Skip to main content

inelspeet

Page 1

1. Kleine kolonie Het boerenhuis ligt wat verscholen in een knik van de Kleine Kolonieweg. In de voortuin scharrelt Dirk van de Zande. Lange wandelingen zijn er voor hem niet meer bij. Zijn longweefsel is uitgerekt, door emfyseem. Daarom brengt hij de dagen in en rond de bescheiden boerenbedoening door, samen met zijn zussen Wijmpje en Eibertje. Het landbouwmaterieel in de open schuren op het erf illustreert de ontwikkeling op het Veluwse boerenland in de twintigste eeuw. Rieken en rijven raakten geleidelijk in onbruik, de houten kruiwagen maakte plaats voor een klein trekkertje. Joviaal nodigt de Elspeter me binnen, naar de woonkeuken met uitzicht op het weideland van de Kleine Kolonie. Kleine K’lunsj, zeiden de Elspeters. De naam herinnert aan de tijd dat het dorp een samenraapsel van buurtschappen was. De Kleine K’lunsj lag zo’n twee kilometer van de dorpskern vandaan, de Grote K’lunsj een kilometer. Verder was er weinig verschil. Arm hadden ze het hier allemaal. Hooguit was de een nog net iets armer dan de ander. Achter de keuken ligt de woonkamer, ‘de heerd’, maar daar zit het drietal nooit. Zelfs niet op zondag. In de woonkeuken hebben ze alles bij de hand, en er is plek genoeg. Dirk neemt plaats aan de keukentafel. Eibertje, die een paar jaar geleden werd getroffen door een beroerte, zit in een rookstoel naast de tafel. Wijmpje zorgt voor de koffie. Zittend voor het gasfornuis warmt ze de melk in een grijs gewolkt pannetje. Naast het fornuis staat een ouderwetse houtkachel met daarop de pannen voor de warme maaltijd. Sinds de jaren 50 lijkt de tijd hier te hebben stilgestaan.

9


Tussen uit hun krachten gegroeide lindebomen zijn de contouren van een vervallen boerderijtje te zien. ‘Daar zijn we geboren’, wijst Dirk. ‘Zelfs m’n vader is daar nog geboren. Zijn drie broers gingen de bouw in, maar vader had het daar na veertien dagen gezien. Hij wilde terug naar de boerderij.’ Met zes koeien, een paar varkens en wat kippen wist Hendrik van de Zande te overleven door hard te werken en zuinig aan te doen, want met de opbrengst van het beetje vee moesten acht monden worden gevoed. Samen met zijn Wijmpje kreeg hij zes kinderen: vier meisjes en twee jongens. De kleding voor de kinderen Van de Zande kwam nogal eens van Elspeters die het wat beter hadden. ‘Afdragers’, zegt Dirk. ‘Moet je nou eens in het dorp komen. Het is één en ál kleding! Je weet niet wat je ermee aan moet.’ Eten deden ze van de moestuin en van het varken dat in de herfst werd geslacht. Vooraf kwam de keurmeester. Als die het dier gezond had bevonden, werd de huisslachter besteld. De avond voordat die zijn werk kwam doen, haalde vader Hendrik of zoon Dirk bij een timmerman aan de Kleine Kolonieweg de slachtbak. Op een houten kruiwagen reden ze het gevaarte naar huis. ’s Morgens trok de Elspeetse keuterboer het varken aan de oren het hok uit. Het was of het dier zijn naderend einde aanvoelde. Nooit spartelde het heviger dan op de dag van de slacht. Eenmaal buiten was het vonnis snel voltrokken. ‘Meestal waren die slachters met z’n tweeën’, zegt Dirk. De een schoot het varken een pin door de kop, de ander sneed met een groot mes een slagader bij het hart open. Moeder Wijmpje had inmiddels honderd liter water aan de kook gebracht. Als het meeste bloed uit het dier was weggestroomd, werd het op z’n rug in de slachtbak gedeponeerd en met het kokende water overgoten.

