Skip to main content

indevolheidvandetijdea

Page 1

Galaten 4:1-71 Lieve broeders, zolang de erfgenaam jong is, is er geen onderscheid tussen hem en een knecht, hoewel hij een heer is van alle goederen, maar hij is onder de voogden en verzorgers tot de tijd die door de vader bepaald is. Zo is het ook met ons: toen wij jong waren, waren wij knechten, dienend onder de elementen van deze wereld. Toen echter de vervulling van de tijd gekomen is, heeft God Zijn Zoon gezonden, geworden uit een vrouw en gesteld onder de wet, opdat Hij degenen die onder de wet waren, verlossen zou, opdat wij het genadevolle kindschap zouden ontvangen. Omdat u dan nu Gods kinderen bent, heeft God de Geest van Zijn Zoon gezonden in uw harten, Die daar roept: Abba, lieve Vader. Daarom is er nu geen knecht meer, maar zijn er louter kinderen; en als het kinderen zijn, zijn het ook erfgenamen van God door Christus.

1.  In deze uitgave is voor citaten uit de Bijbel de vertaling gevolgd die Luther in dit boekje gaf.

12


Alleen het geloof rechtvaardigt Deze perikoop is een echt paulinische passage. Daarom wordt ze door velen ook niet begrepen. Niet omdat ze zo duister en moeilijk is, maar omdat de leer van het geloof helemaal uit de wereld verdwenen is. En zonder die leer is het onmogelijk om Paulus te begrijpen. Hij hamert immers in al zijn brieven voortdurend op het geloof. Om deze perikoop te kunnen begrijpen, moeten we er daarom een heel aantal woorden aan wijden. En om er zo duidelijk mogelijk tegen u over te kunnen spreken, zullen we bij wijze van inleiding eerst het volgende zeggen: Het is nodig te weten dat er onderscheid is tussen de leer van de goede werken en de leer van de rechtvaardiging, net zoals het wezen of de persoon iets anders is dan het doen of de werken. Nu behoort de rechtvaardiging tot de persoon en niet tot het werk. Want niet de werken worden gerechtvaardigd, zalig, veroordeeld of verdoemd, maar de persoon. Dan is ook duidelijk dat niet het werk de persoon rechtvaardigt, maar dat de persoon eerst zonder enig werk door iets anders rechtvaardig moet worden. Zo zegt Mozes in Ge13


nesis 4:4: ‘God zag Abel en zijn offer aan.’ Eerst zag Hij de persoon van Abel aan en daarna het offer. Hij nam eerst de persoon aan, die vroom, oprecht en aangenaam was, daarna ook het offer omwille van de persoon. Hij nam niet omwille van het offer de persoon aan. ‘Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan.’ (Gen. 4:5) Ook bij Kaïn zag Hij eerst de persoon niet aan en vervolgens het offer niet. Uit deze tekst kan geconcludeerd worden dat het niet mogelijk is dat een werk goed is voor God, tenzij de persoon eerst goed en aangenaam is. Omgekeerd is het ook niet mogelijk dat een werk verkeerd is voor God, tenzij de persoon eerst verkeerd en onaangenaam is. Dat is voor deze keer genoeg. De conclusie is, dat er twee soorten goede werken zijn: goede werken vóór de rechtvaardiging en goede werken ná de rechtvaardiging. Die van voor de rechtvaardiging hebben slechts de schijn van goed te zijn en hebben geen nut, maar die op de rechtvaardiging volgen, zijn echt goed. Kijk, dat is de strijd tussen God en de hovaardige heiligen. De natuur verzet zich uit alle macht tegen de Heilige Geest. Dat vind je in de hele Schrift terug. God besluit in de Schrift dat alle werken vóór de rechtvaardiging verkeerd en nutteloos zijn. Hij wil dat eerst de persoon rechtvaardig en goed is. 14


