1. Gods doel met beproevingen Zingen: Psalm 46:1 Schriftlezing: Jakobus 1:1-17 Zingen: Psalm 56:1 en 4 Zingen: Psalm 94:8 en 10 Zingen: Psalm 138:4
De tekstwoorden waarbij we u met de hulp des Heeren een ogenblik willen bepalen, kunt u vinden in het u voorgelezen Schriftgedeelte, Jakobus 1 de verzen 2 en 3, waar we Gods Woord en de tekstwoorden aldus lezen: Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt; wetende dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt. Schrijven we boven onze tekstwoorden: Gods doel met beproevingen. Letten we met de hulp des Heeren op drie gedachten: 1. De zwaarte daarvan; 2. De vreugde daarover; 3. De zegen daardoor. Onze tekstwoorden bepalen ons dus bij Gods doel met de beproevingen. 1. De zwaarte daarvan. In het tweede gedeelte van vers 2 wordt gesproken over ‘velerlei verzoekingen’. 2. De vreugde daarover. Aan het begin van vers 2 lezen we: ‘Acht het voor grote vreugde, mijn broeders.’
13
3. De zegen daardoor. Vers 3 luidt: ‘Wetende dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt.’ 1. De zwaarte daarvan Onze tekstwoorden zijn genomen uit de eerste algemene zendbrief van de apostel Jakobus. Een brief die in de geschiedenis van de kerk nog weleens onder vuur gelegen heeft. We kennen misschien allemaal wel de uitdrukking van Maarten Luther, die de brief van Jakobus ‘een brief van stro’ noemde, oftewel een brief van weinig waarde. Later is Luther de waarde van deze brief wel gaan inzien, want hij citeert er ook vaak met instemming uit. We moeten de brief van Jakobus recht verstaan. Het is niet zo dat Jakobus het Evangelie van vrije genade tegenspreekt. Integendeel. Hij schrijft echter vooral over de noodzakelijke levensheiliging. Paulus legt in de Romeinenbrief de nadruk op de rechtvaardigmaking, Jakobus legt de nadruk op de heiligmaking. En beide zijn noodzakelijk. Vanaf het begin is deze brief van Jakobus tot de canon van de Heilige Schrift gerekend. De brief is dus geschreven door Jakobus. Er zijn in de Bijbel wel vier mensen te vinden met de naam Jakobus. Welke Jakobus is de schrijver van de brief? Het gaat over Jakobus, de broeder des Heeren. Hij was dus ook een zoon van Jozef en Maria. In het boek Handelingen komen we deze Jakobus verschillende keren tegen als een van de belangrijke leidslieden van de gemeente in Jeruzalem. De apostel Paulus noemt hem in Galaten 2:9 als een ‘pilaar’ van de kerk. Deze Jakobus heeft dus veel mogen betekenen. Hij schrijft zijn brief aan de twaalf stammen. We kunnen dat lezen in vers 1: ‘Jakobus, een dienstknecht van God en van de Heere Jezus Christus, aan de twaalf stammen die in de verstrooiing zijn: Zaligheid.’ Twaalf stammen … Daaraan kunnen we zien dat hij zich richt tot de Joden. Het gaat over de christenen uit de Joden, uit de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn. Ze leven niet allemaal meer in Kanaän, maar door verdrukking 14
en vervolging zijn de christenen verstrooid geworden in de verschillende landen rond de Middellandse Zee. Jakobus noemt hen in onze tekst ‘broeders’. Het zijn niet alleen broeders naar het vlees, maar hij bedoelt hier ook de broeders in de geest. Dat zijn mensen met wie hij een geestelijke band mag hebben. Het is een brief die gericht is aan de kerk van alle tijden en plaatsen. Jakobus schrijft niet zozeer over de leerstukken. Wellicht omdat daar nog weinig strijd over was. Hij schrijft wel over het leven, over de levensheiliging. En dat punt blijft altijd actueel. De twaalf stammen in de verstrooiing leefden in een goddeloze wereld. Hoe blijft men onder die omstandigheden staande? Hoe dient de praktijk van het christelijke leven te zijn in het leven van alledag? Ook als we leven in een geseculariseerde wereld? Dát is het belangrijke onderwerp waarover Jakobus schrijft. Deze brief is daarom nog uiterst actueel. Want dezelfde vragen die toen leefden, leven ook nu. Dezelfde lessen die toen nodig waren, zijn ook nu nodig. Kohlbrugge noemt Jakobus een goede geneesheer, die niets in de wond laat zitten wat nadelig is voor de patiënt. Het gaat in onze tekst over ‘verzoekingen’. Eigenlijk noemt Jakobus alle bijzondere omstandigheden waar deze verstrooide christenen mee in aanraking komen ‘verzoekingen’. Met dat ene woord vat hij alles samen. Het Griekse woord ‘peirasmos’ dat hier gebruikt wordt, kan twee dingen betekenen. Jakobus bedoelt ook duidelijk twee dingen. Peirasmos kan betekenen ‘verzoekingen’ zoals het hier vertaald is. Het kan ook betekenen ‘beproevingen’. Dezelfde omstandigheden kunnen soms zowel een verzoeking als een beproeving zijn. De duivel verzoekt mensen. Het is zijn bedoeling om mensen tot zonde te verleiden. Om hen bijvoorbeeld in opstand te brengen tegen God. De duivel is een heel listige verzoeker. Hij kent de zwakke punten van mensen. Hij weet ook het juiste tijdstip af te wachten en de juiste omstandigheden te benutten om mensen te laten struikelen. 15