10


Daardoor liet het stugge varkenshaar los. Nadat de varkenshuid met een ijzeren schrabber was gladgemaakt, bond de slachter het dier vast aan een ladder, die rechtop tegen een muur werd geplaatst. Vader Hendrik kreunde onder het gewicht ervan. Het ontzielde zwijn kon nu eenvoudig worden geopend en ontdaan van ingewanden. De andere dag kwamen de slachters opnieuw, om het varken te verwerken tot hammen en speklappen. Ingezouten ging het vlees in een pekelton. ‘Drie weken’, roept Eibertje. Niets van het dier ging verloren. Met een molentje draaiden de kinderen het vleesafval fijn; moeder propte het in de schoongemaakte darmen. De kop, de staart en de oren leverden hoofdkaas op, van de rest van het slachtafval werd balkenbrij gemaakt. Spek, hammen en worsten kwamen in de woonkamer aan plafondbalken te hangen. Tegen de tijd dat de laatste worst werd aangesneden, was het volgende varken rijp voor het mes. Dirk was zestien toen hij van school kwam en zijn vader ging helpen. Die kon nog wel wat spierkracht gebruiken. Alles gebeurde met de hand en de houten kruiwagen. ‘De natte mest in de grup haalden we eruit met de riek. Met elke zwaai kreeg je een f lodder over de handen. Of in het gezicht.’ ‘Och, dat viel nog wel mee’, relativeert Wijmpje. ‘Nee, dat viel niet mee’, ontkent Dirk, die behalve kortademig ook hardhorend is geworden. Via een oom kwam hij bij de firma Beekman in Uddel terecht. De datum weet hij nog exact: 19 maart 1956. Toen reed hij voor het eerst op zijn oude fiets naar de beroemde onderneming in het buurdorp. De kort ervoor overleden Gerbrand Beekman had zijn houtskoolbranderij uitgebouwd tot een van de grootste van West-Europa. Werknemers van Beekman

11


brandden de houtskool in het bos achter paleis Het Loo, nabij de Aardhuisweg. Nog altijd ziet de nu bejaarde Elspeter de meiler voor zich: een hoge stapel houtblokken, afgedekt met vochtige vossenbessenplaggen die hij had gestoken in de buurt van Wiesel. Werkvolk van Beekman gooide over het geheel een lading zand. In het midden werd een stopgat opengehouden, om de meiler te kunnen aansteken. De trekgaten aan de zijkant boden de houtskoolbrander de gelegenheid om het verkolingsproces bij te sturen. Wanneer de temperatuur onder de plaggen hoog genoeg was, sloot hij de luchtgaten, om te voorkomen dat het hout volledig verteerde. Na het ondergaan van de zon verspreidde de meiler z’n oranje gloed tot aan de Aardhuisweg. Voor passanten was het een sinister gezicht, die vuurbal in het duistere bos. Als de laatste vlammen waren gedoofd, wachtte de brander nog enkele dagen voordat hij de meiler opende om de houtskool te laten af koelen. Daarna werden de zwarte brokken afgevoerd naar de verwerkingsfabriek in Uddel. Later kwamen er retorten in het Aardgat te staan: grote ketels, waar het hout met shovels in werd gegooid. Die waren bedacht door Leen van Marion, de schoonzoon van Beekman die het bedrijf voortzette. De Uddelaars en Elspeters spraken over ‘de tonnen van Leen’. Dirk begon als manusje van alles. Een deel van de dag zat hij zakjes houtskool te vullen, de volgende morgen hielp hij mee met het laden van de vrachtwagen. Na het behalen van zijn rijbewijs klom hij op tot chauffeur. Soms keek hij met een schuin oog naar de dochters van Beekman: leuke meiden van zijn leeftijd. ‘Ik gaf ze weleens een knipoog, want ze trokken me.’ Bij een van de deerns leek de belangstelling wederzijds, maar de boerenjongen uit de Kleine Kolonie had niet de moed

12


haar te vragen. ‘Ik heb weleens gedacht: ik probeer het, maar die stand was me te hoog. Misschien zou ze ja hebben gezegd, maar ik zat met dat gevoel, begrijp je. Ik durfde het niet aan.’ Omdat de ouderlijke woning steeds bouwvalliger werd, liet vader Hendrik in 1964 honderd meter verderop een nieuw huis zetten. Door boerenzuinigheid had hij zelfs wat weten te sparen. Willem, Gerritje en Hennie kwamen tot een huwelijk, Eibertje, Dirk en Wijmpje junior niet. Eibertje ondersteunde thuis haar moeder in de huishouding. ’s Morgens en ’s middags hielp ze haar vader bij het melken. Terwijl elders in het dorp de melkmachine zijn intrede deed, bleven Hendrik van de Zande en zijn dochter met de hand melken. Op een klein krukje zat Eibertje twee keer daags onder de koeien aan de spenen te trekken: dag na dag, week na week, jaar na jaar. Dirk verdiende inmiddels de kost op een oude Amerikaanse vrachtwagen uit de Tweede Wereldoorlog, die voorzien was van een lier. Daarmee bracht hij bomen vanuit het bos naar de zagerij van Beekman. ‘Ik reed naar de Hoge Duvel, naar Niersen, naar Gortel …’ Zijn wereld werd nog veel groter toen zijn baas hem vroeg de klanten te gaan bedienen. Eerst als bijrijder, later zelfstandig, met een oude Bedford, afgeladen met duizenden zakjes houtskool. ‘De kolenboeren verkochten die bij de kolen; hun klanten konden er mooi de haard mee aanmaken. Ik reed met mijn voorraad door heel Nederland.’ In zijn stem klinkt heimwee naar deze jaren door. Het ging zo mooi met de houtskool, tot de ontdekking van een gigantische aardgasbel bij Slochteren roet in het eten gooide. Het duurde even voor het land van een aardgasnet was voorzien, maar toen ging het ook hollend achteruit met de kolen en de bijbehorende houtskool. Keer op keer lieten kolenboeren hem