Ten tweede besluit Hij dat alle mensen die nog in de natuur en de eerste geboorte zijn, onrechtvaardig en boos zijn, zoals in Psalm 116:11 staat: ‘Alle mensen zijn leugenaars.’ En in Genesis 6:5 staat: ‘Het hart van de mens is altijd geneigd tot het kwade.’ Daarom is hij niet in staat om goede werken te doen. De goede werken die hij toch doet, zijn enkel kaïnswerken. Dan komt die lelijke oude Vrouwe Verstand naar voren, de natuur. Zij durft het aan om haar God op grove wijze tegen te spreken en Hem te berispen. Ze trekt haar oude rommel aan, dat harnas van stro: het licht van de natuur, het verstand, de vrije wil, de natuurlijke kracht, vervolgens de heidense boeken en de leer van mensen. Dan begint ze haar liedje te zingen: ‘De werken vóór de rechtvaardiging zijn ook goed. Dat zijn geen kaïnswerken, zoals God zegt. Ze zijn zo goed, dat de persoon daardoor rechtvaardig wordt. Want Aristoteles heeft dit geleerd: wie veel goede daden verricht, wordt daardoor goed.’ Daar houdt ze aan vast en zo verdraait ze de Schrift. Ze denkt dat God eerst naar de werken moet kijken en pas daarna naar de persoon. Deze duivelse leer regeert tegenwoordig in alle universiteiten, seminaries en kloosters. Het zijn allemaal kaïnsheiligen, die God niet aanneemt. 15


In de tweede plaats: omdat zij haar betrouwen enkel op de werken stelt en de persoon en de rechtvaardiging geringacht, gaat ze door en schrijft ze ook aan de werken na de rechtvaardiging alle verdienste en de voornaamste gerechtigheid toe. Ze zegt: ‘Het geloof is niets zonder de werken, zoals Jakobus zegt.’ (Jak. 2:17) Omdat ze deze tekst niet op de juiste wijze begrijpt, acht ze het geloof gering en blijft ze aan de werken hangen. Zo wil ze God vleien, zodat omwille van die werken ook de persoon aangenaam is voor Hem. En zo strijden die twee onophoudelijk tegen elkaar. Als God de persoon aanziet, ziet Kaïn het werk aan. Als God het werk wil belonen omwille van de persoon, wil Kaïn de persoon gekroond hebben omwille van het werk. Als God niet van recht en gerechtigheid afwijkt, laat jonker Kaïn zich ook niet van zijn dwalingen overtuigen. Van het begin tot aan het einde van de wereld zien we dat zijn goede werken niet afgekeurd mogen worden. Zijn verstand mag niet als niets geacht worden, zijn vrije wil mag niet als ongeschikt beoordeeld worden, anders is hij boos op God en slaat hij zijn broer Abel dood, wat we dan ook talloze malen in de geschiedenis tegenkomen. Nu vraagt u misschien: Wat moet ik dan doen? 16


Hoe wordt mijn persoon eerst goed en aangenaam? Hoe valt deze rechtvaardiging mij ten deel? Dan antwoordt het Evangelie: U moet naar Christus luisteren en in Hem geloven. U moet eenvoudig aan uzelf wanhopen en bedenken dat u van een KaĂŻn een Abel moet worden en dan uw offer offeren. Dit geloof, zonder enig werk van uzelf, wordt zoals het zonder uw verdienste gepredikt is, ook zonder uw verdienste uit louter genade geschonken. Kijk, dat rechtvaardigt de persoon en is ook zelf de rechtvaardiging. Aan dit geloof schenkt God vergeving van alle zonden, inclusief de hele Adam en KaĂŻn, omwille van Zijn lieve Zoon Christus, Wiens Naam in dit geloof is. Daarbij schenkt Hij aan dit geloof ook Zijn Heilige Geest, Die de persoon anders maakt en in een nieuwe mens verandert. Hierdoor krijgt deze persoon een ander verstand en een andere wil, die geneigd is tot het goede. Deze persoon, waar ze ook is, doet louter goede werken en wat ze doet, is goed, zoals in een eerdere preek gezegd is. Daarom behoort er niets tot de rechtvaardiging dan luisteren en in Jezus Christus als onze Zaligmaker geloven. Dat behoort echter allebei niet tot de natuur, maar tot het werk van de genade. Wie echter meent met werken zover te komen, die hindert het Evangelie, 17


