 22
op het land is, wordt hij ineens doodziek. Misschien is het een zonnesteek of een agressieve hersenvliesontsteking. Zijn vader doet er niet zoveel aan; mogelijk had hij niet zo’n sterk karakter als zijn vrouw. Hij laat het kind door een knecht naar huis brengen, naar zijn moeder. Daar sterft de jongen korte tijd later. Het is met geen pen te beschrijven wat er door haar moederhart heen gaat. Mensen die een kind verloren hebben, weten het. Aan een ander kun je het nooit uitleggen. Maar de diepste pijn, die het hart van deze moeder doorsnijdt, is de gedachte: Wanneer de Heere dít kind, deze erfgenaam van de belofte, nú wegneemt, dan heeft Zijn geschenk geen inhoud. Dan bedriegen Gods beloften! ‘Heb je mij lief ondanks alles?’ Die vraag van God kon de vrouw met haar leven positief beantwoorden. Maar nu stelt God in deze beproeving een nieuwe vraag. ‘Geloof je Mijn belofte ondanks alles?’ 23
Als de Sunamietische nu zou blijven staan bij wat ze ziet en ervaart, zou ze voorbereidingen gaan treffen voor de begrafenis van haar zoon. In het warme Israël, zeker in de warmste tijd, moest dat dezelfde dag nog gebeuren. En als ze haar zoon zou begraven, was dat tegelijk de begrafenis van Gods belofte. En dat is nu precies het punt waarop de Heere haar beproeft. Er gebeurt iets heel anders. De bedroefde vrouw legt haar dode kind in de profetenkamer op bed en doet de deur op slot. Niemand mag erbij komen. De dood kán hier niet het laatste woord hebben, daar is ze van overtuigd en dat blijkt uit haar daden. Ze gaat naar haar man. Maar ze vertelt hem niet dat hun kind, hun erfgenaam, dood is. Ze zegt tegen haar echtgenoot, die helemaal niet denkt aan het zieke kind (we lezen in elk geval niet dat hij ernaar vraagt) dat ze naar de profeet wil. En als hij daar verbaasd op reageert, zegt ze alleen maar: ‘Het zal wel zijn.’ In het Hebreeuws staat er dan: 24
‘Shalom’. Het is goed, vrede. Over een sterk karakter gesproken! Nee, dit is niet alleen het bewijs van een sterk karakter. De Sunamietische openbaart zich hier als een echte dochter van Abraham, de vader aller gelovigen, die door de Heere geroepen werd om zijn enige zoon, Izaäk, de zoon van de belofte, te offeren. Hebreeën 11:17-19 zegt dat Abraham door het geloof Izaäk heeft geofferd, ‘overwegende dat God bij machte was hem ook uit de doden te verwekken’. Datzelfde geloof brengt haar bij Elisa, de drager van het Woord van God. Maar daar wordt duidelijk dat haar geloof een aangevochten geloof is. Tegen de mensen die ze tegenkomt, zegt ze: ‘Shalom.’ Zij mogen om haar geen kwade gedachten van God krijgen. Maar bij de profeet, ten diepste dus bij de Heere Zelf, stort ze haar hart uit en legt ze haar vragen neer. Geloofsvragen, terwijl ze toch een sterk geloof heeft en terwijl zij een vrouw met een sterk karakter is. Op 25
dit moment blijkt dat sterke karakters ook aangevochten worden in hun geloof. Maar er is meer. Deze vrouw komt terecht bij de Heere. Ze weet dat bij Hem uitkomst is. Een uitkomst die ze niet ziet, maar die Hij geven zal. Dan gaat het niet meer over een sterk karakter, maar over een zwaar beproefd en toch sterk geloof. Hier klinkt de taal van het geloof zoals dat zo kostelijk verwoord wordt in Psalm 42: ‘Ik zal Zijn lof zelfs in de nacht / zingen, daar ik Hem verwacht!’ Vers 29-37 En hij zeide tot Gehazi: ‘Gord uw lenden, en neem mijn staf in uw hand, en ga henen; zo gij iemand vindt, groet hem niet; en zo u iemand groet, antwoord hem niet; en leg mijn staf op het aangezicht van de jongen.’ Doch de moeder van de jongen zeide: ‘Zo waarachtig als de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten!’ Hij stond dan op, en volgde haar na. Gehazi nu was voor hun aangezicht doorgegaan; 26
en hij legde de staf op het aangezicht van de jongen; doch er was geen stem, noch opmerking. Zo keerde hij weder hem tegemoet, en bracht hem boodschap, zeggende: ‘De jongen is niet ontwaakt.’ En toen Elisa in het huis kwam, ziet, zo was de jongen dood, zijnde gelegd op zijn bed. Zo ging hij in, en sloot de deur voor hen beiden toe, en bad tot de HEERE. En hij klom op, en legde zich neder op het kind, en leggende zijn mond op deszelfs mond, en zijn ogen op zijn ogen, en zijn handen op zijn handen, breidde zich over hem uit. En het vlees des kinds werd warm. Daarna kwam hij weder, en wandelde in het huis eens herwaarts, en eens derwaarts, en klom weder op, en breidde zich over hem uit; en de jongen niesde tot zevenmaal toe; daarna deed de jongen zijn ogen open. En hij riep Gehazi, en zeide: ‘Roep deze Sunamietische.’ En hij riep haar, en zij kwam tot hem; en hij zeide: ‘Neem uw zoon op.’ Zo kwam zij, en viel voor zijn voeten, en boog zich ter aarde, en zij nam haar zoon op, en ging uit.
27
Ook over dit gedeelte zou heel wat te zeggen zijn. In verband met ons onderwerp stip ik slechts twee punten aan. Allereerst wordt hier opnieuw duidelijk dat we te maken hebben met een vrouw met een sterk karakter. Ze heeft de profeet heel hoog staan als man van God, maar wanneer Elisa zijn dienaar vooruit wil sturen, weigert ze – onder ede nog wel – om met Gehazi mee te gaan. De profeet moet zelf meegaan. Het verdere verloop laat zien dat ze gelijk heeft. Wanneer Elisa arriveert bij de dode jongen en zich biddend over hem heen buigt, komt het kind tot leven. Inderdaad kan zelfs de dood de belofte van de Heere niet tenietdoen. Vervolgens: wat doet deze moeder wanneer ze binnenkomt in de profetenkamer en haar jongen levend en wel in haar armen mag sluiten? Er gebeurt iets heel wonderlijks. Je zou verwachten dat de moeder naar haar kind toe rent en hem in haar armen sluit. Maar dat doet ze niet. Ze loopt naar 28
Elisa, de knecht van de Heere en ze buigt in aanbidding aan zijn voeten. Ze buigt voor de Heere, Die alleen wonderen doet en Zijn beloften gestand doet. Daarna pas neemt ze haar jongen op. Dit is de krachtigste geloofsoefening van deze vrouw die de Heere de eer geeft. En dat komt niet voort uit haar sterke karakter, het is te danken aan het geloof. Want op geloofsoefening werkt de Heere aan in de vervulling van Zijn beloften. Tot hiertoe kennen we deze geschiedenis misschien. Minder bekend is het vervolg over de Sunamietische en haar zoon, dat we lezen in 2 Koningen 8:1-6. We kunnen de geschiedenis uit 2 Koningen 4 zien als een illustratie van het feit dat de Heere de erfgenaam bewaart voor de erfenis. Die lijn loopt door in het Nieuwe Testament. Denk bijvoorbeeld aan 1 Petrus 1:3 vv. Maar dat is niet het enige wat de Heere doet. Hij doet geen half werk, want Hij is een God van volkomen zaligheid, Die volkomen uitkomst 29
geeft. Dat zien we in het vervolg van de geschiedenis van de Sunamietische. Hier blijkt dat Hij niet alleen de erfgenaam bewaart voor de erfenis, maar Hij bewaart ook de erfenis voor de erfgenaam. 2 Koningen 8:1-6 Elisa nu had gesproken tot die vrouw, welker zoon hij levend gemaakt had, zeggende: ‘Maak u op, en ga heen, gij en uw huisgezin, en verkeer als vreemdeling, waar gij verkeren kunt; want de HEERE heeft een honger geroepen, die ook in het land zeven jaren komen zal.’ En de vrouw had zich opgemaakt, en had gedaan naar het woord van de man Gods; want zij was gegaan met haar huisgezin, en had als vreemdeling verkeerd in het land der Filistijnen, zeven jaren. En het geschiedde met het einde der zeven jaren, dat de vrouw uit het land der Filistijnen wederkeerde; en zij ging uit, dat zij tot de koning riep, om haar huis en om haar akker. De koning nu sprak tot Gehazi, de jongen van de man Gods, zeggende: ‘Vertel mij toch al de grote 30
dingen, die Elisa gedaan heeft.’ En het geschiedde, als hij de koning vertelde, hoe hij een dode had levend gemaakt, ziet, zo riep de vrouw, welker zoon hij levend gemaakt had, tot de koning, om haar huis en om haar akker. Toen zeide Gehazi: ‘Mijn heer koning! Dit is de vrouw, en dit is haar zoon, die Elisa heeft levend gemaakt.’ En de koning ondervraagde de vrouw, en zij vertelde het hem. Toen gaf de koning haar een kamerling, zeggende: ‘Doe haar wederhebben alles, wat het hare was, daartoe alle inkomsten des akkers, van de dag af, dat zij het land verlaten heeft, tot nu toe.’ Er is een aantal jaren voorbijgegaan. Vader is kennelijk gestorven. De jongen is groot geworden. In de voorbije jaren is er veel gebeurd. Elisa is weer in Sunem geweest. Hij heeft zijn gastvrouw Gods boodschap gebracht van een hongersnood die Israël zal treffen als een vloek van God over het volk dat God verlaat. Te midden van dat volk is de Sunamietische een gunstige uitzonde31
ring. Voor haar is die straf niet. Zij mag naar Gods Woord uitwijken naar het buitenland. Dat is niet gemakkelijk. Zeven jaren vertoeft ze als vreemdeling in het land van de Filistijnen. Na die zeven jaren, de tijd die de straf naar Gods Woord zou duren, reist ze onmiddellijk terug naar Sunem. Daaruit blijkt ook hoe deze vrouw voortdurend leeft uit het geloof in Gods beloften. Helaas wacht haar in Sunem een nieuwe tegenvaller. Ze krijgen hun huis en hun land niet terug. IsraĂŤl leeft en handelt niet naar de wetten van de Heere. Ze is nu een vreemdeling in haar eigen land. Is dit Gods bedoeling? Nee, de Heere leidt de erfgenamen door het land van de vreemdelingschap naar de erfenis die voor hen is weggelegd. Weer blijkt hoe sterk deze vrouw is door de kracht van het geloof. Ze gaat naar de koning om bij hem de rechten van haar en haar zoon te bepleiten. Dan blijkt opnieuw de wonderlijke leiding van de Heere. Op het moment dat moeder 32
en zoon bij de koning arriveren, is de koning juist in gesprek met Gehazi, de vroegere dienaar van Elisa. Gehazi vertelt op verzoek van de koning over de wonderen die Elisa heeft verricht. Op het moment dat hij vertelt over de opwekking van de zoon van de Sunamietische, komen moeder en zoon aanlopen. Er is natuurlijk onmiddellijk ruimte voor het verzoek van de vrouw. Diep onder de indruk van wat Gehazi hem vertelde, is de koning van harte bereid om deze vrouw te helpen. Moeder en zoon krijgen de hele erfenis, vermeerderd met de opbrengst van de afgelopen jaren, terug. Zo bewaart de Heere niet alleen de erfgenaam voor de erfenis, maar ook de erfenis voor de erfgenaam. Zulke erfgenamen worden, levend door het geloof in Gods onwankelbare beloften, wel beproefd maar niet beschaamd. Levend uit het geloof in Gods beloften mogen zij gelovig uitzien naar de erfenis die in de 33
hemelen voor hen wordt bewaard. Zij zijn door genade erfgenamen van God en medeerfgenamen van Christus. En wanneer zij beproefd worden, dan beproeft de Heere hen niet boven vermogen.
Ten slotte Uit de geschiedenis van de Sunamietische zouden we de conclusie kunnen trekken dat de Heere een sterk karakter gebruikt als instrument om ook sterk te staan in het geloof. Daar zit iets in. Toch staat de Heere daar ook boven. Ooit hoorde ik een zwaar beproefde vrouw de uitdrukking gebruiken: ‘De Heere meet de schouders van een mens voordat Hij er een kruis op legt.’ Zij onderstreepte deze uitdrukking op een indrukwekkende en ontroerende manier vanuit haar eigen levensgeschiedenis. Deze uitdrukking, die ik daarvoor nooit gehoord had, is een onderstreping van de 34
Schriftuurlijke waarheid dat de Heere nooit boven vermogen beproeft. Of, zoals Paulus schrijft in Filippenzen 4:13: ‘Ik vermag alle dingen door Christus Die mij kracht geeft.’ Het is goed om ons dat laatste te blijven realiseren, zeker wanneer iemand al lezende denkt: Zo sterk ben ik niet en zo’n sterk karakter heb ik niet … Petrus was een man met een sterk karakter en een sterk geloof. Dat blijkt wel wanneer hij overboord stapt en Jezus tegemoet loopt, Die over de golven naar hun schip wandelt. Maar het volgende ogenblik blijft er van dat sterke geloof niet veel over, wanneer hij op de golven let, begint hij te zinken en roept: ‘Heere, behoud mij!’ Niet voor niets noemt Jezus hem dan een ‘kleingelovige’. En hoezeer zijn sterke karakter Petrus in de weg kon staan, blijkt wel bij de verloochening van zijn Meester in het huis van Kajafas. En, om nog één voorbeeld te noemen, denk eens aan Thomas. Die kleingelovige, aarzelende discipel is zijn broeders ineens voor 35
met zijn belijdenis, wanneer hij de opgestane Heere ontmoet en uitroept: ‘Mijn Heere en mijn God!’ Geloof en karakter hebben dus met elkaar te maken. Maar het geloof is en blijft het werk van de Heilige Geest. Tot verootmoediging van de een en tot bemoediging van de ander zingt de psalm: ‘Het is Israëls God Die krachten geeft, van Wie het volk zijn sterkte heeft. Looft God, elk moet Hem vrezen!’
36