Inhoud Woord vooraf
11
1 Johannes 4:16b-18
12
Inleiding
13
De bron van de liefde
22
Volharden
36
De vrucht van de liefde
54
De grond voor de liefde
61
Zijn beeld vertonen
75
Een goed geweten
88
Streven naar volmaaktheid
99
De bron van de liefde Nu gaat het bij Gods Woord zo, dat de duivel overal zijn zaad strooit. Hij doet er zijn uiterste best voor dat de christenen niet in waarheid en oprechtheid het Woord aannemen. Hij probeert zijn huis te vullen met allemaal holle vaten, die slechts de naam en het woord hebben van ware christenen en het Woord alleen maar op de tong laten zweven als het schuim van het bier. Het is dus nodig dat we altijd erop aandringen en ertoe vermanen dat de mensen nadenken en echt christen zijn en dat door de liefde bewijzen. Dat doet Johannes hier ook. Daarom zegt hij: God is de liefde en wie in de liefde blijft, die blijft in God en God in hem. Dat is nog eens hoog ingezet. De liefde wordt uitmuntend geprezen en verheven. Er wordt sterk toe vermaand en aangezet met het allerhoogste en allervolmaaktste Voorbeeld. En toch wordt het zo eenvoudig gezegd (zoals Johannes gewoon is) dat ik het niet zou kunnen. Ik verwonder me erover dat hij zo eenvoudig en met zulke gewone woor22
den over zulke verheven zaken kan spreken. Als nu niets ons zou kunnen bewegen en aanzetten tot de liefde, zou dit het wel moeten doen: het aanschouwen van het voorbeeld van God, de hoge Majesteit. Want God (zegt Johannes) is Zelf de liefde. Is dat waar? Dan vloeit dit eruit voort: wie in de liefde blijft, die blijft in God en omgekeerd God in hem. Laten we daarom niet gering denken over de liefde. Want wilt u weten wat de liefde is? Ik kan het u niet beter zeggen dan dat het God Zelf is. Hoe kan de liefde hoger en heerlijker geprezen worden? Want wat is hoger en heerlijker dan God? Daarom is het een uitmuntende manier van spreken. Want met dit ene woord zegt en omvat Johannes meer dan welke persoon ook in woorden kan uitdrukken. De apostel Paulus heeft ook prachtig over de liefde geschreven. Hij prijst ze uitbundig, met veel woorden, in heel 1 Korinthe 13. Hij somt haar goedheid en deugd op: ‘De liefde is lankmoedig, vriendelijk, niet afgunstig, niet lichtvaardig, niet trots, niet opgeblazen, zoekt niet het hare, laat zich niet verbitteren.’ Eveneens: ‘Zij verdraagt alles, hoopt alles, gelooft alles’, enzovoorts. Maar toch wordt met al deze woorden nog niet zoveel gezegd en niet zo machtig gesproken als met dit ene woord: de 23
liefde is God Zelf. Of: God is louter liefde. Daarmee schildert Johannes het ons op de zoetste en vriendelijkste manier. Hij spoort ons op de krachtigste manier aan om ook daarnaar te staan en te bedenken hoe waardevol het is wanneer een mens zover komt dat hij God en zijn naaste van harte liefheeft. Want wie dit heeft, die heeft het Goed dat God Zelf heet en is. Als Johannes zou zeggen: De liefde is een grote, waardevolle schat van honderdduizenden guldens of een uitgebreid koninkrijk, wie zou dat niet als iets groots beschouwen? Wie zou er niet heengaan, hoe ver het ook weg was? Wie zou niet zijn zweet en bloed ervoor over hebben als hij het zou hopen of weten te verkrijgen? Ja, al zou het iets geringers zijn, een mooi huis of een zak vol guldens, hoe zou men elkaar erom verdringen! Maar wat stelt dat eigenlijk allemaal voor? Wat zijn het geld en goed, de macht, wijsheid en gerechtigheid van de hele wereld, ja, wat zijn zon en maan, hemel en alle schepselen, en bovendien alle engelen en heiligen? Geen van hen is de liefde. De liefde is het enige, eeuwige en onuitsprekelijke goed en de allerhoogste schat, die God Zelf genoemd wordt, uit Wie alles vloeit en zijn wezen heeft, ja, in en door Wie alles bestaat. Bovendien, wie in de liefde blijft, die blijft in God 24