13


weten dat hij niet meer hoefde te komen, omdat ze het bijltje erbij neergooiden. Tegen het aardgas viel niet op te boksen. ‘Dat gas was voor ons een ramp, jongen’, zegt Dirk. ‘Een rámp!’ De opkomst van de barbecue bood tijdelijk soelaas. Een nieuwe generatie Nederlanders, die de armoede was ontgroeid, vond het leuk om zo nu en dan weer even primitief te leven. Bivakkeren in een tent of kokkerellen in de buitenlucht, op een grill met een vuur eronder. Grootwinkelbedrijven speelden op de nieuwe trend in. ‘De baas was daar geweldig blij mee’, zegt Dirk. ‘Hij kon nu aan de Hema en Albert Heijn gaan leveren.’ Ook de staalfabrieken in België kregen belangstelling voor de houtskool van Beekman. Het transport werd uitbesteed, omdat het niet meer te behappen was voor het vrachtwagentje van Dirk. Die kreeg nu een truck met een containerbak, voor het vervoer van afvalhout van de zagerij naar de branderij. In 1985 werd hij ontslagen. ‘Er was voor mij geen werk meer.’ Met een ontheemd gevoel verliet de Elspeter de houtskoolbranderij in Uddel. Sollicitaties bij bedrijven in omringende dorpen leverden niets op. Het was op advies van vader Hendrik, die gebrekkig begon te worden, dat hij besloot een punt te zetten achter het solliciteren. Aan de Kleine Kolonieweg ging hij Eibertje ondersteunen. ‘Ik hoor het m’n vader nóg zeggen: “Jongen, je bent niet getrouwd, je kunt zo mee-eten uit de pot.” Dat was ook zo.’ Wijmpje, die jarenlang de schuur met mestkuikens onder haar hoede had, was via een vriendin aan een baantje bij ‘de rijkdom’ gekomen. Dertig jaar lang werkte ze een paar dagen per week bij de familie Waller, in het grote huis op landgoed Ullerberg bij Leuvenum. In 1920 was het aangekocht door dr. ir. François Gerard Waller, president-directeur van de Koninklijke Neder-

14


landsche Gist- en Spiritusfabriek in Delft. Na zijn dood bleef het landhuis voor de familie als zomerhuis fungeren. Vanuit de Kleine Kolonie overbrugde Wijmpje op haar fiets de afstand naar de andere wereld: een wereld van gepoetst zilver en servetten die bij het tafellaken moesten passen. Het geschenk dat ze bij haar afscheid kreeg, een wandbord met een af beelding van het landhuis, gaf ze een ereplaats in de keuken. ‘Ze vonden het heel jammer dat ik ermee stopte. Ik heb nog steeds contact met oudere leden van de familie. Die komen regelmatig bij ons op bezoek.’ Gedrieën verzorgden de vrijgezelle Van de Zandes vader Hendrik. De laatste jaren was de hoogbejaarde keuterboer dement, maar op de grond waar hij zijn leven lang had gewoond en gewerkt, kon hij zich zelfs toen nog aardig redden. Tot bijna de laatste dag wilde hij zichzelf scheren en zijn brood klaarmaken. ‘Hij heeft maar een goeie week op bed gelegen’, zegt Wijmpje. ‘Toen is hij gestorven.’ De overleden Elspeter lag opgebaard in zijn eigen slaapkamer, op de begane grond. Buren, familie en wat gemeenteleden kwamen aan huis condoleren. Wieberdink regelde vanzelfsprekend de begrafenis. In het stukje weiland achter het huis grazen nog altijd een paar koeien. Gemolken worden ze niet. ‘We kunnen niet meer’, laat Eibertje verdrietig weten. Door de dieren niet te laten kalven, droogden de uiers vanzelf op. In de winter staat het vee op de deel, onder hetzelfde dak als de gezinsleden. Of dat komende winter weer zo zal zijn, weet Dirk niet. Hij vreest het ergste. ‘We bouwen af ’, zegt Wijmpje. ‘We kúnnen niet meer.’ ‘Ik réd het niet meer’, bevestigt Dirk, happend naar adem. ‘Als we het mogen beleven, is het leven nog maar even.’ Zijn kwaal is niet alleen het gevolg van alle sigaretten die hij rookte, maar ook van het werk bij de smokende houtskool.

