Brieven 181-365
Brief 181 Aan Earlston jr. Gevaren van de jeugd – Christus de beste Arts – vier remedies tegen twijfel – hunkering naar Christus’ eer Zeer geachte en geliefde in de Heere, Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Uw brieven geven mijn luiheid in het schrijven een stoot. Ik moet u allereerst zeggen: geen stuk weg tussen u en de hemel is zo spiegelglad en glibberig als de jeugdige leeftijd. Mijn ervaring kan hiervan meepraten en verzegelen wat ik verklaar. De oude as van de zonden van mijn jeugd1 zijn een nieuw vuur van droefheid voor mij. Ik heb de duivel als het ware dood en begraven gezien, en toch weer zien opstaan als een ergere duivel dan hij ooit was. Daarom, mijn broeder, wacht u voor een groene, jonge duivel, die nooit begraven is geweest. De duivel in zijn bloei (ik bedoel: de hete, vurige lusten en hartstochten van de jeugd) is zeer te vrezen; het is beter vechten met een oude, grijsharige, verwelkte en verdorde duivel. Want in de jeugdige leeftijd vindt hij droog hout, en droge kolen, en een hete haardsteen; en hoe vlug kan hij met zijn vuursteen vuur maken en dat met zijn blaasbalg aanblazen en het huis in brand steken! Geheiligde gedachten, gedachten waarover gewetensvol wordt gewaakt in ontzag voor de Heere, zijn groen hout dat niet brandt, en water voor satans kool. Toch moet ik u zeggen dat de volmaakte heiligen die nu in de hemel triomferen en voor de troon staan, niets anders dan Christus’ berooide en armoedige bankroetiers zijn. Wat zijn zij anders dan een hoop verloste zondaars? Echter, hun verlossing is niet alleen verzegeld, maar ook voltooid, terwijl aan de uwe nog gewerkt wordt. Al Christus’ lieve kinderen gaan naar de hemel met een kapot voorhoofd en met een kreupel been. Christus behaalt voordeel van u, en ik bid u: laat Hem dat hebben; Hij zal in u werk vinden voor Zijn beroep. Als het niet zo met u zou zijn als u schrijft, zou de genade geen vraag of markt bij u vinden; maar u moet ermee tevreden zijn dat u Chris1. Ps. 25:7.
23
tus iets te doen geeft. Ik ben blij dat Hij op die manier werk heeft. Geef uw bloedende ziel en uw zweren over aan de handen van deze deskundige Arts. Laten uw jonge en sterke verdorvenheden en Zijn vrije genade het samen uitvechten, en laat Christus en uw zonden de zaak onderling beslechten. Ik zou u niet graag van uw vrees en uw gevoel van dodigheid afhelpen (ik wenste wel dat er meer van was). Sommige wonden zijn van dien aard dat hun bloeden niet snel gestopt mag worden. U moet een huis naast de Arts betrekken. Het zou een wonderlijke zaak zijn als Hij u wegstuurt zonder genezing en slechter dan Hij u vond; u zou de eerste zieke zijn die zoiets meemaakt. Nee, o nee, Christus is eerlijk en kan niet door zondaars beschuldigd worden over deze woorden: ‘En die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen’ (Joh. 6:37). Neemt u deze woorden; het kan geen aanmatiging zijn om deze uitspraak te nemen als op u van toepassing, wanneer u merkt dat uw wonden u een stekende pijn bezorgen. Iemand die zich wat aanmatigt, doet slechts of hij ziek is, maar is eigenlijk gezond, en kreunt alleen maar voor de schijn. Geloof voelt de ziekte, en kijkt als een vriend naar de belofte, en is blij een bekend gezicht te zien wanneer het in de belofte naar Christus kijkt. Christus is zulk een volle feestmaaltijd voor de honger als u maar krijgen kunt. Ja, ik zeg: Christus is niet het overschot van iemand die verzadigd is. Zijn barmhartigheid stuurt altijd een uitdagende brief naar al uw zonden, ook al waren het er nog tienduizend meer. Ik ben het met u eens dat het voor een arm, hongerig mens moeilijk is om zijn voedsel uit een verborgen Christus te halen, want dan is de sleutel van de deur van Zijn voorraadkast en van het wijnhuis kwijt en niet te vinden. Maar honger moet door ijzeren sloten heen breken. Ik beklaag hen niet, die vanwege een verloren Zaligmaker drukte maken en alles op stelten zetten. Wanneer Hij Zich verbergt, moet u het Hem (om zo te zeggen) in beide oren laten horen; het is dan niet de tijd om timide en geduldig te zijn. Christus is inderdaad zeldzaam en kostelijk voor een zondaar. Hij is een wonder, ja, een wereldwonder voor een zoekende en wenende zondaar; maar niettemin zulk een wonder dat gezien zal worden door degenen die willen komen en zien. De zoeker en zuchter is uiteindelijk een zanger en genieter; ja, ik heb zelfs een stomme een aalmoes van Christus zien krijgen. Hij die zijn verhaal kan doen en zo’n brief naar de hemel kan sturen als hij naar Aberdeen heeft gestuurd, zal naar alle waarschijnlijkheid spoedig gehoor vinden bij Christus. 24
Het is een voorbode van Gods barmhartigheid als u hartelijk klaagt over de zonde. Worstel met Christus totdat Hij zegt: ‘Hoe komt het, mijnheer, dat Ik niet van uw verzoeken en uw onfatsoenlijke geroep kan af komen?’ en hoop dan op Christus’ zegen; Zijn zegen is beter dan tien andere zegeningen. Acht het geen schande omdat u zo schuldig bent; nood moet zich er niet voor schamen om te bedelen. Het valt u hard Christus te missen; en daarom, wat een nutteloos blijven wachten niet kan doen, zal een onbeschaamd roepen en kloppen doen. Wat betreft uw twijfels omdat uw omgang met uw Meester niet meer is zoals vroeger, overdenk drie dingen: 1. Wat, als Christus net zulke onzekere gedachten over de overeenkomst van het nieuwe verbond tussen u en Hem zou hebben als u? 2. Uw hart is niet het kompas waarop Christus zeilt. Hij zal u verlof geven om te zingen zoals u wilt, maar Hij zal niet naar uw pijpen dansen. Het is niet aan u en uw gedachten om te bepalen wat Christus met de op schrift gestelde afspraken tussen u en Hem zal doen. Uw eigen wantrouwen heeft ze verscheurd, maar Hij bewaart het hoofddocument bij Zich in de hemel. Uw gedachten maken geen deel uit van het nieuwe verbond; dromen veranderen Christus niet. 3. Twijfels zijn uw zonden, maar ze zijn ook Christus’ medicijnen en bestanddelen waarvan de Arts gebruikmaakt tot genezing van uw hoogmoed. Past het een bedelaar niet om aan tafel te zeggen: ‘God belone de kostwinners’? Want zo maakt hij duidelijk dat hij weet wie de lasten van het huis draagt. Het is ook gepast dat u uit ervaring zou weten dat het geloof niet de onwettige bastaard van de natuur is, maar de vrije gave van uw Heere, die in de baarmoeder van Gods vrije genade lag. Geprezen zij de Kostwinner! Ik kan er ten vierde nog aan toevoegen: tijdens de bekrachtiging van uw akte en uw oorkondes, toen ze het grootzegel van de Middelaar kregen en bindend werden gemaakt, werd het advies van het geloof niet gevraagd. Het geloof heeft geen stem naast Christus’ verdiensten; het bloed, het bloed, het dierbare bloed dat uit het heilige lichaam van uw Borg kwam, maakt dat werk zeker. Het gebruik dat u dus op dit moment van het geloof hebt (nu u Jezus Christus reeds hebt aangenomen tot rechtvaardigmaking) is dat u daarmee een afschrift van uw kwijtschelding tevoorschijn haalt; en zo hebt u vrede met God op rekening van Christus. Het geloof grijpt de vergeving aan, maar betaalt er nooit een penning voor; daarom is het geen wonder 25
