Skip to main content

eendagvanrustaaab

Page 1

1 De sabbat in het Oude Testament In de kerkbank Daar zitten we dan, in onze bank. Zoals elke zondagmorgen. We weten precies wat er gaat komen. De ouderling van dienst is begonnen met het voorlezen van de Tien Geboden. Plechtig klinkt het uit de mond van de dienstdoende ouderling of predikant: ‘Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen. Maar de zevende dag is de sabbat des Heeren uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is; want in zes dagen heeft de Heere de hemel en de aarde gemaakt, de zee, en alles wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de Heere de sabbatdag, en heiligde denzelven.’ We zijn eraan gewend … Zo gaat het toch elke zondag? Vaak dwalen gedachten weg … Dan vergeten we dat ons een spiegel wordt voorgehouden. De spiegel van Gods wet waarin onze Schepper ons zegt: ‘Zo wil Ik dat je op aarde leeft, voor Mijn aangezicht.’ Als het gaat om het vierde gebod, vraagt de Heere het u en jou heel persoonlijk: ‘Doet u dat ook? Ga jij zó om met de rustdag?’ De Heere roept: ‘Luister, Ik heb u wat te zeggen! Het gaat om Mijn dag maar ook om uw rustdag. Hoe gaat u, hoe ga jij daarmee om? Wat moet er misschien veranderen? Nee, nu even niet afdwalen naar uw gezin of naar het werk- of studieprogramma van morgen … Heden! Indien gij Mijn stem heden hoort …’ 9


Voor het oude volk van Israël was het sabbatsgebod erg belangrijk. Het heiligen van de rustdag werd door de meesten nauwgezet gedaan. Daarbij ging men zelfs veel te strikt om met het gebod. Na de terugkeer uit Babel ontstond een wettische praktijk van ‘regel op regel’. Hierop komen we verderop in dit boekje nog terug.

Een terechte vraag Nu komt eerst een andere vraag in onze gedachten. De orthodoxe Joden houden nog steeds ‘sabbat’ op de laatste dag van de week. De sabbat begint op vrijdagavond na zonsondergang. Is het dan wel juist dat wij hiervoor in de plaats lezen: ‘Gedenk de eerste dag van de week, de zondag’? Er staat toch immers heel duidelijk in de Tien Geboden: ‘gedenk de sabbatdag’ en niet ‘gedenk de zondag’? Misschien hebt u er nog nooit zo over nagedacht. Van jongs af aan zijn we ermee opgegroeid dat de zondag de sabbatdag is. Het is voor velen heel normaal dat op zondagmorgen aan de ontbijttafel Psalm 92, de sabbatspsalm wordt gelezen: 1 Een psalm, een lied, op de sabbatdag. 2 Het is goed dat men de Heere love, en Uw Naam psalmzinge, o Allerhoogste; 3 Dat men in de morgenstond Uw goedertierenheid verkondige, en Uw getrouwheid in de nachten, 4 Op het tiensnarig instrument en op de luit, met een voorbedacht lied op de harp. 5 Want Gij hebt mij verblijd, Heere, met Uw daden; ik zal juichen over de werken Uwer handen. Inderdaad … Wij lezen voor ‘sabbat’ de eerste dag van de week. Voor ons is dat vanzelfsprekend. Dat zijn we zo gewend. Toch

