Skip to main content

KNOV De Verloskundige 2026#2

Page 1


De Verloskundige

Capaciteit Waar liggen kansen?

Verloskundigen zijn experts in passende zorg

Marianne Nieuwenhuijze neemt afscheid als hoogleraar en lector

Samen sterker bij opnamestops

Begeleid moeder en kind met de juiste voeding.

Themadag supplementen bij zwangerschap

Wil jij als verloskundige deskundig advies kunnen geven op het gebied van voeding en suppletie? Zowel vóór, tijdens als na de zwangerschap? Dan is deze themadag zeker iets voor jou!

Wil je meer informatie of je inschrijven voor deze opleiding? Ga naar:

Sohf.nl/bsozz

WEBINAR VOEDING & SUPPLETIE BIJ BORSTVOEDING GRATIS OOKINTERESSANT

SOHF.NL/W-BV

LESVORM Digitaal DATUM 10 november 2026

KOSTEN € 125,- NU € 99,-

GEACCREDITEERD DOOR KNOV-NVOG NBvD

Maaike van Rijn, Alieke de RoonImmerzeel, Marieke Smith en Job Paulus

Bestuur en directeur KNOV

PS Bonuspunten voor iedereen die herkent wie welk deel van deze column heeft geschreven!

Capaciteit: waar liggen kansen?

Toen we in 2022 startten als bestuur en directie brachten we verschillende perspectieven bij elkaar: verschillende ervaringen, één heldere koers. Tijdens de ALV van 26 juni stellen we een nieuw kandidaat-bestuurslid aan jullie voor. Aan de vooravond van deze nieuwe samenstelling in het bestuur kijken we op deze plaats nog één keer met de ‘club van 2022’ naar het thema van dit tijdschrift: capaciteit. Daarna breiden we hopelijk ons perspectief verder uit, terwijl we aan het gezamenlijke verhaal blijven bouwen.

Ik ben ervan overtuigd dat werken vanuit gezondheidsbevordering de capaciteitsproblemen vermindert. Laatst was ik met medewerkers van ons bureau aan het sparren over een kwaliteitsdocument over baringshoudingen. Alle literatuur redeneert vanuit baren op de rug. Hoe mooi zou het zijn als we in ons document vanaf de andere kant redeneren? Vrouwen op de rug laten baren (interventie!) betekent gemiddeld een uur langer ontsluitingsweeën wegzuchten, een langere uitdrijving hebben en vaker andere complicaties ervaren. Zodra we vrouwen zelf hun houding laten kiezen (gezondheidsbevordering), scheelt dat dus ook in de capaciteit.

‘Het biomedische, industriële denken — risicomijdend, interventiegericht, gericht op efficiëntie en diagnose-expansie — is als water voor de vissen: het is zo vanzelfsprekend aanwezig dat we het niet meer zien’. Het zichtbaar en bespreekbaar maken van daadwerkelijke problemen zie ik als onze taak. Zowel binnen de eigen beroepsgroep als aan overlegtafels bevragen we elkaar te weinig op ‘de bedoeling’ en trappen we in ‘frames’ als capaciteitsproblematiek...

Schaarste als symptoom. Bijvoorbeeld van de moed om te stoppen met interventies waarvan we weten dat onderbouwing ontbreekt of die potentieel schade veroorzaken. En van de moed om dit te erkennen en hiernaar te handelen. In dit tijdschrift lees je verschillende invalshoeken op capaciteit.

Margriet Wegman-Rikkink bespreekt de positionering van klinisch verloskundigen en Tamar van Haaren belicht wat een opnamestop van ziekenhuizen betekent voor de eerstelijnscollega’s. Samen laten de artikelen zien waar de kracht van ons beroep ligt. Juist nu is de connectie met elkaar, in welke lijn je ook werkt, belangrijker dan ooit.

Hoe kan het dat het aantal zwangeren de afgelopen jaren daalt, maar de capaciteit steeds krapper lijkt te worden? Al tien jaar zijn er verschillende initiatieven om de capaciteit te verbeteren. Meer opleiden, meer centralisatie, meer digitalisering, maar het lijkt dweilen met de kraan open. Om er echt uit te komen, hebben we een ander gesprek met elkaar te voeren. En hebben we dan uiteindelijk niet fundamenteel andere keuzes te maken door gezondheidsbevordering weer voorop te zetten, werkplezier centraal te stellen en weer vertrouwen te hebben in de zorgverleners (en dus minder administratieve lasten)?

Marieke, Maaike, Alieke en Job

Colofon

Redactieraad

Kristi Francken (KNOV), Yvette Hoogenboom (Vrhl Content en Creatie), Simone Valk

Grafische vormgeving en druk

Elma Media B.V. www.elma.nl

Acquisitie

Elma Media B.V.

Silvèr Snoek: s.snoek@elma.nl

0226 - 33 16 00

Vormgeving, redactie en fotografie Vrhl Content en Creatie in opdracht van Elma Media B.V.

Aan dit nummer werkten mee: Hedy Jak, Myra Langenberg, Mirjam Streefkerk, Linda Nuis, Ine Kaaijk, Natascha van der Steen, Iris Kroon

Abonnementen, personalia en adreswijzigingen

KNOV

Postbus 2001 3500 GA Utrecht abonnementen@knov.nl

Abonnementsprijzen

Abonnementsprijzen voor niet-leden van de KNOV (inclusief portokosten) voor 4 nummers per jaar: Nederland € 123

Binnen Europa € 153

Buiten Europa € 178

Privacy

Op de verwerking van persoonsgegevens van abonnees is het privacy statement van Elma Media van toepassing. De Verloskundige is het ledenblad van de KNOV en verschijnt vier keer per jaar.

©2026 Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen

Mercatorlaan 1200, 3528 BL Utrecht

Oplage 5.000

ISSN 0348-1925

Verloskundigen

‘Wij

Terugblik op haar loopbaan

CAPACITEIT

6

‘Verloskundigen zijn experts in passende zorg’

Passende zorg volgens de KNOV 11

Geboren tijdens een volle agenda

Column van Wendy Verkerk 12

Hoe het ook anders kan Twee verloskundigen over hun nieuwe werkwijze 24

Meer zorgverleners, minder zwangeren, toch capaciteitsproblemen

Wat laten de cijfers zien? 26

Samen werken aan goede zorg thuis

Kraamzorg in beweging

34

Wat een vakgroep kan opleveren

Interview met klinisch verloskundige Margriet Wegman-Rikkink 45

Stagiairs begeleiden: keuze of noodzaak? ‘Je leert dit vak niet uit een boek’

INNOVEREN 18

Marianne Nieuwenhuijze zwaait af En blikt terug op haar loopbaan 31

Hoe houd je grip als er geen plek is in het ziekenhuis?

Handvatten dankzij OPTIMISTIC 40

One midwife, one student Wetenschappelijk artikel 53

Digitaal samenwerken via Blinkz ‘Het systeem levert nu al duidelijke meerwaarde op in de praktijk’

57

Waarom de standaarddosering niet altijd de juiste is Wetenschappelijk artikel 64

Achter de schermen bij de IGJ Het werk van een inspecteur KNOV 16

De KNOV-academie is geopend! Laat je inspireren 23

Q&A

Een tolk inschakelen 39

Nieuw! KNOV-de podcast 51

Update KNOV Ontwikkeling richtlijn en kwaliteitsdocumenten 66

Update Nieuws uit het vak

‘Verloskundigen zijn inexpertspassende zorg’

Door capaciteits ‘passende z Maar h w

PDoor capaciteitsproblemen verandert er steeds veel in de geboortezorg. Onder de noemer ‘passende zorg’ moeten verloskundigen toch vooral veel efficiënter en goedkoper gaan werken. Maar het KNOV-bestuur interpreteert passende zorg veel breder. Want: passende zorg is iets wat verloskundigen al eeuwen leveren. ‘Van alles wat wij doen en bewust ook niet doen, moet gezondheidsbevordering het vertrekpunt zijn.’

eitsproblemen verandert ve de zorg’ moeten verloskundigen toch voora ar het KNOV-bestuur interpreteert passende zo wat al eeuwen leveren. ‘Van alles wa zondheidsbevordering het vertrekpunt

assende zorg is een speerpunt in het Integraal Zorgakkoord uit 2022. Dat betekent dat het ministerie, zorgverzekeraars en regionale en landelijke overlegtafels ‘iets’ met de term moeten. Ook in overleggen waarbij jij aan tafel zat, is het vast al eens over passende zorg gegaan. En daarbij valt het op dat andere organisaties de term anders invullen dan de KNOV dat doet. Wat het KNOV-bestuur betreft is het namelijk niet terecht dat de term vaak wordt gebruikt om bepaalde efficiencymaatregelen in de geboortezorg te onderbouwen.

Daarom willen bestuurders Alieke de Roon-Immerzeel, Maaike van Rijn en Marieke Smith graag laten zien hoe zij naar passende zorg kijken in relatie tot de capaciteitsproblemen waar verloskundigen dagelijks mee te maken hebben. Marieke Smith: ‘Wij hebben al bij ons aantreden in 2022 besloten om de term te omarmen, maar wij vullen deze wel op onze eigen manier in. Verloskundigen zijn tenslotte experts in passende zorg. Wij leveren die zorg al eeuwenlang.’

Gezondheidsbevordering

De juiste zorg op de juiste plek en zinnige zorg, beleidstermen die eerder rondgingen, waren vooral curatief ingestoken: ze gaan over het beperken van onnodige behandelingen en het organiseren van bestaande zorg. Terwijl passende zorg juist ook het principe van gezondheidsbevordering heeft opgenomen als uitgangspunt. Alieke de Roon-Immerzeel: ‘Dat draait de vraag om: niet wat kunnen we weglaten, maar wat kunnen we versterken? En dat is precies waar je je als verloskundige mee bezighoudt. Je begeleidt vrouwen in een gezond proces, je versterkt hun eigen kracht en je grijpt pas in als het nodig is.’

Passende zorg is daarom, zo vindt het bestuur, een opdracht die hoort bij de verloskundige eed om goede zorg te leveren aan zwangere vrouwen. En die opdracht geldt zowel op individueel als op maatschappelijk niveau. Daarom is de term nadrukkelijk ook onderdeel van het hernieuwde kwaliteitshuis voor verloskundigen waar de KNOV hard aan werkt. Maar daarover straks meer.

Tekst Mirjam Streefkerk

Meer tijd Volgens het Zorgakkoord heeft passende zorg vier kenmerken: waardegedreven, samen beslissen, de juiste zorg op de juiste plek en gezondheid. Bij het 125-jarig jubileum van de vereniging in 2023 presenteerde het bestuur vijf thema’s rondom passende zorg aan toenmalig demissionair minister Ernst Kuipers. Meer tijd voor de zwangere bijvoorbeeld, en laat de (klinisch) verloskundige regiebehandelaar zijn. De verloskundige is er voor de zorg en niet voor de administratie. En de laatste twee thema’s: versterk de eerstelijnsorganisatie en zet waardegedreven werken voorop.

De minister en zorgverzekeraars reageerden enthousiast op de invulling van de KNOV en de daarbijbehorende aanpak, maar in de praktijk ziet het bestuur wel dat andere beroepsgroepen en organisaties passende zorg en de kenmerken uit het Zorgakkoord anders invullen. Maaike van Rijn: ‘Je ziet dat sommige van onze partners passende zorg vooral invullen als: het moet nog efficiënter dan we het al deden.’ Marieke: ‘Ziekenhuizen redeneren bijvoorbeeld vaak vanuit wat zij te bieden hebben en wat dan bij een bepaalde patiënt past. Dan hoor je in een overleg serieus iemand zeggen: er zijn bij ons in het ziekenhuis nog wel daluren, misschien kunnen we mensen gaan bellen dat ze dan ingeleid kunnen worden. Maar dan ga je dus niet uit van gezondheid als uitgangspunt.’

Ook het perspectief van de zorgverzekeraar is voor de KNOV en verloskundigen belangrijk. En net als in het ziekenhuis wint ook daar het systeemdenken het vaak van het kwaliteitsdenken, waarop dan ook de term passende zorg wordt geplakt. Alieke geeft een voorbeeld:

‘Het is voor een zorgverzekeraar heel handig om ergens een kraamhotel neer te zetten: dan heb je met één kwaliteitsnorm te maken, er is minder capaciteitsproblematiek en dat lijkt dan prima geregeld. Maar als een verloskundige uit het ommeland daar continu heen moet rijden en haar eigen cliënten niet meer thuis kan begeleiden, is dat op geen enkele manier passend. Bovendien is kraamzorg thuis de gezondheidsbevordering waar passende zorg om vraagt: het ondersteunt hechting, het helpt bij het op gang komen van de borstvoeding en het versterkt de zelfredzaamheid van het gezin.’

Meer interventies

Aan de landelijke tafels waar het geboortezorgbeleid wordt besproken, is de medisch-specialistische zorg oververtegenwoordigd. De neiging naar meer interventies, meer controle en meer protocollen is een hardnekkige reflex op de problemen die er zijn.

Marieke: ‘We zijn zo bang om te weinig te doen of te wachten. Er zijn meer zorgverleners rondom zwangere vrouwen dan ooit en tegelijkertijd krijgen we die zorg niet meer goed geregeld. Dan klopt er iets niet. Daarom moeten we vanuit een gedeeld ethisch kader gaan werken.’ ‘Natuurlijk wil iedereen waarmee we samenwerken ook het goede doen’, zegt Maaike. ‘We merken dat onze partners open staan voor ons verhaal. Maar het systeem is zo dichtgetimmerd met regels, protocollen en registraties dat het heel moeilijk is om daar doorheen te komen. Als passende zorg de nadruk op gezondheidsbevordering legt, moeten we leren vertrouwen op het gezonde proces. Niet elke zwangerschap is immers een medisch probleem dat opgelost moet worden.’

De vier principes van passende zorg

1. Passende zorg is zorg die werkt tegen een redelijke prijs.

2. Passende zorg wordt, waar mogelijk, dicht bij de patiënt georganiseerd.

3. Bij passende zorg beslissen patiënten samen met hun arts over wat voor hen de best mogelijke behandeling is.

4. Passende zorg gaat niet alleen over ziekte, maar ook over gezondheid en de aandacht voor wat iemand wel kan.

‘Wat doen jullie weinig! Ze hebben alleen maar in de hoek gezeten.’’ Marieke lacht: ‘En dat is precies waar passende zorg en gezondheidsbevordering over gaat. Die verloskundigen wisten dat zij niet nodig waren anders dan er gewoon te zijn. Ze waakten over een gezond proces en gaven geen onnodige zorg.’ Dat er zijn en tegelijk niet handelen, is lastig te meten. Terwijl juist die meetbaarheid vaak de basis vormt van veel protocollen en richtlijnen.

Relationele zorg

Het bestuur wil in administra

Het bestuur wil daarom snijden in administratielast en in richtlijnen die niet bijdragen aan betere uitkomsten, zodat verloskundigen weer toekomen aan hun eigenlijke werk: bij de vrouw zijn.

Alieke: ‘In onze beroepsidentiteit ligt de focus ook op de relatie met de vrouw. Wij begeleiden haar in haar rite-de-passage naar het moederschap, omdat dat onze rol is. Omdat dat het goede is om te doen. Maar ook omdat we weten dat deze relationele zorg, dus een goede relatie tussen de verloskundige en de vrouw, enorm beschermend werkt tegen een heleboel dingen. Het is alleen moeilijk om die boodschap over te brengen. Dat lukt ons nog niet goed genoeg. Terwijl: als er een nieuwe technologie op de markt komt, of een nieuwe methodiek van echo’s maken, dan zijn we daar als geboortezorgveld veel sneller geneigd iets mee te doen. Vaak zonder goed te wegen wat de schaduwzijde van de implementatie daarvan is. Wat levert het aan nevenschade op en welke zorg blijft nu onderbelicht of krijgt geen ruimte meer?’