en God in Hem, op zo’n wijze dat hij en God één brood worden. Nu, zulke woorden zouden niet alleen de papisten, maar ook onszelf ertoe kunnen bewegen om te zeggen dat niet alleen het geloof rechtvaardig maakt, maar ook de liefde. Johannes schrijft de liefde hier immers zoveel toe dat hij stelt: wie in de liefde blijft, die blijft in God en heeft God Zelf. En wie God heeft, die heeft alles. Hij heeft zich echter niet voorgenomen om hier te leren hoe wij rechtvaardig voor God worden en tot genade komen of de liefde verkrijgen waarmee Hij ons liefgehad heeft. Dat kan immers niet dan alleen door het geloof geschieden. Dat zegt hij zelf ook direct voorafgaand aan deze woorden: ‘Wie belijdt dat Jezus Gods Zoon is, in hem blijft God en hij in God en wij hebben gekend en geloofd de liefde die God tot ons heeft.’ (1 Joh. 4:15 en 16a) Maar de apostel wil dit hier tot een voorbeeld aanhalen, om ons des te sterker daartoe aan te sporen. Hij wil zijn christenen immers graag opwekken en hartelijk vermanen en laten ontvlammen, zodat ze zouden branden in de liefde jegens elkaar. Daarom geeft hij zo hoog op over de liefde en prijst hij ze zo, zoals ze ook te prijzen is. Want waarom moeten we er zoveel woorden aan wijden? We kunnen 25
met veel omhaal van woorden zeggen dat ze een hoge, edele eigenschap van de ziel is en de meest waardevolle en volkomen deugd, zoals de filosofen en papisten doen. Toch stelt dat allemaal niets voor bij wat Johannes uitstort als hij zegt: God is Zelf de liefde en Zijn wezen is louter liefde. Als iemand God zou willen schilderen en afbeelden, zou hij een afbeelding van louter liefde moeten maken, als zou de goddelijke natuur niets anders zijn dan een vurige oven en een gloed van deze liefde die hemel en aarde vervult. En omgekeerd, als de liefde geschilderd en afgebeeld zou kunnen worden, zou men een afbeelding moeten maken die niet natuurlijk of menselijk, zelfs niet engelachtig of hemels is, maar God Zelf zou zijn. Kijk, zo kan de apostel het hier afschilderen, dat hij van God en de liefde een eenheid maakt. Door dit edele, uitmuntende en lieflijke beeld wil hij ons des te meer tot zich lokken en trekken. Hij wil daarmee bereiken dat wij ook onderling liefde hebben en ons wachten voor nijd, haat en onenigheid. Want de liefde is een beeld van God en geen levenloos beeld of een tekening op papier. Het is iets wat leeft in de goddelijke natuur, die brandt vol van al het goede. Zo is omgekeerd haat en nijd een echt beeld van de duivel, ja, niet menselijk of 26
duivels, maar de duivel zelf. Hij heeft niets anders in zijn natuur dan een eeuwig vuur van haat en nijd tegen God en al Zijn werken, dus zowel mensen als alle andere schepselen. We zouden de duivel dan ook niet beter kunnen afschilderen dan wanneer we louter haat en nijd konden schilderen. Dat zien we ook wel aan wat voortkomt uit nijd en haat: alle rampspoed, dood, ellende en moeite in de wereld, aangericht door hem. Maar uit de liefde vloeit enkel geluk, vrede, heil, hulp, troost, raad en het beste wat God Zelf heeft en geeft. Want de liefde beoefent precies dezelfde werken die God Zelf doet. En wat is het dat God doet? In de eerste plaats geeft Hij de hele wereld het leven. Hij geeft elk mens zijn lichaam met alle ledematen. Hij geeft gezondheid, licht, lucht, water, vuur, eten, drinken en alles wat nodig is. Elk mens wordt dus door hemel en aarde gediend. Wat is dit alles nu anders dan louter vurige liefde, ja, een gloeiend vuur van liefde? Hij bewijst deze liefde aan schurken en slechteriken die Zijn Woord lasteren en vervolgen, bovendien Zijn Zoon kruisigen en Hem zonder ophouden alle leed en verdriet aandoen. En nog overlaadt Hij hen met alle goederen en gaven. Wat zou Hij zulke mensen met recht kunnen aandoen als Hij niet louter peilloos 27