10


is het lang niet voor iedereen zo vanzelfsprekend dat er niet meer op de ‘sabbat’, maar op de zondag wordt gerust. Denk bijvoorbeeld aan de Sabbattisten en Zevende-dag-adventisten. Zij zijn het hartelijk oneens met ‘onze’ opvatting. Zij zijn de mening toegedaan dat de zondag helemaal niet in de plaats van de sabbat mag worden genomen. Gods gebod ziet volgens deze mensen uitsluitend op het heiligen van de ‘oude’ sabbat. Zij zeggen: ‘Sabbat is sabbat! Pas eeuwen na de opstanding van Christus heeft Constantijn de Grote de zondag als collectieve rustdag ingevoerd.’ Misschien ga je twijfelen en vraag je je af: Is dat inderdaad zo? Ik wil in dit hoofdstuk laten zien dat het ‘niet’ zo is. De eerste christenen hebben namelijk de rustdag op de Opstandingsdag van Christus gehouden. Daarmee zijn zij begonnen op de eerste Paasdag. Het is niet zomaar een kwestie van een ‘andere dag’. Er ligt een heel diepe gedachte achter. Welke gedachte? Voor het antwoord op deze vraag gaan we eerst na hoe de sabbat in de schepping werd gegeven. Daarna staan we stil bij de zogenoemde Exodussabbat ofwel de herinnering die de Heere aan Israël gaf ten aanzien van het onderhouden van de sabbat. In hoofdstuk 2 zetten we de stap naar het Nieuwe Testament en denken we erover na wat de komst van de Heere Jezus in het vlees en in het bijzonder Zijn opstanding te zeggen hebben over het vieren van de sabbat. We beginnen dus bij de scheppingssabbat.

De scheppingssabbat In Genesis lezen we van de scheppende God. ‘De Geest Gods zweefde op de wateren.’ Gods Geest broedde op de woeste wateren zoals een vogel op het nest haar eieren uitbroedt. Zo ging Hij scheppen. Dat is uit het niets iets ‘voortreffelijks

11


maken’, aldus de kanttekenaren. Met de Westminster Confessie belijden wij dat een drie-enig God het ‘om de heerlijkheid van Zijn eeuwige kracht, wijsheid en goedheid te tonen, behaagd heeft om in het begin de wereld en alles wat daarin is, hetzij zichtbaar of onzichtbaar, in zes dagen uit niets te scheppen of te formeren en het was alles zeer goed’ (hoofdstuk 4). God schiep uit het niets … Eerst de hemel en de aarde. Hij maakte scheiding tussen licht en duisternis, tussen water en het droge. Hij schiep grassprietjes, boterbloemen, lelies, eikenbomen, appelbomen, merels, musjes, arenden, konijnen, mieren, kikkers, walvissen en olifanten. Ten slotte was de prachtig ingerichte aarde, de kraamkamer voor Gods pronkjuweel, gereed. De mens kon ‘geboren’ worden. ‘En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld Gods schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen’ (Gen. 1:27). Daarna werd het stil … De Schepper ging rusten … ‘Als nu God op de zevende dag volbracht had Zijn werk, dat Hij gemaakt had, heeft Hij gerust op de zevende dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had.’ God rustte van Zijn arbeid. Was God dan vermoeid van Zijn scheppingswerk? Liet Hij Zijn werk nu even los? Nee, zo moeten we dat niet lezen. Het is niet zo dat Hij moe was geworden of dat Hij de schepping losliet en even zou zijn gestopt met het onderhouden van hetgeen Hij gemaakt had. Nee, dit ‘rusten’ van God betekent dat de Heere omzag naar al hetgeen uit Zijn handen was voortgekomen. Zoals een schilder een paar passen naar achter doet om zijn werk te bezien, zo lezen wij van de Heere: ‘En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed.’ De grote Architect en Bouwmeester had een vermaak in Zijn werk dat gemaakt was naar Zijn eigen bestek. Hij ‘verlustigde’ Zich erin. Hij had een ‘uitnemend welgevallen’

