1. DAAN KLEURT DIBBES Daan zit op de grond. Hij werkt heel hard. Wat doet hij? Hij kleurt in een boek. Met een dikke, rode stift. Een viltstift. Wat staat er in het boek? Een huis, een heel groot huis.
9
Met ramen en een deur. En een schoorsteen op het dak. Het huis wordt heel mooi. Rood en blauw, geel en groen. Het is zwaar werk. Daan krijgt het er warm van. Hij stopt met kleuren. Hij legt zijn viltstift op de grond. Trip-trip, daar komt Dibbes. Dibbes is de hond van Daan. Hij ruikt aan het kleurboek en aan de viltstift. Opeens krijgt Daan een plan. ‘Zit, Dibbes’, zegt hij. Dibbes zit. ‘Af, Dibbes!’ roept Daan. 10
Dibbes ligt nu op de grond. ‘Braaf’, zegt Daan. Dan pakt Daan een stift. Een rode stift. Hij kleurt het haar van Dibbes. Het haar van Dibbes is zwart met wit. Nu wordt het zwart met rood. Wat is dat mooi, denkt Daan. Dibbes vindt het ook mooi. Hij blijft stil liggen. Daan kleurt maar door. Zijn handen worden rood van de stift. Na een poosje stopt hij met kleuren. Hij loopt naar de keuken. 11
‘Mam, kom eens kijken’, zegt hij. ‘Ik heb Dibbes gekleurd.’ Mama komt. Ze kijkt naar Dibbes. ‘Wat is dat?’ roept ze uit. Dibbes is zwart met rood. En niet meer zwart met wit. Hoe kan dat? 12
Mama kijkt naar Daan. Ze ziet de stift en de rode handen. ‘Ooh’, zegt ze, ‘wat heb jij gedaan?’ Ze kijkt boos. Daan schrikt ervan. ‘Het is toch mooi, mam?’ zegt hij vlug. Maar mama zegt: ‘Dat mag jij niet doen. Dat is heel stout.’ Ze pakt Daan vast. Daan kijkt naar haar. Wat ziet hij dan? Mama lacht. ‘Je bent een boef’, zegt ze, ‘een grote boef.’ 13
Daan lacht nu ook. Want mama is niet echt boos. Maar Dibbes moet wel schoon. Al dat rood moet eraf. Mama pakt een doek, met sop.
Ze poetst het haar van Dibbes. Oei, dat valt niet mee. Er zit zoveel rood op. Mama wrijft hard. 14
Dibbes vindt het leuk. Hij hapt naar de doek. Hij wil spelen. Dan is Dibbes weer schoon. ‘Je bent braaf, Dibbes’, zegt mama. Ze geeft hem een koekje, een hondenkoekje. En Daan? Krijgt hij ook wat? Hij heeft het niet verdiend. Toch krijgt hij wat. Hij krijgt een zoen. Mama vraagt: ‘Zul je het nooit meer doen?’ Dan moeten ze samen lachen. Om die domme Daan en om die malle Dibbes. 15