het geloof, de genade, Christus, God, alles. Omgekeerd behoort er niets tot de goede werken dan de rechtvaardiging (want wie rechtvaardig is, doet goed en verder niemand, en alles wat hij, gerechtvaardigd, doet, is goed, zonder enig onderscheid van de werken). Het begin, het vervolg en de orde van de zaligheid van de mens is dus dit: het eerste, vóór al het andere, is het horen van Gods Woord. Dan volgt het geloof, dan het werk en zo het zalig worden. Wie deze orde omdraait of verandert, die is zeker niet uit God. Deze orde beschrijft Paulus in Romeinen 10:13-15 zo: ‘Allen die Gods Naam aanroepen, worden zalig. Hoe kunnen ze Hem echter aanroepen als ze niet eerst geloven? Hoe kunnen ze echter geloven als ze niet eerst horen? Hoe kunnen ze echter horen als er niet gepredikt wordt? Hoe kunnen ze echter prediken als ze niet gezonden zijn?’ Daarom leert Christus ons: Wij moeten de Vader bidden dat Hij arbeiders uitzendt in Zijn oogst, dat wil zeggen, ware predikers. (Matth. 9:38, Luk. 10:2) Als zij komen, prediken ze het echte Woord van God. Als men dat hoort, kan men geloven. Dat geloof maakt de persoon rechtvaardig en vroom, dat roept God aan en doet louter het goede, zo wordt de mens dan zalig. Er staat: Wie gelooft, wordt zalig. Omge18


keerd: Wie werkt zonder geloof, wordt verdoemd. (Mar. 16:16) Zoals Christus zegt: Wie niet gelooft, wordt verdoemd, daar helpen geen werken. Kijk nu eens naar wat de mensen in het algemeen zeggen en doen. Ze zeggen gewoonlijk: Hé, ik wil vroom worden. Hé, je moet vroom zijn, enzovoorts. Maar wat gebeurt er als je hun vraagt: Beste mensen, op welke manier kun je vroom worden en blijven? Dan zeggen ze: Nou, je moet bidden, vasten, naar de kerk gaan, de zonde laten, enzovoorts. En zo wordt de een een kartuizer monnik, een ander sluit zich bij een andere orde aan. De een wordt priester, een ander trekt een haren zak aan, weer een ander geselt zichzelf. De een kwelt zich op de ene manier, de ander op de andere manier. Kijk, dat zijn louter Kaïns en kaïnswerken. Want de personen blijven hetzelfde als eerst. Er is geen sprake van rechtvaardiging, maar enkel van een uiterlijke verandering in werken, kleding, plaats en manier van doen. Het zijn gewoon apen; ze nemen een heilige manier van doen aan en zijn toch niet heilig. Ze denken niet aan het geloof, ze menen slechts met hun goede werken en hun zelfkwellingen op de hemel aan te stormen. Over hen zegt Christus in het Evangelie: ‘Denk eraan dat u ingaat door de enge poort. Want Ik zeg u: Velen 19


zullen zoeken in te gaan en zullen het niet kunnen.’ (Luk. 13:24) Maar waarom dan niet? Omdat ze niet weten wat de enge poort is: dat is het geloof, dat de mens klein, ja, helemaal tot niets maakt, zodat hij aan al zijn werken moet wanhopen en het enkel en alleen van Gods genade moet verwachten en ook alle andere dingen moet loslaten. De kaïnsheiligen denken echter dat de goede werken de enge poort zijn. Daarom worden ze niet klein. Ze wanhopen niet aan zichzelf. Ze verzamelen juist grote zakken vol goede werken, behangen zich ermee en willen zo door de poort. En ze zullen er net zo moeilijk doorgaan als de kameel die met die grote bulten op zijn rug door het oog van de naald wil. (Matth. 19:24, Mar. 10:25, Luk. 18:25) Wanneer je nu deze mensen over het geloof vertelt, gaan ze spotten en lachen. Ze vragen of ze soms als heidenen en moslims beschouwd worden, omdat ze nog moeten leren wat het geloof is. Er zijn zoveel monniken, nonnen en priesters en dan het geloof niet kennen? Wie weet er nou niet wat we moeten geloven? Dat weten toch zelfs de openlijke zondaren? Daarom, alsof ze genoeg geloof hadden, menen ze dat het verder aankomt op de werken. Ze achten het geloof (zoals ik gezegd heb) heel gering, want ze kennen het niet en 20