12


in al Zijn werk, en wel in het bijzonder in de mens. Dát was dus het eerste wat de Heere deed. Hij zag om naar Zijn werk. ‘Dit zien naar houdt in het keuren, het proeven, het Zich verlustigen. Hoe vaak komen we niet in de Schrift tegen dat God Zich verblijdt en Zich verlustigt in het werk van Zijn hand? Waarom verblijdt Hij Zich? Omdat Zijn werk beantwoordt aan Zijn God-zijn. “Zoals de man is, is zijn werk.” Men kent de man aan zijn werk. Welnu, zoals de Heere is, is Zijn werk. Wij kennen Hem aan de werken van Zijn hand. Zij zijn van goddelijke makelij. Dit wordt ons gezegd in het volgende: En het was zeer goed! Dat is een goddelijk oordeel. God beoordeelt Zijn eigen werk. Wie zou het anders kunnen doen? Wie is aan Hem gelijk?’ G. Boer, Ik ben de Alpha, Bijbellezingen over Genesis 1 Mozes schrijft hierover met diepe eerbied: ‘En God heeft de zevende dag gezegend en die geheiligd; omdat Hij op dezelve gerust heeft van al Zijn werk, hetwelk God geschapen had om te volmaken’ (Gen. 2:3). Deze zevende dag heeft de goddelijke Werkmeester apart willen zetten. Hij heeft deze dag willen verheffen boven alle andere dagen. Het is een bijzondere dag. De Heere wilde dat de mensen deze dag apart zouden zetten. Zijn beelddragers mogen ook hierin op hun Schepper lijken. En daarom mogen ook zij rusten van hun werken. De mens mag zich verlustigen in de werken Gods, in het werk dat Hij doet in de schepping en – na de zondeval – ook in de herschepping. Hij maakt zondaren zalig. Het belangrijkste doel van de mens is – zo luidt de Kleine Westminster Catechismus – God verheerlijken en eeuwig van Hem genieten. Dát is eeuwig leven. Dit leven begint met de herschepping van een zondaar door de

13


Heilige Geest, in de wedergeboorte. Het is deze Geest Die een herschapen mens gaat leren wat het is om ‘God te verheerlijken en van Hem te genieten’. En daarvoor wil de Heere in het bijzonder de rustdag gebruiken.

Het ‘gedenken’ en de Exodussabbat Er zijn mensen die menen – daarover gaat ook de sabbatsstrijd die in het volgende hoofdstuk ter sprake komt – dat het sabbatsgebod pas ná de uittocht van het volk van Israël is gegeven, als ze bij de berg Horeb staan. Dat is niet juist. Dat blijkt uit de woorden ‘gedenk de sabbatdag’. Het was dus niet nieuw voor de Joden om de sabbat te onderhouden. De Heere zegt: ‘Gedenk’ deze dag. Deze dag moeten ze opnieuw, blijvend, in herinnering houden. Ze moeten deze dag gedenken in die zin dat het volk het ook in praktijk brengt. Het is niet alleen een herinnering. Nee, het is een herinnering die hen tot het actief heiligen van deze dag aanzet. Mozes mag in het boek Deuteronomium nog een extra reden toevoegen aan het gedenken en onderhouden van de sabbat. Zij moeten namelijk terugdenken aan de tijd dat ze in Egypte waren: ‘Want gij zult gedenken dat gij een dienstknecht in Egypteland geweest zijt, en dat de Heere uw God u vandaar heeft uitgeleid door een sterke hand en een uitgestrekte arm; daarom heeft u de Heere uw God geboden, dat gij de sabbatdag houden zult’ (Deut. 5:15). Mozes wijst het volk erop dat zij daaraan moeten terugdenken. Hij zegt: ‘Gedenk … hoe het was onder de roede van de Egyptenaren. Gedenk hoe jullie (voorouders) tijdens die slavernij geen ruimte kregen om te rusten. Altijd werden ze voortgedreven door de slavendrijvers. Nu krijgen ze wel deze