Marieke vertelt over haar broer, die onlangs vader werd. Zijn vriendin was thuis; in bad bevallen met twee vroedvrouwen erbij. ‘Hij zei daarna tegen mij:

In het hernieuwde kwaliteitshuis waar de KNOV aan werkt, staat deze visie op geboortezorg en passende zorg centraal. De beroepsidentiteit staat al op papier en verschillende werkgroepen werken aan het beroepsprofiel, de beroepscode en de herziening van het Kwaliteitsregister Verloskundigen. In al die onderdelen van het kwaliteitshuis is er een belangrijke rol voor de relationele zorg. Niet alleen omdat dat goed werkt voor vrouwen en een goede relatie met de verloskundige bijdraagt aan een goede start van het moederschap. Ook omdat we uit onderzoek weten dat tijd hebben voor relationele zorg bijdraagt aan het werkgeluk van verloskundigen.

Het bestuur werkt ook aan een afwegingskader voor passende zorg, waaraan het beroepsprofiel, het kwaliteitsregister en kwaliteitsdocumenten getoetst zullen worden. Alieke: ‘We hebben het gedeeld met de verschillende platforms en gebruiken het nu intern. Bijvoorbeeld of en wat we met bepaalde richtlijnen doen en om te bepalen waar we verder wel en niet aan werken.’ Het doel van het document is om voorspelbaarder en transparanter richting stakeholders te worden.

In het kader staan per kenmerk van passende zorg enkele vragen. Na het beantwoorden daarvan kan degene die het kader gebruikt, vanuit het KNOVperspectief, een beargumenteerd besluit nemen of een standpunt innemen. Het afwegingskader moet ook helpen om ongewenste praktijkvariatie tegen te gaan. Want waar je bevalt en in welke regio, bepaalt nu nog te veel welke zorg je krijgt. Jarenlang zijn er regionaal protocollen gemaakt in plaats van landelijke richtlijnen, wat versnippering in de hand heeft gewerkt. Het bestuur wil graag dat straks regionaal alleen nog praktische afspraken worden gemaakt – door welke ingang ga je het ziekenhuis in, wie bel je als eerste – en dat inhoudelijk beleid landelijk wordt geregeld.

Geen zorg leveren

Precies daar ligt ook een opdracht voor jou als verloskundige. Het bestuur nodigt je uit om de verloskundige invulling van passende zorg te verspreiden: relationele zorg is de kern ervan en passende zorg betekent dat je soms ook goede zorg levert als je geen handeling verricht. Marieke: ‘Om onze boodschap over passende zorg in relatie tot capaciteitsproblemen breder te laten landen, hebben we alle verloskundigen nodig. Landelijk kunnen wij als bestuur deze boodschap verkondigen, regionaal moeten jullie het doen. Samen zijn we één grote partij.’

Het bestuur roept verloskundigen ook op om hun eigen netwerk te versterken. Niet alleen in het bredere verloskundig samenwerkingsverband, maar juist ook onder verloskundigen onderling. De KNOV ziet dat verloskundigen door de integrale geboortezorg steeds meer vergaderen met gynaecologen en ziekenhuizen, maar dat het informele contact met

elkaar lijkt te zijn afgenomen. Terwijl verloskundigen daarmee juist hun eigen identiteit en draagkracht kunnen versterken. Precies zoals je dat bij de vrouwen die je begeleidt ook doet.

Wees dus trots op je vak, is de nadrukkelijke opdracht van het bestuur. Zoek elkaar op als eerstelijns- en klinisch verloskundigen. Volg wat er gebeurt in het landelijk kwaliteitsbeleid, in het beroepsprofiel, de richtlijnen en het afwegingskader, want dat gaat je helpen om in de regio stevig te staan. Maar weet vooral ook: passende zorg is wat verloskundigen al eeuwen leveren.

Marieke Smith, Maaike van Rijn en Alieke de Roon-Immerzeel.

Natuurlijke rust voor de maag

veilig voor moeder en baby

De kracht van gember (Zingiber officinale)

Effectief: Gingerolen stimuleren een vlotte maagpassage.

Krachtig: 1 tablet staat gelijk aan 500 mg gemberpoeder.

Betrouwbaar: Zonder sufheid en wetenschappelijk onderbouwd.

Brochures over gezond eten voor zwangeren en baby’s

Jong geleerd is oud gedaan!

Met deze praktische brochures help je (aanstaande) ouders om van zwangerschap tot dreumes de juiste keuzes te maken.

• Gezond eten als je zwanger bent

Heldere adviezen over voedingsstoffen, do’s & don’ts en gezonde keuzes.

• Gezond eten voor je baby en dreumes

Van eerste hapjes tot mee-eten: praktische tips en inspiratie voor een gezonde start.

Gratis te bestellen

Voor gezondheidszorgprofessionals om mee te geven in de praktijk.

beste start

Gebaseerd op richtlijnen van o.a. de Gezondheidsraad, het Voedingscentrum en het Nederlands Centrum voor Jeugdgezondheid. Een uitgave van de Nederlandse

Wendy Verkerk

is in april 2026 afgestudeerd als verloskundige en werkt nu in de eerste lijn.

Geboren tijdens een volle agenda

Het was een van de laatste weken van mijn stage toen ik een tikkeltje ongeduldig in de spreekkamer zat te wachten op de volgende cliënt. Nog drie afspraken en dan zat mijn dag erop. Mijn concentratie zakte al wat weg en in gedachten was ik al bij de avond. Maar toen ze na bijna een half uur pas binnenkwam, voelde ik irritatie opkomen. ‘I’m so sorry, I am late’, zei ze gehaast. ‘Doesn’t matter’, antwoordde ik automatisch, al dacht ik daar stiekem anders over.

Ze was een jonge vrouw van midden twintig en 31 weken zwanger. Door een verhuizing was ze net bij onze praktijk terechtgekomen. Achter haar glimlach zat duidelijk een verhaal. Ze was gevlucht uit Oekraïne en woonde nu in een gedeeld huis. Nieuwe stad, nieuw land, nieuwe taal en in verwachting van haar eerste kind. Ondanks de taalbarrière verliep de controle soepel. Met eenvoudig Engels, gebaren en af en toe een glimlach kwamen we een heel eind.

Aan het einde stelde ik mijn standaardvraag: ‘Is everything already arranged? Kraamzorg, baby things, the maternity package?’ Ze keek me vragend aan. ‘What do you mean with kraamzorg?’ Even viel ik stil. Terwijl ik uitlegde wat kraamzorg inhoudt, voelde ik lichte paniek opkomen. Met 31 weken zwangerschap zou dat allang geregeld moeten zijn. Maar al snel werd duidelijk dat ze niets had geregeld. Geen kraamzorg, geen babyspullen, geen kraampakket. Ons zorgsysteem was haar volledig onbekend. Met een knagend gevoel bleef ik achter.

De volgende dag besloot ik te gaan bellen. Het voelde niet goed om het zo te laten. Het eerste kraamzorgbureau zat vol. Het tweede had geen plek. Bij het derde kon ik morgen terugbellen. Na tien telefoontjes was de uitkomst duidelijk: er was nergens ruimte op zo’n korte termijn. Uiteindelijk heb ik haar moeten aanmelden voor de wachtlijst via de verzekering.

Er zijn mooie reacties binnengekomen op de oproep voor columnisten. Daarom laten we in elke editie een andere collega aan het woord. Ook een column insturen? Dat kan via redactie@knov.nl.

Ze bleef in mijn hoofd hangen. Niet vanwege medische zorgen, maar vanwege alles wat er achter dat korte consult schuilging. Voor mij was het een routineafspraak aan het einde van de dag. Voor haar waarschijnlijk weer een moment van onzekerheid in een onbekend systeem. Op zulke momenten besef ik hoe relatief onze dagelijkse routine is. Goede zorg zit niet alleen in controles en protocollen, maar juist in het zien van de persoon tegenover je en het verhaal dat diegene met zich meebrengt.

Geen handen erbij, dus organiseren verloskundigen het anders

Als er binnen jouw werkveld iets verandert, heb je verschillende keuzes. Bijvoorbeeld samen met anderen een plan uitwerken en je krachten bundelen. Verloskundigen Claudia Brouwers en Iris Lensveld vertellen hoe zij omgingen met de hoge werkdruk en de sluiting van de acute geboortezorg in een ziekenhuis – en wat hun nieuwe werkwijze heeft opgeleverd.

Fusiepraktijk Leeve Verloskunde

In Zuid-Limburg werd de druk op verloskundigen steeds duidelijker merkbaar. De administratieve lasten zijn flink toegenomen, de balans tussen werk en privé verre van optimaal en het vinden van nieuwe verloskundigen werd moeilijker. ‘We fungeerden als losse eilandjes, waardoor het lastig was om een sterke regionale ketenpartner te zijn’, vertelt Claudia Brouwers. ‘Gestimuleerd door medecursisten van het leiderschapstraject, dat ik volgde via de KNOV, kwam ik in het najaar van 2024 in gesprek met de praktijkhouders van vierentwintig verloskundigenpraktijken uit de regio. We bespraken hoe we ons vak ervoeren en hoe we de toekomst zagen. Hieruit bleek dat een deel openstond voor samenwerking en een kleinere groep echt vond dat het roer om moest, anders

zouden ze het niet redden. Sommigen stonden – vanwege de combinatie van de hoge werkdruk en de stress van hun eigen, jonge gezinnen –op het punt de handdoek in de ring te gooien. Er moest echt iets veranderen.’

Schone lei

Negen praktijken wilden hun krachten bundelen en werkten – met hulp van ervaringsdeskundigen –in ongeveer een jaar toe naar een gezamenlijke structuur, waarbij één praktijk onderweg uitstapte. ‘Dat was een pittige tijd’, zegt Claudia. ‘We hadden verschillende achtergronden en er was in het verleden ook wel sprake van concurrentie en wat negativiteit ten opzichte van elkaar. Om alle neuzen dezelfde kant op te krijgen, zijn we begonnen met de ‘zachte kant’ van de nieuwe samenwerking: het sociale fundament. Tijdens gezamenlijke sessies hebben we gewerkt aan onderling vertrouwen en een gezamenlijke visie en missie. Pas daarna zijn we aan de slag gegaan met de meer inhoudelijke en financiële vraagstukken, zoals de organisatievorm en het maatschapscontract. Dat was een goede zet. Achteraf gezien zijn we soms misschien wel erg snel gegaan. Maar de trein was in volle vaart en stoppen was eigenlijk al geen optie meer. Bovendien denk ik: als we meer tijd hadden genomen, waren we misschien blijven hangen in twijfels. Alles is nu gewoon goed geregeld.’

Regioteams

‘Bundel je krachten als eerste lijn – samen kun je echt impact maken’

en waar we vergaderen en elkaar ontmoeten. De organisatie is ingericht volgens sociocratische principes, met een ledenraad waarin vertegenwoordigers van de teams besluiten nemen. Werkgroepen houden zich bezig met thema’s als financiën en communicatie. ‘Dat is voor ons allemaal even wennen’, zegt Claudia. ‘Je moet leren vertrouwen op mandaat en elkaar daarin ruimte geven.’

Meer rust

In het voorjaar van 2025 werd een maatschapscontract opgesteld en werden de puntjes op de i gezet. Inmiddels is de verloskundigenpraktijk actief onder de naam Leeve. ‘Dat betekent ‘liefje’ in het Limburgs, maar verwijst ook naar ‘leven’’, legt Claudia uit. ‘Het draait om alles wat ons lief is: onszelf én onze zwangere cliënten.’ Leeve werkt als één organisatie, verdeeld over drie regioteams. Het werkgebied strekt zich uit van Vaals tot Gulpen, Simpelveld, Heerlen, Nuth en Geleen. Hier delen de teams cliënten in op basis van hun postcode, zodat de zorg dicht bij huis blijft. Binnen elk team werken vaste verloskundigen die samen spreekuren en diensten organiseren. Daarnaast is er een centrale hoofdlocatie in Heerlen, waar ook assistentes werken

Eén van de belangrijkste veranderingen is de introductie van een triagedienst overdag. Claudia: ‘De assistentes nemen de telefoontjes aan en maken afspraken. Een verloskundige beantwoordt alle medische vragen. Dit betekent dat de andere verloskundigen tijdens een bevalling echt hun aandacht bij de cliënt kunnen houden. Dat geeft rust.’ Ook het onderlinge contact is intensiever geworden. ‘We zien elkaar vaker, bijvoorbeeld op de hoofdlocatie. We lunchen soms samen en bespreken cases. Dat verlaagt bovendien de drempel om elkaar om hulp te vragen. Dat was vroeger echt anders. We staan er niet alleen voor en zijn er voor elkaar. Als het bij de ene verloskundige rustig is, kan die makkelijker bijspringen bij een collega. Dat helpt enorm bij het opvangen van drukte en uitval. De meeste cliënten vinden de nieuwe werkwijze prima. Soms vraagt een cliënt om een specifieke verloskundige, die haar heeft bijgestaan tijdens een vorige zwangerschap. Dan kijken we wat mogelijk is. Maar voor de meesten is bereikbaarheid en nabijheid het belangrijkst.’

Tekst Myra Langenberg | Vrhl Content en Creatie Beeld Via interviewkandidaten
Claudia Brouwers.

Moeilijke gesprekken

Claudia is er trots op dat het allemaal gelukt is.

‘We hebben het toch maar mooi samen gedaan in zo’n korte tijd. We dachten vooraf dat we ver uit elkaar stonden, maar dat viel eigenlijk reuze mee.’

Heeft ze nog tips voor andere praktijken die vergelijkbare stappen overwegen? ‘Begin met het sociale stuk. Neem de tijd om elkaar te leren kennen en durf ook moeilijke gesprekken te voeren. Oude koeien uit de sloot halen helpt om met een schone lei te beginnen. Ook is het goed om bewust momenten in te bouwen om stil te staan bij het proces. Plan go/no-go-momenten in en blijf elkaar informeren. En vergeet niet om successen te vieren: alles wat je aandacht geeft, groeit. Deze manier van werken helpt ons om het vak leuk en houdbaar te houden.’

De eerste verloskundigenpost van Nederland

Toen in 2022 de acute geboortezorg van het Franciscus Vlietland ziekenhuis in Schiedam sloot, had dat grote gevolgen voor zowel zwangeren als verloskundigen in de regio. Iris Lensveld van Verve (het Verbond Rijnmondse Verloskundigen) legt uit: ‘Voor onze regio betekende het dat een vertrouwd ziekenhuis verdween en dat zwangeren ineens verder moesten reizen. We werken in een dichtbevolkt gebied met relatief veel zwangeren in kwetsbare omstandigheden. Niet iedereen heeft eigen vervoer of kan makkelijk met het openbaar vervoer reizen. Een extra afstand naar het ziekenhuis is dan echt een drempel.’ Ook voor verloskundigen veranderde er veel. ‘Door capaciteitsproblemen is een plek in het dichtstbijzijnde ziekenhuis geen garantie. Dat geeft onrust en beïnvloedt het werkplezier. We leggen meer druk op elkaar en hebben vaker een achterwacht nodig.’ Samen met de raad

‘De urgentie zorgde ervoor dat er echt iets moest veranderen’

van bestuur van het Franciscus Gasthuis en Vlietland, gynaecologen, kinderartsen, regionale verloskundigenorganisaties en zorgverzekeraars keken Iris en haar collega’s naar het grotere geheel. ‘We zagen dat de geboortezorg in de loop der jaren steeds verder gemedicaliseerd is. Daardoor kwam er meer druk op de tweede lijn, terwijl niet alle zorg daar per se thuishoort. We zijn gaan kijken welke zorg anders te organiseren is. Op basis hiervan kreeg ik het idee voor de verloskundigenpost.’

Van idee naar praktijk

‘We hebben gekeken naar urgente zorgvragen in de eerstelijnsverloskunde . Deze komen vaak ad hoc bij de dienstdoende verloskundige terecht’, gaat Iris verder. ‘Als je die zorgvragen bundelt en centraliseert, kun je veel efficiënter werken.’ In april 2023 opende de eerste verloskundigenpost in Schiedam, opgezet door verloskundigenpraktijken van Coöperatie Verve en Stichting Geboorteketen. Inmiddels is er ook een tweede locatie in Rotterdam.

De post is bedoeld voor urgente zorgvragen in de verloskunde, vergelijkbaar met een huisartsenpost. ‘We doen hier geen bevallingen, maar diagnostische onderzoeken en zien bijvoorbeeld zwangeren met minder kindsbewegingen, hoge bloeddruk, buikpijn, bloedverlies en ongerustheid.’

Minder verwijzingen

De werkwijze is praktisch en laagdrempelig: een zwangere belt haar eigen verloskundige.

De verloskundige triageert de zorgvraag volgens de Nederlandse Triagewijzer Verloskunde. Hieruit volgt een advies met een urgentiecode en tijdsindicatie.

Als beoordeling nodig is, kan de zwangere

‘Onze diensten zijn minder onrustig’

dezelfde dag bij de verloskundigenpost terecht voor bijvoorbeeld een CTG of echo. Iris: ‘In ongeveer 80 procent van de gevallen is geen sprake van pathologie en kan iemand gerustgesteld naar huis. Dat is winst: minder onnodige verwijzingen en meer vertrouwen bij de zwangere.’ De samenwerking met de tweede lijn blijft hierbij belangrijk. ‘We werken in een eerstelijnsmodule van het bronsysteem van het ziekenhuis, zodat alle informatie direct beschikbaar is voor

bijvoorbeeld de gynaecoloog. Die hoeft de diagnostiek dus niet opnieuw te doen. Als een cliënt toch verwezen moet worden naar de tweede lijn, dan is dit snel geregeld en goed onderbouwd.’

Uitdagingen

Elke praktijk heeft haar kwaliteiten ingezet om samen de post te kunnen opstarten. Dat intensieve samenwerken bracht volgens Iris ook uitdagingen met zich mee. ‘Elke praktijk heeft een eigen werkwijze en visie. De één verwijst sneller door dan de ander. In het begin moet je elkaar daarin leren kennen en accepteren. Maar juist die verschillen maken ons samen sterker. Ook het onderlinge contact is intensiever geworden. We weten elkaar sneller te vinden voor overleg en ondersteuning. Zeker voor jongere collega’s is dat waardevol.’

Impact

Hoewel de werkdruk niet is afgenomen, is het werk wel anders geworden. ‘Onze diensten zijn nog steeds druk, maar minder onrustig’, geeft Iris aan. ‘Je hebt een collega waar je op terug kunt vallen. Ook voor cliënten heeft het duidelijke voordelen: ze kunnen dicht bij huis terecht en krijgen snel duidelijkheid. Dat waarderen ze enorm.’ Iris kijkt met trots terug op wat er dankzij deze samenwerking is bereikt. ‘We hebben laten zien dat je met meer diagnostiek in de eerste lijn de zorg anders kunt organiseren, met minder doorverwijzingen en minder medicalisering. Dat biedt kansen voor de toekomst van ons vak. En we zijn er nog niet: de Verloskundigenpost blijft zich ontwikkelen.’ Iris’ tip voor andere regio’s: ‘Versterk elkaar in plaats van meer te versnipperen. En vraag ons vooral om advies. Bundel je krachten als eerste lijn: samen kun je echt impact maken en zorgen dat we als verloskundigen duurzamer inzetbaar zijn.’

Iris Lensveld.

De toekomst van ons vak begint hier KNOV-academie

De KNOV-academie is er: een plek waar verloskundigen online en offline samenkomen om te leren, te verdiepen en elkaar te versterken. Waar ruimte is voor reflectie op ons vak en voor de toekomst die we samen vormgeven.

De feestelijke opening op 10 april markeerde het begin van die beweging. Een moment van trots, maar ook van richting. Want de academie is meer dan een leeromgeving. Het is een plek waar het gedachtegoed van de KNOV verder groeit en waar gebouwd wordt aan een sterke beroepsgroep.

Tijdens de opening gaf senior programmacoördinator Ruth Evers woorden aan die beweging in een bevlogen pleidooi. Over waar we staan en wat er nodig is. Op deze plek krijgt haar openingswoord nogmaals een podium.

Vind jouw perfecte scholing

Wat heb jij nodig om sterk in je vak te staan?

Met de scholingsmatch krijg je snel inzicht in scholing die bij jou past. Maak je keuzes en ontvang direct jouw top 3.

Scan de code en ontdek jouw match.

Tekst Ruth Evers
Majanka Boddé

Zoals het nu is, kan het niet blijven

Met de opening van de academie markeren we een einde en een nieuw begin. Het is het einde van een KNOV zonder academie. En een begin van door samen leren verder vormgeven aan een heldere ambitie: werken vanuit gezondheid, passende zorg, ‘first do no harm’ en onze beroepsidentiteit, met verbinding, gezondheid en moed als kernwaarden.

Daar is de afgelopen jaren hard aan gebouwd, zowel door het bestuur als door de regio’s. Bestuurders van KNOV en regio’s doen dat aan alle mogelijke vergadertafels. Dat is goed en nodig. En de academie is er nu om de verloskundigen te versterken die dit elke dag op de werkvloer doen. Want het grootste deel van het cliëntgebonden werk gebeurt elke dag in de wijk en in het ziekenhuis. Door jullie.

En toch, ondanks al het harde werken, zullen jullie met me eens zijn, dat het niet kan blijven zoals het nu is. We kunnen niet blijven accepteren dat het aantal interventies blijft toenemen, terwijl de uitkomsten niet beter worden, dat we per jaar 50 miljoen uitgeven per jaar aan prenatale screeningsecho’s en dat het vertrouwen van zwangeren niet groeit. We kunnen niet blijven toekijken hoe de thuisbevalling langzaam iets wordt wat jonge vroedvrouwen nauwelijks nog zien in hun stages. Want wat je niet ziet in je stage, wordt geen onderdeel van je identiteit.

We kunnen ook niet blijven doen alsof we elkaar niet hard nodig hebben. Tijdens een bijeenkomst over waarneemsters die mogelijk in loondienst gaan, kwam het gesprek neer op: dat praktijkhouders hen het liefst zo min mogelijk betalen. Een externe adviseur gaf de tip om keihard te onderhandelen. En het raakte me zo. Want ik dacht: is dat het? Is de oplossing dat we verharden naar elkaar?

Of kunnen we ook anders kijken. Natuurlijk zijn er verschillen. Praktijkhouders die op kosten letten. Waarneemsters en loondiensters die hun voorwaarden goed willen regelen. En ja, er wordt over en weer ook geoordeeld, ook tussen de eerste en tweede lijn. Maar is dat waar we de focus op willen leggen?

Of kiezen we ervoor om te kijken naar wat er óók is: collega’s in de kliniek die hun rug recht houden in een complexe omgeving. Praktijken die, tegen alles in, het beste willen voor zwangeren én hun team. En waarneemsters en loondiensters die zich betrokken tonen en vaak net dat beetje extra hard lopen voor de praktijk waar ze zo toegewijd aan zijn.

Ik denk dat de meesten van jullie zullen zeggen: we kunnen beter het laatste doen. En toch blijkt dat dus niet altijd makkelijk. Het is niet altijd makkelijk om je stem te laten horen in een protocollenwerkgroep. Om je terug te trekken uit werkafspraken die niet passen bij onze identiteit, of om goed te onderbouwen waarom je iets wel of niet doet. Dat vraagt moed, keuzes en taal. Niets daarvan is zomaar makkelijk. Want als het dat was, dan hadden we het allemaal allang gedaan.

En niet alles ligt bij ons. De wereld heeft het moeilijk, er is veel onrecht, oorlog en het verschil tussen arm en rijk is groot. Maar we kunnen leren de beweging te maken van klein naar groot en terug van groot naar klein. De wetenschap kent een lange geschiedenis van gebrekkige modellen. De platte aarde, het geocentrisch wereldbeeld en het idee dat een moeder haar overleden kind beter niet kon zien: ze kloppen geen van alle, al werden ze ooit als waar gezien. Zo zien we het ook in de verloskunde. Het model staat op springen, het lijkt niet meer te passen. We hebben een ommekeer nodig in ons denken.

Nieuw denken wordt niet altijd enthousiast ontvangen. Ook Galileo ondervond dat: eerst ben je vervelend, afwijkend en onwetenschappelijk. Later bleek je geschiedenis te hebben geschreven. Dat vraagt een lange adem en de bereidheid bij te dragen aan een grote ommekeer.

De vraag is niet óf uitgaan van gezondheid werkt, of een thuisbevalling veilig is. De vraag is waarom we er nog niet altijd naar handelen en wat er nodig is om die beweging te maken. Daarom is het belangrijk dat we onze denkkracht inzetten, dat we samen komen, samen delen, samen plezier maken, samen sparren, samen leren.

Zo creëren we een plek waar we met elkaar ons gedachtegoed verdiepen en verankeren en plezier maken, zodat we het niet meer zo moeilijk vinden om er naar buiten toe voor te gaan staan. Zodat we stap voor stap en met elkaar een nog sterkere beroepsgroep kunnen worden dan we al zijn. Want er gaat gelukkig ook veel goed. Ondanks alles zijn we er nog. En dat is mooi en logisch. Want wij zijn niet het probleem. Wij zijn de oplossing.

Daarom is er nu de KNOV-academie om onze denkwijze, de moed die daarvoor nodig is en onze beroepsidentiteit te versterken, en ten dienste te stellen aan ons allemaal.

Samen sterk in ons vak

Ontdek de KNOV-academie:

- Live scholingen

- E-learnings

- Microlearnings

- Webinars

- Podcasts

knov.nl/academie

Afscheid van Marianne Nieuwenhuijze

Onderzoekspionier in fysiologische verloskunde

Marianne Nieuwenhuijze neemt afscheid als hoogleraar en lector Midwifery/Fysiologische Verloskunde. Als een van de eerste onderzoekers op het gebied van verloskunde in Nederland heeft ze in bijna vijftig jaar veel zien veranderen. Met dit interview blikt ze terug op haar loopbaan.

Als je terugkijkt op een loopbaan van jaren, zijn er ongetwijfeld momenten die eruit springen. Momenten om trots op te zijn. Voor Marianne is het opzetten van het onderzoeksdomein voor fysiologische verloskunde in Maastricht er daar één van. In 2007 legde zij daarvoor de basis, in een tijd waarin dit onderzoeksveld nog in de kinderschoenen stond. Tegelijk zocht ze actief de verbinding met andere midwifery-onderzoeksgroepen, in Nederland en daarbuiten. ‘Om dat te kunnen doen, ben ik veel naar het buitenland gegaan. Er werd al onderzoek gedaan in Groot-Brittannië. Daar heb ik met allerlei onderzoekers gesproken, zoals Jane Sandall.

Hen vroeg ik: hoe hebben jullie dit opgezet?

Hoe hebben jullie dit uitgebouwd? Met welke thema’s zijn jullie bezig? Later is daar de verbinding met Canada en de Verenigde Staten bijgekomen. Zo kon ik een goed beeld vormen van wat onderzoek naar fysiologische verloskunde precies inhoudt: hoe kun je in onderzoek minder medisch naar verloskunde kijken?’ In Nederland ontstond op dit vlak al vrij vroeg een samenwerking met de verschillende instituten die hierbij betrokken waren, zoals de andere opleidingen Verloskunde. We hadden ook het geluk dat er in die tijd brede erkenning voor de fysiologische kijk op geboortezorg ontstond. Daardoor kwam er geld beschikbaar om het onderzoek te laten groeien.’

Die basis is nog altijd zichtbaar. ‘Het onderzoeksdomein is nu nog altijd springlevend. Met grote én kleine projecten bereiken we samen veel, vooral als het gaat om het ontwikkelen van inzichten. Niet alleen medisch, maar ook sociaal: wat betekent zwangerschap? Op die manier geven we verloskunde op een holistische manier vorm.’

Wat bijblijft

Aan alle jaren die Marianne als verloskundige actief is geweest, heeft ze veel herinneringen. ‘Enerzijds aan bijzondere bevallingen. Soms moeilijke en soms hele mooie’, vertelt ze. ‘Ik denk nu aan een bevalling die ik heb begeleid, waarbij een moeder in bad wilde bevallen van haar vierde kind. Ze wilde dit met de vader en de twee oudste kinderen erbij. Dat ging goed.

‘Wees nieuwsgierig, durf vragen te stellen en verzamel mensen om je heen’

Er was een warme sfeer. Toen de moeder uit bad wilde, deed vader zijn shirt uit om de baby warm tegen zich aan te houden. Het oudste zoontje deed direct ook zijn shirt uit, ‘voor de baby’. Dat is een voorbeeld van hoe mooi en bijzonder thuis bevallen kan zijn, waar het kind in het gezin ontvangen wordt.’ Als Marianne terugkijkt op haar loopbaan denkt ze daarnaast ook aan de veranderingen door de jaren heen. ‘Vooral hoe anders we tegen het zorgproces zijn gaan aankijken. Steeds meer administratie, wat tijd wegneemt van de cliëntenzorg. Maar ook steeds meer technologie. Er is altijd een spanningsveld als je gezondheid wilt stimuleren, want preventie is steeds meer gekoppeld aan technologie en testen. Daardoor beweegt de mindset echter weg van de fysiologie. Het blijft zoeken naar balans. Het is denk ik goed om enerzijds alert te zijn: wat speelt er? Maar om ook een stuk vertrouwen te houden in jezelf en in de fysiologie, het natuurlijke proces van zwangerschap en geboorte. Dus niet alleen op technologie leunen, want dat doet iets met de relatie met je kind.’

Stem van de cliënt

Marianne ziet ook positieve ontwikkelingen: ‘De afgelopen twintig jaar heeft de samenspraak met de cliënt zich veel meer ontwikkeld. Toen ik in 2014 op dit onderwerp promoveerde, was het nog onzeker of dit wel een plaats in de geboortezorg zou krijgen.

Marianne Nieuwenhuijze.

Ik denk dat dit onderzoek heeft bijgedragen aan het draagvlak hiervoor, daar ben ik blij om. Want samenspraak kan af en toe ingewikkeld zijn, maar die complexiteit is het waard om te onderzoeken. De basis van de fysiologische verloskunde is eigenlijk: hoe kunnen we het gezonde behouden en wat kunnen verloskundigen doen om dingen zo gezond en normaal mogelijk te houden? Daar hoort het meenemen van de stem van de cliënt bij. Ouders zijn immers primair verantwoordelijk. Wij kunnen die verantwoordelijkheid als zorgverleners niet overnemen. De ouders zijn met het kind een eenheid, die wil je de kans geven om samen te groeien en verder te komen. Er zijn altijd wel situaties waarin spanning is, maar laten we die als uitzondering beschouwen.’ Marianne denkt dat er op het gebied van samenspraak en eigen regie nog wel stappen zijn te maken. ‘Ik denk dat we ons als verloskundigen comfortabeler kunnen leren voelen in uitdagende situaties. Dat je als zorgverlener ermee leert leven dat niet alles gaat zoals je wil, en dat jij ook niet voor alles verantwoordelijk bent. Wél valt er te leren om beter met elkaar in gesprek te gaan, ook met mensen die bijvoorbeeld minder gezondheidsvaardig zijn of schulden hebben, maar net zo goed regie in hun zorgtraject willen hebben. Ook als het gaat om het geven van informatie over gezond leven kunnen we leren om beter aan te sluiten bij verschillende groepen zwangeren. Als je weet wat er voor hen speelt, kun je betere handreikingen geven.’

Samen sterk

Een van de grootste uitdagingen voor verloskundigen de komende jaren is het gezamenlijk vormgeven van de beroepsgroep, denkt Marianne. Ze legt uit: ‘Als we ons als verloskundigen meer verenigen, hebben we een duidelijkere stem en meer invloed. Dan worden we door de buitenwereld als één stem herkend. Maar het blijft uitdagend, met zo veel verschillende praktijken. Soms denk ik dat we met

Blijfaltijd

‘Blijf altijd kijken naar het individu’

een aantal praktijken afspraken hebben gemaakt, maar dan blijkt er toch nog een extra praktijk te zijn die het weer anders doet. Maar ik zie de hoeveelheid samenwerkingen wel steeds meer toenemen, er worden coöperaties gevormd. Niet alleen als VSV’s, maar ook met verloskundigen. Dit kan bovendien helpen om verloskundigen duurzamer in het vak te houden, doordat je het gevoel krijgt er niet alleen voor te staan. Dat is een belangrijke factor als het gaat om capaciteitsproblematiek. Bovendien kun je op die manier sterker neerzetten: wat is er nodig voor goede zorg? Dan hoeft niet elke praktijk individueel oplossingen te zoeken. Samen kunnen we veel meer!’

Sociaal perspectief

Marianne denkt dat het voor onderzoekers met name een uitdaging is om een groter, breder beeld te krijgen in verloskundig onderzoek. ‘Vroeggeboorte is bijvoorbeeld een lastig probleem waar we maar moeizaam grip op krijgen. Ik denk dat we soms te technisch en te veel op detail de diepte ingaan, terwijl we dit soort dingen ook meer vanuit een sociaal perspectief kunnen bekijken. Dat we vaker kunnen nadenken over welke effectieve interventies er te vinden zijn vanuit sociaal oogpunt. Dan kijk je bijvoorbeeld ook naar hoe mensen leven en hoe ze worden ondersteund. Ook als het gaat om mentale gezondheid zie ik te vaak dat dit als een individueel psychisch probleem wordt gezien, terwijl daar ook een sociale component zit. We spreken het individu aan, maar hebben ook als maatschappij iets te verbeteren. Denk bijvoorbeeld aan het combineren van zorg en werk: daarin staan vrouwen te vaak alleen. Het zou erg helpen als vrouwen meer ruimte en steun krijgen om zwanger te zijn en voor hun kind te zorgen.’

Tips

Als ze jonge verloskundigen één advies zou mogen geven, zou het zijn: ‘Zorg dat je een netwerk om je heen krijgt van mensen die je kunnen ondersteunen. Zoek ook een klankbord om dingen te bespreken die je moeilijk vindt.’ Dat is dus ook haar oproep aan zittende verloskundigen: ondersteun startende verloskundigen, want dat is nodig. ‘De wereld is zo veel ingewikkelder dan toen ik begon. Ook op gebied van wat er van je verwacht wordt qua relatie met cliënten, afspraken, richtlijnen, enzovoorts.

Ze kunnen steun gebruiken om de eerste jaren ervaring op te bouwen. Tegen jonge onderzoekers zou ik zeggen: wees nieuwsgierig, durf vragen te stellen en verzamel dan mensen om je heen met wie je die vragen samen kunt verkennen. Zoek aansluiting bij de onderzoeksgroepen die er zijn. Een master doe je ook om een bredere blik te krijgen, dat is heel waardevol als het gaat om je persoonlijke ontwikkeling.’

Beroepsidentiteit en richtlijnen

Marianne was niet alleen hoogleraar en verloskundige, maar heeft ook veel gedaan voor de KNOV en de profilering van de verloskunde. Zo was ze lid van onder andere de landelijke richtlijncommissie Verloskundige Indicatielijst, de Expertgroep Beroepsidentiteit en de Commissie Standaarden (die het bestuur adviseert over richtlijnen). Dat deed ze enerzijds uit nieuwsgierigheid en anderzijds om de beroepsgroep te versterken. ‘Het is altijd verrijkend om met elkaar een onderwerp te onderzoeken, het brengt nieuwe inzichten. Beroepsidentiteit is bovendien de basis om verloskundigen te binden en het maakt ons sterker als we goed weten wie we zijn, ook naar buiten. De commissie voor richtlijnen is een oude liefde, daar ben ik rond 2000 mee gestart. Het is heel waardevol om te weten wat er vanuit onderzoek wel en niet bekend is en om dat te gebruiken om de zorg af te stemmen op de vrouw en haar behoefte en keuzes. Tegelijkertijd is het ook goed om te weten wat nog niet

of weinig bewezen is. Bijvoorbeeld zoals bij het inleiden met 41 weken. We weten dat het voor een eerste kind een optie kan zijn, maar voor een tweede kind eigenlijk geen meerwaarde heeft. Bij het eerste kind kan het iets betere uitkomsten geven, maar de vraag is dan: hoeveel beter? Blijf altijd kijken naar het individu: wie is de vrouw en wat brengt zij mee?

Het gaat dus om een balans. Je wilt nadenken over wat de evidence zegt en wat richting geeft, maar weeg ook andere factoren mee. Elk geval is uniek.’

Emeritaat

Hoewel Marianne afscheid neemt als hoogleraar en met emeritaat gaat, blijft ze een dag in de week promovendi begeleiden en onderzoeksprojecten helpen ontwikkelen. ‘Verder ben ik van plan om te publiceren over de geschiedenis van de verloskunde, daarin ben ik erg geïnteresseerd. Ook wil ik mijn vroedvrouwvaardigheden inzetten bij mijn kleinkinderen en ze ondersteunen door middel van watchful attendance. Daarnaast wil ik weer gaan reizen. Wat ik ga missen is het sparren met studenten; promovendi zijn vaak wat ouder. Het blijft altijd leuk om te horen wat jonge mensen bezighoudt en hoe zij in de maatschappij staan.’

Liever van Marianne zelf haar inzichten horen uit haar rijke carrière? Kom 26 juni naar de ALV-middag in Utrecht of beluister aflevering 3 van KNOV - de podcast! Schrijf je in voor de ALV. Beluister de podcast.

Een tolk inschakelen

De medewerkers van het KNOV-bureau krijgen allerlei vragen van verloskundigen.

In deze rubriek lichten we veelgestelde of opvallende vragen uit. Dit keer:

Zit

de tolktelefoon in het tarief voor cliënten die beperkt Nederlands of Engels spreken?

Een noodzakelijke tolk voor anderstaligen wordt altijd vergoed. De richtlijn ‘Omgaan met taalbarrières in de zorg en het sociaal domein’ (oktober 2025) biedt aanbevelingen voor communicatie in situaties waarin (mogelijk) sprake is van een taalbarrière.

Besluiten jij en je cliënt dat een professionele talentolk nodig is voor het gesprek? Dan kun je via verschillende routes een tolk inschakelen. Doorloop hiervoor de stappen van het stroomdiagram en krijg snel antwoord op de vraag welke vergoeding er beschikbaar is voor jouw specifieke cliënt.

Microlearning

Wil je meer weten? In de KNOVacademie vind je een microlearning met uitleg over de inzet en vergoeding van een talentolk. De KNOV-academie is de nieuwe implementatie-, leeren ontwikkelomgeving van de KNOV,

VergoedingTalentolk

speciaal voor verloskundigen die hun kennis willen verdiepen en direct willen toepassen in de praktijk (zie pagina 16).

Meer zorgverleners, minder zwangeren, toch capaciteitsproblemen

Wat laten de cijfers zien?

In het vraagstuk rondom de capaciteit in de geboortezorg staat vaak één woord centraal: personeelstekort. Maar als je de data van de afgelopen twintig jaar met elkaar vergelijkt, zie je dat het aantal geboortes daalt en het aantal zorgverleners juist stijgt. Toch ervoer 55% van de patiënten in 2024 tekorten in de geboortezorg.1 We zetten de cijfers voor je op een rij.

In 2000 werden in Nederland 206.619 kinderen per jaar geboren. In 2024 waren dat er 166.143.2 Het gemiddelde aantal kinderen dat een vrouw toen kreeg, was 1,43: het laagste aantal ooit. In dezelfde periode is het aantal zorgverleners juist toegenomen. Er zijn meer verloskundigen, meer gynaecologen en meer obstetrieverpleegkundigen dan ooit. 3 Vooral het aantal klinisch werkende verloskundigen groeide sterk: van 245 rond 2000 naar ongeveer 1.000 nu. Een uitzondering op deze stijgende lijn lijkt de kraamzorg te zijn: het aantal professionals en fte bleef daar ongeveer gelijk. Wel was er een verschuiving naar meer zzp-constructies.4

Op basis van deze cijfers zou je verwachten dat de druk op de geboortezorg afneemt. Minder cliënten betekent immers een kleinere zorgvraag. Zorg die bovendien door meer professionals wordt gegeven. Maar zo eenvoudig ligt het niet. De cijfers die we hier tonen zijn de landelijke cijfers. We hebben bijvoorbeeld geen cijfers van de verdeling van deze professionals over het land.

Een andere factor die kan zorgen voor tekorten, is wat en hoeveel we doen. De hoeveelheid geleverde zorg per zwangere is de afgelopen jaren toegenomen.

De cijfers laten zien dat het aantal CTG’s in het ziekenhuis tussen 2012 en 2024 steeg van circa 320.000 naar 480.000. 5 Daarnaast zien we sinds 2000 een stijging van het aantal echo’s 6 en wordt er bijvoorbeeld eerder gecounseld voor inleiding bij naderende serotiniteit.7 Ook zien we grote verschillen in inleidingspercentages tussen ziekenhuizen (van 14% tot 41%)8 en een stijging van het aantal sectio’s (van 16,1% naar 18,4%).9

Terwijl:

• de gemiddelde leeftijd van zwangeren de laatste jaren nog maar beperkt stijgt;

• het percentage zwangeren dat rookt en alcohol drinkt daalt;

• het aandeel zwangeren in kwetsbare situaties (volgens de Landelijke Monitor Kansrijke Start) afneemt).10

Kortom: de zorg is intensiever, zonder dat de zorgvraag aantoonbaar zwaarder is geworden.

De oplossing: niet meer zorg, maar betere keuzes

Uitkomsten

Nu rijst de vraag: levert al die extra zorg ook betere uitkomsten op? De beschikbare data laten zien dat de uitkomsten in de geboortezorg de afgelopen jaren relatief stabiel zijn gebleven. We moeten onszelf dus afvragen: dragen alle extra interventies, monitoring en diagnostiek daadwerkelijk bij aan betere zorg – of vooral aan meer werkdruk? Oftewel: doen we wel de goede dingen? Deze vragen sluiten ook aan bij het rapport van de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving Iedereen bijna ziek over diagnose-expansie: het fenomeen waarbij we steeds meer diagnostiek en screening inzetten en steeds meer, steeds vroeger en steeds laagdrempeliger diagnoses stellen.11 Meer screening en (vroege) diagnostiek kunnen leiden tot overdiagnoses en toegenomen angst.

Bevallocatie

Sinds een aantal jaren komt het regelmatig voor dat ziekenhuizen aangeven dat ze geen plek meer hebben, of niet voldoende personeel. Bij klinisch verloskundigen liggen afdelingen regelmatig vol en is er weinig tijd voor de cliënt. En het kost voor de eerstelijnsverloskundigen tijd om een ziekenhuis te vinden waar wél plek is, de reistijd wordt langer en ze moeten een achterwacht inschakelen als ze het gebied uitgaan. In 2024 vond 74,3% van de bevallingen plaats in de tweede lijn, 10,5% poliklinisch, 2,4% in geboortecentra, 12,6% thuis en 0,3% onderweg/onbekend.

Deze verdeling is de afgelopen jaren ongeveer gelijk gebleven. Dit betekent dat de druk op de ziekenhuizen niet primair komt door meer bevallingen, maar door intensievere zorg per bevalling. We kunnen dus vraagtekens plaatsen bij de hardnekkige aanname dat er sprake is van een landelijk personeelstekort. De cijfers suggereren eerder een verdelings- en organisatievraagstuk:

• er zijn minder locaties voor acute zorg12 (van 81 in 2017 naar 71 in 2025, maar per locatie waren er gemiddeld nog nooit zoveel zorgmedewerkers);

• we zijn meer tijd kwijt aan administratie en overleg13; •er is minder directe cliëntgebonden tijd.14

Oplossingsrichtingen vanuit de KNOV

We hebben te maken met een spagaat tussen de korte en de lange termijn. Op korte termijn is het belangrijk dat alle diensten gedraaid worden. Op de lange termijn gaat het erom de beschikbare tijd efficiënt te besteden, om de werkdruk te verlagen. Het aantrekken van meer personeel lijkt een logische oplossing, maar waarschijnlijk lost dit het probleem niet volledig op. Bovendien kan de groei van het aantal zorgverleners niet eindeloos doorgaan. Ook in organisatieveranderingen en meer beleidsmatig overleg ligt niet de oplossing. De data wijzen eerder richting een andere benadering:

• passende zorg: kritischer kijken naar wat echt nodig is en naar wat beschermend werkt tegen onnodige zorgconsumptie;

• een sterke poortwachtersrol voor de verloskundige:  niet alles medicaliseren en meer focus op gezondheidsbevordering en gezond ouderschap;

• minder administratieve lasten: meer tijd voor cliënten;

• betere samenwerking en gegevensdeling: voorkomen van dubbele zorg;

• aandacht voor werkplezier en autonomie: essentieel voor personeelsbehoud. Dat roept ook de vragen op: durven we ‘nee’ te zeggen tegen zorg die weinig toevoegt en hoe nemen we zwangeren mee in die keuzes?

Betere balans

Het is de verwachting dat het aantal geboortes de komende jaren mogelijk licht stijgt door demografische ontwikkelingen. Tegelijkertijd zal de vraag van zwangeren niet spontaan veranderen: ze stellen vragen, zijn breder geïnformeerd en hebben soms hoge verwachtingen. Dit betekent dat de druk op de geboortezorg niet vanzelf verdwijnt. De echte uitdaging is het systeem veranderen: zorgen voor een betere balans tussen vraag en aanbod, zorg en waarde, en tussen professional en cliënt. Kritisch evalueren en keuzes maken dus.

Scan de code om de bronnen te bekijken.

Kraamzorg: samen werken aanzorggoedethuis

De druk op de kraamzorg neemt toe: dat heb jij als verloskundige vast ook al gemerkt. Maar er is ook veel in beweging. De KNOV werkt samen met Bo Geboortezorg en het Kenniscentrum Kraamzorg aan toekomstbestendige kraamzorg. Zo loopt er een pilot voor een indicatiemethodiek en werkt de KNOV mee aan verschillende andere projecten. In dit artikel lees je wat er speelt en wat dat voor jou betekent.

Het is half zes ’s ochtends. De baby ligt op de borst van haar moeder. De controles zijn klaar. Normaal zou je nu je tas pakken, omdat de kraamverzorgende er is. Vandaag staat er niemand. Je begeleidde de bevalling alleen. Je kijkt naar de moeder. Zij kijkt naar jou. En nu? Je blijft langer dan normaal gesproken. Niet omdat het medisch nodig is, maar omdat je de ouders niet alleen wil laten met een baby van twee uur oud. Als je toch moet vertrekken, spreek je af dat de ouders je kunnen bellen als het nodig is. Je rijdt naar huis. Onderweg denk je: dit is niet hoe het hoort.

Voor veel verloskundigen is dit een herkenbare realiteit. De capaciteitsproblemen in de kraamzorg zijn groot. Er is te weinig nieuwe instroom in de sector en het ziekteverzuim en de uitstroom zijn hoog. Dat heeft natuurlijk in de eerste plaats effect op het gezin, dat het met minder kraamzorg moet doen of soms helemaal geen kraamzorg kan vinden. Ook is bekend dat gezinnen in een kwetsbare situatie het hardst worden geraakt door deze capaciteitsproblemen. Zij melden zich vaker laat bij een kraamzorgorganisatie en komen dan op de wachtlijst, terwijl juist zij de zorg het hardst nodig hebben. Zorginstituut Nederland zag eerder al dat er grote regionale en sociaal-economische verschillen zijn in het kraamzorggebruik en dat de zorg niet altijd terechtkomt bij de gezinnen waar de behoefte het grootst is.

Fysieke zorg aan huis

Tegelijkertijd raken de capaciteitsproblemen ook aan het werk van de verloskundige. Als er niet voldoende kraamzorguren zijn of zelfs helemaal geen kraamzorg is, blijf je soms langer, word je meer gebeld of bel je zelf wat vaker. Misschien rijd je ook nog een keer extra langs het gezin. Ook daarom is bijdrage aan de ontwikkeling van de kraamzorg belangrijk. Sinds enige tijd werkt de KNOV weer goed samen met Bo Geboortezorg, de branchevertegenwoordiger van kraamzorgorganisaties en het Kenniscentrum Kraamzorg (KCKZ). Zoals je misschien weet liep die samenwerking in de afgelopen jaren niet altijd soepel. De KNOV vond dat verloskundigen niet voldoende betrokken werden bij bepaalde beslissingen die moeten helpen om de capaciteitsproblemen in de kraamzorg aan te pakken: over de indicatiestelling, over de inrichting van kraamhotels, over de richting van de kraamzorg. Zo was de KNOV bijvoorbeeld niet aanwezig bij de gesprekken over het normenkader continuïteit kraamzorg dat Zorgverzekeraars Nederland, KCKZ en Bo Geboortezorg samen opstelden. Dat kader waarborgt dat cliënten minstens 24 uur kraamzorg ontvangen, ook in tijden van krapte.

‘Zorg thuis is het uitgangspunt’

De KNOV vindt betrokkenheid bij dit soort afspraken belangrijk. Niet alleen omdat de afspraken het werk van verloskundigen ook beïnvloeden, maar ook omdat verloskundigen medisch eindverantwoordelijk zijn voor de postnatale zorg en het aantal uren voor kraamzorg indiceren.

Gelukkig voert de KNOV inmiddels weer goede gesprekken met de kraamzorgvertegenwoordigers. Begin dit jaar hebben de KNOV en Bo Geboortezorg afgesproken dat ze gezamenlijk optrekken en dat er meer ruimte komt voor verschillende oplossingen. Ook werkt de KNOV samen met Bo Geboortezorg en KCKZ aan een gezamenlijke visie op de eerstelijnsgeboortezorg. Die moet zowel kraamverzorgenden als verloskundigen handvatten geven om in de dagelijkse praktijk te blijven samenwerken en helder te houden wat het doel is: dat de hoeveelheid en kwaliteit van de kraamzorg niet wordt bepaald door wat er beschikbaar is, maar door wat het gezin nodig heeft. De KNOV wil dat vrouwen en gezinnen in hun eigen omgeving wennen aan het ouderschap, ondersteund door een vaste kraamverzorgende. Zorg thuis is dus het uitgangspunt.

Daarbij hoort ook een passende indicatie met ruimte voor maatwerk, laagdrempelige samenwerking tussen verloskundige en kraamverzorgende en lage administratieve lasten, zodat er meer tijd overblijft voor het gezin.

Tijdelijke oplossingen

Natuurlijk zijn er soms tijdelijke oplossingen nodig. Deze oplossingen moeten passen binnen het grotere verhaal. Een kraamhotel kan soms tijdelijk verlichting bieden, maar het is niet de gewenste richting: de KNOV wil immers dat ouders in hun thuisomgeving wennen aan het ouderschap. Daarnaast merkt de KNOV dat een kraamhotel soms voor extra planningsuitdagingen bij verloskundigen zorgt. Het kan natuurlijk niet de

bedoeling zijn dat het probleem alleen maar verschoven wordt. Ook digitale ondersteuning is wat de KNOV betreft geen doel op zich. Digitale ondersteuning kan een prettige aanvulling zijn, maar het is niet geschikt als vervanging van reguliere kraamzorg. De beroepsorganisatie ziet dat fysieke aanwezigheid van een vertrouwd gezicht echt kan ondersteunen bij de start van het ouderschap en gezondheidsbevorderend werkt. Dat is anders dan wanneer je iemand online even spreekt of een filmpje bekijkt.

De KLIM-pilot

Eén van de concrete stappen die de afgelopen tijd zijn gezet is betrokkenheid bij de KLIM-pilot. KLIM staat voor Kraamzorg Landelijke Indicatie Methodiek en het is een nieuwe werkwijze die ervoor moet zorgen dat kraamzorg beter kan worden afgestemd op de individuele behoeften van gezinnen. Daarbij kunnen zorgdoelen en zorgzwaartepakketten helpen, zo luidt de gedachte.

Er zijn een paar belangrijke verschillen met de huidige werkwijze, het Landelijk Indicatieprotocol Kraamzorg (LIP). Nu wordt nog gewerkt met een standaard van uren waaraan extra uren worden toegevoegd op basis van specifieke indicaties.

In de KLIM-pilot wordt gewerkt met zorgzwaartepakketten. Op basis van een brede intake kijken de kraamzorgorganisaties naar de situatie van het gezin: niet alleen naar medische risico’s, maar ook naar beschermende factoren en omstandigheden.

Zij doen een voorstel voor een zorgzwaartepakket en de verloskundige geeft hiervoor goedkeuring.

‘Fysieke aanwezigheid van een vertrouwd gezicht kan echt ondersteunen bij de start van het ouderschap’

Het tweede belangrijke verschil is het zogenoemde klaar-is-klaar-principe. De kraamzorg duurt minimaal tot en met de zevende dag postpartum. Daarna kan, als de zorgdoelen zijn bereikt, in overleg tussen verloskundige, kraamverzorgende en cliënt worden besloten de zorg eerder af te ronden. Het in het zorgzwaartepakket vastgestelde aantal maximumuren hoeft dus niet te worden opgemaakt. Het uitgangspunt is: wat heeft dit gezin nodig? Deze nieuwe methodiek zou in fases landelijk worden geïmplementeerd, maar de KNOV vindt het belangrijk dat eerst goed onderzocht wordt hoe de KLIM in de praktijk uitpakt.

Daarom is er nu eerst een pilot. Deze is in april 2026 van start gegaan bij zeven kraamzorgorganisaties verspreid over het land. Als je dit artikel leest en je werkt samen met een van die organisaties, heb je er misschien al mee te maken gehad. Werk je niet met deze organisaties samen, dan verandert er voor jou nu nog niets. De pilot loopt tot eind 2026. Uiteraard worden in de evaluatie de ervaringen van zowel de kraamzorgmedewerkers als verloskundigen en cliënten meegenomen.

Drie andere projecten

De KLIM-pilot is een waardevolle eerste stap naar toekomstbestendige kraamzorg, maar er zijn meer oplossingsrichtingen. Zo lopen er nog drie projecten waarbij de KNOV ook aan tafel zit. Een daarvan is functiedifferentiatie. In dit project wordt onderzocht of er meerdere profielen voor de kraamzorg mogelijk zijn. De gedachte daarachter is dat de sector daarmee voor bepaalde groepen weer interessanter kan worden. Nu stoppen kraamverzorgenden soms met werken omdat ze door persoonlijke omstandigheden minder willen werken of geen wachtdiensten meer willen draaien. In het project digitale zorg wordt gekeken naar wat wel en niet passend is. De KNOV zet er hierbij op in dat digitale ondersteuning de fysieke zorg niet

mag vervangen. Maar een instructiefilmpje of een kort beeldbelmoment kan mogelijk wel werken als aanvulling op die fysieke zorg. Om de ondergrens en kwaliteit van kraamzorg te borgen, is het wenselijk dat er landelijke kaders voor digitale ondersteuning komen. Het derde project onderzoekt hoe regionale partuspools het beste ingericht kunnen worden. Het idee is dat het aantal wachtdiensten per medewerker door zo’n pool daalt en dat er een hogere kans is om opgeroepen te worden als een kraamverzorgende wachtdienst heeft. In vier regio’s start hiervoor een pilot.

Elkaar versterken

Door actief betrokken te zijn bij bovenstaande projecten zet de KNOV zich er op landelijk niveau voor in dat de samenwerking tussen kraamzorg en verloskunde zo goed mogelijk verloopt. De vereniging hoopt dat dat in de regio ook lukt! Want verloskundigen en kraamverzorgenden hebben elkaar nodig en kunnen elkaar versterken. Samen staan ze voor de beste zorg voor kraamvrouwen en hun gezin, daarnaast wordt hiermee het werkplezier vergroot.

Signalen

Heb je vragen, loop je tegen knelpunten aan in je praktijk, of wil je ervaringen delen? Dan hoort de KNOV dat graag via de helpdesk. Want jullie signalen helpen om ook landelijk de juiste gesprekken te blijven voeren. Onderhoud ondertussen ook goed contact met het Kraamzorg Samenwerkingsverband in jouw regio, al dan niet via je coöperatie, kring of VSV. Ook is het advies om gewoon het benodigde aantal uren te blijven indiceren, zelfs als je weet dat de capaciteit beperkt is. Alleen zo kan echt inzichtelijk gemaakt worden hoe groot het probleem is.

Hoe houd je grip als er geen plek is in het ziekenhuis?

Samen sterker bij opnamestops

Het is een herkenbaar scenario voor eerstelijnsverloskundigen: het kost veel tijd om voor een cliënt een plek te vinden in het ziekenhuis. De tijd dringt en ondertussen lopen je andere zorgvragen door. Door opnamestops bij ziekenhuizen en centralisatie van zorg komen dit soort situaties steeds vaker voor – en als verloskundige trek je regelmatig aan het kortste eind. Het onderzoeksproject OPTIMISTIC biedt hier geen pasklare oplossing voor, maar wel handvatten om er beter mee te kunnen omgaan.

Tamar van Haaren-Ten Haken is sinds juni lector bij het lectoraat Midwifery Science bij de Academie Verloskunde Maastricht. In deze rol volgt zij Marianne Nieuwenhuijze op (lees meer op pagina 18). Ze is daarnaast betrokken bij het onderzoeksproject OPTIMISTIC (OPTIMIzing SusTaInable midwifery Care in line with professional identity). Ze legt uit dat dit onderzoek voortkomt uit een ontwikkeling die al langer speelt: structurele capaciteitsproblemen in de geboortezorg. ‘Door tijdelijke opnamestops, sluiting van verlosafdelingen en centralisatie van zorg kunnen zwangeren niet altijd in hun eigen regio bevallen. Het komt regelmatig voor dat baby’s onderweg naar het ziekenhuis worden geboren. Of dat zwangeren vanwege de vertraging of langere reistijd toch thuis bevallen – ondanks een medische indicatie. Dit heeft impact op de cliëntervaringen, de werktevredenheid van verloskundigen en op de veiligheid van zorg.’

Weinig invloed

Voor eerstelijnsverloskundigen betekent dit concreet: meer afstemming, meer reistijd en meer onzekerheid. Maar ook: stress en minder werkplezier doordat de zorg die ze leveren onder druk komt te staan. Tamar: ‘Als een ziekenhuis besluit om verloskamers te sluiten, voelt het voor eerstelijnsverloskundigen soms alsof zij het probleem moeten oplossen, terwijl ze daar weinig invloed op hebben. Die spanning is voelbaar in het werkveld. Verloskundigen geven aan dat het huidige systeem hun werkplezier aantast en dat ze zich afvragen hoe ze met deze situatie moeten omgaan. Mogelijke noodoplossingen waarover wordt gesproken, zijn triageposten of het oprichten van een geboortecentrum.’

Gezamenlijke aanpak

Het onderzoek richt zich bewust niet op het oplossen van het capaciteitsprobleem. ‘Dit ligt grotendeels buiten onze invloedssfeer’, geeft Tamar aan.

‘In plaats daarvan zoomen we met OPTIMISTIC in op een concreet en dagelijks terugkerend probleem: er is geen plek in het ziekenhuis. Wat kun je als eerstelijnsverloskundige doen op het moment dat je hiermee te maken krijgt? En kun je dan praktisch samenwerken met collega’s in de regio? Met dit onderzoek willen we van een reactieve manier van werken – steeds opnieuw oplossingen zoeken in acute situaties – toe naar een meer voorbereide en gezamenlijke aanpak.’

Impact zichtbaar maken

Een belangrijk onderdeel van het onderzoek is het in kaart brengen van de impact van opnamestops. Want hoewel deze regelmatig in het nieuws komen, blijft de invloed op de eerstelijnsverloskunde vaak onderbelicht. Tamar: ‘We kijken niet alleen naar cijfers, maar ook naar ervaringen. Wat betekent het voor jou als professional? Wat doet het met je cliënt? We verzamelen casuïstiek en verhalen van verloskundigen om dat beeld compleet te maken. Hierbij maken we ook gebruik van grote databestanden zoals VeCaS, met gegevens over tienduizenden zwangerschappen. Zo krijgen we inzicht in zorgstromen, uitkomsten en verschillen tussen regio’s.’ Opvallend is dat de gevolgen verder reiken dan alleen logistiek ongemak. Denk aan vertraagde zorg, onrust bij zwangeren en situaties waarin afgesproken zorg – zoals pijnbestrijding of een plaatsindicatie – niet beschikbaar is. ‘Er wordt vaak gezegd dat de acute zorg geborgd is’, vertelt Tamar. ‘Maar goede zorg is meer dan alleen acute veiligheid. Ook de afgesproken zorg en de ervaring van de cliënt tellen mee.’

Beroepsidentiteit als kompas

Een tweede pijler van het onderzoek is de beroepsidentiteit van verloskundigen in relatie tot capaciteitsproblematiek. Wat vinden wij belangrijk in ons werk? En waar schuurt het wanneer systemen onder druk staan? OPTIMISTIC is gestart voordat de KNOV de Beroepsidentiteit van de Verloskundige ontwikkelde. Binnen het onderzoek wordt beroepsidentiteit (professional identity) in bredere zin gebruikt, als overkoepelend begrip. ‘Bij opnamestops zie je dat kernwaarden in het geding komen’, vertelt Tamar. ‘Bijvoorbeeld continuïteit van zorg of voldoende tijd kunnen besteden aan het begeleiden van je cliënt. Dat raakt direct aan hoe je je werk wilt doen. Daarom verkennen we binnen OPTIMISTIC, samen met verloskundigen, wat de gedeelde kernwaarden zijn. Niet alleen op papier, maar juist zoals verloskundigen die in de praktijk ervaren. Deze waarden vormen vervolgens de basis voor het verkennen van mogelijke

‘Eerstelijnsverloskundigen kunnen meer invloed uitoefenen op hoe zij hun werk organiseren’
Tamar van Haaren-Ten Haken.
‘Door slim samen te werken in de regio, kun je zorgen voor minder werkdruk en meer werkplezier’

samenwerkingsvormen in de regio. Want samenwerken kan helpen om het probleem van de opnamestops het hoofd te bieden – maar alleen als het past bij hoe verloskundigen hun vak willen uitoefenen.’

Regionaal organiseren

Waarom ligt de focus op regionaal niveau? Tamar: ‘Omdat daar veel van de problemen samenkomen. Vaak hebben meerdere praktijken te maken met één of twee ziekenhuizen. Elke praktijk ervaart dezelfde problemen, maar probeert ze individueel op te lossen. Er is mogelijk winst te behalen door als eerstelijnsverloskundigen regionaal samen te werken. Hierbij kun je denken aan gezamenlijke achterwachtsystemen, een slimmere verdeling van zorg of het bundelen van capaciteit. Het is hierbij belangrijk dat de samenwerking niet alleen uit nood ontstaat, maar ook gebaseerd is op een gedeelde visie. Als die ontbreekt, kan samenwerking juist frictie opleveren. Daarom beginnen we bij de vraag: wat vind je belangrijk in je werk? Van daaruit kunnen we verder bouwen.’

Van inzicht naar instrument

Een van de beoogde opbrengsten van OPTIMISTIC is een simulatiemodel, dat wordt ontwikkeld met Universiteit Twente. Dit model moet inzicht geven in de effecten van verschillende manieren van samenwerken. Hierbij houdt het model rekening met meerdere factoren tegelijk, zoals het aantal zorgverleners in de regio, de gemiddelde zorgvraag en regionale kenmerken. Maar ook met het aantal verloskundigen, het aantal ziekenhuizen en de reistijd daarnaartoe. Het idee is dat verloskundigen met dit model straks voor hun eigen regio scenario’s kunnen verkennen: wat gebeurt er als je anders samenwerkt?

En wat betekent dat voor de capaciteit, werkdruk en continuïteit van zorg? Tamar legt uit: ‘Met dit model kun je als het ware verschillende situaties in jouw regio simuleren. Bijvoorbeeld: wat gebeurt er bij piekbelasting?

Of als een ziekenhuis tijdelijk sluit? Zo kun je op voorhand beter onderbouwde keuzes maken. We gaan het simulatiemodel in twee regio’s als pilot testen.’

Meer regie, minder stress

Een belangrijk uitgangspunt van het onderzoek is dus dat eerstelijnsverloskundigen meer invloed kunnen uitoefenen op hoe zij hun werk organiseren – juist binnen de beperkingen die er zijn. Dit betekent niet dat de verantwoordelijkheid volledig bij hen komt te liggen. Integendeel. ‘Het gaat er niet om dat verloskundigen het probleem moeten oplossen’, benadrukt Tamar.

‘We willen juist laten zien waar je wél invloed op hebt en hoe je samen sterker kunt staan: een verandering van voortdurend reageren naar beter voorbereid zijn.’

Betekenis voor de praktijk

Hoewel het onderzoek nog tot en met volgend jaar loopt, levert het nu al waardevolle inzichten op.

Alleen al het delen van ervaringen blijkt belangrijk. ‘We merken dat verloskundigen zich gehoord voelen’, zegt Tamar. ‘Hun verhaal krijgt aandacht – en dat is hard nodig. Uiteindelijk zullen de resultaten leiden tot praktische handvatten voor eerstelijnsverloskundigen die te maken krijgen met opnamestops. Het grotere probleem van capaciteitsdruk zal daarmee niet verdwijnen. Maar de manier waarop we hiermee omgaan, kan wel veranderen. Als we door een goede samenwerking kunnen bijdragen aan minder werkdruk, minder stress, meer werkplezier en betere zorg voor cliënten, dan is dat al een belangrijke stap.’

Hoe

een

vakgroep

kan

zorgen voor een duidelijkere structuur, meer zeggenschap en een betere zichtbaarheid

De druk op de geboortezorg is voelbaar. Volle verloskamers en wachtlijsten zijn steeds vaker regel dan uitzondering. Het capaciteitsprobleem wordt vaak als oorzaak gezien. Toch ligt een deel van de oplossing niet alleen in meer zorgprofessionals of meer bedden, maar in welke zorg echt nodig is. En hoe organisatie en bekostiging goede, passende zorg ondersteunen. Volgens klinisch verloskundige Margriet Wegman-Rikkink, die in haar thesis voor de master Verloskunde ingaat op de implementatie van een vakgroep klinisch verloskundigen, moeten we ook kijken naar onze positionering, zeggenschap en het vertrouwen in de kracht van ons vak. ‘Laten we ons duidelijker uitspreken, kritischer naar ons werk kijken en samenwerking versterken.’

Margriet studeerde in 2007 af als verloskundige. Daarna werkte ze in de eerstelijnszorg en was ze tien jaar maat in een maatschap in Deventer. Sinds vijf jaar werkt ze als klinisch verloskundige in het Isala ziekenhuis in Zwolle. Daarnaast is ze VSV-coördinator, platformcoördinator voor klinisch verloskundigen binnen de KNOV én gemeenteraadslid. Een heel breed werkveld dus, en al die inzichten en ervaringen hebben haar visie op het capaciteitsprobleem in de zorg gevormd. ‘Dit is niet alleen een praktisch probleem, maar ook een organisatorisch en professioneel vraagstuk.’

Druk in de hele keten

‘Bij vlagen liggen de verloskamers vol, waardoor we tijdelijk zwangeren moeten weigeren en onder andere geen pijnstilling kunnen verzorgen. Dat doet wat met je als verloskundige. Je wilt er altijd zijn en iedere zwangere de hulp bieden die nodig is. Als dat niet lukt, is dat op z’n zachtst gezegd heel vervelend.’ Die druk beperkt zich niet tot het ziekenhuis. ‘Je merkt het in de hele keten. Kraamzorg kampt met tekorten, eerstelijnspraktijken hebben vacatures en ook binnen ons ziekenhuis is het zoeken naar balans. We hebben een tekort aan obstetrieverpleegkundigen. Er wordt hard gewerkt aan een oplossing met opleidingstrajecten.

Een ander probleem waar we tegenaan lopen, is het tekort aan psychisch begeleiders. Hierdoor hebben we onze POP-poli – voor zwangerschap en psychische begeleiding – on hold moeten zetten. Dat is een aderlating.’

Minder interventies

Volgens Margriet ligt een belangrijk deel van de oplossing in de specifieke rol van de klinisch verloskundige. ‘Wij zijn opgeleid vanuit de fysiologie. Dit perspectief helpt om onnodige interventies te voorkomen.’ Ze benadrukt dat dit niet gaat om minder zorg verlenen, maar om meer passende zorg.

‘Als je kritisch kijkt naar bijvoorbeeld standaardcontroles of inleidingsindicaties, zie je dat daar soms ruimte zit. Zeker in tijden van schaarste onder zorgprofessionals moeten we ons afvragen welke zorg echt nodig is. Met andere woorden: we moeten kritisch durven kijken naar het opschalen van zorg. Is dat echt nodig? Door elke casus tegen het licht te houden, dragen we bij aan een verlaging van de werkdruk. Immers, minder interventies betekent minder inzet van tijd, personeel en middelen. Maar er speelt meer: als klinisch verloskundigen hebben we bijvoorbeeld geen financieel belang bij opschalen of verwijzen. Hierdoor kunnen we met een open blik naar het zorgproces kijken, zodat we onze kostbare tijd spenderen aan zwangeren met een medische indicatie die onze zorg echt nodig hebben. Dit moeten we durven uitspreken en ons hierin gesteund voelen. Mede daarom pleit ik voor het oprichten van vakgroepen.’

‘We moeten kritisch durven kijken naar het opschalen van zorg’
Margriet Wegman-Rikkink.

Gezondheidsbevordering

Een ander, vaak onderschat aspect van de capaciteitsproblematiek is volgens Margriet gezondheidsbevordering van zwangeren. ‘In de tweede lijn ligt de focus traditioneel op medische indicaties en interventies. Maar hoe gezonder en fitter een zwangere is, hoe minder interventies nodig zijn. Een goede gezondheid is de basis van alles. Helaas komen we er in de praktijk niet genoeg aan toe om dit bespreekbaar te maken. Door tijdgebrek en volle spreekuren is er minder ruimte voor gesprekken over leefstijl, voeding of beweging. Terwijl juist daar winst te behalen is.’ Volgens haar zit hier een mogelijke oplossing in een betere samenwerking met de eerste lijn. ‘We onderzoeken bijvoorbeeld of we tweedelijns cliënten kunnen laten aansluiten bij CenteringZwangerschap-groepen van de eerste lijn, in hun eigen wijk. Een mooie manier om onze krachten te bundelen.’

Vertaalslag

Ook een goede samenwerking binnen het VSV is essentieel, vindt Margriet. ‘Zo kun je samen bekijken welke zorg het beste past bij de zwangere. Niet vanuit je eigen domein, maar vanuit het geheel. Om dit te kunnen realiseren, is het belangrijk dat je investeert in onderlinge relaties en elkaar kent. Blijf communiceren, drink even koffie na een overdracht en zie elkaar als collega’s in plaats van ‘de ander’. Laten we elkaar versterken, dat maakt al een enorm verschil. Als klinisch verloskundigen kunnen we een goede verbinding maken. De meeste klinisch verloskundigen hebben in de eerste lijn gewerkt. Dat helpt. We begrijpen

‘Het opzetten van een vakgroep kan een groot verschil maken’

Margriets thesis in het kort

Binnen de geboortezorg van Isala Klinieken Zwolle is steeds meer behoefte aan een vakgroep klinisch verloskundigen die hun taken, rollen, verantwoordelijkheden en autonomie structureel borgt. Margriet onderzocht de kansen en knelpunten bij het oprichten van zo’n vakgroep binnen Isala. Met behulp van een focusgroep – bestaande uit zeven verloskundigen – heeft ze kwalitatieve data verzameld en thematisch geanalyseerd. Uit de resultaten blijkt dat motivatie, het besef van meerwaarde en de wens tot professionele positionering belangrijke bevorderende factoren zijn. Ook steun vanuit het ziekenhuismanagement speelt een cruciale rol. Tegelijkertijd vormen onduidelijke verantwoordelijkheden, gebrek aan erkenning en het ontbreken van een gezamenlijke visie belangrijke belemmeringen.

Scan de code om de thesis ‘Wat is er nodig om tot implementatie te komen voor de vakgroep klinisch verloskundigen binnen Isala Klinieken Zwolle’ te lezen.

beide werelden en kunnen de vertaalslag naar de klinische setting maken – en andersom. Hierbij is het belangrijk dat we cliënten goed overdragen en niet uitgaan van aannames, maar nieuwsgierig blijven: vraag hoe een bepaalde situatie is ontstaan. Hoe meer achtergrondinformatie je hebt, hoe beter je iemand kunt helpen.’

De kracht van een vakgroep

Om klinisch verloskundigen een duidelijkere stem te geven in het ziekenhuis – en om goed mee te kunnen denken over oplossingen voor het capaciteitsprobleem – onderzocht Margriet hoe je een vakgroep het beste kunt implementeren. ‘Het opzetten van een vakgroep kan een groot verschil maken. Onze positie was lange tijd niet goed vastgelegd. We werden soms wel, soms niet betrokken bij beleid of werkgroepen. Terwijl we

‘We spelen een belangrijke rol in de geboortezorg, die we niet moeten onderschatten’

een belangrijke schakel zijn in de zorg. Dat moest anders, vond ik. Een vakgroep kan hierin verandering brengen: een duidelijkere structuur, meer zeggenschap en een betere zichtbaarheid. Zodat we als beroepsgroep een duidelijke stem hebben, binnen het ziekenhuis én daarbuiten.’ Uit haar onderzoek kwamen duidelijke voorwaarden voor een succesvolle implementatie van een vakgroep naar voren: steun van het management, draagvlak binnen de eigen groep, tijd en ruimte voor implementatie en helder leiderschap. ‘Zonder managementsteun kom je er niet’, stelt ze. ‘Maar ook binnen je eigen groep moet het besef er zijn dat dit belangrijk is.’

Sterkere positie

De weg naar zo’n vakgroep kan hobbelig zijn, ondervond ze. ‘Er was in het begin best wat weerstand en onzekerheid over wat ons doel was: wilden we meer zelfstandigheid? Een eigen geldstroom? Ook spelen landelijke ontwikkelingen een rol, zoals de mogelijkheid voor klinisch verloskundigen om zelfstandig diagnosebehandelcombinaties (DBC) te openen. In theorie versterkt die mogelijkheid onze positie enorm. Je fungeert als poortwachter, kunt zelfstandig beleid bepalen en verwijzen zonder tussenkomst van een gynaecoloog. Maar in de praktijk werkt het vaak anders. In sommige ziekenhuizen wordt deze mogelijkheid nog niet volledig benut: klinisch verloskundigen worden bijvoorbeeld toch niet ingeboekt, maar werken achter de schermen onder de naam van een arts-assistent. Of gynaecologen zeggen: dat doen we hier niet. Open de DBC maar gewoon op mijn naam. Daar zit soms angst achter, bijvoorbeeld voor veranderende tarieven van verloskundige zorg. Dat maakt dit het momentum om echt met je groep verloskundigen verder te professionaliseren.’

Meedenken en meebeslissen

Margriet is er duidelijk over: het versterken van de positie van klinisch verloskundigen is essentieel voor toekomstbestendige geboortezorg. ‘Je kunt als klinisch verloskundige het verschil maken door mee te denken over beleid, protocollen en de organisatie van zorg – en dus bijdragen aan oplossingen voor capaciteitsproblemen. Dit heeft niet alleen effect op de zorg, maar zorgt ook voor meer werkplezier. Het gevoel dat je gehoord wordt en invloed hebt, maakt je werk leuker en duurzamer. Maar hiervoor is het wel nodig dat je je vrij voelt om je uit te spreken. Die ruimte moet je krijgen. Het starten van een vakgroep is dan een mooie eerste stap.’

Toekomstbeeld

Hoe ziet de ideale geboortezorg er volgens Margriet uit? ‘Ik zou iedere zwangere een verloskundige in de buurt toewensen. Iemand die ze kent – die haar kent – en die ze laagdrempelig kan benaderen. Iemand die dichtbij is en haar goed begeleidt. En als het nodig is, komt de zwangere naar het ziekenhuis. Hier bieden we liefdevolle, adequate, gezinsgerichte zorg. Zodra het kan, laten we haar weer teruggaan naar haar verloskundige in de buurt. Ik denk echt dat dit mogelijk is, als we er maar genoeg ons best voor doen. Ik zou andere klinisch verloskundigen willen aanraden: word je bewust van je eigen waarde. We spelen een belangrijke rol in de geboortezorg, die we niet moeten onderschatten. Denk mee en spreek je uit. En zorg dat je vertegenwoordigd bent op de plekken waar beslissingen worden genomen. Zo kunnen we samen werken aan de oplossing van het probleem – én meer werkplezier.’

Symphony ® Betrouwbare ziekenhuisprestaties.

Hands-free comfort thuis.

Symphony® is de meest populaire huurkolf 1,2, ontworpen voor zowel ziekenhuis- als thuisgebruik en is gebaseerd op tientallen jaren klinisch onderzoek. Klinisch bewijs toont aan dat de Symphony® met succes een adequate melkproductie activeert, opbouwt en in stand houdt, vergelijkbaar met de volumes die een borstvoedende baby bereikt.3,4

Twee op onderzoek gebaseerde afkolfprogramma's, geïnspireerd op het natuurlijke zuiggedrag van de zuigeling aan de borst.3

Levert tot 18 % meer melk op met een hoger energiegehalte bij dubbel afkolven.5

Anatomisch ontworpen hands-free cups voor extra discretie, bewegingsvrijheid en thuiscomfort.

Verkrijgbaar

KNOV – de podcast NIEUW!

Zin in inspiratie over ons vak voor onderweg? In KNOV – de podcast gaan Ruth Evers en Suzanne Thompson, beiden senior programmacoördinator bij de KNOV, in gesprek met collega’s uit het vak en experts die vanuit verschillende perspectieven naar de verloskunde kijken. Samen verkennen ze wat ons vak zo bijzonder maakt: van beroepsidentiteit en kernwaarden tot geschiedenis, autonomie en maatschappelijke impact.

In KNOV – de podcast hoor je persoonlijke verhalen en luister je naar gesprekken over thema’s die ons allemaal raken. Waar liggen onze roots? Wat onderscheidt ons van andere zorgprofessionals?

Hoe geven onze kernwaarden richting aan ons dagelijks werk? En welke rolhebben wij in de maatschappij van vandaag?

‘Als 70% van de primi’s klinische zorg nodig heeft, doen we dan de juiste dingen’ Marianne Prins, aflevering 4

‘Autonomie gaat niet over: ik ben de baas en ik bepaal. Autonomie wordt dan ineens: ik vertrouw jou zo erg, dat ik op de meest kwetsbare momenten in mijn leven kan zeggen; ik geef jou een stuk van die verantwoordelijkheid omdat we die vertrouwensrelatie met elkaar hebben.’ Bahareh Goodarzi, aflevering 5

Met bijdragen van Michelle ten Berge, Carien Baas, Marianne Nieuwenhuijze, Hieke Huistra, Marianne Prins, Miran Gerritsen, Bahareh Goodarzi, Inge van Nistelrooij, Jolanda Liebregts, Raymond de Vries en het bestuur, senior programmacoördinatoren en de directeur van de KNOV biedt de podcast inspiratie voor verloskundigen die met plezier willen blijven werken, herkenning zoeken bij collega’s en verschillende perspectieven willen horen.

Aflevering 1

Onze beroepsidentiteit; wat is het en wat kan je ermee?

Michelle ten Berge en Carien Baas

Aflevering 2

Onze kernwaarden onder de loep: verbinding, gezondheid en moed

Rachèl Reintjes en Nathalie Hagen

Aflevering 3

Onze historie en de invloed daarvan op vandaag

Marianne Nieuwenhuijze en Hieke Huistra

Aflevering 4

Ons specialistisch kennisgebied en wat onderscheidt ons van andere beroepen

Aflevering 8

Marianne Prins en Miran Gerritsen

Aflevering 5

Onze maatschappelijke rol

Bahareh Goodarzi en Inge van Nistelrooij

Aflevering 6

Een gevoel van gemeenschap, samen dragen we dit vak

Marieke Smith en Maaike van Rijn

Aflevering 7

Professionaliteit en autonomie

Alieke de Roon en Job Paulus

Persoonlijke ontwikkeling en zelfreflectie

Julia Bloeming en Suzanne Thompson

Aflevering 9

Samenwerken met andere disciplines

Raymond de Vries en Jolanda Liebregts

Aflevering 10

Ruth en Suzanne blikken terug

Suzanne Thompson en Ruth Evers

Alle afleveringen zijn nu te beluisteren via Spotify en de KNOV-academie.

Known, supported, and learning: why continuity of preceptorship matters

The quality of midwifery education depends heavily on what students experience in practice. For many students, clinical placement is where learning becomes real, but it can also be where confidence is tested. Entering unfamiliar clinical environments, working with different midwives each shift, and navigating unspoken and unwritten expectations can generate significant anxiety, particularly early in the degree. Feeling known, supported, and safe enough to ask questions matters not only for learning, but also for students’ sense of belonging within the profession.

Maternity services are under increasing pressure. Workforce shortages and high clinical demands make it challenging to provide consistent supervision for students placed in the clinical area. Traditional shift-based preceptorship models, where students work with

different midwives from one shift to the next, are common, but they can fragment learning and make it harder for students to build confidence and develop a professional identity.

This article presents findings from the implementation and evaluation of a continuity-of-preceptorship model known as One Midwife – One Student (OMOS) (Mountford et al, 2026). Drawing on students’ voices, the study explores how continuity shaped their learning, what worked well, and what did not always work. The relevance of this approach for midwives, maternity services, and educators is also discussed.

What was explored

A continuity-of-preceptorship model was explored within a Bachelor of Midwifery program in Australia, where students typically undertake clinical placement in hospital-based maternity services. In this model, a student was paired with a named midwife preceptor and worked with that midwife over the course of multiple shifts. The intention was to create greater

Tekst A. Mountforda,c, J. Fenwicka, K. Smalld, M. Andersonb, H. Konowecb, R. Gasparottob, C. Catlinga, H. Rotha, K. Bairda, D. Foxa

relational continuity and thereby support students’ learning, while enabling students to engage with the broader clinical team.

Rather than focusing on performance or competency outcomes, the study sought to understand how students experienced placement under this model, how they felt, how they learned, and how continuity shaped their sense of confidence and belonging. Students recorded video reflections across their time in practice, providing insight into the everyday realities of learning within busy maternity services.

What students reported

Rather than describing their placements in terms of isolated skills or tasks, students talked about how the experience felt. Many contrasted continuity placements with earlier experiences of moving from one midwife to another, describing the emotional and cognitive load of constantly re-introducing themselves and trying to gauge expectations. One student spoke about the relief of knowing who they would be working with:

‘There was no awkward period or stress for me because I knew where I was going and who I was working with.’

Others reflected on how being known by a preceptor changed how they participated, particularly early in placement when anxiety was high. Students without continuity often described being ‘on high alert’, feeling unsure where theyfitted, or hesitant to step forward.

Across accounts, what mattered most was not perfection or protection, but feeling supported enough to learn.

What worked well

Students consistently described feeling calmer and more confident when working with a known preceptor. Knowing who they would be working with reduced anticipatory stress and allowed them to focus on learning rather than self-management.

Continuity enabled preceptors to understand students’ strengths, learning needs, and stage of development. Students described feeling more willing to ask questions, try new skills, and reflect honestly when they felt safe within the relationship. As one student put it:

‘She already knew what I was confident with and where I needed more support, that made a huge difference.’

Continuity also helped with everyday practicalities, such as completing clinical documentation or accessing learning opportunities. Preceptors who knew students well were better placed to support progress toward learning goals and advocate for opportunities when they arose.

What didn’t always work

Continuity was not always achievable. Staffing pressures, rostering constraints, sick leave, and busy clinical areas, particularly birth suite, sometimes disrupted planned pairings. When this occurred, students could feel uncertain about their role or how best to engage in learning opportunities. As one student explained:

‘Some days I would get there and stuff wasn’t organised, so I wasn’t assigned a midwife, which was a little bit hard to get my foot in the door.’

‘Continuity of preceptorship sits at the intersection of learning, wellbeing, and workforce sustainability’
‘When students feel settled and supported, they are better able to contribute meaningfully to the team’

Importantly, students consistently recognised these challenges as system-level issues rather than individual failings. Their reflections highlighted the need for flexibility and contingency planning, rather than suggesting that continuity must be perfect to be valuable.

Why this matters for practice

What midwifery students experience on placement shapes far more than their immediate learning. The clinical environment influences how students see themselves as future midwives, how confident they

feel stepping into practice, and whether they feel that midwifery is where they belong. Continuity of preceptorship matters because it sits at the intersection of learning, wellbeing, and workforce sustainability.

For midwife preceptors, continuity enables teaching relationships to develop over time. When preceptors know a student’s strengths, anxieties, and stage of learning, supervision becomes more responsive and purposeful. Teaching moves beyond task allocation towards mentorship, supporting students to grow, reflect, and take on responsibility under supervision.

Many students described how relational continuity made it easier for preceptors to encourage them, challenge them appropriately, and advocate for learning opportunities when the clinical environment was busy.

For maternity services, continuity of preceptorship offers a different way of supporting students without increasing supervision burden. While coordinating continuity requires planning and flexibility, students in this study described being more engaged, more confident, and less hesitant to participate in care. When students feel settled and supported, they are better able to contribute meaningfully to the team, rather than expending cognitive and emotional energy simply trying to work out where they fit. Importantly, continuity does not need to be flawless to be effective, even partial continuity appeared to reduce stress and enhance learning.

For educators, early placement experiences are pivotal. Students repeatedly described how feeling welcomed, known, and supported influenced their motivation and confidence across the remainder of their placement. Models that foster belonging and relational safety early in training may play an important role in retention, progression, and preparation for practice. At a time when the midwifery workforce is under pressure, approaches that support students to thrive, rather than simply endure placement, deserve close attention.

Ultimately, continuity of preceptorship is not only an educational strategy. Continuity is a way of affirming students as emerging professionals, supporting midwives in their teaching role, and strengthening the foundations

Conclusion

This model reflects and builds on the central role that relationships play in midwifery. Continuity of preceptorship created conditions in which students felt safer to learn, more confident to participate, and

more able to see themselves as midwives. While continuity was not always achievable, even partial relational consistency shaped students’ experiences in meaningful ways.

At a time when maternity services and education providers are navigating significant pressure, approaches that prioritise relational safety and belonging warrant attention. Continuity of preceptorship is one such approach, not as a perfect or one-sizefits-all solution, but as a way of strengthening learning environments and supporting the next generation of midwives to grow with confidence. Paying attention to how midwifery students experience placement, not just what they do, can better support learning, professional identity, and the future sustainability of the midwifery workforce.

Reference

Mountford, A., Fenwick, J., Small, K., Anderson, M., Konowec, H., Gasparotto, R., Catling, C., Roth, H., Baird, K., Fox, D. (2026) One midwife, one student: Exploring continuity of preceptorship in midwifery education, Women and Birth, 39:102194

Scan to read the full article

Affiliations

a School of Nursing and Midwifery, Faculty of Health, University of Technology Sydney T. +61 (02) 9514 7986, M. +61 0409 032 903, PO Box 123 Broadway NSW 2007 Australia [Collective for Midwifery, Child and Family Health]

b The Royal Hospital for women, Barker St, Randwick, NSW 2031, Australia

c Bankstown Lidcombe Hospital, Eldridge Rd, Bankstown, NSW 2200, Australia

d Maternal, Child and Adolescent Health Program, Burnet Institute, Melbourne, VIC, Australia

De

Gezondheidsraadadviseertvrouwen die (pre-)zwangerzijnelkedagextra foliumzuurenvitamineDtesuppleren

Dagelijks 400 mcg exttra foliumzuur tijdens de (pree-)zwange is belangrijk voor de groei en werking van het lichaaam, de aa van witte en rode bloeedcellen en voor de vroege onntwikkeling het ongeboren kind Bij ij een tekort aan foliumzuur kan a bloed armoede ontstaan. Bij het ongeboren kind is er een veerhoog kans op de ontwikkeling g van neurale buisdefecten

Daarnaast is dagelijks 10 mcg extra vitamine D belangrijk voor een goede botopbouw van de ongeboren baby. Er zijn aanwijzin het slikken van extra vitamine D de kans op zwangerschapsdiabete en een baby met een laag geboortegewicht verkleint. Daarb verlaagt het de kans dat een kind d op o latere leeftijd astma-acht symptomen ontwikkelt.

Ook omega-3 vetzuren EPA en DHA uit vis((olie) ) zijn belangrijk. Ze zijn nodig voor de ontwikkeling van het netvlies en de hersenen van de baby. Daarnaast hebben ze een beschermend effect op het risico van vroeggeboorte.

Davitamon het nr.1 A-merk vitamines en mineralen*

Ons lichaam heeft elke dag vitamines en mineralen nodig om goed te blijven functioneren. De zwangerschap vitamines van Davitamon zijn speciaal afgestemd op de behoefte van vrouwen tijdens de (pre-)zwangerschap.

Met Davitamon kies je al sinds 1928 voor een betrouwbaar voedingssupplement van de hoogste kwaliteit. Op basis van de meest recente wetenschappelijke inzichten.

Stagiairs begeleiden: keuze

‘We

of noodzaak?

moeten investeren in de toekomst van de verloskunde’

Het is niet te ontkennen: de werkdruk van veel verloskundigen is hoog. En tegelijkertijd hebben we als beroepsgroep nieuwe collega’s die het vak in de praktijk moeten leren. Helaas is er een flink tekort aan beschikbare stageplekken. Dat klinkt vrij logisch, want als de werkdruk al hoog is, heb je dan nog wel tijd voor een stagiair? Erna Kerkhof en Ellen Plaschek denken van wel. Zij begeleiden jaarlijks bewust meerdere stagiairs. Waarom doen ze dit? En wat levert het op?

Natuurlijk kost het tijd om stagiairs te begeleiden, dat zal iedereen begrijpen’, zegt Erna Kerkhof van het Verloskundig Huys in Zwolle. ‘Toch hoort het nou eenmaal bij ons vak: het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van onze beroepsgroep. Binnen onze praktijk is het opleiden van nieuwe collega’s al decennialang vanzelfsprekend. We werken met zeven verloskundigen en vrijwel het hele jaar door begeleiden we studenten verloskunde. We wisselen korte en

langere stages af: van eerstejaars die komen snuffelen tot vierdejaars die bijna klaar zijn. Dat maakt het afwisselend. Onze praktijk is er ook echt op ingericht: we hebben een studentenkamer, een fiets voor de student en een rooster waarin altijd ruimte is om met een verloskundige mee te lopen. Studenten draaien bij ons mee tijdens spreekuren, diensten en overleggen. We willen dat ze het hele plaatje zien. Hoe beter iemand begrijpt hoe een praktijk werkt, hoe sneller diegene later inzetbaar is als collega.’

Strategie

‘Als ik terugdenk aan mijn eigen opleiding, ben ik mijn stagebegeleiders eindeloos dankbaar: ik heb ontzettend veel van ze geleerd’, vervolgt Erna. ‘Een groot deel van ons vak leer je in de praktijk. Dan moeten er dus ook mensen zijn die dat mogelijk maken. Opleiden is voor mij meer dan een verplichting, het is ook een strategie. Zit er een leuke student bij die we graag willen houden, dan lukt dat vaak ook. Hierdoor hebben we eigenlijk nooit een personeelstekort.’ Toch betekent dit niet dat het altijd makkelijk is. ‘Het kost tijd, zeker in het begin. En niet elke student past goed in het team, maar daar leer je van. Gelukkig kunnen we

Tips voor beginnende stagebegeleiders

• Vraag een buurtpraktijk die ervaring heeft met stagiairs om advies.

• Begin klein: start met een korte stage van een eerstejaarsstudent.

• Volg een cursus stagewerkbegeleiding

– dat levert bovendien accreditatiepunten op –en maak gebruik van de ondersteuning vanuit de academie.

• Werk als team: verdeel de begeleiding en bespreek ervaringen.

• Probeer studenten te empoweren en niet onzeker te maken: fouten maken mag, dat hoort bij het leerproces.

‘Je leert dit vak niet uit een boek’

de begeleiding onderling goed verdelen: twee collega’s zorgen voor de coördinatie en met alle zeven zorgen we voor de praktische begeleiding. Er is altijd werk en altijd iemand die energie heeft om de student mee te nemen. De kracht zit echt in ons hele team. Samen vormen we een compleet beeld van een stagiair.’

Tijd verdelen

Volgens Erna is het een misvatting dat stagiairs begeleiden ‘te veel’ tijd kost. ‘Een uurtje evalueren is niet zo heel ingewikkeld – en het is echt geen eenrichtingsverkeer. Je krijgt er ook veel voor terug: nieuwe inzichten, meegaan met nieuwe ontwikkelingen, frisse energie en potentiële nieuwe collega’s. Bovendien krijg je er een vergoeding voor én je blijft zo meer betrokken bij de opleiding – en dus je vak. Vroeger begeleidden we studenten van de opleidingen in Maastricht en Groningen. Dat werd een beetje ingewikkeld: de werkwijze en de indeling van de stages was anders en de opleidingen gebruikten andere formulieren. Daarom begeleiden we nu alleen nog studenten uit Groningen.’ Heeft Erna advies voor verloskundigen die twijfelen? ‘Begin gewoon, het is zo leuk en hoort bij ons vak. Het is eerst misschien wat lastig, maar het wordt echt makkelijker. Geef het even de tijd en geef niet te snel op. Volg een cursus stagewerkbegeleiding en doe het samen als team. Ik kan het alleen maar aanraden.’

Teaminvestering

Ook bij Puur Vroedvrouwen in Arnhem is opleiden een bewuste keuze. De praktijk begeleidt jaarlijks meerdere studenten in verschillende fases van hun opleiding. ‘Dat moet wel’, zegt medepraktijkhouder en echoscopist Ellen Plaschek. ‘Je leert verloskunde niet uit een boek. Je moet het zien, voelen en ruiken. Dat kan alleen in de praktijk. Als ik mijn werkdruk

‘Willen we dat de verloskunde blijft bestaan, dan moeten we met z’n allen opleiden’

wil verlagen en over tien jaar nog een praktijk wil hebben, moet ik zorgen dat nieuwe verloskundigen afstuderen. Het hoort bij ons takenpakket en is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Ook wij pakken de stageperiodes gestructureerd aan: vaak met één of twee hoofdbegeleiders die het leerproces coördineren. Studenten lopen met alle teamleden mee, maar wel bewust gepland. We willen niet dat cliënten onrust ervaren door te veel wisselende gezichten. Via korte evaluaties en onderlinge afstemming blijven alle teamleden bij het proces betrokken. Dit betekent een investering van ons allemaal: het kost tijd en energie, zeker bij bevallingen. Je bent continu aan het observeren en begeleiden. Toch weegt dit niet op tegen de opbrengsten. Studenten brengen nieuwe kennis en inzichten mee. Die kruisbestuiving is heel waardevol.’

Erna Kerkhof (derde van links) en haar collega’s van het Verloskundig Huys.

Wat doet de KNOV?

Het opleiden van nieuwe collega’s is niet optioneel. Met het uitspreken van de Eed neemt iedere verloskundige de verantwoordelijkheid voor het bevorderen van de verloskundige kennis van haarzelf en die van anderen op zich. Dit kan onder andere door het bieden van een stageplaats aan studenten. De student leert het vak het best in de praktijk, maar tegelijkertijd leert de professional ook van de student. Daarnaast is het opleiden van toekomstig verloskundigen van essentieel belang voor de instandhouding van het verloskundig vak.

De KNOV werkt aan een nieuw beroepsprofiel. Hierin krijgt het opleiden van toekomstig verloskundigen een prominentere plek. Daarnaast is de KNOV in gesprek met de Samenwerkende Opleidingen Verloskunde (SOV). Samen kijken we waar we oplossingen voor het tekort aan stageplaatsen kunnen vinden.

Ellen geeft aan kritisch te zijn over het niveau van de studenten. ‘Bij een afstudeerstage is het belangrijk dat je kunt zien dat iemand er echt klaar voor is. Dit betekent soms dat we een stage verlengen. Dat is niet leuk, maar wel ontzettend belangrijk: iemand moet goed voorbereid het vak ingaan.’

Goed voorbereid

‘Ik vind het ontzettend leuk om verloskundigen in opleiding binnen de praktijk te hebben, al geef ik toe dat ik een cliënt soms liever zelf begeleid’, gaat Ellen verder. ‘Het hoort er gewoon bij. Als ik mijn kennis en ervaring niet deel, is er geen toekomst meer voor ons vak. Bovendien gun ik het ze om goed beslagen ten ijs te komen en ruimte te krijgen om zichzelf te ontwikkelen. Zelf moest ik me tijdens mijn stages soms aanpassen aan de stagebegeleiders, dat vond ik af en toe lastig. Ik probeer het nu zelf anders te doen en studenten meer ruimte te geven.’

