Hoofdstuk 1
Geheimzinnig overleg ‘Nog één weekje werken en dan kunnen we een paar jaar vakantie vieren.’ Axel de Meijer, een breedgeschouderde veertiger met een boksersneus en stekelig blond haar, geeft een ferme dreun op het tafelblad. Een leeg koffiebekertje rolt van het bureau op het zeil van de sober ingerichte werkcabine. Axel raapt het bekertje weer op. Spottend kijkt hij Stan Stroeve aan, die aan de andere kant van de werktafel zit. Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes. ‘Zo’n bekertje oprapen lukt jou zeker niet?’ De aangesprokene, die ongeveer even oud is als zijn kompaan, kijkt wat beteuterd naar zijn omvangrijke buik, die hem inderdaad weleens in de weg zit. ‘Nou ja, eh, zo heeft iedereen weleens wat.’ Stan denkt even na. ‘Kijk, ik heb weer als voordeel dat ik een echte Belg ben. Jij bent slechts een reserve-Belg.’ Zijn ogen glimmen. Axel werpt hem een gemene blik toe. ‘Ik ben er trots op dat ik in Terneuzen ben geboren. En Zeeuws-Vlaanderen is geen reservestuk van België. Duidelijk?’ ‘En waarom ben je daar dan niet gebleven?’ ‘Dat heb ik toch weleens uitgelegd? Ik heb een paar sigaretten gesmokkeld toen ik in de haven werkte. En ja, dat had de politie door, dus kreeg ik van mijn baas ontslag.’ ‘Een paar sigaretten?’ smaalt Stan. ‘Nou goed dan, een paar containers. In elk geval meer dan genoeg om mijn maandsalaris te verdubbelen.’ ‘En daarna kwam je gezellig hier in Wijtschate wonen.’ ‘Ja, wat moest ik anders? Maar ik ben het hier inmiddels goed 9
zat. Het wemelt hier van de monumenten en oorlogsbegraafplaatsen die herinneren aan de Eerste Wereldoorlog. Het is wel makkelijk dat ik vlak bij een stad als Ieper woon, maar ik heb toch liever een stevige villa aan de Côte d’Azur. Nog even een laatste slag slaan en dan is het zover!’ Axel kijkt Stan aan. ‘Wat denk jij ervan?’ ‘Ik zie wel wat ik ga doen. Ik ben hier in de Westhoek van België geboren en heb door de hele streek gezworven. Ik denk dat ik van mijn aandeel hier in de buurt een huis koop en ga rentenieren.’ Nu richt Axel zich tot de derde man aan tafel. Jean Russel, een lange en broodmagere man van achter in de dertig, heeft zich tot nu toe afzijdig gehouden. ‘Zo vrachtwagenchauffeur, is het weer gelukt?’ Jean schuift heen en weer op zijn stoel en mompelt wat binnensmonds. Steels kijkt hij Axel aan. ‘In het Nederlands graag’, zegt Axel, in een poging leuk te doen. Jean, van oorsprong een Fransman, maar al jaren woonachtig in Ieper, zucht. Hij wrijft in zijn ogen en moet moeite doen om een stevige gaap te onderdrukken. Al lange tijd rijdt hij vanuit de havens van Antwerpen, Oostende en Zeebrugge containers naar diverse bestemmingen in België. Niet zelden is het nachtwerk. En dan nog zijn de verdiensten beroerd. Een flinke zak euro’s zou welkom zijn. ‘Maar goed dat dit gedoe snel voorbij is’, zegt Jean. ‘De controles in de havens worden steeds strenger. Tot nu toe glip ik er nog steeds tussendoor. Maar vroeg of laat loop ik tegen de lamp. En dan zijn we allemaal zuur.’ Axel grijnst vals. ‘Laat je niet bang maken. Hier in België is de beveiliging zo lek als een mandje. Als je met een olifant de grens overgaat en je zegt dat het een speelkameraadje is voor 10
je muis, gelooft de douane je meteen. Maar kom, laten we dat bestelbusje van jou eens uitpakken.’ Meteen voegt hij de daad bij het woord. Hij staat op, schuift zijn stoel aan en stapt dreunend naar de deur van de werkcabine. Jean aarzelt even. Dan pakt hij de sleutels van zijn vrachtwagen van de tafel, giet een laatste restje koffie naar binnen en stapt achter de zwaarlijvige Stan aan, die Axel inmiddels is gevolgd. ‘Axel?’ roept Jean. ‘Ja, wat is er?’ ‘Een paar kratjes staan nog in de havens. Maar ik weet zeker dat de politie ze niet vindt.’ Axel lacht. ‘Geen probleem. De Belgische politie kan toch niet zoeken.’
11