14


rust doordat Gods sterke arm hen uit Egypte heeft gehaald.’ De Heere had met hen een verbond gesloten. De sabbat werd een speciaal teken van dat verbond, van de bijzondere verhouding tussen God en dit ten opzichte van de andere volkeren apart gezette volk. We lezen hiervan in Exodus 31: ‘Gij nu, spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Gij zult evenwel Mijn sabbatten onderhouden; want dit is een teken tussen Mij en tussen ulieden bij uw geslachten; opdat men wete dat Ik de Heere ben, Die u heiligt. (…) Dat dan de kinderen Israëls de sabbat houden, de sabbat onderhoudende in hun geslachten tot een eeuwig verbond. Hij zal tussen Mij en tussen de kinderen Israëls een teken in eeuwigheid zijn; dewijl de Heere in zes dagen de hemel en de aarde gemaakt en op de zevende dag gerust en Zich verkwikt heeft.’ Zó moest het volk die ene dag heiligen. En later, als het in het beloofde land mag komen, moet zelfs het zevende jaar een sabbatsjaar zijn. Het land moet dan ‘rusten’, braak liggen. ‘Doch in het zevende jaar zal voor het land een sabbat der rust zijn, een sabbat den Heere’ (Lev. 25:4). Er was een groot verschil tussen het volk van Israël en de andere volkeren. De Bijbel leert ons dat alle mensen op aarde de Heere als Schepper van hemel en aarde moeten erkennen. Daarom is ook de hele mensheid gehouden om de ‘scheppingssabbat’ te onderhouden. Maar bij het volk Israël gaat het verder. Zij moeten deze dag niet alleen onderhouden vanwege de schepping, maar ook vanwege het feit dat de Heere in een speciale relatie met dit volk was getreden. De sabbat wees heen naar hun verlossing en was ook een teken van de geestelijke verlossing. De rustdag was een dag waarop het volk eraan herinnerd werd dat de Heere hen verloste uit het diensthuis van Egypte.

15


‘De Exodussabbat moest, net als de scheppingssabbat, een dag van heilige rust en viering zijn. Werken was verboden, zodat er gelegenheid werd geboden voor rust en verkwikking, naar lichaam en ziel. De mensen moesten op die dag Gods scheppings- en verlossingswerk vieren. God stelde de dag in als een gedenkteken. Als teken van de schepping getuigt de sabbat ervan dat het bestaan van de wereld af hankelijk is van God en niet van de mens. Als teken van genade verklaart de sabbat dat de zaligheid af hangt van Gods macht, en niet van de werken van de mens.’ Bruce Ray, Laat ons de rustdag wijden, p. 48 Daarom stond er ook een zware straf – de doodstraf! – op het schenden van het sabbatsgebod. Mozes prentte het de jongens, de meisjes, de mannen en vrouwen bij herhaling in: ‘Onderhoud dan de sabbat, dewijl hij ulieden heilig is; wie hem ontheiligt, zal zekerlijk gedood worden; want een ieder die op dezelve enig werk doet, die ziel zal uitgeroeid worden uit het midden harer volken. Zes dagen zal men het werk doen, doch aan de zevende dag is de sabbat der rust, een heiligheid des Heeren; wie op de sabbatdag arbeid doet, zal zekerlijk gedood worden’ (Ex. 31:14 en 15). Dit was geen loze bedreiging. In Numeri 15 wordt ons verhaald van een man die op de sabbat bezig was met hout verzamelen. De mensen die dit zagen, brachten de man bij Mozes en Aäron ‘en tot de ganse vergadering’. De Heere maakte Mozes bekend dat de aangekondigde straf moest worden uitgevoerd: ‘Zo zeide de Heere tot Mozes: Die man zal zekerlijk gedood worden; de ganse vergadering zal hem met stenen stenigen buiten het leger’ (Num. 15:35).

16


De Heere wilde dat de sabbat een heilige, een afgezonderde dag zou zijn. Dat moest onder meer blijken uit het feit dat er geen (niet-noodzakelijke) arbeid werd verricht, uit de verdubbeling van de ochtend- en avondoffers in de tabernakel en tempel én uit de godsdienstoefening die plaatsvond (Num. 28:1-10). De sabbat was een dag die met blijdschap moest worden gevierd, samen met familie, vrienden en bekenden. Het was een dag om de Heere te loven, van Zijn Naam te zingen, Zijn goedertierenheid in de morgenstond te verkondigen, van Zijn getrouwheid in de nachten te spreken. Waarom ook al weer? ‘Want Gij hebt mij verblijd, Heere, met Uw daden; ik zal juichen over de werken Uwer handen.’

