Skip to main content

jesajaebaf

Page 1

1

UZZIA, DOOR GOD GESTRAFT ‘Het gezicht van Jesaja, de zoon van Amoz, hetwelk hij zag over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia, de koningen van Juda.’ (Jes. 1:1) Lezen: 2 Koningen 15:1-5 2 Kronieken 26:16-23

‘Zo ging zijn naam tot verre toe uit’ Het is ongeveer 750 voor Christus. Het oude, stoffige centrum van Jeruzalem, gelegen in Juda, is altijd druk. Handelaren en kooplieden reizen af en aan om hun koopwaar aan de man te brengen. De stad van David bloeit. De heerlijke tijd van Salomo lijkt zich te herhalen in alle onderdelen van de samenleving. De regering van koning Azaria, ook wel Uzzia genaamd, heeft enorme voorspoed gegeven. Al vanaf zijn zestiende levensjaar zit Uzzia op de troon. Zijn troonsbestijging ging niet bepaald op de gebruikelijke manier. Uzzia’s vader, Amazia, is op listige wijze vermoord nadat hij uit Jeruzalem gevlucht was naar Lachis. Met paarden is hij teruggebracht en begraven in het koningsgraf. Toen zijn vader vluchtte naar Lachis hebben de inwoners van Jeruzalem hem, Uzzia, gekroond. Na zijn kroning heeft hij de stad weer versterkt door het bouwen van torens. Torens die onder de regering van zijn vader afge9


broken waren door koning Joas van Israël. Uzzia heeft nog veel meer gedaan. Zo heeft hij de Hoekpoort en de Dalpoort weer hersteld en er eveneens torens op gebouwd. Ook in de woestijn is druk gebouwd aan torens om nieuwe invallen van Filistijnen, Arabieren en Moren te beletten. Daarnaast is er hard gewerkt aan waterputten en aan landbouwgrond. (2 Kron. 26:10) Het leger is op volle sterkte geïnstalleerd en verschillende gevechtstechnieken zijn aangeleerd. De soldaten zijn door toedoen van Jeíël, de schrijver, en Maäséja, de ambtman, geschoold in het vechten met slingerstenen. (2 Kron. 26:11) Ja, je kunt met recht zeggen: koning Uzzia heeft het rijk weer opgebouwd. Dat vindt hij zelf ook. Van heinde en verre wordt zijn naam genoemd en geroemd. (2 Kron. 26:15) En dat heeft grote gevolgen. Gevolgen die nauwelijks te overzien zijn … ‘Het komt u niet toe, Uzzia’ Uit de geschiedenis van Uzzia blijkt dat mensen vaak hoogmoedig zijn. In Daniël 8 kun je lezen over het visioen van de ram en de geitenbok. Zinnebeeldig gaat het over het rijk van de Perzen en de Grieken. Van de Griekse koning Alexander de Grote staat: ‘En de geitenbok maakte zich uitermate groot; maar toen hij sterk geworden was, brak die grote hoorn.’ (Dan. 8:8) Volgens de geschiedschrijving vraagt Alexander de Grote zich op het hoogtepunt van zijn roem af of er toch niet meer werelden zijn om te veroveren. Kort daarna sterft hij in drie dagen aan malaria. Op zijn toppunt is een hoogmoedig mens vaak juist dicht bij zijn dieptepunt. Je kunt trouwens ook denken aan Nebukadnézar. Hij roept het uit, op het toppunt van zijn macht: ‘Is dit niet het grote Babel dat ik gebouwd heb?’ (Dan. 10


