1
Zuchtend pakte Verschoor de telefoon op die hard door het politiebureau rinkelde. Hij hield het toestel aan zijn oor. Met zijn andere hand veegde hij over zijn ogen en hij gaapte luidruchtig. ‘Rechercheur Verschoor. Wat is er?’ zei hij slaperig. ‘Het is drie uur in de middag en jij ligt te slapen?’ klonk een stem met een licht Chinees accent aan de andere kant van de lijn. Verschoor wist meteen wie van zijn collega’s van politiebureau Rotterdam-Zuid hij aan de lijn had – Kai Poortvliet, een gespierde Chinees met droge humor. Meestal moest hij wel lachen om de grappen van Kai, die er vaak de gekste gezichten bij trok. Laatst typeerde hij het postuur van de commissaris als dat van een tuinkabouter met een rode puntmuts. Iedereen in de kantine barstte in een bulderlach uit. Maar commissaris Dekker had Kai met een rood hoofd aangekeken. Zijn snor trilde van woede. Toen iedereen was uitgelachen, was Kai verdwenen. Maar op dit moment vond hij Kai totaal niet grappig. ‘Zeg wat je wilt en hou die grappen maar voor later!’ beet hij hem toe. Fleur draaide zich van achter haar computer om en keek Verschoor met opgetrokken wenkbrauwen aan. 9
Kai trok zich niets van Verschoors geërgerde reactie aan. ‘Wil jij even uitvissen of ene Jakob Breedveld bij ons bekend is?’ Mopperend ging Verschoor aan de slag. Met de telefoon nog aan zijn oor zocht hij in het politiesysteem Basis Voorziening Handhaving op Breedveld. Toen hij het profiel van Jakob Breedveld had gevonden, scrolde hij naar beneden. Twee keer het rijbewijs afgepakt wegens rijden onder invloed, was het resultaat. Hij gaf het door aan Kai. ‘Bedankt en welterusten’, antwoordde de Chinese surveillant. Dat was te veel voor Verschoor. Met een klap smeet hij de telefoon op de houder. Het toestel vloog een paar centimeter omhoog en viel neer op het bureau. Fleur draaide zich weer om en stond op. Ze liep naar Verschoor toe, plantte haar handen op de rand van zijn bureau en keek hem doordringend aan. ‘Dit gaat nog een keer goed mis’, zei ze met zachte stem. ‘Je raakt echt nog een keer overspannen en dan zit je gerust een jaar thuis. Is dat wat je wilt?’ Verschoor keek haar aan. Hij ging iets verzitten. Hij wilde wat zeggen, maar Fleur legde hem met een handgebaar het zwijgen op. ‘Ik weet van je problemen en verdriet, maar dit is niet de manier om daarmee om te gaan. Ga naar commissaris Dekker en vraag hem om raad. Hij weet voor alles een oplossing.’ 10
Ze keek Verschoor aan. Haar blauwe ogen stonden bezorgd. ‘Ik weet het.’ Hij stond op en liep zonder nog wat te zeggen naar de koffieautomaat. Hij koos een cappuccino en liep toen weer langzaam naar zijn bureau. Fleur was intussen weer achter haar bureau gaan zitten. In gedachten ging Verschoor terug naar die gebeurtenis van drie weken geleden, naar die vreselijke dag waarop zijn collega werd vermoord. Hij was verhoord en had verklaringen moeten afleggen aan de recherche die de moord op Van Zessen behandelde. Omdat hij als collega bij de moord aanwezig was, was hij eveneens verdachte geweest. Een rechercheteam uit een andere regio moest de zaak onderzoeken. Vanuit Den Haag waren ongeveer dertig rechercheurs tijdelijk naar Rotterdam overgeplaatst om de dader op te sporen. Ook keken twee vertegenwoordigers van de Rijksrecherche uit Tiel mee met het team. Hoofdinspecteur Lauman was de teamleider. In het verleden had hij al veel moeilijke moordzaken met succes afgerond. Verschoor had hem al enkele malen ontmoet. Al snel had hij gemerkt dat hij niet goed met Lauman overweg kon. Duidelijk was te merken dat de hoofdinspecteur zich hoogverheven voelde boven de rechercheurs die hij onder zich had. Hij was gewend van achter zijn bureau anderen te commanderen en nu moest hij zelf aan het werk. Het was klip en klaar dat hij niet van plan was 11