Hij doet niets liever dan dat. Dat is in het paradijs al begonnen. De grote verzoeker heeft gebruikgemaakt van de slang om Eva te verleiden, en hij gaat nog altijd door met dat boze werk. Maar … alle verzoekingen van de duivel vinden plaats onder Gods toelating! De Heere kan de verzoekingen namelijk ook tegenhouden. Hij kan de duivel weren. Soms laat Hij de duivel tot op zekere hoogte zijn gang gaan, om mensen te beproeven. Dat is de tweede betekenis van het woord ‘peirasmos’. De duivel verzoekt mensen om hen tot zonde te verleiden, maar de Heere beproeft mensen met een goede bedoeling. Hij doet het om Zijn werk te verdiepen en om met Zijn werk te pronken. God verzoekt geen mensen in de verkeerde zin van het woord. Jakobus zegt ook in vers 13: ‘Niemand, als hij verzocht wordt, zegge: Ik word van God verzocht. Want God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand.’ De Heere heeft geen kwade bedoeling. ‘Alle goede gave en alle volmaakte gift is van boven, van de Vader der lichten afkomende.’ Maar de Heere kan het kwade wel gebruiken in Zijn goddelijke regering om mensen te beproeven. Hij kan het gebruiken zoals een smeltkroes nodig is om het goud te louteren en te zuiveren van het schuim. Goud heeft loutering nodig. Zonder het louteringsproces zal het goud geen zuiver goud worden. De Heere weet ook dat het werk van Zijn genade loutering en het vuur der beproeving nodig heeft. Zó wil de Heere Zijn kinderen kronen en Zijn eigen werk verheerlijken. Alle omstandigheden die de verstrooide stammen moesten meemaken, waren dus verzoekingen en beproevingen onder Zijn toelating. Het Griekse woord voor verzoeking betekent letterlijk ‘doorboring’. Wanneer we willen nagaan of een houten vat leeg is óf dat er nog iets in zit, kunnen we er een gaatje in boren. Zit er nog vloeistof in? Dan komt deze door het gaatje naar buiten. Komt er niets uit, dan is het vat leeg. ‘Doorboring’ wordt gebruikt om te kijken of ergens iets in zit. Welnu, zo gebruikt de Heere de 16
beproeving om te kijken wat er in óns zit en wat er uit ons komt. We mogen het woord voor verzoeking ook vertalen met ‘proefsteen’. Dat is een steen waarop het goud gelegd wordt om het te keuren en te toetsen of het wel echt is. Er kan immers ook sprake zijn van iets wat op goud lijkt. Om te weten of iets echt goud is, moeten we nagaan of het voldoet aan de eigenschappen van goud. Welnu, zo zijn de verzoekingen en de beproevingen voor deze verstrooide stammen. ‘Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt.’ Het woord ‘velerlei’ hoeft hier niet te betekenen ‘heel veel’, maar het betekent eigenlijk ‘veelsoortig’. Het gaat over allerlei verzoekingen. Ongetwijfeld zijn de verstrooide christenen ook met allerlei verzoekingen in aanraking gekomen. Ze zijn geminacht. Sommigen zijn in armoede gekomen omdat ze geen werk konden vinden. Anderen werden voortdurend onteerd en veracht door de omgeving. Weer anderen kregen te maken met ziekten omdat ze misschien niet de juiste verzorging konden krijgen. Ze stonden aan allerlei lijden en tegenspoed bloot. Wat kan er al niet zijn! Er zijn velerlei verzoekingen. Soms is het ene net voorbij en het andere staat alweer voor de deur. Er kan sprake zijn van lijden op lichamelijk gebied, op psychisch gebied, maar ook op sociaal of maatschappelijk gebied. Er kan heel wat aan de hand zijn. En de druk kan dan heel zwaar en groot zijn. Toch zegt Jakobus: ‘Acht het voor grote vreugde (…) wanneer gij in velerlei verzoekingen valt.’ Het woord ‘vallen’ is hier veelzeggend. Het gaat hier om verzoekingen die van buitenaf komen. Het werkwoord dat hier voor ‘vallen’ gebruikt wordt roept het beeld op van rovers. Hetzelfde woord komen we namelijk tegen in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Die man werd door rovers neergeslagen. Zij sloegen van buitenaf met veel geweld op hem in. Zo is het ook met deze verzoekingen die hier bedoeld worden. Het gaat hier niet om de verzoekingen van binnenuit, 17