4:30) En als een triest antwoord klinkt het, terwijl de woorden nog in zijn mond zijn: ‘U, o koning, Nebukadnézar, wordt gezegd: Het koninkrijk is van u gegaan.’ (Dan. 4:31) Zo is het ook gegaan met koning Uzzia. Er kwam een moment dat hij in eigen ogen zo belangrijk geworden was. Waarom zou hij naast zijn koningschap ook niet de offerdienst op zich nemen? ‘Maar als hij sterk geworden was, verhief hij zijn hart tot verdervens toe, en hij overtrad tegen de HEERE zijn God.’ (2 Kron. 26:16) Zie je hem de tempelberg op klimmen? Statig en sierlijk loopt hij het machtige tempelcomplex binnen, eens gebouwd door Salomo. Hij loopt langs het brandofferaltaar en het enorme koperen wasvat, dat door twaalf runderen gedragen werd. Dan bestijgt hij de prachtige trappen naar boven, in de richting van het Heilige. Hogepriester Azaria schrikt als hij de gang van koning Uzzia opmerkt. Wat gaat de koning nu toch doen? Hij zal toch niet …? Haastig verzamelt hij tachtig priesters en loopt de koning achterna. Zijn bange vrees wordt werkelijkheid. Achter het reukaltaar staat de koning. De heiligheid van God tintelt in het hart van de hogepriester. Dit mag de koning niet doen. De priesters dringen om de koning heen. Er staat: ‘En zij wederstonden de koning Uzzia en zeiden hem: Het komt u niet toe, Uzzia.’ ‘Alzo was de koning Uzzia melaats tot aan de dag zijns doods’ Uzzia, met het wierookvat nog in zijn handen, trilt. De priesters en de hogepriester hebben hem bevolen uit de tempel te gaan. ‘Ga uit het heiligdom, want gij hebt overtreden.’ 11


Zijn hart wordt vervuld met boosheid en verbazing. Hoe durven zij hem uit de tempel te verdrijven? Woede maakt zich van hem meester. Buigen kan hij niet. Hij wil ook niet. En terwijl de drift in zijn hart omhoogkomt, daalt Gods oordeel neer op zijn hoofd. In de grondtaal staat: ‘God raakt de koning aan.’ ‘Als hij nu toornig werd tegen de priesters, rees de melaatsheid op aan zijn voorhoofd.’ (2 Kron. 26:19) En dan is het belangrijk hoe de Heilige Geest dit beschrijft: ‘Voor het aangezicht der priesters in het huis des HEEREN, van boven het reukaltaar.’ Weet je wat je daarin lezen kunt? Dat Uzzia publiekelijk gestraft wordt, dat hij direct gestraft wordt, en dat hij door God gestraft wordt.

Flavius Josephus is de schrijver van een boek over de geschiedenis van Israël. Hij vermeldt dat als Uzzia tegen­gestaan wordt en hij de priesters met de dood bedreigt, er een grote aardbeving plaatsvindt waardoor het dak van de tempel scheurt. Door de ontstane opening valt een lichtstraal op het gelaat van koning Uzzia, waarop de melaatsheid meteen zichtbaar wordt. De Joden menen dat dit de aardbeving geweest is waar de profeet Amos over geprofeteerd heeft. (Amos 1:1)

Zoals Adam door de Heere gestraft werd en buiten het paradijs werd gedreven om voortaan al de dagen van zijn leven buiten te staan, zo werd Uzzia gestraft en moest hij afgezonderd van de mensen wonen. ‘En melaats zijnde, woonde hij in een afgezonderd huis, want hij was van het huis des HEEREN afgesneden. Jotham nu, zijn zoon, was over het huis des konings, richtende het volk des lands.’ (2 Kron. 26:21) 12


Vragen 1. Noem uit 2 Kronieken 26 enkele bijzondere daden die koning Uzzia in zijn leven gedaan heeft. 2. Vergelijk het leven van Uzzia met zijn einde. Wat kun je daarvan leren? 3. Uzzia wilde misschien wel uit liefde offeren. Is het oordeel van de Heere niet te zwaar? 4. Wat heeft Gods rechtvaardigheid met de melaatsheid van Uzzia te maken? 5. Waarom lijken jij en ik van nature op Uzzia?

13


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook