1. Vliegtuig neergestort Edwin kijkt op zijn horloge. ‘Hij moet nu snel komen, anders gaan we …’ ‘Weet je wel zeker dat hij ook het eerste uur moet beginnen?’ vraagt Vera. ‘Ja duhuh, dat heeft-ie gister nog tegen me gezegd. En ik heb geen zin om me zo meteen te moeten gaan melden bij de conciërge’, reageert Edwin knorrig. Een minuut later kijkt hij nog eens op zijn horloge. ‘Trouwens, we staan hier een beetje te vernikkelen. Zo warm is het niet, kom, we gaan.’ Edwin zet zich af en rijdt weg. ‘Daar komt-ie aan!’ hoort hij zijn zus achter zich roepen. Edwin houdt in, maar stopt niet. Even later komt Peter hijgend naast hem fietsen. Edwin kijkt opzij. ‘Verslapen zeker …?’ Peter schudt ongeduldig zijn hoofd. Hij wil het heel ergens anders over hebben. ‘Er eh … is … een vliegtuig neergestort, vlakbij onze boerderij.’ Edwin kijkt hem verschikt aan. ‘Wáát? En dan ga jij gewoon naar school?’ ‘Nee, ’t is niet net gebeurd’, reageert Peter. ‘Nou en, al was het gisterenavond gebeurd …’ Edwin valt een moment stil, maar vervolgt dan: ‘Waarom hebben wij daar niets van gehoord?’ ‘Het is al iets langer geleden gebeurd.’ ‘Wat is iets langer?’ 7
‘Een jaartje of vierenzeventig’, grijnst Peter. ‘Zit je me nou voor de gek te houden?’ Edwins stem klinkt echt een beetje boos. Vera, achter de jongens, heeft alles aangehoord en gniffelt. ‘Effe rekenen, Eddy. Dan snap jij het ook.’ Edwin werpt een dreigende blik naar achteren. Maar in zijn hoofd is hij koortsachtig aan het rekenen. Zestien plus vijftig … 1950, nog acht … da’s 1942. Meteen heeft hij het door. ‘Oh, een vliegtuig uit de Tweede Wereldoorlog bedoel je zeker? ‘Dat stond toch in de krant’, zegt Vera. Edwin reageert niet. Peter wel. ‘Klopt, Veer.’ ‘Maar waarom ben je dan zo laat?’ vraagt Edwin. ‘Ze zijn al een paar dagen bezig met de berging, maar vanmorgen kwamen er een paar mensen bij ons op het erf die ook naar de berging moesten. Ze dachten dat het land waar de bommenwerper ligt van mijn vader is, maar het is van Johannes van Oord. Dus als ik niet even had gewacht had ik je dit allemaal nu niet kunnen vertellen’, lacht Peter. ‘Was het een bommenwerper?’ vraagt Edwin, nu toch wel een beetje nieuwsgierig. ‘Ja, dat zei ik. Een Engelse. Die mensen van vanmorgen hadden het over een Stirling. Maar dat zegt me niets.’ ‘Meen je dat?’ vraagt Edwin verbaasd. ‘Het heeft met grote koppen in de krant gestaan!’ roept Vera nog eens achter hen. Zonder om te kijken verzucht Edwin tegen Peter: ‘Zussen, wees maar blij dat je die niet hebt.’ 8
‘Maar ze heeft wel gelijk’, grijnst Peter. ‘Moet je haar nog verdedigen ook? Offe …?’ ‘Ik zeg alleen maar dat ze gelijk heeft’, brengt Peter ertegenin. Edwin kijkt opzij en ziet een rood hoofd. ‘Eddy leest nooit kranten’, helpt Vera Peter. Edwin kijkt nog eens op zijn horloge. ‘We moeten echt opschieten, anders komen we nog te laat.’ Na schooltijd gooit Edwin zijn tas op zijn bed. Huiswerk komt straks wel. ’t Is toch niet veel vandaag, gelukkig. Snel loopt hij weer naar beneden. ‘Ik ga nog even naar Peter’, roept hij. ‘Mag ik nog even naar Peter?’ verbetert Vera hem. Edwin hoort het niet meer. Hij is al buiten. Vliegensvlug rent hij het trapje af, langs de schuur die achter hun dijkhuis op gelijke hoogte met de praktijk van vader, onderin huis, staat. Hij rent met de fiets aan de hand tegen de dijk op en springt daar op zijn zadel. Hij zet er stevig de gang in. Het is gelukkig mooi weer, maar het waait wel behoorlijk. Met deze tegenwind moet hij zich flink inspannen. Hij wil zo snel mogelijk naar Peter. Ze hebben iets afgesproken en zijn nieuwsgierigheid kent eigenlijk geen geduld. Hijgend rijdt hij het erf op. Peter is buiten nergens te vinden, dus gaat Edwin door de achterdeur naar binnen. Via de bijkeuken komt hij bij de keukendeur en hij klopt aan. Meteen opent hij de deur. Peter zit op zijn gemak aan de keukentafel met zijn vader en moeder wat te drinken. 9
‘Ha, daar hebben we Eddy’, lacht vader Groeneveld. ‘Je ziet er bezweet uit. Hard gefietst?’ Edwin knikt. ‘Ook wat drinken?’ vraagt moeder Groeneveld meteen. Edwin kijkt met een schuin oog naar Peter. Het liefst wil hij zo snel mogelijk met Peter naar de plek waar de bommenwerper is gevonden. Maar Peter steekt zijn glas cola in de lucht. Neem ook eerst maar wat drinken, betekent dat. Met een beetje tegenzin schuift Edwin aan. Vader Groeneveld heeft het door. ‘Dat vliegtuig loopt niet weg. Laat staan dat het wegvliegt’, glimlacht hij. Edwin voelt zijn wangen gloeien en lacht flauw. ‘Hoe wist u van dat vliegtuig?’ vraagt Peter aan zijn vader. ‘Ik wist al langer dat het er lag. Men is enige tijd aan het afwegen geweest of het wrak nu wel of niet geborgen moet worden. Zoiets kost natuurlijk een paar centen. De bommenwerper is in het najaar van 1942 hier neergestort en voor het grootste deel meteen diep in de zachte klei gedoken. De bemanningsleden waren er voor die tijd uitgesprongen, op eentje na. Die is nog steeds vermist en zit mogelijk nog in het vliegtuig of wat daarvan over is.’ ‘Hoeveel mensen zaten er in?’ wil Peter weten. ‘Ik dacht van zeven. Zes zijn er met een parachute uitgesprongen. Eentje waarschijnlijk dus niet.’ ‘Hebt u vandaag nog iets gehoord van de mensen die hier vanochtend waren?’ vervolgt Peter. 10
‘Nee, ik heb vandaag verder niemand meer gezien of gesproken.’ ‘Dan gaan wij nog even kijken’, zegt Peter. ‘Mag dat? Ik ben op tijd terug voor het voeren’, voegt hij er vlug aan toe. ‘Als je inderdaad maar op tijd bent’, antwoordt vader. ‘Ik denk alleen niet dat je er echt bij kunt komen. Ik heb gezien dat ze hekken om het perceel land hebben geplaatst en ze spannen ook doek tegen die hekken. Kennelijk willen ze geen pottenkijkers.’ ‘Waarom is dat?’ vraagt Edwin. Vader haalt zijn schouders op. ‘Geen idee, hoewel, het zou te maken kunnen hebben met het feit dat die ene vlieger mogelijk nog in het vliegtuig zit en daar ga je natuurlijk respectvol mee om. Dat betekent dat niet zo maar iedereen er met de neus bovenop moet staan. Maar dat weet ik niet zeker. Het is maar een vermoeden.’ ‘We gaan kijken’, zegt Peter en staat op. Niet veel later rijden de twee vrienden richting het akkerland waar het vliegtuig moet liggen. Inderdaad zien ze al vanuit de verte dat er een groot hek is geplaatst en dat er zwart doek omheen is gespannen. ‘Hm, jammer’, vindt Peter. ‘Er is allicht een gaatje waar we door kunnen kijken.’ ‘Nogal belangstellend, Eddy’, grijnst Peter. ‘Jij niet dan?’ kaatst Edwin terug. ‘Kijk, er staat ook een bord bij’, wijst Peter. ‘Ik kan vanaf hier nog niet lezen wat erop staat’, reageert Edwin. 11
Even later zijn ze genoeg genaderd om het bord te kunnen lezen. Hun ogen vliegen over de letters en met verbazing staren ze naar de afbeelding. ‘Da’s nieuw …’ begint Peter. Nog voor hij verder iets kan zeggen, ziet Edwin vanuit een ooghoek iets bewegen achteraan bij het hekwerk. Het is geen militair, dat ziet hij meteen. Hij wijst ernaar, maar even snel als hij hem zag, is de figuur om de hoek naar de achterzijde verdwenen. ‘Daar liep iemand naar binnen te loeren’, zegt Edwin. Peter draait zijn hoofd in de aangewezen richting. ‘Waar?’ ‘Hij is al om het hoekje verdwenen’, constateert Edwin teleurgesteld. ‘Een militair zeker?’ veronderstelt Peter. Edwin schudt zijn hoofd en kijkt zijn vriend veelzeggend aan. Peter fronst zijn wenkbrauwen.
12