1. De vrijplaats bij het altaar Zingen: Lofzang van Zacharias:1 Schriftlezing: Exodus 21:12-25 Zingen: Psalm 40:4 en 8 Zingen: Psalm 18:1 Zingen: Psalm 118:13
Gemeente, u kunt het tekstgedeelte vinden in Exodus 21 daarvan het 13e vers, het laatste gedeelte. Daar vinden we Gods Woord en onze tekst aldus: Zo zal Ik u een plaats bestellen waar hij heenvliede. Deze tekstwoorden bepalen ons bij de vrijplaats bij het altaar. We letten met de hulp des Heeren op drie gedachten: 1. De geschiedenis van deze vrijplaats; 2. De symboliek van deze vrijplaats; 3. De veiligheid van deze vrijplaats. 1. De geschiedenis van deze vrijplaats Deze serie over de vrijsteden begint met de eerste vrijplaats, namelijk het altaar. De volgende vrijplaatsen zijn uit deze vrijplaats voortgekomen. De geschiedenis hiervan gaat terug naar de wetgeving bij de Sinaï. Daar heeft de Heere tegen Mozes gezegd: ‘Zo zal Ik u een plaats bestellen waar hij heenvliede.’ Er wordt hier gesproken over ‘een plaats’. Enkelvoud. Verder lezen we niet wáár die plaats is of wát die plaats is. Maar als u verder leest in dit hoofdstuk wordt het duidelijk wat de Heere met die plaats bedoelt. Hij bedoelt daarmee het altaar. Dat staat namelijk 9
in vers 14. ‘Maar indien iemand tegen zijn naaste moedwilliglijk gehandeld heeft, om hem met list te doden, zo zult gij dezelve van voor Mijn altaar nemen, dat hij sterve.’ Het altaar was dus de plaats waarheen de doodslager vluchten mocht die niet moedwilliglijk gehandeld had. Met het altaar wordt het brandofferaltaar bedoeld. Dat altaar stond in het voorhof. In het heilige stond het reukofferaltaar en in het heilige der heiligen stond de ark. Het heilige was voor de doodslager een onbereikbaar gebied. Niemand mocht daarin komen dan alleen de priester. En het heilige der heiligen was al helemaal een ontoegankelijk gebied. Daar mocht alleen de hogepriester komen, op de Grote Verzoendag. Wat een wonder dat de Heere een plaats bestelde in het voorhof. Hij had ook een plaats kunnen bestellen in het heilige der heiligen. Maar dan had een doodslager daar nooit heen kunnen vluchten, want hij mocht daar niet komen. Dan was het verloren geweest. De Heere had ook een plaats kunnen bestellen in het heilige. Maar dan was de doodslager eveneens verloren geweest. Maar nu bestelt de Heere een plaats waar het volk wel mag komen, namelijk in het voorhof, waar het brandofferaltaar staat. De Heere wijst dus een plaats aan die bereikbaar is. Dat is het eerste wat we uit de geschiedenis kunnen leren. Zijn er weleens mensen naartoe gevlucht? Lezen we daarvan in de Bijbel? Het is goed om daar een kort onderzoek naar te doen. In de Bijbel vinden we drie voorbeelden van mensen die naar het altaar zijn gevlucht. In de eerste plaats vinden we het voorbeeld van Adonia. Dat was in de tijd van koning Salomo. David was oud geworden. Salomo zou de opvolger zijn van koning David. Hij had het wettige gezag gekregen. En wat deed Adonia? Hij kwam in opstand tegen Salomo, tegen het wettige gezag. Daarna vluchtte hij naar Gods heiligdom en greep de hoornen van het altaar. We zouden zeggen: Maar ... Adonia is toch geen dood10
slager? Hij heeft koning Salomo toch niet gedood? Nee, maar dat opstaan tegen het wettige gezag was dezelfde zonde als een doodslag. De aantasting van het door God gegeven gezag stond gelijk aan doodslag. Adonia ging namelijk in tegen de instellingen van de Heere. Hoe is het met hem afgelopen? Tijdelijk heeft hij uitstel gekregen. Voorlopig ging hij vrijuit, maar die vlucht naar het altaar heeft hem uiteindelijk niet gebaat. Hij is later toch ter dood gebracht vanwege zijn nieuwe opstand tegen het gezag. Zijn gang naar het altaar heeft hém dus niet geholpen. Het tweede voorbeeld in de Bijbel van iemand die de toevlucht nam tot de hoornen van het altaar is Joab. Hij was een belangrijke generaal in de tijd van koning David. Later hoorde Joab ook bij de samenzweerders tegen koning Salomo. Hij had in het verleden veel onschuldig bloed vergoten. Met voorbedachten rade heeft hij de twee legeroversten Abner en Amasa om het leven gebracht. Joab vluchtte ook naar het brandofferaltaar en klemde zich vast aan de hoornen. Toch gaf Salomo Benaja de opdracht om hem te doden. De vlucht was tevergeefs. Het derde voorbeeld in de Bijbel is dat van Simeï. Simeï had het gezag van David aangetast. Hij vloekte David. Later, toen David gestorven was, liet Salomo Simeï roepen en zei hij tegen hem dat hij in de stad Jeruzalem moest blijven. Dus op dat moment werd de vrijplaats door Salomo uitgebreid tot de hele heilige stad Jeruzalem. Simeï moest binnen de muren van Jeruzalem blijven. Zou hij buiten de stad komen, dan zou hij gedood worden. We weten hoe het is afgelopen. Drie jaren is Simeï in de stad gebleven. Na drie jaar zijn enkele van zijn slaven weggelopen. Twee van zijn slaven vluchtten naar Gath in Filistea. Simeï ging hen achterna. Hij ging de stad uit om hen weer terug te brengen. Daarna werd hij zelf in opdracht van koning Salomo alsnog gedood door de legerofficier Benaja. Is het niet aangrijpend? Dat zijn dus drie voorbeelden van mensen die de toevlucht namen tot de vrijplaats en die uiteindelijk toch 11
met de dood gestraft zijn. We zouden zeggen: Ze zijn tevergeefs gevlucht. U zult zeggen: Maar zal er dan wel ooit iemand zijn die veiligheid vinden kan bij het altaar, als het voor deze drie mensen uiteindelijk toch niet gold? Geldt het dan nú wel? Het verband zegt dat de moedwillige zondaar geen behoudenis vond bij het altaar. Maar wij zijn allen moedwillige zondaren. Is er dan nog wel behoud mogelijk? Om deze vraag te beantwoorden, wil ik u meenemen naar Handelingen 3. Daar is Petrus aan het woord. Hij spreekt tot de Joden die Christus hebben gedood. Niemand van ons twijfelt eraan of ze dat moedwillig hebben gedaan. Als ik het u zou vragen, zou iedereen zeggen: Zeker! Dat hebben ze heel bewust gedaan. Wij zouden misschien denken: Dan is er voor het Joodse volk geen ontkoming meer mogelijk. Maar wat zegt Petrus in Handelingen 3? ‘En nu, broeders, ik weet dat gij het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk als ook uw oversten.’ De kanttekening zegt over die onwetendheid: ‘Dit zegt hij om hen te troosten met de hoop van vergeving, alzo zij niet tegen de Heilige Geest gezondigd hadden.’ Dus ... zij hadden wel bewust gezondigd, maar ze hadden nog niet tegen de Heilige Geest gezondigd. En voor ieder die niet tegen de Heilige Geest gezondigd heeft, is er nog hoop op vergeving. Ook voor moedwillige zondaren. Dat heeft Petrus geleerd en dat is ook de inhoud van het Evangelie. Maar gemeente, die hoop op vergeving is er niet voor zondaren die volharden. Niet voor zondaren zonder boetvaardigheid en wederkeer. Petrus roept hen wel op tot bekering. Maar de toevlucht nemen tot de hoornen van het altaar zal ons alleen baten als we dat mogen doen in waarachtige boetvaardigheid en in een gestalte van zielsvernedering. En dát missen we nu juist bij de drie voorbeelden die we u noemden. Dat waren geen ontdekte zondaren. Dat waren geen mensen die inleefden de dood verdiend te hebben. Dat waren mensen die slechts probeerden de dood te ontkomen en te ontvluchten. Dat probeert ten diepste ieder 12
mens. Maar als u zó de toevlucht tot Christus neemt, zal het u niet baten. De Heere leert Zijn kinderen eerst aanvaarden wat zij verdiend hebben. Bij het altaar is plaats voor doodschuldigen. Maar zijn we al een doodschuldige geworden? Doodschuldigen hebben geen recht. Doodschuldigen kunnen nergens op pleiten. Doodschuldigen gaan met David het oordeel aanvaarden: ‘Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.’ Alleen zulken gaan iets verstaan van de betekenis van de hoornen en de noodzaak van het bloed. Het is te vrezen dat velen tot Jezus vluchten zonder dat zij enig besef hebben van hun schuld en strafwaardigheid. De Heere zegt echter in Leviticus 26:41-44: ‘Zo dan hun onbesneden hart gebogen wordt en zij dan aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen hebben, dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond met Jakob, en ook aan Mijn verbond met Izak en ook aan Mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken, en aan het land zal Ik gedenken; Als het land om hunnentwil zal verlaten zijn geweest en aan zijn sabbatten een welgevallen gehad hebben, wanneer het om hunnentwil verwoest was, en zij aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen zullen gehad hebben; daarom, en omdat zij Mijn rechten hadden verworpen en hun ziel van Mijn inzettingen gewalgd had. En hierenboven is dit ook: Als zij in het land hunner vijanden zullen zijn, zal Ik hen niet verwerpen noch van hen walgen, om een einde van hen te maken, vernietigende Mijn verbond met hen; want Ik ben de Heere hun God.’ De weg naar het altaar loopt altijd door het dal van boetvaardigheid en ootmoed. 2. De symboliek van deze vrijplaats Het brandofferaltaar is vol symboliek. Bij dat altaar werden iedere dag allerlei soorten offers gebracht door mensen. Men mocht een rund offeren of een schaap, een geit, een tortelduif of een jonge duif. Dat was allemaal toegestaan. Het was afhankelijk van de 13
financiële positie van mensen wat ze offerden. Niet iedereen kon een rund betalen. De arme mensen konden niet meer betalen dan een tortelduifje. Maar dat maakte voor de Heere niet het verschil. Wat gebeurde er precies als er geofferd ging worden? Wel, dan moest die offeraar zijn hand leggen op de kop van dat dier of van het diertje. Daarmee moest hij bekennen: Wat er met dit dier gebeurt, zou met mij moeten gebeuren en zal ook met mij gebeuren als er geen plaatsvervanger is. Dit dier sterft in mijn plaats. Dát was de prediking van de handlegging op de kop van het offerdier. En wat moest die offeraar dan doen? Dan moest hij zelf een mes nemen en zélf dat offerdier de keel doorsnijden. Hij zag dus voor zijn ogen gebeuren dat dat dier of diertje doodbloedde. Dat dier moest sterven óf de offeraar moest sterven. Dat dier nam zijn plaats in. Dus het brengen van een brandoffer wil ten diepste zeggen: belijden dat je doodschuldig bent. Dat betekende voor de offeraar dat hij het oordeel aanvaardde. De onderliggende boodschap van een brandoffer brengen is te erkennen dat er een plaatsvervanger voor ons moet zijn. Wat deed de priester? Hij nam bloed van het dier of van het duifje en dan wierp hij dat bloed over het brandofferaltaar. Eerst over de zuidwesterhoorn van het brandofferaltaar, daarna over de noordoosterhoorn van het brandofferaltaar. Op die manier werd eigenlijk het hele brandofferaltaar bedekt met bloed. Daarna werd het vlees van dat dier geheel verbrand. Daar bleef niets van over. De offeraar zag het allemaal gebeuren voor zijn ogen. En hij wist: Dat zou mijn bloed moeten zijn. Dat heb ík verdiend. Dat heb ík mij waardig gemaakt ... Veel offeraars zagen dat wel met hun ogen, maar zij waren zonder indrukken. Zij kenden hun verdorvenheid niet. Zo is het bijvoorbeeld ook met de bediening van het Heilig Avondmaal. Als een kind van God het verbroken brood en de vergoten wijn ziet, zegt het: Dat zou met míj moeten gebeuren, 14
dat heb ík verdiend! De avondmaalgangers zien het voor hun ogen gebeuren wat zij zich waardig hebben gemaakt. Maar door het geloof mogen ze de hand leggen op het Offer, Dat gebracht wordt in hun plaats, voor hun zonden. Zo zullen wij moeten leren ons doodvonnis te onderschrijven. Maar zoals er vroeger mensen waren die dat indrukloos deden en hun doodvonnis niet kenden, zo is het nu nog steeds. Ook nu zijn er nog mensen die zonder indrukken aan het Avondmaal gaan en er geen enkele vrucht van hebben. Maar doodschuldigen zullen zich verwonderen en zullen zich diep buigen voor Gods aangezicht. Maar ze zullen ook zeer verwonderd zijn dat er een Plaatsvervanger is voor doodschuldige mensen. Dus aan het Avondmaal gaan wil ten diepste zeggen: je doodvonnis ondertekenen. Het wil niet zeggen: de dood ontvluchten. Ten Avondmaal gaan wil zeggen: je hand op het offer leggen. En dat is een persoonlijke zaak. Een predikant kan uw hand daar niet op leggen. Alleen het geloof kan dat offer aanraken en kan gemeenschap geven met het bloed dat vol symboliek is. Niet alleen het altaar is vol symboliek, ook de hoornen van het altaar zijn dat. Waar waren die hoornen eigenlijk voor? Om zich aan vast te grijpen. Want iemand moest de toevlucht nemen tot de hoornen en deze vastgrijpen. Sommigen zeggen dat de hoornen voor de versiering van het altaar waren. Dat zal zeker een bijdrage geleverd hebben. Maar dat was het niet alleen. Anderen zeggen dat de hoornen er waren om de dieren aan vast te binden. Dat zal ook zeker zo geweest zijn. Psalm 118 zegt immers: Bindt d’ offerdieren dan met touwen Tot aan de hoornen van ’t altaar. Dus de hoornen hebben zeker ook die functie gehad, maar dat was het niet alleen. De hoornen hadden een veel diepere betekenis. In de eerste plaats wezen zij op de uitgestrektheid van 15
de verzoening. Er waren vier hoornen. Het altaar was vierkant. De vier hoornen wezen naar alle windstreken. Wat wil dat zeggen? Dat de verzoening van het brandoffer van de Heere Jezus Christus zich zal uitstrekken tot alle windstreken. Dat er vergeving ervaren zal worden door allerlei mensen, zonder aanzien des persoons. Ze zullen komen van het oosten en van het westen, van het noorden en van het zuiden. Ze zullen allen verzoening vinden in datzelfde Offer. In de tweede plaats lieten de hoornen van het altaar de kracht van de verzoening zien. Want een hoorn is het symbool van de kracht. Zacharias heeft ervan gezongen: ‘Een hoorn des heils heeft opgerecht.’ Het is een krachtige verlossing, die niet tegen te staan is. Zou die verlossing tegen te staan zijn, het zou tevergeefs zijn om de toevlucht tot Christus te nemen. Maar de hoornen wijzen op de onwederstandelijke kracht van de verzoening. In de derde plaats wezen de hoornen op de weg van de verzoening. Die hoornen van het altaar waren bloedige hoornen. Hoe kwam dat? Omdat het offerbloed aan de hoornen werd gestreken. De hoornen werden ook met bloed besprengd. Dus iemand die de hoornen vastgreep, greep in het bloed. De hoornen aanraken wil zeggen: het bloed aanraken. Alleen het bloed brengt verzoening en anders niet. Als de hoornen van het altaar met waarachtig berouw en hartelijke boetvaardigheid worden aangegrepen, als men zó gemeenschap mag hebben met het bloed – zoals de bloedvloeiende vrouw dat mocht hebben met het kleed van Christus – dan gaat er kracht van uit. Dan ligt er zo’n onweerstaanbare kracht in het bloed. Dat is niet in woorden uit te drukken. Gods knechten zien ernaar uit dat dát ervaren mag worden. Door bekeerde mensen? Nee, door doodschuldigen. Bekeerde mensen hebben geen verzoenend bloed nodig. Dat leert ons de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar. De tollenaar rechtvaardigde zichzelf. De offers door hem gebracht waren in zijn ogen genoegzaam. De tollenaar had 16
geen offer. Hij had slechts schuld. Een dichter heeft die weg der verzoening zo schoon verwoord: Jezus, niet mijn eigen kracht, niet het werk door mij volbracht, niet het offer dat ik breng, niet de tranen die ik pleng, schoon ik ganse nachten ween, kunnen redden, Gij alleen. Zie, ik breng voor mijn behoud U geen wierook, mirr’ of goud; moede kom ik, arm en naakt, tot de God, Die zalig maakt, Die de arme kleedt en voedt, Die de zondaar leven doet. 3. De veiligheid van deze vrijstad David had bewust gezondigd. Maar er was nog verzoening in de weg van de hartelijke verbrokenheid. We horen het in Psalm 51. Er was voor hem nog verzoening in de weg van de aanvaarding van het oordeel. ‘Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.’ Beken dan maar dat u een doodschuldige bent. Leg dan uw hoofd maar op het blok, dan kan het alleen maar meevallen. Want voor doodslagers is er nog genade mogelijk. Er is een plaats die de Heere heeft aangewezen. De plaats van het altaar, de plaats van het bloed, de plaats van het offer. David heeft daar zicht op gehad. Psalm 40 getuigt ervan. Hij mag daar de vervulling van het brandoffer in Christus vertolken: ‘Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer, Gij hebt Mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geëist. Toen zeide Ik: Zie, Ik kom; in de rol des boeks is van Mij geschreven. Ik heb lust, o Mijn God, om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het mid17
den Mijns ingewands.’ In het oudtestamentische brandoffer werd de betekenis van het offer van Christus zo duidelijk getoond. Er is alleen veiligheid in de weg van het bloed. Het was wat om zo’n onschuldig dier te zien sterven bij het altaar! En dat in de plaats van de offeraar. Laatst vond een van onze kinderen op straat een duifje. Het was óf door een poes gepakt óf tegen een raam gevlogen. Het lag bibberend op de straat. We raapten het angstige diertje op. Wat waren die angstige oogjes van dat diertje aandoenlijk. Ook een dier heeft angst voor de dood. Daarvan was de offeraar getuige. Hij zag een dier sterven om zíjn schuld. Maar om Christus te zien sterven en dat om mijn schuld, vanwege mijn doodvonnis, dat is duizendmaal aangrijpender. En toch ... het kan niet anders. Het is Hij of ik. ‘God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede.’ Gods kinderen leren buigen voor dat recht van God. In die weg leren ze een gewillige Zaligmaker kennen. Die zegt: Ik. Niet gij, maar Ik. In het formulier om het Heilig Avondmaal te bedienen lezen we: ‘Dat is: zo dikwijls als gij van dit brood eet, en van deze beker drinkt, zult gij daardoor, als door een gewisse gedachtenis en pand, vermaand en verzekerd worden van deze Mijn hartelijke liefde en trouw jegens u, dat Ik voor u (daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven) Mijn lichaam aan het hout des kruises in de dood geve, en Mijn bloed vergiete, en uw hongerige en dorstige zielen met dit Mijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed tot het eeuwige leven spijze en lave, even zekerlijk als een iegelijk dit brood voor zijn ogen gebroken, en deze beker hem gegeven wordt, en gij die tot Mijn gedachtenis met uw mond eet en drinkt. Uit deze inzetting des Heiligen Avondmaals van onze Heere Jezus Christus zien wij, dat Hij ons geloof en betrouwen op Zijn volkomen offerande (die eenmaal aan het kruis geschied is) als op de enige grond en fundament onzer zaligheid wijst, waar Hij onze hongerige en dorstige zielen tot een waarachtige spijze en drank des eeuwigen levens geworden is. Want door Zijn dood 18
heeft Hij de oorzaak van onze eeuwige honger en kommer, namelijk de zonde, weggenomen, en ons de levendmakende Geest verworven; opdat wij door die Geest (Die in Christus, als in het Hoofd, en in ons als Zijn lidmaten woont) met Hem waarachtige gemeenschap zouden hebben, en al Zijn goederen, het eeuwige leven, de gerechtigheid en de heerlijkheid, deelachtig worden.’ Wat de doodslager mocht ervaren bij de hoornen van het altaar mogen Gods kinderen dus wel ervaren aan de dis des verbonds. Daar vinden ze een vrijplaats. En dat terwijl Gods recht er niet onder behoeft te lijden. Er is bloed gevloeid. Bij de hoornen van het altaar kunnen recht en genade elkaar ontmoeten. Daar kunnen de vrede en het recht elkaar kussen. Bij het altaar is een veilige plaats. Waarom is het daar zo veilig? Wel, de Heere zegt in Exodus 21: ‘Ik zal u een plaats bestellen.’ Waarom is het daar zo veilig? Omdat die plaats door God, de Rechter, is aangewezen. Het is geen plaats die wij bedacht hebben. Er is niets, maar dan ook helemaal niets wat ons kan redden van de dood. Al zou u iemand hebben die een goed woordje voor u doet. Al zou u iemand hebben die zou kunnen aangeven wat niet tégen maar vóór u getuigt. Geliefden, er is niets, helemaal niets wat voor ons pleiten kan, dan alleen die ene veilige plaats die God Zelf heeft aangewezen: ‘Ik zal u een plaats bestellen.’ Die plaats is hier niet de buitenste duisternis. Als u een doodschuldige bent, had u dat wel verwacht. Dat er een andere plaats besteld is kunt u niet begrijpen. U hebt in uw waarneming de buitenste duisternis verdiend. Echter niet het eeuwige vuur, maar de plaats bij het altaar is door de Heere besteld. Dát is de plaats waar een verloren mensenkind redding kan vinden en het eeuwige leven. ‘Ik zal u een plaats bestellen.’ Een plaats voor doodschuldigen. Wij kunnen niet meer letterlijk de toevlucht nemen. Er is geloof voor nodig om die veiligheid te ervaren. Een van de daden van 19
het geloof is vluchten. Er wordt wel gesproken over een toevluchtnemend geloof. Voor doodschuldigen worden alle andere wegen afgesneden. ’k Wou vluchten, maar kon nergens heen, Zodat mijn dood voorhanden scheen, En alle hoop mij gans ontviel, Daar niemand zorgde voor mijn ziel. We vinden hiervan ook een beeld in de geschiedenis van Esther. Alles werd haar de dood. Omkomen zou ze toch. Of ze thuisbleef of naar de koning ging. Tot de koning gaan was sterven voor haar. Maar thuisblijven was ook sterven voor haar. Mogelijk dat het de koning behaagde om zijn scepter haar toe te reiken. Zo is zij gegaan. ‘Wanneer ik dan omkom, zo kom ik om.’ Wat is het haar meegevallen. Waarom is de plaats bij het altaar nu zo veilig voor een doodslager? Wel, de hoornen van het altaar zijn met bloed overdekt. En de offeraar stond in het bloed. Wat is het verschil tussen deze plaats en de andere plaatsen? Het verschil is dat deze plaats op het bloed staat. U moet dat maar eens nalezen in Leviticus 18. Toen het brandofferaltaar in gebruik werd genomen, werd er eerst een zondoffer gebracht. En het bloed van het zondoffer werd door Aäron en zijn zonen uitgegoten aan de voet van het brandofferaltaar. Het brandofferaltaar stond op een verhoging. Aan de voet van het brandofferaltaar werd een plas met bloed uitgegoten. Dus iemand die bij de hoornen van het altaar stond, stond in het bloed én hij greep naar het bloed. Want zijn hand reikte naar de hoornen van het altaar die onder het bloed zaten. Begrijpt u nu waarom die plaats zo veilig was? God is een rechtvaardig God. Hij zal van Zijn recht nooit afstand doen. Doodslagers moeten sterven. Maar nu is er Eén geweest Die in de plaats van doodslagers gestorven is. Er is er Eén ge20
weest Die tussen de doodslagers gehangen heeft. Waarom was er voor de moordenaar aan het kruis nog behoudenis? Die man had toch ook moedwillig gezondigd? Toch was er behoudenis, omdat er Eén was Die voor deze moedwillige zondaar, die berouw had, wilde sterven. De moordenaar was een man die het oordeel aanvaardde, want hij zei tegen de Heere Jezus Christus: ‘En wij toch rechtvaardiglijk, want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.’ De moordenaar was een doodslager die boog voor de straf. Hij heeft mogen ervaren welke ruimte er ligt in het bloed, toen hem de woorden toegevoegd werden: ‘Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.’ Door het bloed werd de Paradijspoort voor hem geopend. Het is toch niet klein te krijgen dat God zulk een plaats besteld heeft? Het is ongekend, ongedacht en onverwacht voor doodslagers, maar het is werkelijkheid. En het wordt nóg ervaren als het oog des geloofs op dat offer geslagen mag worden. Als de hand des geloofs op dat offer mag liggen. Ja, als de hand des geloofs dat bloed mag aangrijpen, dan is er kracht in het bloed. Van die toevlucht mocht de dichter van Psalm 142 ook zingen: Ik riep tot U, ik zeid’: O Heer’, Gij zijt mijn Toevlucht, sterkt’ en eer; Gij zijt, zolang ik leef, mijn deel, Mijn God, Wien ik mij aanbeveel. Nog een laatste woord over de veiligheid van deze offerplaats. Die veiligheid is ook gewaarborgd in de kracht van de verzoening. Aan de hoeken van het altaar waren hoornen. Zij wezen heen naar Christus. Een dubbele betekenis wordt ons hier gewezen. In de eerste plaats moest de verzoening verworven worden. Dat is een krachtig werk geweest. Wat was er nodig om de verzoening te verwerven? De schuld moest betaald worden. Wat heeft het 21
