Hoofdstuk 1
H
et doordringende geluid van de deurbel wekt Sophie uit haar sluimering. Ze gaat langzaam rechtop zitten en veegt haar haren uit haar smalle gezicht. Waarom laten ze haar niet met rust? Het moet toch voor iedereen inmiddels wel duidelijk zijn dat ze alleen wil zijn. Weer wordt er doordringend gebeld. Het is niet moeilijk om het geluid te negeren. Ze heeft de deurbel, de telefoon en de appjes in de afgelopen weken stelselmatig genegeerd. Net zolang tot de meeste mensen het hadden begrepen en haar met rust lieten. Zelfs haar ouders gaven het op den duur op. Ze weet dat iedereen zich zorgen om haar maakt, maar het doet haar niets. Wat heeft ze eraan als anderen naast haar gaan zitten en zeggen dat ze het zo erg vinden? Daar krijgt ze Mark niet mee terug. Voor de derde keer wordt er gebeld. Ditmaal wordt de bel lang ingedrukt. Sophie zucht diep. Wat een volhouder staat er voor de deur. Dat kunnen onmogelijk haar ouders zijn. Haar vader respecteert haar behoefte aan afstand en haar moeder is veel te onzeker en lief om zich zo aan Sophie op te dringen. Zij zouden niet onverwachts voor haar deur staan. Nu niet meer. Sophie beseft dat het niet goed is dat ze haar dierbaren op afstand houdt. Maar het is gewoon te moeilijk om aan anderen te denken. Ze krijgt het amper voor elkaar om voor zichzelf te zorgen. Als er voor de vierde keer driftig wordt gebeld, staat Sophie langzaam op en schuifelt naar de deur. Daar drukt ze, zonder te vragen wie er beneden staat, op de knop om de toegang tot het appartementencomplex te openen.
d
5d
Nog voor ze de bank in de woonkamer heeft kunnen bereiken, wordt er op de deur van haar appartement geklopt. Sophie loopt terug, draait de deur van het slot en haalt het kettinkje van de haak. Marissa. Wie kan het anders zijn? Marissa laat zich niet wegsturen. Zij is het type dat je eerst met rust laat en als ze zich echt zorgen begint te maken, ingrijpt. ‘Kom erin.’ Marissa zegt niets, maar loopt langs Sophie de woonkamer in. Sophie ziet hoe ze even geschokt naar adem hapt, terwijl ze haar ogen door de ruimte laat gaan. Het is ook een grote puinhoop. Lege pizzadozen op de vloer, aangekoekte bakjes van de af haalchinees op de salontafel. Op het bijzettafeltje staan zeker zes vieze drinkglazen en naast de bank op de grond liggen verfrommelde servetjes. ‘Het is goed dat ik gekomen ben. Dit ziet er niet goed uit.’ Sophie haalt haar schouders op. De zooi in haar appartement is eerlijk gezegd het laatste waar ze zich druk om maakt. ‘Wat heb je aan?’ Marissa bekijkt Sophie met opgetrokken wenkbrauwen. ‘Is dat een van Marks overhemden?’ Sophie knikt en trekt de mouwen wat verder over haar koude handen. ‘Hoe lang heb je dat al aan?’ ‘Te lang’, antwoordt Sophie verdrietig. ‘Ik ben Marks geur helemaal kwijt.’ ‘Marks geur?’ ‘Ja, dit overhemd lag over zijn stoel in de slaapkamer. Het was nog niet gewassen en rook zo heerlijk naar Mark. Toen ik het aantrok, had ik het gevoel dat Mark heel dicht bij me was. Maar nu is zijn geur weg en ruikt het overhemd alleen nog maar naar mij.’ Ze kijkt Marissa met betraande ogen aan. ‘Ik ben dom geweest. Ik had dit niet moeten dragen.’