maar om wat van buitenaf op ons afkomt en wat ons neerslaat, wat ons bezet, wat ons drukt. Natuurlijk kunnen er ook verzoekingen zijn van binnenuit. Ook die moeten wederstaan en overwonnen worden. Daar gaat het over in vers 12 waar Jakobus schrijft: ‘Zalig is de man die verzoeking verdraagt; want als hij beproefd zal geweest zijn, zal hij de kroon des levens ontvangen.’ We begrijpen allemaal wel dat het voor de verstrooide christenen in Jakobus’ dagen niet meeviel. We zouden zeggen: Ze waren niet benijdenswaardig. Ze moesten veel meemaken. Ze waren eerder beklagenswaardig. Je zou er medelijden mee krijgen. En toch heeft Jakobus met hen geen medelijden. De apostel wil hen ook geen zelfmedelijden aanpraten, want dat kunnen we o zo gemakkelijk krijgen als we tegenslagen of lijden moeten ervaren. Maar dat is niet de bedoeling van Jakobus. Juist niet. Hij wil hun laten zien dat het een voorrecht is dat ze onder deze omstandigheden gekomen zijn. Want ondanks hun zware beproeving zijn het toch bevoorrechte mensen. Je kunt er jaloers op zijn. Ze zijn veel beter af dan mensen bij wie alles voor de wind gaat en die zich nergens druk over hoeven te maken. Want als alles zo voorspoedig gaat, wil dat nog niet zeggen dat het dan goed met ons gaat. Dan kunnen we zelfs behoren bij de goddelozen van wie Asaf zegt dat ze geen moeiten hebben. Zij hebben geen zorgen en geen banden tot hun dood toe. Misschien voelt u op dit moment wel een zware last op uw schouders drukken. Anderen denken misschien: Die man of vrouw moet er diep door! Die maakt veel mee! Terwijl u toch een gelukkig mens kunt zijn. Waarom? Omdat de Heere in Zijn Vaderlijke goedheid (Zondag 10, Heidelbergse Catechismus) de moeiten in uw leven brengt. En het is waar, het kan heel zwaar zijn onder die velerlei verzoekingen, maar toch zegt Jakobus: ‘Acht het voor grote vreugde, mijn broeders …’ Dat brengt ons bij onze tweede gedachte: 18
2. De vreugde daarover Vreugde en verzoekingen … Wat een paradoxale woorden. Voor de wereldse wijsheid is dit een dwaas woord: ‘Acht het voor grote vreugde, mijn broeders …’ Eigenlijk staat het er nóg sterker. Het woordje ‘grote’ betekent ‘enkel’ of ‘louter’. Jakobus zegt dus: ‘Acht het voor enkel vreugde, voor louter vreugde, mijn broeders, dat gij in velerlei verzoekingen valt. U mag uzelf wel gelukkig prijzen!’ Ziet u dat Jakobus geen medelijden met deze mensen heeft? We zouden in onze woorden zeggen dat hij hen feliciteert met de verzoekingen. Hij zegt als het ware: ‘Gefeliciteerd dat dit u overkomt. Gefeliciteerd dat u dit moet meemaken.’ Vreugde heb je meestal niet als je lijdt. Vreugde heb je als je jarig bent bijvoorbeeld. Als je gelukkig te achten bent. En dát zegt Jakobus hier. Hij zegt: ‘Acht u gelukkig, acht het voor een grote vreugde, mijn broeders.’ Nee, het is niet zo dat Jakobus hier bedoelt te zeggen dat we verheugd moeten zijn over de drukwegen als zodanig. De wegen die de Heere met deze christenen gaat, zijn niet eenvoudig. Jakobus zegt ook niet dat ze naar velerlei verzoekingen moeten verlangen, of dat ze daarom moeten vragen. Dat zou dwaas zijn! Stel dat u zou vragen: Heere, wilt U veel tegenspoed geven in mijn leven? Wilt U veel ziekte op mijn pad brengen? Wilt U zorgen dat alles tegenloopt in mijn maatschappelijk leven? Dat zou toch onnatuurlijk zijn? Zo is een mens ook niet geschapen. Maar Jakobus bedoelt: Als de Heere nu in de weg van Zijn goddelijke voorzienigheid velerlei verzoekingen op u doet afkomen, acht het dan voor grote vreugde. Dan moet u daar niet al te zeer verdrietig over zijn. U moet geen medelijden met uzelf krijgen. U moet dat niet zien als een oordeel van God dat over uw leven komt, maar het zijn bemoeienissen die de Heere met u houdt. Die maakt Hij niet met alle andere mensen. ‘Acht het voor grote vreugde …’ U zegt: Ik begrijp het niet! Ach, met het verstand ís dat ook niet te begrijpen. En toch kan er sprake zijn van vreugde als men in verzoekingen valt. Want 19