Christus gekost? Als Christus niet de kracht had gehad om de verzoening te verdienen, dan was het verloren geweest. Maar Hij heeft het uitgeroepen aan het kruis: ‘Het is volbracht!’ Verder moest de wet vervuld worden. Wie enige indruk heeft van Gods volmaakte eis zal beseffen dat dit ook een krachtig werk is. Christus kon zeggen aan het einde van Zijn loopbaan: ‘Wie overtuigt Mij van zonde?’ Hij had de kracht om te doen wat niemand van ons meer doen kan. Als er bij de verzoening nog iets bij had gemoeten van onze kant, dan was het verloren. Wij kunnen de zonde, de wereld, de satan en de dood niet overwinnen. Wij kunnen het recht Gods niet tevredenstellen. Als wij dit zouden moeten doen, dan zou het verloren zijn. Voor eeuwig verloren. Maar de hoornen wijzen naar de kracht van Christus Die de strijd heeft aangevoerd tegen de duivel, de wereld, de zonde, en Die het recht Gods heeft genoeg gedaan. In de tweede plaats zien de hoornen op de kracht van de toepassing. De zaligheid moest niet alleen verworven worden. De zaligheid moet ook worden toegepast. De Heere Jezus is geen halve Zaligmaker. Hij is niet alleen een Zaligmaker in de verwerving, maar Hij is ook een krachtige Zaligmaker in de toepassing. Een doodslager in de beleving is krachteloos. Hij kan het niet meer terugdraaien. Hij kan de schade niet meer herstellen. Hij kan het leven niet meer aanbrengen. Ten opzichte van Gods recht is het verloren. Maar zie, de hoornen van het altaar prediken dat er kracht is in het bloed der verzoening. Het is zo’n veilige plaats als een zondaar daar door het geloof houvast aan mag krijgen. McCheyne zingt ervan: Mijn heil en mijn vrede en mijn leven werd Hij: Ik boog me, en geloofde, en mijn God sprak mij vrij. Ten slotte ziet de hoorn ook op de bestendigheid. Dat maakt deze vrijplaats ook zo veilig. We kennen de geschiedenis van de 22
zalving van David. Hij werd gezalfd met een hoorn. Saul was gezalfd uit een breekbare kruik. Het koningschap van Saul was niet bestendig. Maar een hoorn breekt niet. En zo is het met de verzoening van de Kerk. Deze verzoening is bestendig. Wat kan er soms een vertwijfeling zijn. Dan is het alsof alles wat er gebeurd is weer verloren is gegaan. Alles kan er weer zo onder liggen. De oude mens kan weer zo naar boven komen, zodat we soms vrezen: Zou het dan toch nog verkeerd uitkomen? Maar we mogen u wijzen op de hoornen van het altaar. Wie deel kreeg aan het bloed zal de verzoening nooit meer verliezen. Laat de satan dan maar woeden. Tegen deze hoornen van het altaar kan de satan niets beginnen. In Hem is de kracht zoals Hij Zijn Kerk heeft leren bidden: ‘Want van U is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid in der eeuwigheid.’ Geliefden, het komt op de toepassing aan. Stond u reeds bij het brandofferaltaar? En hoe stonden wij daar? Als een Adonia? Als een Joab? Ach, het zal u niet baten. Of stond u daar werkelijk als een doodschuldige? Dan hebt u ongetwijfeld mogen ervaren dat er geen betere plaats is voor doodslagers dan de plaats die de Heere besteld heeft. Dan wordt de plaats van het brandofferaltaar ook de plaats van de verwondering. Ik zal het brandaltaar doen roken Van ’t edelst’ vee uit kooi en stal; Zo worden vet en merg ontstoken, Bij ’t lieflijk rijzend lofgeschal; Het reukwerk zal zijn geur verspreiden, Daar ram bij ram wordt aangebracht; ’k Zal bok en rund ten offer leiden, Opdat men z’ U ter ere slacht’. Amen. 23