weten ook niet op welke manier alleen het geloof rechtvaardigt. Geloof noemen ze het feit dat ze van Christus gehoord hebben en alles als waar beschouwen, zoals de duivelen ook geloven en er toch niet vroom door worden. (Jak. 2:19) Maar dat is geen christelijk geloof. Het is zelfs meer een waanvoorstelling dan een geloof. In eerdere preken hebben we genoegzaam gehoord dat het niet genoeg is voor een mens dat hij, als hij een christen wil zijn, gelooft dat het allemaal waar is wat over Christus gezegd is. Dat is het geloof van de kaĂŻnsheiligen. Nee, hij moet er niet aan twijfelen of onzeker over zijn dat hij een van degenen is aan wie deze genade en barmhartigheid geschonken is en dat hij ze door de doop of het avondmaal zeker verkregen heeft. Als hij dat nu gelooft, moet hij vrijmoedig van zichzelf zeggen dat hij heilig, vroom, rechtvaardig en Gods kind is. En zonder enige twijfel zeker van de zaligheid zijn, niet uit hemzelf of vanwege zijn verdienste en werk, maar uit louter barmhartigheid van God, die in Christus over hem is uitgegoten. Deze barmhartigheid acht hij zo groot, wat ze ook daadwerkelijk is, dat hij er niet aan twijfelt dat ze hem heilig en tot een kind van God maakt. En als hij eraan twijfelde, zou hij zijn doop en avondmaal de hoogste oneer aan21


doen en Gods woord en genade in de sacramenten ontkennen. Want hij moet hier niet vrezen, noch eraan twijfelen of hij uit genade vroom is en een kind van God, maar alleen vrees en zorg hebben over hoe hij daarin zal volharden tot aan het einde, waarin alleen alle moeilijkheid en zorg bestaat. Want de hele zaligheid is er zonder enige twijfel. Maar onzeker en twijfelachtig is of hij volhardt en de genade behoudt; daarvoor moet men in vreze wandelen. Want zulk geloof beroemt zich niet op werken of op zichzelf, maar alleen op God en Zijn genade. En die kan en wil hem ook niet verlaten, zolang het roemen aanhoudt. Maar hoelang het zal duren, weet hij niet; als een aanvechting hem ertoe brengt dat het roemen stopt, komt er ook een einde aan de genade. Dat is het wat Salomo bedoelt in Prediker 9:1: ‘De rechtvaardigen en hun werken zijn in Gods hand.’ Desondanks wordt alles hem toekomstig in onzekerheid gesteld, zodat de mens niet weet of hij genade of ongenade waardig is. Hij zegt niet dat het op dit moment onzeker is, maar in het toekomende. De mens weet immers niet of hij bestand zal zijn tegen de krachten van de aanvechting. Als de Kaïns van dit geloof horen, slaan ze haastig een kruis en zeggen ze: God beware me, moet ik 22


zeggen dat ik heilig en vroom ben? Hoe kan ik nou zo hoogmoedig en vermetel zijn? Nee, nee, ik ben een arme zondaar. Kijk, zo verachten ze dit geloof en beschouwen deze leer als ketterij. En daarmee wordt het hele Evangelie tenietgedaan. Dat zijn de mensen die het christelijk geloof verloochenen en uit de hele wereld verdrijven. Over hen heeft Paulus geprofeteerd toen hij zei in 1 Timotheüs 4:1: ‘In de laatste dagen zullen velen van het geloof afvallen.’ Want dit geloof wordt tegenwoordig in de hele wereld doodgezwegen, ja, als de ergste ketterij veroordeeld en verbannen met allen die het leren en eraan vasthouden. De paus, bisschoppen, seminaries, kloosters en universiteiten zijn er nu al zo’n vierhonderd jaar eensgezind tegen en hebben niets anders gedaan dan de hele wereld met geweld naar de hel te jagen. Dat is werkelijk de vervolging door de antichrist. Als je echter tegen hen zegt: Hé, maar in Psalm 86:2 zegt de profeet toch: ‘Heere, bewaar mij, want ik ben heilig’ en in Romeinen 8:16 zegt Paulus: ‘Gods Geest geeft getuigenis aan onze geest, dat wij kinderen van God zijn’, dan antwoorden zij: Ja, de profeet en apostel bedoelen dat niet als leer of voorbeeld. Nee, Paulus is verlicht geweest. Hem is geopenbaard dat hij heilig was. Zo ontkrachten ze alle Schriftplaat23