Na de ballingschap: wettische onderhouding Wie kennisneemt van het Nieuwe Testament krijgt niet bepaald de indruk dat de Joden tijdens de omwandeling van de Heere Jezus op aarde veel vreugde hadden bij het vieren van de sabbat. Het was meer ‘gebod op gebod en regel op regel’. We lezen van talloze twisten tussen de Zaligmaker en de rabbi’s van die tijd. Hoe kwamen zij ertoe om zo ‘wettisch’ om te gaan met het sabbatsgebod waardoor een verstikkende deken op de sabbat werd gelegd? Zeer waarschijnlijk (en overtuigend naar voren gebracht door Bruce Ray in zijn boekje over de sabbat) houdt deze wijze van denken en leven verband met de Babylonische wegvoering (522 v Chr.). De Babyloniërs kenden ook wel een zevende dag (shappatu) waarop er geen werk werd gedaan, maar dat was omdat men bang was. Met beschouwde de zevende dag als een ongeluksdag. Dát was een reden waarom men niet reisde of werkte.

17


Zo was in de Babylonische wetgeving de regel opgenomen: ‘De herders van de grote volken zullen geen gebakken brood eten of vlees dat op kolen is geroosterd. Hij zal geen schone (klederen) aandoen. Hij zal niet offeren. De koning zal niet op de wagen rijden. Hij zal niet als vorst spreken. Op de plaats der ceremoniën zal degene die de offers aanschouwt geen woord spreken. De arts zal niet voor de patiënten zorgen. (De dag) is niet geschikt om plannen uit te voeren. ’s Avonds zal de koning zijn geschenk aan de grote goden geven. Hij zal een offer brengen; het opheffen van zijn handen zal de god aangenaam vinden.’ Bruce Ray, p. 44-45, 50, 80-81 Deze negatieve houding ten aanzien van de sabbat heeft mogelijk de Joodse rabbijnen beïnvloed in het denken over de sabbatsheiliging. In de rabbijnse mondelinge overleveringen (die uiteindelijk resulteerden in een schriftelijke versie, de Talmoed) zijn veel gedetailleerde regels vastgelegd. Dat gold ook van de sabbat waarvoor de Joden een groot aantal zeer gedetailleerde voorschriften hebben opgesteld. Het traktaat in de Talmoed over de sabbat bevat 39 categorieën van werkzaamheden die als verboden worden aangemerkt. Elk van deze categorieën is weer opgedeeld in 39 onderdelen, waardoor uiteindelijk zo’n 1500 regels of voorschriften worden gevormd! Zo was het bijvoorbeeld verboden om op de sabbat een knoop los te maken, de teennagels te knippen of iets te dragen wat zwaarder is dan een vijg. Een mens mocht geen kunsttand dragen, want die zou uit zijn mond kunnen vallen. Dan zou hij hem moeten dragen, en dat was een verboden werk. Een kleermaker mocht op de sabbat geen naald in zijn zak hebben, want dat zou voor hem werk zijn. De rabbijnen rechtvaardigden deze zeer gede-

18


tailleerde regelgeving door erop te wijzen dat de Schrift (het Oude Testament) onvoldoende duidelijk beschreef wat ‘werk’ was. Daarom zagen zij het als hun taak om in deze leemte te voorzien en mensen precies in te prenten wat zij wel en niet mochten doen. ‘Dit leidde tot de geboorte van een volk van spionnen. Men keek voortdurend om zich heen of er niemand was die iets deed wat verboden was. Zo werd de dag die God had ingesteld als een dag van rust, vreugde en godsdienstoefening, blijdschap en lichamelijke en geestelijke verkwikking veranderd in een vervelende, saaie dag waarop je niets mocht. Het feest veranderde in een begrafenis. De “blijde rei” was veranderd in “weeklacht en geschrei”.’ Bruce Ray, p. 81 De Heere Jezus kwam vaak in conf lict met de Farizeeën over de toepassing van deze regels. Telkens herinnerde Hij – de Heere van de sabbat! – hen eraan dat de rustdag door God zó niet was bedoeld. En zo komen we aan bij de sabbat in het Nieuwe Testament.

19


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook