1 Een geteisterd eiland Als een reusachtige krokodil ligt Cuba in de Caraïbische Zee. Het langgerekte eiland is in 1492 ontdekt door Columbus, tijdens zijn speurtocht naar een kortere route naar Indië. Hij beschrijft het als het groenste land dat hij ooit heeft gezien. Niet lang daarna wordt het door Diego Velázquez de Cuéllar onder Spaans bestuur gebracht. De oorspronkelijke bewoners, Tainoen Siboney-Indianen, zijn binnen honderd jaar bijna allemaal uitgemoord of het slachtoffer geworden van nieuwe ziekten die de ‘conquistadores’ (veroveraars) hebben meegebracht. Hun plaats is ingenomen door Spanjaarden en geïmporteerde slaven uit Afrika. In de 20e eeuw gaan niet alleen de donkere en de gemengde bevolking, maar ook de van oorsprong Spaanse Cubanen zich steeds meer verzetten tegen het kolonialistische bewind van Spanje. Opstandelingen die represailles vrezen, vluchten naar de Verenigde Staten. Het merendeel vestigt zich in de staat Florida. De verhalen van Cubaanse ballingen stimuleren Amerika om hun streven naar een onaf hankelijk Cuba te ondersteunen. Er komt een ommekeer in de ongelijke strijd na de ontploffing van het Amerikaanse slagschip Maine in de haven van Havana, op 15 februari 1898. Het is naar Cuba gestuurd voor de evacuatie van Amerikaanse staatsburgers. Amerika grijpt de gebeurtenis aan om zich daadwerkelijk in de strijd te mengen. De Spaans-Amerikaanse oorlog maakt een einde aan bijna vier eeuwen Spaanse overheersing op
11
De marxistische dictator Fidel Castro was tientallen jaren alleenheerser op Cuba.
Het parlementsgebouw aan het Plein van de Revolutie in Havana.
12
Cuba. Binnen drie maanden is het eiland veroverd; vier jaar later verkrijgt het formeel onaf hankelijkheid en ontstaat de Cubaanse republiek. In werkelijkheid blijft het eiland tot 1934 een Amerikaans protectoraat en moet het grond afstaan voor militaire doeleinden van de Verenigde Staten. Kritische Cubanen spreken over een pseudorepubliek. Ook na 1934 houdt de wereldmacht grip op Cuba. Amerikaanse zakenlieden hebben er bijna de hele economie in handen. De enigen op het eiland die ervan profiteren, zijn dictator Fulgencio Batista en zijn familieleden en vrienden. Onder Amerikaanse toeristen geniet Cuba populariteit door de uitgestrekte stranden, de ongerepte natuur en de mooie vrouwen. Havana raakt bekend als ‘het bordeel van Amerika’, tot afschuw van de gewone Cubaan. Een opstand onder leiding van de jonge advocaat Fidel Castro, in 1952, loopt op niets uit. Na de mislukte overval op de Moncada-kazerne bij Santiago de Cuba wordt hij met zijn medestanders berecht en veroordeeld tot vijftien jaar cel. Na drie jaar is hij alweer vrij, dankzij een generaal pardon. Samen met zijn broer Raúl en de jonge Argentijnse arts Ernesto Guevara, bekend als Che Guevara, bereidt de eigenzinnige revolutionair in Mexico een nieuwe aanval op het bewind van Batista voor. In december 1956 vaart het drietal met een groep medestanders naar Cuba en bindt daar de strijd met de overheerser aan. Nu met succes. Na twee jaar van felle gevechten verovert de groep van Guevara de stad Santa Clara. Batista vlucht in de oudejaarsnacht van 1958 halsoverkop naar de Dominicaanse Republiek. Op 8 januari 1959 trekken de ‘guerrilleros’ onder leiding van Fidel Castro de hoofdstad Havana binnen. Vanwege de communistische sympathieën van de nieuwe Cubaanse leider stellen de Verenigde Staten, die hun grip op het eiland plotseling kwijt zijn, een embargo tegen het land
13
in. Ook steunen ze tegenstanders van Castro die zijn bewind omver proberen te werpen. In reactie daarop zoekt de nieuwe Cubaanse leider steun bij Nikita Chroesjtsjov, de leider van de Sovjet-Unie. Die laat kernraketten plaatsen in de provincie Pinar del RĂo. De Amerikaanse president John F. Kennedy accepteert dat niet en eist ontmanteling van het vernietigende wapentuig in de directe nabijheid van de Verenigde Staten. De hele wereld houdt de adem in. Een atoomoorlog lijkt nabij. Op de valreep weten de rivaliserende grootmachten een akkoord te bereiken. De Sovjet-Unie haalt de op Cuba geplaatste raketten terug. In ruil daarvoor verwijderen de Verenigde Staten hun kernraketten uit Turkije. De relatie tussen Fidel Castro en Amerika is totaal verziekt. In 1965 richt de leider van de CaraĂŻbische eilandstaat de Communistische Partij van Cuba op, vanaf dat moment de enig toegestane partij. Er komt gratis gezondheidszorg en onderwijs voor elke Cubaanse burger, waardoor kindersterfte en analfabetisme snel afnemen. De macht van de Rooms-Katholieke Kerk wordt drastisch ingeperkt. Een groep jonge protestanten, voornamelijk baptisten, stelt zich aanvankelijk achter Castro op, vanwege zijn strijd voor onaf hankelijkheid en gerechtigheid en tegen de verwording van het land tot seksparadijs van Amerika. Ze nemen afstand wanneer de Cubaanse leider zich ontpopt als een onversneden marxist en ook de vrijheid voor protestanten aan banden legt. Economisch leunt de door water omgeven republiek zwaar op de Sovjet-Unie. De communistische wereldmacht is niet in staat om de gevolgen van de Amerikaanse handelsboycot te compenseren. Voor meer dan een miljoen Cubanen zijn de politieke en economische omstandigheden reden om het
14
vaderland te verlaten, met achterlating van al hun bezittingen. De meesten proberen in de Verenigde Staten een nieuw bestaan op te bouwen. Aan het eind van de 20e eeuw heeft nog maar 40 procent van de beroepsbevolking op het eiland werk. Volgens de officiële bronnen. Het is een gef latteerd cijfer. In werkelijkheid is slechts zo’n 12 procent economisch actief. De Cubaanse peso is geen stuiver meer waard; zelfs de meest noodzakelijke levensmiddelen zijn op de bon. Alleen in de toeristenwinkels is voldoende te krijgen, maar daar mag de gewone Cubaan niet komen. Op de zwarte markt worden schandalige prijzen gevraagd. Hoewel emigratie niet meer is toegestaan, wagen duizenden Cubanen in gammele bootjes de riskante oversteek naar Amerika. Slechts een op de vijf ‘balseros’ komt aan. De rest verdrinkt, valt ten prooi aan
Ook stukgelezen Bijbels zijn op Cuba kostbaar.
15
de haaien of wordt gearresteerd door de Cubaanse kustwacht. Voor de christenen op het eiland is de situatie dubbel moeilijk. Overheidsfuncties zijn voor hen niet weggelegd, nieuwbouw of uitbreiding van kerken is verboden. De protestantse gemeenten, voor het overgrote deel ontstaan door zendingswerk vanuit Amerika, kunnen vrijwel geen contact onderhouden met de Amerikaanse moederkerken. Op eigen kracht moeten ze zien te overleven. Verkoop van Bijbels en andere christelijke lectuur is niet toegestaan, laat staan het drukken ervan. Vooral voor de oudere protestanten op Cuba is dat bitter. Voor de revolutie van 1959 was hun land de uitvalsbasis voor Bijbelverspreiding in het Caraïbische gebied. Het Amerikaanse Bijbelgenootschap had een depot in Havana met een Cubaanse directeur. Het gebrek aan Bijbels maakt de Cubanen die toch het Woord van God willen lezen of verbreiden uitermate creatief. Uit vier of vijf stukgelezen Bijbels waarin delen ontbreken, maken ze één complete. Het omgekeerde gebeurt ook. Een nog gaaf exemplaar wordt in stukken verdeeld, zodat meer mensen tegelijk de Bijbel kunnen lezen. Na verloop van tijd wisselen ze van deel. Sommige predikanten leren gedeelten van de Heilige Schrift uit hun hoofd. Wat in het geheugen ligt opgeslagen, kan niemand hun ontnemen. Het gebed om verandering in de situatie lijkt vruchteloos, tot de onverwachte instorting van het communisme in Oost-Europa ook voor Fidel Castro het politieke landschap ingrijpend verandert. Hij besluit de teugels wat te laten vieren. In 1992 verandert Cuba formeel van een atheïstische in een seculiere staat. De onderminister van godsdienstzaken, zelf een atheïst, adviseert de marxistische regeringsleider ook christenen toe te laten tot de partij. Omgekeerd zijn er partijleden die een bezoek brengen aan een van de kerken op het eiland. Het communisme heeft
16
de beloofde heilstaat niet gebracht en in hun hart geen vrede gegeven. Het antwoord op de diepste levensvragen is alleen te vinden in de door Castro verboden Bijbel.
17