Hoofdstuk 1
‘Hé, Margreet! Loop niet zo hard! Zie je me niet?’ Met een ruk stond Margreet stil. Verbaasd keek ze rond. Drommen mensen haastten zich door de brede paden van het warenhuis. Allemaal gezichten, die in een eindeloze stroom langs wiegden. Je voelde je opgenomen in die stroom, voortgeduwd, als in de branding, wanneer een nieuwe golf je elke keer weer verder naar de kant bracht. Als je in de branding probeerde te blijven staan, als je niet meeliep in de richting van de golfbeweging, wanneer het water breeduit op het strand spatte, voelde je die druk nog heviger. Zo ook nu. Ze stond hier wel dwaas, zo midden in het pad. Vlug schoof ze naar de kant, negeerde een paar zure opmerkingen. Opnieuw keek ze rond. Het was één wriemelende mensenmassa; ze zou hier wel een uur kunnen blijven staan om al die verschillende gezichten te bekijken. Elk gezicht had weer een andere uitdrukking, waarachter een eigen verhaal schuilging. Ieder mens had toch zo zijn eigen geschiedenis. Maar waar was die bekende stem toch ineens vandaan gekomen? Een stem die onverwacht haar naam had genoemd in al dat lawaai en gegons, waardoor de blèrende muziek in ieder geval op de achtergrond raakte? Toen, ineens, zag ze iemand die ook moeite had om zich uit die grote stroom los te maken. ‘Nel! Waar kom jij ineens vandaan!’ ‘Hè hè, je ziet me dan toch eindelijk’, lachte Nel terwijl ze de laatste meters naar Margreet probeerde te overbruggen. ‘Oei!
7
Wat is het druk vandaag. Wat doen al die mensen hier toch’, pufte ze toen ze eindelijk naast Margreet stond, vastgedrukt tegen een glazen vitrine vol geglinster. ‘Het lijkt wel of heel Nederland hier aan het winkelen is. Zouden ze het hier voor niets krijgen?’ ‘Hetzelfde kunnen die mensen ook aan ons vragen’, grinnikte Margreet. ‘Wat leuk, Nel, je hier zo ineens te zien. Ik hoorde je wel roepen, maar ik zag je eerst helemaal niet.’ ‘Geen wonder’, pufte Nel terwijl ze over de deinende hoofdenmassa heen keek. ‘Kom Margreet, het is me hier te benauwd. Ik heb je gevonden en ik laat je zomaar niet gaan. Laten we even gezellig ergens gaan zitten en bijpraten. Of heb je geen tijd?’ ‘Ik was net van plan naar de bus te gaan’, zei Margreet. ‘Niet omdat ik geen tijd meer had, maar omdat ik klaar was en die drukte een beetje zat begon te worden.’ ‘Goed’, knikte Nel tevreden. ‘Laten we dan een plekje zoeken waar we tenminste fatsoenlijk kunnen praten, zonder al te veel geschreeuw en geduw. Ik weet wel een leuk restaurantje vlakbij. Ik trakteer. Goed? Volg me dan!’ Met een geamuseerde blik in haar donkere ogen nam ze eerst even de brede, massieve stroom mensen in zich op terwijl ze zich afvroeg waar ze zich er het beste in kon storten. Met een wenk naar Margreet waagde ze het erop en in een verbazingwekkend korte tijd was ze bij een van de uitgangen, met Margreet achter zich. Buiten haalden de meisjes opgelucht adem. Het restaurantje was ook vol, maar gelukkig vonden ze in een verre hoek nog een vrij tafeltje met twee stoelen. Met een zucht liet Margreet zich neervallen. Ze begon hard te lachen. ‘O Nel!’ proestte ze.
8
‘Wat is er?’ vroeg Nel, die al heel rustig de menukaart zat te bestuderen. ‘Lachkriebels?’ ‘Je bent nog steeds dezelfde onverstoorbare Nel’, lachte Margreet. ‘Je had jezelf moeten zien: je stevende rechttoe rechtaan, als een generaal, op je doel af: de buitendeur. En iedereen leek wel voor je aan de kant te gaan.’ ‘Ik was toch niet onbeleefd?’ vroeg Nel een beetje verschrikt. Margreet schudde haar hoofd. ‘Wees daar maar niet bang voor. Maar als je dit in Canada had gedaan, had je wel bij elke stap ‘excuse me’ moeten zeggen.’ ‘Maar goed dat ik dan heel gewoon in Holland woon’, zei Nel nuchter. ‘Kom op, Margreet, daar komt een serveerster aan. Wat moet ik voor je bestellen?’ ‘Wat te drinken, graag.’ ‘Goed. Wat te drinken ... ik zal het zeggen ...’ zei Nel grinnikend. ‘Nog een lekkere koek?’ ‘Wel ...’, aarzelde Margreet. ‘We zijn geen arme scholieren meer, Margreet.’ ‘Nee, dat weet ik. Mag ik het dan aan jou overlaten?’ Nel knikte tevreden. ‘Dat klinkt me goed in de oren.’ Ze gaf de bestelling door aan het meisje en keek toen met een diepe zucht om zich heen. ‘Hè, het is hier toch beter dan in die volgepakte winkels. Wat had jij daar eigenlijk te zoeken, Margreet?’ Ze keek naar de volgeladen tas, die Margreet onder de stoel had gezet. ‘Hetzelfde kan ik aan jou vragen’, lachte Margreet. ‘Ja, je hebt gelijk’, grinnikte Nel, die ook een paar plastic tassen naast zich had staan. ‘Och, je kent dat wel: een paar adver-
9
tenties, een paar aanbiedingen en toen dacht ik dat ik toch echt wel een paar dingen nodig had. Ook voor de toekomst. Vroeger gingen meisjes al aan hun uitzet werken als ze veertien of vijftien waren, slopen en lakens borduren en zo, je weet wel. Maar daar heb ik mezelf nog nooit toe kunnen zetten. Maar ja, er zijn wel andere dingen ...’ Ze keek dromerig uit het raam. Margreet zat haar even op te nemen. Ze dacht aan het nieuws dat Willie een keer mee naar huis had gebracht: ‘Meneer De Haan heeft verkering, want ze hebben hem gearmd zien lopen met een donkere verpleegster.’ Ze had het wel een interessant nieuwtje gevonden, maar had er verder niet over nagedacht. En nu zat ze tegenover die donkere verpleegster. ‘Hoe is het met meneer De Haan?’ vroeg Margreet. Nel schoot in de lach. ‘O Margreet, wat klinkt me dat gek in de oren. Wel te begrijpen natuurlijk. Hij is vijf jaar onze leraar geweest. Maar je zult echt nog wel eens wat over Marco horen, want hij heeft je zusje in de klas. Een leuk kind, geloof ik. Lijkt ze op jou?’ ‘Bedankt voor je compliment’, grinnikte Margreet. ‘Maar ik neem aan dat je dan ook wel eens wat van men ... hmm ... je vriend over school zult horen.’ Nel schudde haar hoofd. ‘Probeer nu maar gewoon Marco te zeggen, Margreet. Dat is veel aardiger. Je zult ons nog wel eens tegenkomen. Wat zeg je dan? Nel en meneer? Leuke combinatie. Ik ben van plan je ook voor onze verloving uit te nodigen. Kijk niet zo verschrikt. Dat duurt nog even hoor. Met Kerst. Leuk hè?’ Margreet knikte. Het overweldigde haar een beetje. Meneer De Haan was altijd een favoriete leraar geweest bij de meis-
10
jes van hun klas. Een halfjaar na het eindexamen, toen ze als groep nog een keer bij elkaar waren, had Nel plotseling verteld dat zij en meneer De Haan erg goed bevriend waren. Dat had heel wat opschudding gegeven, dat herinnerde Margreet zich nog wel. Op school hadden ze er ook nooit wat van gemerkt. Nel had er verder ook niets over verteld, had alleen heel fijnzinnig gezegd dat ‘Marco netjes gewacht had totdat zij door het eindexamen was’. Nel was altijd de verstandigste geweest van hun groepje, wist Margreet. Ze leek ook altijd wat ouder, bedachtzamer. ‘Dat komt, omdat ik alleen bij grote mensen ben opgegroeid’, had Nel wel eens gezegd. Ze was enig kind, had dus nooit kunnen kibbelen of iets geks uit kunnen halen met broertjes of zusjes. ‘Een cent voor je gedachten, Margreet’, hoorde ze Nel ineens zeggen. ‘Kom even naar de werkelijkheid terug, dan drinken we wat.’ Er werd een blad op hun tafeltje gezet. ‘O Nel, roomsoezen!’ zei Margreet. ‘Dat ziet er goed uit! Bedankt.’ ‘Proef eerst maar, voor je bedankt’, zei Nel. ‘We hoeven nu geen dubbeltjes meer bij elkaar te zoeken voor een gevulde koek. Weet je nog?’ Ze grinnikte. ‘Maar waar zat je zo-even met je gedachten, Margreet? Je zag me niet eens meer. Gelukkig hebben de roomsoezen je weer naar de aarde teruggebracht.’ ‘Ik was even terug op school’, lachte Margreet. ‘Dat kwam door jouw, eh ... Marco, hoor.’ ‘Goed Margreet, je leert het al aardig. Ja ...’ Nel roerde met een rietje in het grote glas, de ijsklontjes tinkelden zacht. ‘We hadden best een leuke groep.’ ‘Behalve die tijd toen Elizabeth er was ...’
11
‘Betsie bedoel je ... o die ... Och, dat was eigenlijk maar een zielig figuur.’ ‘Ik snap nog niet hoe ik me zo door haar heb kunnen laten inpalmen.’ Margreet kreeg er weer een kleur van, toen ze eraan dacht. ‘We moeten allemaal door schade en schande leren’, zei Nel. ‘Ze was op zich niet zo kwaad. Maar haar omstandigheden thuis wilde ze compenseren, anders kan ik het niet zien. Daar maak je je toch niet meer druk om, Margreet? Ik heb nooit meer iets van haar gehoord. Gek, ik had verder geen contact met haar, maar toch zou je dan wel eens willen weten hoe het verder met iemand is afgelopen.’ Margreet haalde de schouders op. ‘Soms komen er zo veel herinneringen. Vooral als je weer met iemand van school praat. En dan Tineke ...’ ‘Ja, Tineke ...’ Nu was Nel ook even stil. ‘Toch heeft dat ook een aparte band gegeven in ons groepje, denk ik. Vind je niet?’ Ze keek Margreet vragend aan. ‘We hebben dat samen meegemaakt. Het was toch wel iets bijzonders ...’ Margreet knikte. Tineke ... ja, als ze daarover dacht ... Tineke was altijd haar speciale vriendin geweest. Al vanaf de lagere school. Toen, op de havo, kreeg ze die vreselijke ziekte: kanker ... Wat was ze dapper geweest. Maar ook, wat was ze in de nood gekomen toen ze wist dat ze sterven moest. Gelukkig, ze mochten geloven dat Tineke had kunnen sterven. Dat maakte toch zo’n groot verschil. En Rik ... Hij had haar toen nog meegenomen om afscheid van Tineke te nemen. Hij was ook de eerste geweest die haar weer gebeld had, na de begrafenis ... ‘Margreet, je zit alweer te mijmeren’, zei Nel. ‘Waar zit je nu weer? Ik zie aan je gezicht dat de liefde in het spel is.’
12
Margreet kreeg een kleur. ‘Jij ziet ook alles’, zei ze en keek Nel beschuldigend aan. ‘Zie je wel’, knikte die tevreden, ‘ik merkte het aan je. Je keek zo anders dan toen op die avond bij mij thuis. Biecht op, Margreet. Wie is het?’ ‘Rik.’ ‘Rik Verhoog? De broer van Tineke? O, geen wonder dat de naam Tineke je in hoger sferen bracht.’ ‘Nou Nel, toe nou.’ ‘Ik plaag je niet, Margreet, maar ik herinner me dat je die avond met een paar woorden zei dat je in Canada een heel nare ervaring hebt gehad met een jongen die nergens aan deed. Dat heb ik toch goed onthouden? Nou, dan ben ik dubbel blij dat het nu anders is. Rik lijkt me aardig, hij gaat naar dezelfde kerk, nou, dat is heel belangrijk. Als je samen niet kunt praten over alles, als er grote verschillen zijn ... Ik kan me eerlijk gezegd niet voorstellen wat dat is, maar het lijkt me dat het in de toekomst alleen maar grote moeilijkheden geeft. Hoe lang, eh ... nee, dat mag ik niet vragen. Maar ik verwacht jullie wel allebei op onze verloving hoor. Kan ik hem meteen een beetje beter leren kennen.’ ‘Wanneer is jullie verloving?’ ‘Met Kerst, Margreet, dat vertelde ik je al. Marco is al zesentwintig, we kennen elkaar al een aantal jaren, dus hij wil niet zo lang wachten. Vandaar dat ik zo af en toe al wat aan het kopen ben.’ Ze keek eens naar de plastic tassen. ‘Maar ik maak mijn verpleegstersopleiding wel af, hoor. Eerder trouw ik niet. En dat vindt Marco ook heel begrijpelijk. Ik ben niet iemand om straks de hele dag alleen in een huisje te gaan zitten. Je weet natuurlijk nooit ...’
13
Nu hakkelde Nel even ... ‘Hé’, zei ze toen, ‘je moeder verwachtte toch een baby? Ik heb er nooit meer iets van gehoord.’ Margreet keek haar aan. Het leek of Nel van de hak op de tak sprong, maar Margreet kon die overgang feilloos volgen. ‘Ik had je moeten bellen’, antwoordde ze een beetje beschaamd. ‘Helemaal vergeten, joh. Eerlijk waar. Maar ik heb een schat van een broertje gekregen. Hij is nu al een maand.’ ‘Ik kom een keer kijken’, zei Nel. ‘Jongens, dat lijkt me toch leuk, weer zo’n baby in huis.’ ‘Is het ook’, beaamde Margreet. ‘Eerst vond ik het idee niet zo leuk hoor’, zei ze eerlijk. ‘Wij waren al niet zo klein meer natuurlijk en mijn moeder was niet zo jong. Je bent altijd bang dat er dan iets niet in orde is. Maar gelukkig is alles heel goed gegaan.’ ‘Jij hebt toch al die tijd thuis geholpen?’ Margreet knikte. ‘Ja, maar niet de hele week hoor. Ik heb ook wel wat anders gedaan. Maar nu ga ik in een kindertehuis werken.’ ‘O ja, ik weet nog dat je zo enthousiast was over dat tehuis in Canada’, knikte Nel. ‘Heb je al een baan?’ ‘Ik heb in drie plaatsen gesolliciteerd. Bij twee ervan ben ik zelfs al op bezoek geweest, die stuurden direct een uitnodiging. Die eerste leek me niets. Het was wel vlakbij, nog geen uur reistijd, op zich is dat natuurlijk wel aanlokkelijk. Maar nee, die directeur kwam zo akelig over, zo koud en zakelijk, helemaal niet sympathiek. En van het tehuis zelf en de kinderen heb ik amper wat gezien. Maar dat tweede tehuis, dat was precies het tegenovergestelde. Ze hebben daar een directrice, een heel moederlijk, sympathiek iemand, ze liet me alles zien en net gisteren kreeg ik bericht dat ik daar kan komen.’ ‘Leuk! Waar is het?’
14
‘Ja, het is wel een beetje ver, helemaal in de Achterhoek. Met de bus en de trein kost het me wel vier uur om er te komen. Het is echt een uithoek.’ ‘Dan kun je zeker niet elke zondag naar huis komen?’ ‘Dat zou toch niet kunnen, want om de andere zondag moet ik werken. Dat gaat daar door, net als in een ziekenhuis. Maar ja, het is wel ver ... Ik heb er nog niet zo over nagedacht. Misschien één keer in de zes weken of zo ...’ ‘Nou, dan zou ik toch maar eens beginnen daarover na te denken’, zei Nel. ‘Eén keer in de zes weken ... Margreet! Zou je dat uit kunnen houden? Wat vindt Rik daarvan?’ ‘Rik?’ Aarzelend keek Margreet naar Nel. ‘Ja natuurlijk, als je een vriend hebt, zul je ook met hem rekening moeten leren houden.’ Margreet wist even niet wat ze zeggen moest. Natuurlijk ... Rik. Ze had hem nog niet gebeld om te vertellen dat ze in dat tehuis een baan kon krijgen. Ze had gedacht dat ze dat zelf beslissen moest. Maar nee, Nel had gelijk. Ze was veel te veel op zichzelf altijd. Ze moest dit eerst met Rik bespreken. Dit ging haar niet alleen aan. Wat dom eigenlijk dat een ander haar dit vertellen moest. Ze kreeg er een kleur van. ‘Wanneer moet je beslissen?’ vroeg Nel. ‘Ze vroegen om met een week antwoord te geven.’ ‘O, dan heb je nog zes dagen. En heb je van die derde sollicitatie nooit iets gehoord?’ Margreet schudde haar hoofd. ‘Vreemd’, zei Nel. ‘Waar was dat?’ ‘Ook niet zo ver. Het is vlak bij Utrecht.’
15
‘En Rik studeert in Utrecht, heeft Tineke me wel eens verteld’, zei Nel. ‘Tsjonge, dat zou ideaal zijn! Als ik jou was, zou ik daar nog maar eens informeren.’ Margreet zei even niets. Als ze aan dat gezellige tehuis in de Achterhoek dacht ... Nel kon gemakkelijk praten. Ze hoefde zich toch ook niet ineens in alles aan Rik aan te gaan passen, dacht ze even een beetje koppig. Maar deze gevoelens gingen vlug voorbij. Nel meende het goed, het was een verstandige meid en ze had in dit halfuur al heel wat van haar geleerd ... Nel had wel gezien hoe haar gezicht even verdonkerde. Ze glimlachte, pakte de rekening en zei: ‘Uitgepraat, Margreet? Of heb je nog meer op je hart?’ ‘Ik zou nog wel uren door kunnen praten’, bekende Margreet. ‘Ik vind het zo leuk dat ik je even heb gezien, Nel. Er komen zo veel dingen terug, van school en zo ... We zouden dit eens vaker moeten doen.’ ‘Het is voor herhaling vatbaar’, beaamde Nel. ‘Maar ik heb Marco ook nog, zie je. En dan nog mijn werk, mijn studie en mijn ouders. Die willen me toch ook nog graag een poosje verwennen, voordat ik het huis uitga. Soms denk ik dat ik voor alles twee keer zo veel tijd zou moeten hebben.’ Ze zuchtte. ‘Kom op, Margreet. Kijk niet zo verschrikt op je horloge, want ik breng je thuis. Je bent mijn gast, dus dat hoort er dan ook bij. Het is maar een kippeneindje naar dat dorp van jullie, al doet de bus er bijna een uur over.’ ‘Heb je een auto?’ vroeg Margreet verrast. Nel lachte een beetje verlegen. ‘Och ja, als je enig kind bent ... M’n vader wilde me nog eens een beetje verwennen, zie je.’ Nel had haar auto vlakbij staan, op een grote parkeerplaats. Het was een klein, rood wagentje.
16
‘Sinds wanneer heb jij je rijbewijs?’ vroeg Margreet. Tsjonge, wat een leuk karretje! Voordat zij zo’n ding bij elkaar gespaard zou hebben! Dan zou het ook niet moeilijk zijn om die baan in de Achterhoek te nemen ... ‘Direct, toen ik van school af was’, zei Nel terwijl ze startte en van de parkeerplaats af reed. Ze wachtte even, het was druk en ze had alle aandacht nodig om op de juiste rijbaan te komen. Al gauw lieten ze de stadsdrukte achter zich. ‘Ik denk dat ik het ook maar eens gauw ga leren’, zei Margreet. ‘Maar ja, ik zal eerst wat moeten verdienen.’ Nel zei niet veel meer. Met een flinke vaart zoefden ze over de smalle polderweg naar het dorp waar Margreet woonde. ‘Ik neem de brug maar’, zei ze, ‘dat gaat toch sneller.’ ‘Jammer’, lachte Margreet, ‘hadden we Jansen nog eens kunnen zien, hè? Maar misschien moeten we wachten, hè? En de pont is misschien vol, hè?’ Nel schudde lachend het hoofd. ‘O o, Margreet. We lijken vanmiddag net twee oude dametjes, die alle jeugdherinneringen ophalen als ze bij elkaar zijn.’ ‘Dat krijg je als je ouder wordt’, zei Margreet ernstig. Nel proestte. ‘Hou op, Margreet. Ik moet op die kronkeldijk recht sturen.’ ‘Alsjeblieft niet’, deed Margreet verschrikt. ‘Die dijk heeft bochten, Nel. Hier kun je niet recht sturen.’ ‘Ben je altijd zo ad rem Margreet? Hè hè, we zijn er. Zeg, ik ga even mee om je nieuwe broertje te zien hoor. Dat is toch wel goed? Anders komt er weer niets van.’ ‘Natuurlijk’, knikte Margreet. Jammer dat ze zelf niet even op dat idee was gekomen. Het was leuker geweest als ze zelf spontaan die uitnodiging had gedaan. Wat dat betreft was ze
17
maar een suffie. Ze dacht te weinig aan anderen, bedacht ze een beetje beschaamd. Nel was niet bij de wieg weg te slaan en ze wachtte net zolang tot moeder lachend vroeg of ze de kleine jongen even vast wilde houden. ‘Daar stond ik nu net op te wachten, mevrouw’, zei Nel eerlijk. Vertederd zat ze met de baby op schoot. De kleine Marien lag, met zijn donkere ogen wijd open, Nel strak aan te kijken. ‘Het lijkt wel of hij even moet bestuderen wat voor vlees hij in de kuip heeft’, zei Nel. ‘Oei, wat een ernstige, onderzoekende blik.’ Maar dat duurde niet lang. ‘Ha! Nu lacht hij. Ik ben goedgekeurd’, grinnikte ze. ‘Hallo vent!’ Margreet keek intussen of er post was. ‘Op de trap ligt wat voor je’, zei moeder. Margreet ritste de envelop al open. ‘Nou zeg!’ zei ze beduusd. Ze keek Nel aan. ‘Nu krijg ik toch nog een uitnodiging van dat derde tehuis; daar hadden we het vanmiddag net over, weet je wel? Ze schrijven dat ze door omstandigheden een beetje laat zijn, maar dat ze toch nog graag een gesprek met me willen hebben. Ze vragen of ik kan bellen voor een afspraak, als ik intussen nog niet iets anders heb aangenomen.’ ‘Nou, dan weet je wat je doen kunt.’ ‘Ja, maar ik moet binnen een week dat andere een antwoord geven!’ ‘Dan vraag je een paar dagen uitstel’, zei Nel nuchter. ‘Kom vent’, zei ze toen tegen de baby, ‘ik moet weer naar huis.’ Ze gaf de kleine jongen aan zijn moeder. ‘Het is een schat, mevrouw’, zei ze hartgrondig. Toen het rode wagentje was weggereden, vroeg moeder: ‘Wat is er met die brief, Gré?’
18
Margreets gezicht betrok. Ze stond op het punt te zeggen: ‘Niets bijzonders, dat zoek ik verder zelf wel uit.’ Ze hield het net op tijd binnen. Weer fout ... ‘Nog een uitnodiging van een kindertehuis’, zei ze toen. ‘Maar ik weet nog niet of ik ga hoor. Ik kan in dat andere komen, dus ...’ ‘Dit is zeker wel dichterbij?’ Margreet haalde de schouders op. ‘Ik zal nog wel eens zien’, mompelde ze terwijl ze met haar plastic zakken naar de trap liep. Ze zag moeder staan. ‘O ja.’ Ze kwam weer terug. ‘Moet u eens zien wat ik gekocht heb. Het was allemaal afgeprijsd ... En druk dat het was! Nel zag me ineens en riep me. Zodoende kwam ik gemakkelijk thuis.’ Moeder bewonderde haar aankopen. ‘Leuk’, zei ze. ‘Je zult straks wel wat extra’s kunnen gebruiken.’
19