15


‘Die stapels rookten zo hevig dat de urine me weleens ontging van benauwdheid. Als daar een dokter bij had gestaan, had hij gezegd: “Dit kan niet, dit is geen leven.” Maar daar werd toen niet naar gevraagd.’ Bij het klimmen van de jaren komt het verleden steeds sterker terug. Het oude boerderijtje houdt de herinneringen levend. ‘Als je trouwt, ga je je ouderlijk huisje verlaten en bouw je iets nieuws op’, filosofeert Dirk. ‘Dan heb je je gedachten bij je vrouw, je kinderen, noem maar op, maar voor ons liggen heel veel herinneringen in dat huisje. Daarom laten we het gewoon staan.’ Op kaplaarzen gaat hij me voor over het gras achter het huis. Van nabij is pas goed te zien hoe klein en bouwvallig de oude hoeve is. Aan de ene kant staat nog de buitenplee, aan de andere kant het bakhuisje. Tussen de glaspieken in de sponningen hebben spinnen hun web geweven. Achter de gammele deur ligt de ‘goot’, het hokje waar het kroost de klompen stalde en het serviesgoed van moeder op planken stond. Op de grond ligt een riek met een steel van eikenhout en afgesleten ijzeren tanden. ‘Van het wérken, jong’, zegt Dirk. In het woonkamertje valt het zonlicht rechtstreeks naar binnen door de gaten in het dak, langs balken en spanten. ‘Kijk, daar hingen de hammen en de worsten’, wijst Dirk. Op de deel, pal achter de woonkamer, stond het vee. Of de koeien loeiden, waterden of een vlaai lieten vallen, alle geluiden drongen door tot in de verste uithoeken van het huis. ‘Ik was erbij toen mijn vader deze spijker in de muur sloeg’, zegt Dirk. ‘En hier zat ik als een koe moest kalven, bij het licht van een stallantaarn. Elektrisch licht hadden we niet.’ De zinken teil in een hoek van de deel was ooit in gebruik als badkuip.

16


‘Als ik ’s avonds vuil en berookt bij Beekman vandaan kwam, waste ik me daarin. Was ik te moe, dan deed ik het een beetje provisorisch en ging ik met een schone overall over mijn lijf naar bed.’ Met trage pas stapt de bejaarde Elspeter weer naar buiten. Hij is met gedempte stem gaan spreken, alsof hij bang is afgeluisterd te worden. ‘Ik moet je wat laten zien. Mijn vader zat in militaire dienst in Asperen. Op zondag ging hij daar naar de kerk; zo was hij opgevoed. In die kerk leerde hij Van Ooijen kennen. Die nodigde hem op de koffie. De laatste zoon van Van Ooijen heette Anton. Die jongen is een keer op de fiets helemaal uit Asperen hiernaartoe komen rijden. Toen hij achter het huis liep, zag hij dat broers van mijn vader met een scherp voorwerp hun initialen in de muur hadden gekerfd, met de datum erbij. Hij dacht: dat ga ik ook doen. Kijk maar: AvO 1940. Toen was die jongen veertien jaar oud. Later heb ik mijn initialen erbij gezet, in 1953.’ Op een zaterdag, vader Hendrik leefde nog, liep een onbekende man het erf op. Het was Anton van Ooijen, die benieuwd was of zijn naam nog in de steen van het boerderijtje stond. ‘Snap je nou waarom we dit niet af breken?’ vraagt Dirk. ‘Dan zijn ook die herinneringen weg. Ginder stond de schuur voor het peerd. ’s Avonds ging ik soms met mijn vader mee, om het te voeren. Omdat ik bang was in het donker, hield ik goed zijn hand vast. Op een avond zakte hij in die stal op de knieën. Wat hij bad weet ik niet, maar dat beeld raak ik nooit meer kwijt. Met het paard naast hem lag mijn vader daar op de knieën. Of hij nu boven juicht, weet ik niet. Dat bent dingen die verborgen zijn. Maar vergeten doe je het niet.’

17


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook