Eerste leerrede Voorzang: Psalm 42:3 en 5 Inleiding Men vindt onder degenen die in oprechtheid voor de Heere wensen te leven veel bedrukte en moedeloze mensen. En dat terwijl zij hun verlangen dikwijls, waar geen mensenoog hen ziet, voor God betuigen en het door daden bevestigen. Zij weten niet of zij de Heere wel in waarheid dienen, of zij wel door Jezus’ bloed gekocht of door Zijn Geest vernieuwd zijn. Zij zien nog zoveel bederf in zichzelf, hun begeerten naar de Heere zijn zo flauw, zij zijn zo traag in het gebed, zo harteloos in de liefde, zo zonder ijver in al hun doen. Kortom, zij zijn meestal neergebogen en vrezen om in de dag der dagen nog te zullen omkomen. Zij leven in twijfel over hun genadestaat en hebben gebrek aan de verzekering daarvan. Deze mensen noem ik, als zij in waarheid zodanig zijn, mijn oprechte vrienden en vriendinnen. En om hen tot nut en zegen te mogen zijn, heb ik, ook ter vervulling van een lang geleden gedane belofte, in mijn hart voorgenomen te spreken over de verzekering van het aandeel der gelovigen aan de genade. De Heere zegene dit werk! Tekst: 2 Timotheßs 1:12 midden. Want ik weet, Wien ik geloofd heb. Wat een betuiging: Want ik weet, Wien ik geloofd heb. Het is de taal van Paulus, te Rome gevangen. Hij schreef 9
dit aan zijn geestelijke zoon Timotheßs, die hij om belangrijke redenen liefhad en begeerde te zien. Hij wekte hem op om kloekmoedig uit te komen voor zijn Heere, Die zo’n groot heil voor zondaars had teweeggebracht. Hiertoe spoorde hij aan met zijn eigen voorbeeld. Dit deed hij door aan te tonen dat hij, vanwege zijn vrijmoedig uitkomen, reeds in lijden gesteld was, maar dat hij niet beschaamd werd. Geen wonder! Hij wist in Wie hij geloofd had en hij was ervan verzekerd dat Hij, in Wie hij geloofde, machtig was zijn pand bij Hem weggelegd, te bewaren tot die dag. Vervolgens laat hij nog vermaningen, onderwijzingen en zegenwensen in dit hoofdstuk volgen. Ik zal dan: I. kort de woorden behandelen; II. de voornaamste zaak voorstellen; III. met toepassing besluiten. Paulus getuigt dus dat hij wist in Wie hij geloofd had. De Persoon in Wie hij geloofd had en nog geloofde was Jezus Christus. In Handelingen 16 zei hij tot de stokbewaarder: Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis. Hij geloofde in Hem met een geloof des harten, dat werkzaam was in de liefde. Hij geloofde in Jezus als de waarachtige God en het eeuwige Leven, als de van God verordende en beloofde Messias. Jezus, de enige Naam onder de hemel door Welke hij zalig kon worden, de Weg, de Waarheid ten eeuwigen leven. Als zodanig had hij Jezus niet alleen leren kennen, maar ook leren eerbiedigen en aanbidden. Voor zijn hart had hij Jezus omhelsd, zoals Hij ons van God geworden is tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing (1 Kor. 10
1:30). Hij had Hem lief zijn geheel volgend leven, en als christen en als apostel was hij aan Jezus toegewijd. Het leven is mij Christus, kon hij schrijven aan de Filippenzen, en aan de Galaten: en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij. Ja, door dat geloof leefde hij en daardoor gesterkt, trotseerde hij alles, ja, zelfs de vreselijkste rampen. Door de kracht van dat geloof, waardoor hij alle dingen vermocht, werd hij bemoedigd en verblijd, zelfs in een kerker in banden. Hij wist zeker in Wie hij geloofde, aan Wie hij zich had verbonden, om Wiens Naam hij leed. Ja, hij wist ook door dat geloof, dat hij met een getrouwe Heere te doen had, Die hem niet beschaamd zou doen uitkomen. Die zijn pand bij Hem weggelegd wel zou bewaren, hoe het ook met hem mocht aflopen, al stierf hij de marteldood. Iemand zou kunnen vragen hoe Paulus zo verzekerd was en zo ruim kon spreken en zeggen: en ik ben verzekerd dat Hij machtig is mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot die dag (2 Tim. 1:12). Wat een ruim veld vond ik hier, wilde ik de bewijzen opgeven die Paulus ervoor had om zo te spreken. Hij wist dat hij tevoren in ongeloof en vijandschap tegen Jezus en Zijn zaak gewoed had. En hij wist wat er op de weg naar Damascus, waarheen hij reisde om Jezus’ vrienden te mishandelen, gebeurd was, toen die stem tot hem kwam: Saul, Saul! wat vervolgt gij Mij? En hij verbaasd riep: Wie zijt Gij, Heere? Toen het was: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt. Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan. Waarop hij riep: Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? (Hand. 9) Ja, naast dit bewijs had Paulus veel bewijzen, dat hij een uitverkoren vat was. Hij heeft de krachtigste bewijzen van Jezus’ liefde genoten. Hij is een krachtig voorstander van Jezus en Zijn zaak 11
geworden. Meer dan allen heeft hij gearbeid, ja, zwaar geleden, maar hij is ook tot zeldzame genietingen verwaardigd geworden. Kortom, is er ooit iemand op aarde geweest die met meer ruimte zeggen kon: Want ik weet, Wien ik geloofd heb! Het was zeker waar dat, Paulus zowel door de inwendige overtuigingen en gezindheden die in hem opgewekt waren - de vruchten van geloof, liefde, gehoorzaamheid, onderwerping, vertrouwen, blijdschap, zelfs onder de grootste smarten - als door uitwendige gebeurtenissen en bewijzen wist, dat Jezus zijn almachtige en getrouwe Heere was, Die hem redde of bewaarde of door hemelgezanten vertroostte. Paulus was ten volle gerust van zijn levendig geloof en zekere verwachting, dat hij niet beschaamd zou worden, maar dat hij zeker eeuwig de Heere zou prijzen. Ik ben echter niet van plan om deze tekst uitvoeriger voor u te ontvouwen. Mijn voornemen is om te spreken ter bemoediging van zulke oprechten van hart, die in een kwellende onzekerheid verkeren vanwege hun betrekking op God en het lot dat hen te wachten staat. Mijn doel is dan ook om met name over de verzekering des geloofs te spreken, om aan te wijzen: 1. dat een christen van zijn veranderde gemoedsgesteldheid en van zijn zaligheid verzekerd kan worden; 2. dat dit van groot belang voor hem is; 3. wat de weg is om tot die verzekering te komen; 4. te onderzoeken wat toch de oorzaken zijn dat zoveel oprechte, vrome mensen van hun zaligheid niet verzekerd zijn, en hoe die het beste kunnen worden weggenomen.
12