dat de zaligheid niet samen met de werking van het geloof sterft en leeft of eb en vloed kent. Aangezien het tot eer van uw Heere is dat u Zijn barmhartigheid en Zijn trouw gelooft, is het oneindige goedheid in onze Heere dat ons wantrouwen wel de heerlijkheid van onze Heere, maar niet onze zaligheid aantast. Dus, wíé er ook tekort moge komen – ja, ook al verdraagt God hier het gemis van wat wij verplicht zijn Hem te geven, namelijk de heerlijkheid van Zijn genade door te geloven – een arme zondaar die in het verbond is komt niet tekort. Als de schuldigheid zou zijn weggenomen, zouden de twijfels geen vriend of leven vinden; maar het geloof moet geloven dat de schuldigheid in Christus ís weggenomen. Een reden waarom u nu minder krijgt (volgens uw gedachten) dan vroeger, is naar mijn mening dat onze Heere bij onze eerste bekering het voedsel met Zijn eigen hand in de mond van de jonge kinderen stopt; maar wanneer wij tot enige verdere volmaaktheid opgroeien, moeten we de hemel met geweld nemen en van Christus met geweld nemen wat we krijgen. Hij kan het vasthouden en dat doet Hij ook, omdat Hij wil dat wij gaan trekken. Bedenk dat u nu moet leven door geweldig te rukken. Luiheid is nu een grotere fout dan vroeger. Wij willen graag dat ons altijd de tepel in de mond gestopt wordt. Nu, wat mijzelf betreft, ik ben helaas niet de man voor wie ik bij deze natie doorga; de mensen hebben geen rechte gewichten om mij mee te wegen. O, ik ben maar een gering, nietig mens, die met onkruid overgroeid is; de verdorvenheid in mij is welig en vet. O, dat ik beter zou passen bij deze heilige zaak en bij de liefde van die eerwaardige Vorst voor Wie ik nu lijd! Als Christus de zaak naar mij zou doorverwijzen (ik zeg dit in Zijn tegenwoordigheid), dan zou ik mij wel mogen schamen om op mijn eigen zaligheid te stemmen. Ik denk dat Christus zou kunnen zeggen: ‘Schaamt u zich niet om aanspraak op de hemel te maken, terwijl u er zo weinig voor doet?’ Heel vaak ben ik zo gesteld dat ik niet weet of ik in het water zink of zwem. Ik merk dat ik een hoop licht schuim ben. Ik zou geen gewicht hebben (‘ijdelheden’ en ‘nieten’ hebben echter gewicht in Christus’ weegschaal), als mijn Heere geen geleend gewicht in de weegschaal legde, namelijk Christus’ gerechtigheid, in mijn plaats. Het kapitaal dat ik heb, is niet van mijzelf; ik ben slechts een koopman die met de goederen van anderen handeldrijft. Als mijn Schuldeiser 26
Christus mij zou afnemen wat Hij geleend heeft, zou ik me niet meer lang op straat durven vertonen; maar Christus heeft het zowel mijn als Zijn eigendom gemaakt. Ik vind het juist manhaftig om een lafaard te zijn en in de luwte achter Christus weg te duiken; zo word ik niet alleen gered van mijn vijanden, maar behaal ik ook de overwinning. Ik ben zo leeg, dat als Christus tot in eeuwigheid de dank van een arme gevangene zal willen krijgen door mij met Zijn liefde te vervullen, dit voor mij zal zijn alsof Hij mij een aalmoes geeft. Ik klaag dat wanneer Christus komt, Hij altijd alleen maar komt om een kooltje vuur te halen; Hij heeft steeds haast, Hij kan niet lang blijven. En ik, arm schepsel (een armoedige bankroetier) krijg slechts een staand bezoek en een staande kus en mij wordt slechts in het voorbijgaan gevraagd: ‘Hoe gaat het met u?’ Ik durf niet te zeggen dat Hij hooghartig is omdat Hij nu Koning is gemaakt aan Gods rechterhand, of dat Hij voortaan afstandelijk en gereserveerd doet tegen Zijn arme vrienden (want Hij kan Zijn kussen geen hogere waarde toekennen dan ze hebben). Maar ik acht het mijn gelukzaligheid om de liefde van Christus lief te hebben; en wanneer Hij weggaat, is de herinnering aan Zijn zoete tegenwoordigheid als een feestmaal in een schrale zomer. Hierin vind ik troost, dat mijn ziel begeert dat elk uur van mijn gevangenschap als het ware een menigte hemelse tongen zou zijn, om Hem te prijzen namens mij, al zouden mijn banden nog vele honderden jaren langer duren. O, dat ik een man zou zijn die de heerlijkheid van mijn Heere als de vloed in een volle zee kon doen opkomen, en als een machtige wind naar alle vier de windstreken van Schotland, Engeland en Ierland kon doen waaien! O, dat ik een boek kon schrijven over Zijn lof! O Schoonste onder de mensenkinderen,1 waarom blijft Gij zo lang weg? O hemelen, beweeg snel! O tijd, verloop, verloop en verhaast de huwelijksdag, want de liefde wordt gepijnigd door uitstel! O engelen, o serafijnen die voor Hem staan, o gezegende geesten die nu Zijn aangezicht zien, verhoog Hem! Want wanneer u uw harpen in Zijn lofprijzingen versleten zult hebben, is alles nog te weinig, ja, niets, om de geur van de lof van die schone Bloem, die heerlijk geurende Roos van Saron2 door vele werelden te verspreiden! 1. Ps. 45:3. 2. Hoogl. 2:1.
27
Mijnheer, doe mijn hartelijke groeten aan Hem en zeg Hem aan dat ik ziek ben van liefde.1 Genade zij met u. De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford Aberdeen, 16 juni 1637
c
Brief 182 Aan zijn geachte en geliefde broeder, Alexander Gordon van Knockgray Blijdschap in God – beproevingen strekken tot eer van Christus Innig geliefde en zeer geachte broeder, Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Ik heb geen brief van u gezien sinds ik te Aberdeen gekomen ben. Ik zal daaruit niet concluderen dat u mij vergeten bent. Ik bevind mij hier in een fraaie gevangenis; Christus is mijn zoete en eerwaarde Medegevangene, en ik Zijn droeve en blijde adellijke gevangene (als ik het zo mag zeggen). Ik denk dat dit kruis mij goed past en betamelijk voor mij is omdat het mijn plicht is voor Christus te lijden, maar niet omdat ik het zou verdienen dat mij deze eer bewezen wordt. Hoe het ook zij, ik zie dat Christus sterk is, zelfs al ligt Hij in het stof, in de gevangenis en in ballingschap. Verlies en schande zijn de wielen van Christus’ triomfwagen. Evenals Hij in het lijden van Zijn heiligen het goede voor hen beoogt, zo beoogt Hij ook Zijn eigen eer, en dat is de roos waar Zijn pijlen op afgeschoten worden. En Christus schiet niet lukraak; Hij raakt wat Hij van plan is te raken. Daarom maakt Hij van Zijn geringe en zwakke ‘nieten’ en van degenen die door mensen veracht worden, een nieuwe scherpe dorssnede, die scherpe pinnen heeft, om bergen te dorsen en te vermalen en 1. Hoogl. 5:8.
28
om heuvelen gelijk kaf te stellen en te wannen (Jes. 41:15-16). Is er een hardere materie of een harder graan om te dorsen dan hoge en rotsachtige bergen? Maar de heiligen zijn Gods dorssleden, om ze allemaal tot kaf te verpletten. Zijn wij niet Gods aarden vaten? En toch, zelfs wanneer ze ons over het dak van een huis heen gooien, liggen we nog niet aan diggelen. In de grote stortregen kruipen we onder de vleugels van onze Heere, en het water kan niet door deze vleugels dringen. Het is dus dwaasheid als mensen zeggen: ‘Dit is Christus’ proces niet; Hij zal de weddenschap verliezen; het ziet ernaar uit dat de mensen Hem te slim af zijn.’ Dat zou inderdaad een vreemd spel zijn. Ja, ik durf mijn ziel in pand te geven voor Christus’ kant, en verlies en winst met mijn Meester te delen. Laten de dwazen lachen zoals een dwaas lacht en Christus beschimpen en de huilende gevangenen in Babel bevelen: ‘Zingt ons een van de liederen Sions;1 speel een wijsje om uw droefhartige God op te vrolijken.’ Wij kunnen vooraf al zingen in het vooruitzicht van een goede afloop, ja, tijdens onze winterstorm in de verwachting van een zomerzon volgend jaar. Geen geschapen machten binnen of buiten de hel kunnen de muziek van onze Heere Jezus bederven of ons vreugdegezang verknoeien. Laten wij dan vrolijk en verblijd zijn in het heil van onze Heere, want het geloof heeft nog nooit reden gehad om natte wangen en neerhangende wenkbrauwen te hebben, of om te kwijnen of te sterven. Wat zou er mis kunnen zijn voor het geloof, aangezien Christus Zelf Zich door het geloof laat gebieden (ik zeg dit met eerbied voor Hem) en Christus alle dingen gebiedt? Het geloof mag dansen omdat Christus zingt, en wij mogen in het koor komen en onze schorre en grove stemmen verheffen, en samen met onze Heere Jezus kwinkeleren en zingen en juichen van blijdschap. Wij zien dat ossen huppelend en springend naar het slachthuis gaan. Wij zien ook dat Gods gemeste ossen, bereid voor de dag der slachting, dansend en zingend neerdalen naar de zwarte binnenkamers van de hel omlaaggaan. En waarom zouden wij dan huilend naar de hemel gaan, alsof we van verdriet door de aarde zouden zakken? Als God dood was (als ik dit mag zeggen met eerbied voor Hem Die leeft tot in alle eeuwigheid), en als Christus begraven en onder de wormen verteerd was, dan zouden we goede reden hebben om er als 1. Ps. 137:1, 3.
29
dode mensen uit te zien. Maar: ‘De Heere leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen, en verhoogd zij de God mijns heils’ (Ps. 18:47). Niemand heeft recht op blijdschap dan wij, want vrolijkheid is voor ons gezaaid1 en een slechte zomer of herfst zal de oogst niet bederven. De kinderen van deze wereld hebben veel geroofde blijdschap waar ze niet op eerlijke wijze aan gekomen zijn. Het is geen goede grap waar zij om lachen. Zij stelen de blijdschap als het ware van God, want Hij gebiedt hun te wenen en te huilen.2 Laten wij dan aanspraak maken op onze eerlijk verkregen en wettig verworven blijdschap. Mijn geliefde broeder, ik kan niet nalaten te spreken wat ik gevoeld heb, aangezien mijn Heere Jezus een fles nardus boven het hoofd van Zijn arme gevangene gebroken heeft en het lastig is om een aangename geur te verbergen. Het is moeilijk om Christus’ liefde in de doofpot te stoppen; ze wil eruit, of wij nu willen of niet. Als wij ons zouden uitdrukken in overeenstemming met de zaak zelf, zou een kruis voor Christus voortaan een andere naam hebben. Ja, een kruis, vooral wanneer Hij met Zijn armen vol vreugde komt, is het gelukkigste harde hout dat ooit op mijn zwakke schouders gelegd werd. Christus en Zijn kruis samen zijn zoet gezelschap en een gezegend paar. Mijn gevangenis is mijn paleis; mijn droefheid is zwanger van blijdschap; mijn verliezen zijn rijke verliezen; mijn pijn is lichte pijn; mijn bedrukte dagen zijn heilige en gelukkige dagen. Ik kan mijn vrienden iets nieuws over Christus vertellen. O, dat ik een liefdeslied van Hem kon maken, en Christus kon aanprijzen en Zijn lof op de juiste toon kon doen klinken! O, dat ik alle tongen in Groot-Brittannië en Ierland aan het werk kon zetten, om mij te helpen een nieuw lied van mijn Beminde te zingen! O, dat ik een brug over het water kon zijn voor mijn Heere Jezus, om over te lopen en zo Zijn voeten droog te houden! O, dat mijn arme stukje hemel kon instaan tussen mijn Heere en godslastering en oneer (op voorwaarde dat Hij mij zal blijven liefhebben)! O, dat mijn hart dit kon zeggen en er voor eeuwig bij kon blijven! Is er geen grote kunstzinnigheid en weergaloze wijsheid in mijn Heere, omdat Hij zulke schone appels uit de ruwe boom van het kruis kan voortbrengen? Ja, de nooit genoeg bewonderde voorzienigheid van mijn Vader kan een fraai feestmaal uit een zwarte duivel maken. 1. Ps. 97:11. 2. Jak. 5:1.
30
Niets kan verkeerd uitvallen voor mijn Heere in Zijn zoete werking. Terwijl Christus mij kust, zou ik in een vaste slaap vallen in Zijn armen, met mijn zondige hoofd op Zijn heilige borst, ware het niet dat de wind vaak naar het noorden draait en mijn zoete Heere Jezus afstandelijk tegen mij is, zodat Hij niet wil geven of nemen, lenen of uitlenen. Dan klaag ik dat Hij niet gemeenzaam met mij omgaat; ik noem Hem bijna trots en hooghartig in het kiezen van Zijn gezelschap en in Zijn omgang, terwijl dat toch niet waar is. Ik zou bereid zijn om te geven, ook al zou Hij niet nemen. Ik zou bereid zijn om op zulke tijden geen kussen van Hem te krijgen, als Hij maar bereid zou zijn om dicht bij mij te komen en mijn smakeloze, schuchtere en armzalige kussen te krijgen. Maar op zo’n tijd wil Hij Zich niet laten verbidden; nee, Hij laat de arme ziel maar staan en kloppen zonder haar te laten weten dat Hij hoort. Dan zijn de oude restjes en overgeschoten brokken en droge zuchten een groter onthaal dan ik onder woorden kan brengen. Dit is dus alles wat ik in zo’n geval heb: ook al hebben de wet en de toorn een vonnis tegen mij gekregen, toch vertrouw ik op zoveel goeds in Christus dat het vonnis zal worden opgeschort en ik mijn zaak met argumenten opnieuw voor mijn Liefste mag brengen. Ik verlang slechts gehoor te krijgen. En uiteindelijk is Hij bereid om de zaak met een dwaas te komen vereffenen en hem om niet te vergeven, omdat Hij God is. O, dat de mensen Hem zouden verheerlijken en van Christus’ zoetheid zouden smaken! Broeder, het is nodig dat u Christus heilig lastigvalt vanwege deze hoerachtige kerk; ik vrees dat Christus water zal gooien op Schotlands kool. Ja, ik weet dat men Christus en Zijn vrouw zal horen;1 Hij zal twisten vanwege het verbroken verbond. Wapen u tegen die tijd. Genade zij met u. De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford Aberdeen, 16 juni 1637
c
1. Vgl. het eerste deel van de Brieven (IIIA), p. 245 nt. 1 (noot vert.).
31