d
6d
‘Ach, lieverd toch.’ Marissa slaat een arm om Sophie heen en drukt haar even tegen zich aan. ‘Dit gaan we doen: jij gaat je even lekker douchen, of nog beter, je neemt een warm, ontspannend bad. In de tussentijd ruim ik het hier een beetje op.’ ‘Daar heb ik geen puf voor’, zucht Sophie. ‘Helaas, meisje. Dan maak je maar puf. Je haar is vet en je ruikt niet fris. Dit kan zo echt niet langer. Straks word je nog ziek.’ ‘Wat maakt het uit of ik ziek word? Is er nog iets wat uitmaakt?’ ‘Ja, jij. Je bent me veel te dierbaar om je zo te zien verpieteren. Hup, naar de badkamer.’ Marissa legt haar handen op Sophies schouders en duwt haar zachtjes richting de badkamer. ‘Bad of douche?’ Weer haalt Sophie haar schouders op. ‘Oké, dan wordt het de douche’, hakt Marissa de knoop door. ‘Hier is een schone handdoek. Neem de tijd, dan heb ik ook even de tijd om hier op te ruimen.’ Sophie stapt de badkamer in en doet de deur achter zich op slot. Ze draait de warmwaterkraan open en kleedt zich langzaam uit. Als ze onder de douche stapt, hapt ze van schrik naar adem. Het water is loeiheet en lijkt haar huid te branden. Ze sopt zich f link in en blijft lang onder de hete stroom staan. De douchecabine vult zich met stoom. Sophie knijpt haar ogen dicht. De eikenhouten kist. Mark in zijn mooiste pak, donkerblauw met een klein wit streepje. Zijn donkerblonde haar keurig gekamd. Iets te keurig naar haar mening; Mark droeg zijn haar nooit zo netjes. Hij zag er zo natuurlijk uit, bijna levend. Sophie had de neiging moeten onderdrukken om haar gezicht tegen zijn mond te leggen om te voelen of hij nog ademde. Sophie doet haar ogen weer open. Maar de herinneringen aan de begrafenis blijven scherp op haar netvlies staan. Haar ogen
d
7d
vullen zich met tranen en eerst zachtjes, maar al snel harder begint ze te huilen. Met lange uithalen en hevig gesnik gooit ze haar verdriet eruit. Ze legt haar handen tegen de douchewand en laat het water op haar rug kletteren. Als ze helemaal is uitgehuild en zich doodmoe voelt, draait ze de kraan dicht en stapt uit de douchecabine. Ook de badkamer heeft zich met stoom gevuld en haar spiegelbeeld is wazig. Terwijl ze zich afdroogt, hoort ze Marissa in de kamer rondscharrelen. Wat is ze eigenlijk blij dat haar vriendin er is. Ze had gedacht dat ze liever alleen wilde zijn, maar nu Marissa hier is, merkt ze dat ze zich de afgelopen weken wel heel eenzaam heeft gevoeld. Ze doet de badkamerdeur open en met een handdoek om zich heen geslagen loopt ze naar haar slaapkamer, waar ze comfortabele, warme kleren uit de kast haalt. Nadat ze zich heeft aangekleed, loopt ze naar de woonkamer. Daar kijkt ze verbaasd rond. Marissa heeft gezegd dat ze zou opruimen, maar Sophie had niet verwacht dat ze in betrekkelijk korte tijd zoveel kon doen. Alle afval is opgeruimd, de kussens op de bank zijn opgeschud en de salontafel is blinkend schoon. ‘Zo, jij weet van aanpakken’, zegt Sophie. ‘Wat is het hier netjes.’ Marissa kijkt haar glimlachend aan. ‘Ik zuig nog even het laatste stukje en dan zet ik een lekker kopje thee.’ Sophie kruipt op de bank en trekt een deken over zich heen. Intussen stofzuigt Marissa het laatste stukje van de kamer. Sophie kijkt toe hoe ze de stofzuiger opruimt en naar de keuken gaat om thee te zetten. Even later zitten ze dicht tegen elkaar op de bank, allebei met een glas hete thee. ‘Dank je’, f luistert Sophie. Marissa geeft haar een stootje met haar schouder. ‘Graag gedaan.’
d
8d
In stilte drinken ze hun thee. Sophie beseft dat ze het fijn vindt dat Marissa bij haar op de bank zit. ‘En nu?’ Marissa buigt zich naar voren en zet haar glas op de salontafel. ‘Wat ga je nu doen, Sophie?’ ‘Ik heb werkelijk geen idee. Zoals je weet ben ik de week na Marks begrafenis weer naar mijn werk gegaan. Maar het was vreselijk. Er kwam niets uit mijn handen en mijn hoofd stond totaal niet naar werken. Mijn directeur heeft me naar huis gestuurd om eerst drie weken bij te komen. Die weken zijn voorbij, dus ik zal weer moeten beginnen. Alleen: ik word al moe als ik eraan denk. Ik weet dat ik weer onder de mensen moet komen, maar ook daar word ik moe van. Ik weet het gewoon niet, Marissa.’ ‘Stapje voor stapje.’ ‘Ja, dat denk ik ook. Stapje voor stapje.’ ‘Je zult moeten leren leven met deze nieuwe situatie en dat zal tijd kosten.’ ‘Leven zonder Mark, bedoel je.’ ‘Ja, leven zonder Mark. Ik weet hoe goed jullie het hadden. Stiekem was ik er weleens jaloers op. Ik kan me alleen maar een heel klein beetje indenken hoe je je nu voelt.’ ‘Ik denk niet dat ik kan leren leven zonder Mark.’ Een traan glijdt over Sophies wang en valt op haar samengebalde handen. ‘Misschien is het goed om er met iemand over te praten.’ ‘Dat doe ik nu toch. Ik praat met jou.’ ‘En dat is zeker goed. Ik ben allang blij dat iemand eindelijk contact met je heeft. Maar ik bedoel professioneel praten.’ ‘Een psychiater?’ Met afschuw op haar gezicht kijkt Sophie haar vriendin aan. ‘Bijvoorbeeld. Of misschien kun je beginnen om met je dominee te praten. Dat kan ook helpen.’
d
9d
‘Nee, niet de dominee.’ ‘Waarom niet?’ ‘Omdat ik nu niets met God kan.’ Sophie ziet de schrik in Marissa’s ogen, ook al wendt haar vriendin snel haar blik af. ‘Ik weet wat je denkt.’ ‘O ja?’ ‘Ja, je vindt dat ik juist bij God mijn troost moet zoeken. Juist in tijden van lijden en dood is Hij onze redding. Toch?’ ‘Ja, dat geloof ik. Jij toch ook?’ ‘Ik weet het op dit moment niet, Marissa. Ik moet je eerlijk bekennen dat ik heel boos ben op God.’ ‘Dat snap ik.’ ‘Echt?’ ‘Ja, natuurlijk. Maar ik hoop van harte dat je niet boos op Hem blijft. Je hebt Hem nodig, weet je.’ Sophie klemt haar lippen op elkaar en haar gezicht betrekt. ‘Ik zal er nu niets meer over zeggen, maar ik hoop echt dat je met iemand gaat praten. Over je verdriet en over God.’ ‘Ik weet niet of ik er al over kan praten. Ik voel me in honderdduizend stukjes gebroken en ik geloof niet dat ik ooit nog gelijmd kan worden.’ Marissa zegt niets, maar slaat haar armen om Sophie heen en drukt haar tegen zich aan. Heerlijk is dat, als je niets hoeft te zeggen en je toch getroost voelt. Marissa weet wanneer ze moet praten en wanneer ze beter kan zwijgen. Het is zo fijn om weer vastgehouden te worden. Sophie legt haar hoofd op Marissa’s schouder. ‘Gaat het ooit over?’ f luistert ze in Marissa’s haar. ‘Ik weet het niet’, antwoordt Marissa eerlijk. ‘Maar ik denk dat het op den duur wel gemakkelijker zal worden.’
d
10 d
De rest van de avond blijft Marissa. Ze rent naar de winkel voor een paar boodschappen en draait in no-time een heerlijke maaltijd in elkaar. Pas als het tegen tienen loopt en Sophie alleen nog maar kan gapen, staat Marissa op om te vertrekken. ‘Denk er nog over na, wil je. Over hulp zoeken. Ik meen het. Zo kun je niet doorgaan.’ Sophie knikt halfslachtig en kust haar vriendin op de wang. Nadat Marissa vertrokken is, doet ze de lampen uit en gaat naar de slaapkamer. Ze kruipt onder het koude dekbed en neemt Marks kussen in haar armen. Ze sluit haar ogen, maar de slaap wil niet meteen komen. Ze kijkt terug op een fijne avond. Door Marissa’s komst heeft ze pas gemerkt hoe eenzaam ze de laatste weken is geweest. Wellicht is de tijd gekomen om zich weer onder de mensen te begeven. Die gedachte geeft haar niet meteen een onrustig gevoel en dat is een goed teken. Ze zucht en draait zich op haar zij. Niet lang daarna valt ze in slaap.
d
11 d