beproevingen zijn noodzakelijk. Ze kunnen niet gemist worden. Ik zou het nog sterker kunnen zeggen: Beproevingen zijn een kenmerk van het ware. Waar géén beproevingen zijn, waar mensen altijd kunnen vasthouden aan wat ze hebben, waar het nooit eens op de zeef komt te liggen, daar behoeft het blijkbaar ook niet beproefd te worden. Als je weet dat iets niet echt is, hoef je dat bij voorbaat niet te onderzoeken. Als u met een stuk plastic in de kleur van goud naar de juwelier zou gaan en u zou vragen: Wilt u eens kijken of dit echt goud is? Dan denk ik dat de juwelier u niet-begrijpend zou aankijken. Hij zou zeggen: U ziet toch zelf ook wel dat dit niet echt is? Dit heeft niet eens de kenmerken van echt goud. Maar als u bij hem komt met iets wat heel veel op goud lijkt, dan wil hij dat graag onderzoeken. Al het goud wordt onderzocht en beproefd. Het moet van het schuim verlost worden, want al het goud komt met schuim in aanraking. En zo is het nu ook met de beproevingen. De Heere zegt dat Hij kastijdt die Hij liefheeft. Hij geselt een iegelijk zoon die Hij aanneemt. Wanneer we zonder kastijding zijn, dan zijn we bastaarden en geen zonen. Is dat geen sterke uitdrukking? Iemand die geen kastijdingen en geen beproevingen kent, die rekent de apostel niet onder de zonen. Die rekent hij niet onder de echte kinderen van God. Die rekent hij zelfs tot de bastaarden. Misschien zegt u: Ja maar, ik ben nog nooit ziek geweest. Kan ik dan geen echt kind van God zijn? De tekst spreekt over ‘velerlei’ verzoekingen. Misschien dat het u uitwendig in alles wel voor de wind gaat, maar dat er andere omstandigheden zijn waarmee de Heere u beproeft. Er zijn ‘velerlei’ verzoekingen. Het kan op allerlei manier. Maar dat de beproeving nodig is, dát zal waar zijn. De Heere gaat daarin met elk van Zijn kinderen een eigen weg. De apostel spreekt over ‘vreugde’. Waarom? Omdat de beproevingen verbinden aan de Heere. Dát is de bedoeling van de beproevingen. Als de Heere beproevingen brengt in het leven van 20
de gelovigen, doet Hij dat om ze hun afhankelijkheid te leren beoefenen. Voor Gods kinderen zijn het vaak niet de slechtste tijden. U moet het maar eens navragen in de praktijk van hun leven. Nee, achteraf verlangen ze niet terug naar de omstandigheden, want die waren bitter, die waren moeilijk en zwaar. Maar ze verlangen vaak wel terug naar de nabijheid van de Heere. En wat zijn ze bang als het lijden ophoudt. Wat zijn ze soms bang als de gezondheid terugkeert. Wat zijn ze bevreesd als er weer voorspoed mag zijn. Waarom? Omdat ze bang zijn dat dit afhankelijke leven met de Heere weer weg zal gaan. Want dát was hun tot een grote vreugde. Ze mochten zingen: In de grootste smarten Blijven onze harten In den Heer’ gerust. Wat was de Heere nabij! ’k Zal Hem nooit vergeten; Hem mijn Helper heten, Al mijn hoop en lust. Zeker, ze ervaren wel hun eigen machteloosheid. Ze ervaren in die wegen hun eigen krachteloosheid. Ze ervaren in die wegen dat ze zo makkelijk tot opstand genegen zijn. Maar o, als ze op hun plaats mogen zijn, dan is het zo onuitsprekelijk goed. Dan overheerst de vreugde. Iets wat andere mensen vaak niet kunnen begrijpen. ‘Acht het voor grote vreugde …’ Waarom? Omdat beproevingen vaak zo heilzaam zijn. Beproevingen zijn niet makkelijk, maar wel heilzaam. Misschien beschikt u over het boekje van Thomas Boston Het kromme in het levenslot. Als u het nog niet gelezen hebt, zou ik het u zeker aanraden. Hij schrijft daarin over het 21
nut van de beproevingen. En dat nut is velerlei. Er zijn velerlei beproevingen, maar er is ook velerlei nut, waarom de Heere die beproevingen in het leven van Zijn kinderen laat komen. ‘Acht het voor grote vreugde.’ De gelovigen worden er niet slechter van, wel beter. ‘Acht het voor grote vreugde’ omdat het hoort bij het drukken van de voetstappen van de Heere Jezus. Wie op Hem wil lijken, wie Zijn voetstappen wil drukken, komt met verdrukking in aanraking. Dat kan niet anders. Wie niet met verdrukking in aanraking komt, die gaat niet in de voetstappen van Koning Jezus. Want Hij heeft gezegd: ‘Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen.’ ‘In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.’ Voor de Heere Jezus was dit aardse leven een lijdensweg. Dat begon al in Bethlehem, dat liep door tot Golgotha toe. Het lijden werd al zwaarder en zwaarder. Hij is in alle dingen – gelijk als wij – verzocht geweest. Alle dingen die Zijn kinderen meemaken, heeft Hij ook meegemaakt. Aan al die beproevingen en verzoekingen heeft Hij blootgestaan. Zelfs Zijn eigen Vader heeft Hem beproefd maar … Hij is als goud uitgekomen. ‘De steen die de bouwlieden verworpen hadden, is tot een Hoofd des hoeks geworden.’ En wie Zijn voetstappen wil drukken, wie op Christus wil lijken, zal ook met deze dingen in aanraking komen. Dat kan niet anders. Daarom was het de apostel tot een blijdschap om smaadheid te mogen dragen om Zijnentwil. We moeten daarbij wel voorzichtig zijn. Niet alle smaadheid die wij in dit leven meemaken is smaadheid om Christus’ wil. Want er kan ook heel veel smaadheid zijn die we aan onszelf te danken hebben, aan ons eigen gedrag. Sommige mensen worden gesmaad, maar ze maken het er ook zelf naar. Ze zijn er zelf de oorzaak van dat dit gebeurt. Dat is dan ook geen smaadheid die aan het dienen van Hem en aan het vereren van de Heere 22
verbonden is. Maar smaadheid om Christus’ wil zullen al Gods kinderen hier op aarde ervaren. En als u daarin delen mag, is dat dan niet onuitsprekelijk groot? Is dat dan geen reden om de Heere daarvoor te danken? De dichter van Psalm 119 zegt: ’t Is goed voor mij verdrukt te zijn geweest, Opdat ik dus Uw Godd’lijk recht zou leren. Jesaja heeft geprofeteerd in zijn profetieën over verdrukkingen die het volk van Israël móét ervaren en waarvan ze straks zullen zeggen: ‘Ik dank U, Heere, dat Gij toornig op mij geweest zijt, maar Uw toorn is afgekeerd, en Gij troost mij.’ Met andere woorden: Ik dank U dat U het gegeven hebt, dat U het toegelaten hebt, dat U Uw toorn hebt doen komen, want het was goed voor mij. U liet mij verdrukken uit enkel trouw. Als U het niet gedaan had, was het helemaal verkeerd gegaan. ‘Acht het voor grote vreugde …’ Maar is dat eigenlijk wel mogelijk? Is dat niet meer een stof voor de preekstoel waar een gemeentelid in de praktijk helemaal niets mee kan? Is het niet een bepaalde ideologie die iemand uitdenkt, maar die in de praktijk niet bruikbaar is? Zeker niet! Er zijn veel voorbeelden te noemen van kinderen van God die dit hebben mogen beoefenen. Ik denk aan de apostel Paulus. Hij schrijft aan de Romeinen in hoofdstuk 5 de verzen 3 tot en met 5: ‘En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende dat de verdrukking lijdzaamheid werkt, en de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop. En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons is gegeven.’ Paulus heeft geroemd in de verdrukkingen. Toen hij in Filippi kwam om het Evangelie van vrije genade te prediken, kwam hij dezelfde dag nog in de gevangenis terecht, samen met Silas. Daar werd zijn rug kapotgeslagen. We zouden zeggen: Is dát nu de weg van God? Hij had een beroep ontvangen: ‘Kom 23
over en help ons.’ Paulus heeft daarin Gods hand gezien, hij heeft de reis aanvaard. Hij komt aan in Europa. Er is niet eens een kerk, er is geen gemeente. Er zijn een paar vrouwen die buiten de stad samenkomen. Zeker, voor één van hen mag de boodschap tot zegen zijn. Maar kort daarop zit Paulus met Silas in de gevangenis. En als je dan goed luistert, dan hoor je midden in de nacht zingen. Het zijn Paulus en Silas die Gode lofzingen. Ze achten het voor grote vreugde dat de Heere hun dit doet overkomen. U zegt: Daar begrijp ik helemaal niets van! Nee, ik begrijp het ook niet. Het is ook niet te begrijpen. Dit is alleen te beleven. Dit is een zaak van het geloof. Hoe komt het dat er zoveel opstand is in de verdrukking? Hoe komt het dat er zoveel onverenigdheid is met de weg des Heeren? Dat komt omdat het geloof er niet is dat Paulus en Silas mochten hebben. Want wat hier staat, dat is alleen te beoefenen door het geloof. Laat dat duidelijk zijn. Dit is iets wat de natuurlijke mens niet kan. In die beproevingen komt de natuurlijke mens ook niet uit als goud, maar juist in de beproevingen blijkt dat de natuurlijke mens het goud van het geloof niet heeft. Al die opstand, al dat verzet en al dat murmureren is geen teken van geloof, maar van ongeloof. Juist in die wegen komt openbaar