sen die daarover gaan. Volgens hen zijn dat geen leerstellingen, maar een paar uitzonderlijke wonderen en voorrechten, die niet alle gelovigen toekomen. Deze uitleg is echter aan hun eigen brein ontsproten. Want omdat zij niet geloven noch de Geest smaken, menen ze dat ook niemand anders dit mag geloven of smaken. Daarmee wordt in het openbaar uit hun vruchten duidelijk dat ze doornen en distelen zijn, geen christenen, maar vijanden en verwoesters van alle christenen, en vervolgers van het christelijk geloof. Omgekeerd houdt hun geloof in dat ze menen door hun werken vroom en heilig te worden. Ze denken dat God hen om hun werken zalig moet maken. Kijk nou, het zou christelijk zijn dat ze door hun werken vroom worden, maar door Gods genade vroom zijn en worden, wordt als ketters beschouwd. Hun werken zijn, doen en kunnen volgens hen meer dan Gods genade. Hun geloof kan op zich op werken beroemen. Op Gods genade wil het zich niet beroemen. En omdat ze de rots verachten, bouwen ze op het zand. Omdat ze het niet van Gods genade verwachten en God een dienst willen bewijzen, komen ze ten val in hun werken en kwellen ze zich dood, tot eer van de duivel. Dat is allemaal hun eigen schuld. Want al24


len die het christelijk geloof hebben, moeten daardoor in God en Zijn genade vrolijk en vol vrede zijn. Door dit geloof krijgen ze ook een begeerte om goede werken te doen. Geen goede werken zoals bidden en een pij aantrekken, zoals de KaĂŻns doen, maar werken die nuttig en goed zijn voor de naaste, zoals ik in een eerdere preek gezegd heb. Ja, ze worden vrolijk en bereidwillig om alles te lijden, want ze twijfelen er niet aan dat God met hen is en ze in Gods genade begrepen zijn. Dat zijn de mensen die nuttig en oprecht zijn voor God en de mensen. Omgekeerd zijn de kaĂŻnsheiligen noch nuttig voor de wereld, noch voor henzelf, ja, ze zijn slechts een nutteloze last op de aarde, zichzelf en iedereen tot schade. Want omdat zij dit geloof niet hebben, zijn ze niet tot nut of eer van God. Daarom doen ze ook geen van de werken waarvan de naaste aan lichaam, goed, eer of ziel nut mocht ontvangen. Het zijn immers louter eigen werken, die bepaalde gedragingen, kleding, heilige plaatsen, getijden en eten betreffen. Zeg mij, wat helpt het mij dat u een tonsuur of een habijt hebt? Wie heeft er baat bij dat u een dag vast, een bepaalde dag viert, bepaald voedsel niet eet, u als kluizenaar laat opsluiten, elke dag een aantal woorden leest en murmelt? Daarmee doet u niets meer dan uzelf 25


kwellen ten bate van de duivel en iedereen het verkeerde voorbeeld geven om deze manier van leven na te volgen alsof ze goed is, terwijl er niets christelijks aan is. U gelooft immers niet christelijk. Daarom bidt u ook niet christelijk. Daarom is uw vasten geen kastijding van het lichaam zoals het hoort, maar slechts bedoeld als een goed werk. Zo’n leven is kortom niets anders dan de afgoderij van Baäl en Moloch eertijds bij de Joden, die ook ter ere van de duivel hun kinderen martelden, doodden en verbrandden.

26


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook