1. Bij mijn moeder Het is zaterdag. Het is avond. En ik zit op schoot. Bij een meisje. Ze heet Anna. En ik ‌ ik ben een bruin katje met zwarte streepjes. Een tijgerkat noemen mensen dat. We zijn niet alleen in de kamer. Nee hoor, er zitten hier veel meer mensen. Het is heel gezellig. Ik wil hier wel altijd blijven. Maar stil eens ‌ Ik hoor wat. Er komt een auto aan. Max, onze hond, hoort het ook. Hij kruipt onder de bank.
11
Dat doet hij altijd als er mensen komen. Dat is toch raar? Hij moet waken. Ik kruip niet weg. Ik ga juist rechtop zitten. Ik ben niet bang voor mensen. Ik vind mensen juist leuk. ‘Daar heb je ze’, zegt Anna. ‘Nu gaat hij weg.’ Wie zou Anna bedoelen? Mij niet. Ze duwt mij dicht tegen zich aan. Ze wil mij echt niet kwijt. Ze vindt me veel te lief. De deur gaat open. Er komen twee mensen binnen. Een meisje en een man. ‘Ik ben Sara’, zegt het meisje.
12
‘En dit is mijn vader.’ Nu is er nog meer bezoek. Het wordt steeds gezelliger. De mensen praten met elkaar. Laat ze maar doen. Ik ga slapen. Maar wat is dat? Ik hoor een stem. En ik voel een hand. De hand aait over mijn kop. Heel zacht. Heel fijn. Ik kijk omhoog. Daar staat het meisje. Ze kijkt me lief aan. ‘Oh, hij kijkt naar mij’, zegt ze. ‘Mag ik hem even hebben?’ ‘Ja’, zegt Anna. Ze zegt het niet blij.
13
Maar ze geeft mij wel aan het meisje. Hoe heet dat meisje ook alweer? Ik weet het niet meer. Even denken ... O ja, Sara. Sara neemt mij van Anna over. ‘Wat een lief katje’, zegt ze.
14
‘Echt een dikkerdje. En wat een mooi kopje heeft hij.’ Ze aait me steeds over mijn kop. En over mijn rug. Wat fijn is dat! Prrrrrrrrr, snor ik. ‘Mag ik zijn moeder ook zien?’ vraagt Sara. ‘Ja, dat mag’, zegt Anna. Sara legt me op de bank. Dan lopen Anna en Sara naar buiten. De vader van Sara gaat ook mee. Een poosje later komen ze terug. ‘Ik wil het katje graag hebben’, zegt Sara. Ze kriebelt mij in mijn nek. Heerlijk is dat! Sara is echt een schat. Ik wil wel met haar mee. Maar wat zal Anna ervan vinden? Anna houdt ook veel van mij.
15
En ik van haar. ‘Het mag’, zegt Anna. Er is wel een bibber in haar stem. Nu ga ik weg. Net als mijn broertjes en zusjes. Dat is fijn en naar. Fijn, omdat ik Sara lief vind. En naar, omdat ik bij Anna weg moet. En ik niet bij mijn moeder kan blijven. Nu drink ik altijd warme melk bij mijn moeder. Dat kan dan niet meer. Maar ik ben ook al negen weken. Dat is best groot. Dan hoef je niet alleen melk te drinken. Maar je mag ook brokjes eten. Ik lust graag brokjes. Die zijn zo lekker. Ik kijk nog een keer naar Anna en snor:
16
Prrrrrrrrr ‌ Prrrrrrrrr ‌ prrrrrrrrrr ... Dan gaan we in de auto. Ik mag voorin. Bij Sara op schoot. Nu kan ik alles zien. Kijk, daar loopt mijn moeder. Dat is een lieve lappenkat. Mieuww, mieuww, piep ik hees. Dag mam. Mieuww, mieuww, mieuww, mieuww. Dag lieve schat. De vader van Sara rijdt in de auto. Hij kan goed rijden. Hij rijdt wel een beetje hard. Maar Sara houdt mij stevig vast. En ze doet zo leuk tegen mij. Daarom blijf ik rustig zitten. Waar zou ik naartoe gaan?
17
Een jong katje noem je een kitten. Jonge katjes moeten acht weken bij hun moeder blijven. Hun moeder leert hun dan van alles.
Jonge katjes kunnen dan ook lang bij hun moeder drinken. Moedermelk is goed voor hun darmen.
18