wie de mens van nature is. Zeker, ook Gods kinderen blijven altijd last houden van dat oude, ongelovige, onvernieuwde deel, dat het met God niet eens is. Alleen, Gods kinderen hebben ook een andere zijde. En als het geloof in beoefening mag zijn, dan verblijden ze zich in de verdrukkingen. Wilt u een ander voorbeeld? Ik denk aan Guido de Brès, de opsteller van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Hij heeft zijn geloof met de dood moeten bekopen. Dat is wat! Zult u zuinig zijn op de Geloofsbelijdenis achter in uw Bijbel? Sommige mensen kunnen daar zo minachtend over spreken. Maar vergeet niet dat Guido de Brès voor dat kleine boekje de dood is ingegaan. Wat heeft hij gezegd, toen dat gebeurde? Ik zal het u voorlezen. Hij 24
heeft gezegd: ‘Dat had ik niet gedacht, dat God mij zulk een eer zou hebben aangedaan, maar nu ben ik zeer verblijd. Ik gevoel dat mijn aangezicht veranderd is en verheugd door de genade die overvloedig in mij versterkt wordt. Ja, mijn hart springt op van blijdschap in mijn binnenste.’ Dat is wat! Dan moet je de dood tegemoet gaan! Als een mens geen geloof heeft, staat hij met gebalde vuisten omhoog. Dan zegt hij: ‘Is dit de weg, Heere? Ik kom toch op voor Uw Woord en voor Uw dienst? Moet dit mij nu overkomen?’ Maar Guido de Brès vond het een grote eer dat de Heere hem dit schonk, dat hij dit mocht dragen om Zijnentwil. Hij zei: ‘Wat is dat een grote eer voor mij!’ U voelt wel dat de verdrukking op zichzelf dit nooit kan uitwerken. Daar is het geloof onmisbaar toe nodig. Let wel, het gaat hier ook niet over de verdrukkingen in het algemeen, maar over de beproeving van het geloof. ‘Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, zo gij in velerlei verzoekingen valt.’ Jakobus erkende deze mensen als zijn geestelijke broeders, als ware gelovigen. Hij wist zelf wat het was om te lijden, maar hij wist ook welke kracht hij in die wegen mocht putten uit zijn geloof. Hij wist hoe dat geloof hem sterker en sterker mocht maken. Dat geloof deed hem staande blijven en daardoor mocht hij goed van God spreken in de grootste smarten van zijn leven. Vanuit die ervaring spreekt hij de verstrooide vreemdelingen toe en zegt: ‘Acht het voor grote vreugde, mijn broeders …’ We gaan naar onze derde gedachte: 3. De zegen daardoor ‘Wetende dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt.’ Waarom mag het voor hen tot grote vreugde zijn? Wel, Jakobus motiveert deze paradoxale boodschap door een beroep te doen op de kennis van de lezers. Hij zegt: ‘Dat weet u toch?’ Hoe weten ze dat? Het Griekse woord dat hier gebruikt wordt betekent niet alleen een verstandelijk weten met het hoofd. Want daar kunnen 25
we hier niet veel mee beginnen. Het gaat hier over een weten door ervaring, een weten door beleving. Het gaat om een bevindelijk weten. ‘Wetende …’ Het is alsof hij zegt: Ik spreek toch voor u, volk van God, geen onbekende taal? U weet het toch? U hebt dat toch meerdere keren ervaren in uw leven? Bedenk het ook nu, als de beproevingen veranderen, als ze toenemen, als ze andersoortig zijn. ‘Wetende …’ Hier kan Petrus Paulus een hand geven, en ik denk dat al Gods kinderen daarmee kunnen instemmen. ‘Wetende …’ De een weet het dieper dan de ander, dat is waar. De een heeft er meer ervaring in dan de ander, dat is ook waar. Maar allen gaan ze er iets van ervaren dat de beproeving van het geloof lijdzaamheid werkt. Het is opmerkelijk dat hier nu het woordje ‘beproeving’ gebruikt wordt. Jakobus gebruikt de woorden ‘verzoeking’ en ‘beproeving’ door elkaar. Soms is het van de satan, soms ziet hij het van de kant van de Heere. Het gaat over dezelfde gebeurtenissen die allemaal onder Gods regering zijn. Hier wordt in het Grieks ook een ander woord voor beproeving gebruikt dan in het begin van de tekst. Het woord dat hier gebruikt wordt betekent letterlijk ‘toetssteen’ of ‘keuringsmiddel’. ‘Wetende dat de toetssteen of de keuring van uw geloof lijdzaamheid werkt.’ Gaat dat dan vanzelf? Is dat dan altijd zo? Zijn voor Gods kinderen beproevingen altijd een zegen of alleen maar een zegen? Wat zegt de kanttekening? ‘Namelijk niet uit zichzelf, alzo zij in de gelovige voortbrengt ongeduldigheid en murmureren tegen God, maar omdat God door Zijn Geest het verstand der gelovigen alzo verlicht dat zij verstaan dat Hij door dezelve hun geloof wil beproeven en bekendmaken, en hen daardoor tot de eeuwige vreugde bereiden.’ Het gaat dus inderdaad niet vanzelf. De Heere moet daarvoor het verstand verlichten. Bij de ongelovigen brengt het geen lijdzaamheid. Daarom zou ik u willen vragen om uzelf eens te onderzoeken, want we krijgen allemaal met beproevingen te maken. Wat zijn Gods kinderen toch gelukkig, jongens en meisjes! Jul26