zich druk te maken. Als Verschoor om informatie over de zaak vroeg, kreeg hij die nooit. Frustrerend was dat. Ook vond hij het moeilijk om het gewone leven weer op te pakken. Elke keer als hij het politiebureau binnenstapte, miste hij zijn collega vreselijk. Dat werd nog erger door de lege plaats naast hem in de kantine. Van Zessen zette meestal een boom op. Dat deed hij altijd met een opmerking die bijna niemand snapte. Dat was zijn strategie om gelijk te krijgen. Er was altijd wel iemand die vroeg: ‘Wat bedoel je, man?’ Dan ging Van Zessen uitgebreid zijn mening verkondigen over het onderwerp en daarmee had hij een grote voorsprong. Iedereen van bureau Zuid kende zijn werkwijze, maar toch trapten ze er steeds weer in. Van Zessen wist met het grootste gemak discussies te ontketenen over gevoelige onderwerpen. En dat maakte het zo gezellig in de kantine. Meestal eindigde een discussie met een droge grap van Kai. Verschoor lachte even in zichzelf. Tegelijk realiseerde hij zich dat deze momenten definitief voorbij waren. Ook op de begrafenis had hij dat sterk ervaren. Hij kon het nog steeds niet geloven. Zomaar een collega weg! Zo kan dat dus gaan. Het maakte hem onzeker. Hij wist niet meer hoe hij verder moest. Dekker had de vacature via interne kanalen bekendgemaakt en ook een oproep geplaatst in het politieblad. Nu waren er twee weken voorbij en, voor zover hij wist, nog niet één sollicitant. In die weken had hij op het bureau 12
vooral zitten niksen. Soms kon hij wat informatie opzoeken voor collega’s en hij had wat dossiers gesorteerd. Maar de meeste tijd was hij te vinden bij het onderzoeksteam dat de moord op zijn collega behandelde. Dan vroeg hij of ze hulp nodig hadden of gewoon hoever ze al waren met het onderzoek. Maar bijna altijd kwam hij teleurgesteld de trap af. Als collega’s dan vroegen wat er was, schudde hij zijn hoofd. Als dit de werkwijze van Den Haag was, kon hij blij zijn dat hij in Rotterdam zijn plaats als rechercheur gevonden had. De enige ‘getuigen’ van de moord waren de straatcamera’s. Op de opnames was de auto van de moordenaar niet goed te zien en na de dodelijke schietpartij was hij op onverklaarbare wijze verdwenen. Het leek wel of de bestuurder zich bewust was van de camera’s en daar rekening mee had gehouden bij het kiezen van de vluchtroute. Alle camera’s uit de omgeving waren gecheckt, maar zonder het gewenste resultaat. En dat stak hem. Hij was ervan overtuigd dat als hij het onderzoek zou leiden, ze de dader binnen een week te pakken zouden hebben. Dat had hij ook tegen Dekker gezegd, maar die wilde er niets van weten. De inspecteur had talloze redenen opgesomd waarom dat niet mocht. Een daarvan was de zogenoemde compartimentatie – een getuige van een misdrijf mag niet meewerken aan het onderzoek. Ook vond Dekker dat Verschoor het emotioneel niet aankon. 13
Hij had met een half oor zitten luisteren. Wat maakten hem die redenen nou uit! Het mocht niet en dat begreep hij gewoon niet. Het enige wat hij wilde was de moordenaar opsporen. Toen de deur openging keek Verschoor op. Het was Silvia, met Kai in haar kielzog. Die twee werkten vaak samen. Er lag een grijns op Kais gezicht. Silvia draaide zich om en moest opeens ook lachen. Verschoor kon zich nog net inhouden, maar hij wist dat het niet lang meer zou duren voor hij in woede uit zou barsten. Kai was zijn kameraad, maar wat die in Silvia zag … Als Silvia bij hem was, werden Kais grappen algauw irritant. Silvia opende demonstratief haar mond en geeuwde nadrukkelijk. Toen ze klaar was met haar toneelstukje keek ze hem met halfgesloten ogen aan. Verschoor stoof op uit zijn bureaustoel en vloog op Silvia af. Hij pakte de kraag van haar uniform vast en tilde haar op. Daarna drukte hij haar tegen de muur. Het gezicht van Silvia verschoot van angst. Hij duwde haar kraag strak tegen haar hals. ‘Jouw grappen zijn op dit moment niet grappig! Begrepen?!’ Hij drukte haar nog steviger tegen de muur. Silvia kokhalsde. ‘Verschoor, laat los. Nu!’ Zijn greep verslapte en Verschoor draaide zich langzaam 14
om. Nu pas zag hij dat er een paar agenten achter hem stonden. Een had zelfs zijn hand stevig om zijn schouder geklampt. Achter de agenten zag hij nog net het hoofd van de kleine, maar machtige commissaris. Commissaris Dekker wenkte hem. Zijn kleine hoofd was vuurrood en zijn snor trilde. Kai keek verontwaardigd naar Verschoor en toen naar Silvia. Silvia zag bleek en hijgde hevig. Kai wreef haar kalmerend over haar rug. Dekker liep de kamer uit en ging naar zijn kantoor achter in het complex. Snel liep Verschoor hem achterna. Toen pas voelde hij hoe hij zweette en dat zijn handen trilden. De commissaris was achter zijn bureau gaan zitten toen Verschoor de deur achter zich sloot. Hij opende wat laat jes, maar pakte er niets uit. Toen keek hij hem aan. ‘Zo’, kon hij alleen maar uitbrengen. Verschoor zuchtte diep. ‘Sorry, dat was heel dom van me.’ Zijn excuus was oprecht. Dekker verschoof iets op zijn bureau. ‘Dat hoef je tegen mij niet te zeggen. Dat moet je tegen je collega zeggen die nu op adem staat te komen.’ Even zweeg hij. ‘Dit gaat niet goed’, vervolgde de commissaris. ‘Ik zie gewoon aan je dat je het niet meer trekt. Ik denk dat je overspannen bent. Je heb te veel te verwerken op dit moment.’ Verschoor dacht een ogenblik na. ‘Hoe bedoelt u?’ vroeg hij toen. 15
Dekker stond op en liep naar het whiteboard dat aan de muur hing. ‘Ik zal het je uitleggen.’ Hij pakte een zwarte stift en schreef met grote letters LEVI VERSCHOOR op het bord. Daaromheen trok hij een cirkel. Om de cirkel tekende hij kleine rondjes, die hij door middel van lijnen verbond met de cirkel. In de rondjes zette hij met een rode stift de woorden: rouwverwerking, verveling en moord. Daarna schreef hij met een blauwe stift in de overige rondjes woorden die met het dagelijkse leven hadden te maken: familie, vrienden, huishouden, uitgaan. Toen hij klaar was, keek hij Verschoor aan, die geïnteresseerd naar het bord keek. Dekker had een mindmap getekend, concludeerde hij. ‘Kijk, ik zal het je uitleggen’, vervolgde Dekker. ‘Alle blauwe woorden zijn zaken uit het dagelijkse leven die je aandacht vragen.’ Hij wees naar het rondje met het woord huishouden. ‘Het zijn allemaal prikkels, maar omdat ze bij het gewone leven horen zijn ze niet belastend voor je, je bent eraan gewend. Totdat er te veel prikkels op je afgevuurd worden. Vergelijk het met een mug die de hele tijd om je oren zoemt. Dan pak je een krant en sla je net zolang in het rond totdat hij dood is. Dat herken je zeker wel?’ ‘Natuurlijk’, knikte Verschoor. Wat wilde zijn baas nu precies uitleggen? ‘De afgelopen weken kreeg jij naast de prikkels van het dagelijkse leven ook nog de prikkels van jouw probleem 16
met de moord op Van Zessen – de rode woorden. Die prikkels zijn als zoemende muggen om je hoofd, die al je energie opslokken. Als dat langere tijd achter elkaar gebeurt, wordt dat te veel en raak je gestrest. Dan krijg je een kort lontje. En dat is bij jou momenteel het geval, Verschoor. Je gaat in het rond slaan en daar is Silvia vandaag het slachtoffer van geworden.’ De commissaris liep naar zijn bureaustoel en liet zich erin zakken. ‘Dit gaat zo niet meer, echt niet. Je bent veel te gespannen. Ik weet het, je hebt het vreselijk moeilijk, je mist je collega en vriend heel erg. Maar dit gaat zo niet meer.’ Verschoor schaamde zich diep. Het liefst zou hij door de grond zakken. Hij slikte en veegde wat vocht uit zijn ogen. ‘Ik wilde meteen weer aan het werk omdat ik dacht dat het een goede afleiding was. Maar ik merkte al de eerste dag dat het niet zo was. Thuiszitten wilde ik niet, dus ik besloot gewoon elke dag naar m’n werk te gaan, ook omdat ik het onderzoek naar de moordenaar wilde volgen.’ Hij kon zijn tranen niet meer bedwingen en verborg zijn gezicht in zijn handen. Dekker schoof wat ongemakkelijk heen en weer. Het was duidelijk dat hij dit niet verwacht had en geen idee had hoe hij dit moest oplossen. ‘Verschoor …’ – hij wachtte tot de rechercheur zijn hoofd 17
weer ophief – ‘… ik begrijp je heel goed. Het is niet niks om zo je naaste collega te verliezen. Ik denk dat je beter twee weken thuis kan blijven.’ Verschoor stond op en keek de commissaris aan. Hij deed zijn mond open, maar meteen weer dicht. Verward keek hij door het raam achter Dekker. Het gaf een prachtig uitzicht op het Rotterdamse verkeer. Het was nu nog vrij rustig op de weg, maar om een uur of vijf was het altijd vreselijk druk. ‘In die twee weken zal ik mijn huiswerk doen’, beloofde Dekker. ‘Huiswerk?’ ‘Ja, ik ga voor jou een nieuwe collega regelen. Precies over twee weken zal die beginnen’, grijnsde de kleine commissaris. Verschoor was even van zijn stuk door de uitspraak van zijn baas. Zijn mond zakte iets open. ‘Als dat kan, zou dat heel erg fijn zijn’, prevelde hij, terwijl hij zijn baas verbaasd maar ook dankbaar aankeek. Snel stak hij hem de hand toe. ‘Bedankt.’ Stevig schudden ze elkaar de hand. Toen hij wegliep, riep Dekker hem nog even terug. Verschoor draaide zich om en zag dat de kleine man in zijn agenda stond te bladeren. Toen keek hij Verschoor indringend aan. ‘Wil jij morgen het bureau van Van Zessen opruimen?’ Hij dacht even na. ‘Dat wil ik graag doen’, besloot hij. 18
‘Als je daarmee klaar bent, ga je gelijk weer weg’, waarschuwde Dekker. ‘Beloofd.’
19