lie zeggen misschien: Ja maar, u hebt het over tegenslagen en moeilijkheden die Gods kinderen overkomen. Daar schrik ik toch een beetje van. Ach, alle mensen op deze aarde komen in aanraking met moeilijke dingen. Niet alleen Gods kinderen. Ieder mens heeft een strijd op aarde. Alleen, bij Gods kinderen brengt het hen dichter bij de Heere. Gods kinderen hebben een Toevlucht. ‘God is een Toevlucht voor de Zijnen.’ Gods kinderen hoeven niet mistroostig te zijn in de grootste smarten. Dát is het grote verschil. Wereldse mensen komen – al hebben ze alleen maar voorspoed gehad – ook in aanraking met ellende, al is het misschien aan het eind van hun leven. En dan? Dan kunnen ze nergens heen. Ze storten dan van de top van eer in een eeuwige verwoesting neer. Je mag dus zeker jaloers zijn op Gods kinderen. Nee, het gaat bij hen niet vanzelf. Dat niet. Jakobus zegt hun: ‘Indien iemand wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere.’ Dan heeft hij het over die praktische levenswijsheid. Dus wanneer iemand niet weet hoe hij met die beproevingen moet omgaan, wanneer iemand bang is dat hij zal wankelen of dat de duivel het nog zal winnen … ‘Indien iemand wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere, Die mildelijk schenkt en niet verwijt, en zij zal hem gegeven worden.’ Dus ook de gelovigen krijgen het niet allemaal vanzelf in de beproeving. Ze moeten hun knieën buigen. Ze moeten om wijsheid vragen. Het moet hen op de goede plaats brengen. De beproevingen moeten hen bang maken voor verval en voor verwijdering. En hoe dichter ze bij de Heere mogen leven, hoe beter ze het zullen mogen hebben, en hoe afhankelijker ze zullen zijn. ‘Wetende dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt.’ Dus eerst beproeving, daarna volgt lijdzaamheid. Het is opmerkelijk dat Paulus in Romeinen 5 vers 3 schrijft: ‘Wetende dat de lijdzaamheid beproeving werkt.’ Spreekt dit elkaar niet tegen? De kanttekenaar schrijft: ‘En dit strijdt niet tegen hetgeen Paulus zegt Rom. 5:4: De lijdzaam27
heid werkt beproeving, want door het woord beproeving verstaat Paulus niet de verdrukkingen door welke het geloof beproefd wordt, gelijk hier Jakobus, maar bevinding en ervaring, namelijk van Gods hulp, bijstand, troost en getrouwheid in Zijn beloften.’ Dus Paulus spreekt over het beproeven van Gods beloften. In de lijdzaamheid blijken Zijn beloften waar te zijn. En Jakobus spreekt over de beproeving van het geloof. Dat vraagt lijdzaamheid. Dus wie lijdzaamheid ervaart zal beproeven dat Gods Woord de waarheid is. Dat Gods beloften de waarheid zijn. Dat de Heere doet wat Hij zegt en dat je met de Heere niet beschaamd uitkomt. Dát wil Paulus zeggen in Romeinen 5. Hier gaat het over de beproevingen waarmee het geloof beproefd wordt en waardoor de Heere lijdzaamheid werkt. Wat is lijdzaamheid? Dat is geen lijdelijkheid. Lijdelijkheid hoeft niet gewerkt te worden, want die heeft de mens al. Lijdzaamheid hebben we niet. Wat is lijdelijkheid precies? Dat is een afwachten, een zich schikken in het lot, dat is je armen over elkaar doen en denken: Je kunt er toch niets aan veranderen, het is toch allemaal al beslist. Dat is een doffe berusting die de mens geen stap dichter bij de Heere brengt. Dát is lijdelijkheid. Lijdelijkheid is zonde. Ik hoop niet dat u lijdelijkheid koestert! De apostel spreekt echter over lijdzaamheid. Dat is geen stoïcijnse berusting of een ongevoeligheid in alles wat er op ons afkomt. Jakobus zegt niet dat de mensen niet bedroefd mogen zijn, dat ze geen pijn mogen voelen. Hij wil niet zeggen dat ze nooit eens mogen huilen. Zeker niet. Maar lijdzaamheid wil twee dingen zeggen. Lijdzaamheid heeft een passieve kant en een actieve kant in zich. De Bijbel gebruikt die twee betekenissen door elkaar. Letterlijk wil lijdzaamheid zeggen: Eronder blijven. Waaronder blijven? Onder God blijven. Onder Zijn hand blijven. Dat is de passieve kant. Daarvan zegt de dichter:
28
Mijn ziel is immers stil tot God Van Hem wacht ik een heilrijk lot; Hij immers zal mijn rotssteen wezen. Doch gij, mijn ziel, het ga zo ’t wil, Stel u gerust, zwijg Gode stil; Ik wacht op Hem; Zijn hulp zal blijken. Dat is passief eronder blijven. Maar dat is géén doffe berusting. Nee, dat is stil vertrouwen op wat de Heere doet. Het heeft ook een actieve kant. Die kant houdt in: Standvastig en volstandig blijven. Want wat doet de Heere in die beproevingen? Hij gaat het geloofsvertrouwen van Zijn kinderen oefenen. Hij gaat hun vertrouwen sterker maken. En hoe dieper de beproeving, hoe sterker hun vertrouwen wordt, hoe meer ze aankunnen en hoe makkelijker ze een volgende beproeving kunnen doorstaan. Dat is wat de Heere bedoelt. Hij maakt hen lijdzaam. Hij oefent hen tot de volmaaktheid. Dat is het doel dat de Heere voor ogen heeft. Wat is de volmaaktheid? Dat is als een mens het met God eens mag zijn. Als mijn wil Gods wil mag zijn en Gods wil mijn wil mag zijn. Dan zit er geen strijd meer tussen. Dan kan ik geen kwaad meer van God denken. Dát is de volmaaktheid. En de Heere oefent het geloof van Zijn kinderen, zodat alles afvalt wat uit Adam is, wat Gods eer in de weg staat, tot eenmaal de volmaaktheid daar is. En dat is een doorgaande weg. Het woordje ‘werkt’ staat hier in de tegenwoordige tijd. Er staat niet: ‘Opdat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid gewerkt heeft’, maar: ‘lijdzaamheid werkt’. Dat gebeurt nog en dat gaat door tot de volmaaktheid, tot Gods kinderen rijp zijn om naar de hemel te gaan. Tot ze geschikt zijn om in te gaan in de vreugde huns Heeren. ‘Doch de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk, opdat gij moogt volmaakt zijn en geheel oprecht, in geen ding gebrekkelijk.’ 29
Wat een wonderlijke lessen toch! Misschien denkt u wel: Wat een bijzondere man is die Jakobus toch. Maar nee, Jakobus is geen bijzondere man. Weet u wat Jakobus doet? Hij spreekt zijn Meester na. De verklaarders wijzen erop dat de brief van Jakobus heel veel lijkt op de Bergrede. Ik noem u maar één tekst uit Mattheüs 5: ‘Zalig zijt gij als u de mensen smaden en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil.’ Dat zegt de Heere Jezus! Dat is een zaligspreking. Eigenlijk zegt Jakobus dezelfde dingen. Hij spreekt zijn Meester na. Daarom is het de grote vraag: Is deze zaligspreking ook op ons van toepassing? Waar heeft de verzoeking en de beproeving u gebracht? We komen allemaal met moeite en zorgen in aanraking. De een meer, de ander minder. Maar waar heeft het u gebracht? Heeft het u dichter bij God gebracht? Heeft het u bang gemaakt van de zonde? Heeft het u gemaakt tot een vijand van de wereld? Zalig zijt gij, als u zich daar niet meer thuis voelt. Zalig zijt gij, als u vreest voor de zonde. Zalig zijt gij, als u zwerven moet op aarde. Of … hebt u zich boven alles uit geworsteld en gaat u uw eigen pad? Gaat het u in alles voor de wind en hebt u God niet nodig? Dan geldt van u: Rampzalig zijt gij. U zult niet de vreugde hebben die Gods kinderen hebben in hun ellende. De dichter zingt: Gij hebt m’ in ’t hart meer vreugd gegeven, Dan and’ren smaken, in een tijd Als zij, door aards geluk verheven, Bij koorn en most wellustig leven. Het is nog te krijgen. Buig je knieën, jongens en meisjes. Indien iemand wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere. Wij kunnen het jullie niet leren. Als de Heere het ons niet geeft, zijn we van onszelf een en al opstand. Maar als de Heere het geeft, zijn we het met Hem eens en dat zijn de beste tijden in het leven. De beste tijd wordt niet bepaald door voorspoed of tegenspoed, maar 30
de beste tijd is als we het met de Heere eens mogen zijn. Dát geeft een vreugde die al het geluk van deze wereld te boven gaat. Volk des Heeren, Johannes schrijft in Openbaring 14: ‘Hier is de lijdzaamheid der heiligen; hier zijn zij die de geboden Gods bewaren en het geloof van Jezus.’ Mogen we ook van onze gemeente zeggen: ‘Hier is de lijdzaamheid der heiligen’? Dat kan alleen in de vereniging met Christus. Let u daarop bij het lezen van Jakobus. De ware heiligmaking drijft naar Christus uit. Amen.
31