Enthousiasme

Het verbaast Ellen dat er praktijken zijn die geen verloskundigen in opleiding begeleiden. ‘Ook als je alleen werkt, heb je veel kennis om te delen. En kost het je te veel tijd, kijk dan eens of je samen met een andere verloskundige een student kunt begeleiden. Als je het samen met een andere praktijk doet, verlicht je overall de belasting van de studentbegeleiding. Daarnaast is het gewoon ontzettend leuk. Denk maar aan het enthousiasme van een eerstejaars die een zwangere buik voelt en het hartje beluistert. Daar kan ik echt van genieten.’

Ellen Plaschek.
Waarom hebben huisartsen geen tekort aan stageplaatsen?

In de huisartsgeneeskunde is er geen tekort aan opleiders, maar juist een overschot. Volgens

Marijke Olthof – voorzitter van de Landelijke Huisartsen

Opleiders Vereniging (LHOV) –heeft dat voor een groot deel te maken met het positieve imago. ‘Er is veel aandacht voor de positie van opleiders: ze krijgen nette vergoedingen, erkenning en hebben inspraak in de opleiding van huisartsen.

Opleiden wordt gezien als verrijking van het werk en als opleider heb je aanzien.

Daarnaast geeft het energie, verdieping en een sterke band met je arts in opleiding tot specialist (aios). Verder is het gewoon heel erg leuk om een aios op te leiden en je vakkennis over te brengen. Je hebt een

jaar lang een intensieve band met iemand, als meester en gezel: een mooie aanvulling op je werk als huisarts. Je hebt een coachende rol en ziet iemand uitgroeien tot volwaardige collega. Veel huisartsen doen dat graag en zijn opleider voor het leven.’

Vakonderdeel

Marijke legt uit: ‘Als huisarts volg je een tweedaagse cursus om een aios op te leiden en heb je een intensieve samenwerking met de opleiding tot huisarts. Als opleider help je je aios geleidelijk naar meer zelfstandigheid. Eens in de vier tot acht weken is je aios een dag volledig verantwoordelijk voor je huisartsenpraktijk. Op die dag ga je als opleider naar een

terugkomdag, waar je ervaringen uitwisselt met andere opleiders. Hier leer je collega’s uit andere provincies kennen en leer je van elkaar. Zo wordt opleiden echt onderdeel van je vak en je kunt bovendien een stempel drukken op de toekomst van goede huisartsenzorg. Dat is natuurlijk heel eervol.’ Hoewel er in haar vakgebied geen tekort aan opleiders is, kan ze zich voorstellen dat er ook artsen zijn die denken dat opleiden veel tijd kost, of bang zijn dat het niet klikt met een aios. ‘In de praktijk valt dat meestal mee. En zelfs als het een keer minder goed gaat, is dat voor de meeste opleiders geen reden om te stoppen. Bovendien kan een aios van praktijk switchen als het echt niet gaat.’

‘Opleiden geeft energie en verdieping’

Veilig slapen, vanaf de eerste nacht.

De AeroSleep® 3D-topper: Comfort voor je baby, zonder zorgen

Ademende 3D-laag

De innovatieve 3D-technologie creëert een zachte luchtlaag waar je baby heerlijk op kan slapen.

Super absorberend

Houdt je kindje en het matras fris en droog.

+ Hygiënisch & wasbaar

Snel te wassen en weer droog, een schoon bedje opmaken is zo gedaan!

Ontdek alle matraspakketten van AeroSleep® steeds inclusief 3D-topper

Update KNOV: Ontwikkeling richtlijnen en kwaliteitsdocumenten

Je ziet ze vast weleens voorbijkomen: oproepen om bijvoorbeeld deel te nemen aan een werkgroep voor de ontwikkeling van een kwaliteitsdocument. Of om commentaar te geven op een conceptrichtlijn. Dat vraagt de KNOV je niet zomaar: richtlijnen en andere kwaliteitsdocumenten moeten aansluiten bij de behoeften van verloskundigen, de nieuwste inzichten en de actuele vraagstukken uit het dynamische werkveld. Zo ontwikkelen we samen praktische handvatten om de kwaliteit van de verloskundige zorg hoog te houden.

Een korte update over de ontwikkeling van diverse kwaliteitsdocumenten.

NVOG-Protocol Datering van de Zwangerschap (2025)

Aan dit document heeft de KNOV niet meegewerkt

De intensieve samenwerking tussen verloskundig hulpverleners in de eerste lijn, tweede lijn en perinatologische centra, vraagt om een eenduidige manier van zwangerschapsdatering. Hieronder wordt verstaan het betrouwbaar vaststellen van de zwangerschapsduur en daarmee de aterme datum. In een eerder besluit heeft het KNOV-bestuur vastgesteld geen goedkeuring te verlenen aan het protocol, omdat deze monodisciplinair is opgesteld en de KNOV niet als (mogelijk) autoriserende partij is benaderd. Dit principiële bezwaar blijft staan. Echter, na signalen uit het werkveld over onduidelijkheid welke aanbevelingen voor verloskundigen gelden bij het bepalen van de zwangerschapsduur, heeft het KNOV-bestuur na heroverweging besloten het protocol ‘Datering van de zwangerschap – versie 3.0’ alsnog goed te keuren. Het protocol is gepubliceerd op de website van de NVOG.

Praktijkkaart

Bij dit protocol heeft de KNOV een praktijkkaart met een samenvatting van de belangrijkste wijzigingen en aanbevelingen voor verloskundigen. De praktijkkaart vind je op de website van de KNOV.

NVOG-Kwaliteitsnorm Foetale Echoscopische Parameters (2025)

Dit document heeft een voorwaardelijke autorisatie gekregen

De kwaliteitsnorm Foetale Echoscopische Parameters beschrijft voor de foetale echoscopische parameters welke referenties en methodieken gebruikt dienen te worden in Nederland. Deze norm verwijst naar het NVOG-protocol

Datering van de zwangerschap - versie 3.0 voor kaders waarbinnen de parameters gebruikt mogen worden om de zwangerschapsduur te berekenen. Het KNOV-bestuur heeft besloten om een voorwaardelijke autorisatie af te geven voor de kwaliteitsnorm. Scan de code en bekijk de voorwaarden op de website van de KNOV.

Richtlijnen, handreikingen en andere kwaliteitsdocumenten helpen je om in de praktijk keuzes te maken voor de juiste zorg, passend bij jouw cliënt. Het kan zijn dat je tijdens je werk hiaten en knelpunten tegenkomt. Deze inventariseren wij graag. Je kunt knelpunten en hiaten eenvoudig met ons delen. We bespreken dan jouw input met de betrokken partijen. Scan de code voor het online formulier.

Praktijkkaart.

Protocol.

Gegevensuitwisseling via Blinkz

‘Juist

door ermee te werken, ontdek je wat het oplevert’

Geboortezorgprofessionals die elkaars dossiers kunnen inzien: het klinkt logisch en levert direct winst op. Minder dubbel werk, meer tijd voor de cliënt. Eerstelijnsverloskundige Martine Kokkelmans uit Geleen (Limburg) werkt met Blinkz (voorheen Babyconnect) en is voortrekker binnen haar VSV. Zij vertelt wat digitaal samenwerken haar in de praktijk oplevert, hoe het de kwaliteit van zorg versterkt en waarom het juist nu helpt bij het omgaan met de groeiende capaciteitsdruk in de verloskunde.

Martine Kokkelmans werkt al ruim twintig jaar als verloskundige en is mede-eigenaar van verloskundigenpraktijk Verloskundigen Geleen. Sinds begin dit jaar vervult zij de rol van coördinator binnen een fusiepraktijk, waarin acht praktijken zijn samengegaan tot één organisatie met drie teams. Daarnaast is zij bestuurder van de Verloskundige Coöperatie Zuid-Limburg en was zij de afgelopen jaren als projectleider zorg nauw betrokken bij de implementatie van Babyconnect in Limburg.

Je bent binnen je VSV voortrekker op het gebied van gegevensuitwisseling. Hoe ben je betrokken geraakt bij Blinkz?

‘Al meer dan tien jaar ben ik betrokken bij onze VSV-werkgroep vanuit de wens om gegevens tussen zorgverleners rondom moeder en kind op één plek te kunnen inzien en delen. Het subsidieproject van VIPP Babyconnect kwam op ons pad. Dat was de kans om gegevensuitwisseling niet alleen lokaal, maar landelijk te organiseren. Want als je echt vooruitgang wilt boeken, moet je verder kijken dan je eigen regio. We wilden immers ook eenvoudig gegevens kunnen

uitwisselen met bijvoorbeeld Amsterdam, en niet alleen met de zorgverleners in onze directe omgeving. De voorwaarden van de subsidie speelden daarin een belangrijke rol. Daarvoor hebben we de samenwerking opgezocht met andere VSV’s en het initiatief direct provinciebreed opgepakt. Dit leidde tot de oprichting van een projectgroep en een gezamenlijke subsidieaanvraag namens heel Limburg. Hierdoor kunnen we, in heel Nederland, laten zien wat er mogelijk is door betere informatievoorziening en gegevensuitwisseling.’

Wat motiveerde jou om daarin een actieve rol te pakken? ‘Als bèta-georiënteerde verloskundige – ik studeerde eerst Bouwkunde – ben ik misschien een beetje atypisch. Ik ben niet vies van cijfers en techniek. Mijn motivatie haalde ik uit een stukje frustratie dat ik in mijn dagelijks werk ervoer op het gebied van gegevensuitwisseling. Alle gegevens zijn al ergens, we moeten alleen gigantisch veel moeite doen om die op tafel te krijgen. Dat kon efficiënter, vond ik. De tijd die we kwijt zijn met het zoeken naar gegevens, zou in de zorg voor onze patiënten moeten zitten. Mijn drive om dit te doen is om collega’s meer tijd in de zorg te gunnen.’

Kun je schetsen hoe het delen van dossiers via de viewer er in de praktijk uitziet?

‘Voordat zorgverleners de viewer (zie kader Wat is Blinkz?) goed kunnen gebruiken, is het nodig om de toestemming aan te hebben staan en moet de toegang geregeld zijn. Als dat goed staat, kun je de documenten zien die alle geboortezorgpartners in onze regio publiceren. Dat kan een ontslagbrief uit het ziekenhuis zijn, een partusverslag of bijvoorbeeld de uitkomst van een consult. Dergelijke documenten staat in een overzicht bij elkaar.’

Kun je een voorbeeld noemen van dubbel werk dat voorkomen wordt omdat je elkaars dossiers kunt inzien?

‘Als ik voorheen een visite op de kraamafdeling van een ziekenhuis ging doen, dan moest ik langs de post aan de verpleegkundige vragen hoe het met een cliënt ging. Door gebruik te maken van Blinkz kan ik voordat ik naar het ziekenhuis vertrek, in de viewer al even lezen wat de verpleegkundige die dag heeft opgeschreven over die opname. Daardoor kan ik meteen naar mijn cliënt toe gaan. Wat we ook al doen, is de terugkoppeling van consulten teruglezen in de viewer. Bij het voorbereiden van mijn spreekuur kan ik dan zien wat er vorige week is uitgekomen toen een cliënt bij de gynaecoloog was.’

Merk je ook verschil in de samenwerking met andere zorgverleners binnen het VSV?

‘Zeker! Vroeger was het altijd een hele klus om dossiers van een eerdere zwangerschap op te vragen. We moesten de vorige zorgverlener bellen, en het gebeurde vaak dat de informatie via een beveiligde mail werd gestuurd, of soms zelfs onbeveiligd, omdat sommige collega’s niet precies wisten hoe ze het veilig moesten versturen. Nu is het een stuk eenvoudiger. Zodra onze cliënt toestemming geeft, zetten we de toegang in de viewer aan en kunnen we meteen de gegevens van eerdere zwangerschappen inzien. Het is binnen een minuut geregeld. Je belt, vraagt of ze de toegang even aanzetten, en zodra de cliënt toestemming heeft gegeven, is het al zichtbaar. Het zit gekoppeld aan haar digitale dossier, dus we hoeven die informatie niet zelf nog te verzamelen.’

Wat is Blinkz?

Blinkz (voorheen VIPP Babyconnect) draagt bij aan digitale gegevensuitwisseling in de geboortezorg. Via een viewer is het mogelijk dat verloskundigen, gynaecologen, kinderartsen en kraamzorgorganisaties veilig en snel medische gegevens kunnen uitwisselen. Ook cliënten profiteren: zij krijgen meer inzicht in hun eigen dossier en kunnen zelf bepalen wie hun gegevens mag bekijken. Meer achtergrondinfo via blinkz.nu.

‘Het systeem levert nu al duidelijke meerwaarde op in de praktijk’

Is het de moeite waard om al met de viewer te gaan werken?

In tijden van capaciteitsproblemen: levert deze manier van werken daadwerkelijk tijdwinst op?

‘Dat vind ik nog een lastige vraag om te beantwoorden omdat het een groeimodel is en iedereen aan het wennen is om ermee te werken. Op dit moment zijn we druk bezig om ervoor te zorgen dat iedereen de toestemming en toegang op de juiste manier aan heeft staan. Daar zit een stuk winst in. Dat zijn we aan het versnellen, zodat we dat allemaal op een vast moment vragen en doen. Volgend jaar zijn we verder en schat ik in dat ik dan volmondig ja kan zeggen.’

Helpt dit systeem ook om sneller te schakelen bij drukte of onverwachte situaties?

‘Het gemak is groot. Met een paar klikken heb je toegang tot de informatie en dat helpt zeker bij drukte of onverwachte situaties. De viewer biedt een handig en snel overzicht, zeker in situaties waarin je moet doorverwijzen. Voorheen moest ik eerst een volledige verwijzing via ZorgDomein aanmaken om alle gegevens in het ziekenhuis te krijgen. Als je het nu tijdens de zwangerschap goed inricht – en dat geldt ook voor het ziekenhuis – is de zwangerschapskaart bij een verwijzing automatisch beschikbaar. Dat scheelt echt tijd. Tegelijkertijd zijn we er nog niet. Het systeem is een goed startpunt, maar er liggen nog volop ontwikkelwensen, bijvoorbeeld op het gebied van functionaliteiten die technisch al mogelijk zijn, maar nog niet door de bronsystemen ondersteund kunnen worden. Dat maakt het soms lastig, want de praktijk vraagt om snelheid en volledigheid. Onderdelen zijn echt nog in ontwikkeling.’

‘Ja, ik denk dat we er zeker al mee moeten gaan werken. Wat er nu staat, werkt goed en biedt al een mooi en bruikbaar overzicht van de beschikbare gegevens. Natuurlijk willen we er in de toekomst nog veel meer uithalen, maar dat is geen reden om te wachten tot alles volledig is doorontwikkeld. Mijn advies is: begin gewoon. Juist door ermee te werken, ontdek je wat het oplevert én wat er nog beter kan. Bovendien sluiten steeds meer partijen aan. Zo kunnen kraamcentra via hun bronsysteem Atermes al gegevens uitwisselen, waardoor we ook de bevindingen van kraamverzorgenden kunnen inzien. Het systeem is nog niet af, maar het is absoluut een waardevol begin, en het levert nu al duidelijke meerwaarde op in de praktijk.’

Wat zou je andere VSV’s adviseren die nog aan het begin staan van digitale gegevensuitwisseling via Blinkz? ‘Werk met elkaar samen en leer een routine aan. Als je er niet mee werkt, ervaar je ook niet wat je eraan kunt hebben. Als de drempel te hoog voelt omdat je blijft vasthouden aan bestaande processen die je al kent, dan kan het helpen om binnen de praktijk of binnen je regio een buddysysteem af te spreken. Dan doe je het samen, dat werkt vaak goed.’

Vanaf 1 januari 2026 is digitale gegevensuitwisseling ondergebracht binnen het Duurzaam Informatiestelsel Geboortezorg (DIG). Hierin werken de KNOV, NVOG, BO Geboortezorg, BEN, NVK, de Federatie van VSV’s en Nictiz samen, met een prominente rol voor de eindgebruikers. Blinkz werkt in opdracht van de geboortezorgpartijen en beheert de inhoudelijke en technische doorontwikkeling van toekomstbestendige gegevensuitwisseling. Scan de code voor meer informatie.

Martine Kokkelmans.

Voedingsadviezen voor zwangeren

Vernieuwd

Op deze praatplaat van het Voedingscentrum staan alle vernieuwde voedingsadviezen voor zwangeren bij elkaar. Gebruik deze tijdens een gesprek met aanstaande ouders of geef het mee. Ook beschikbaar in Engels, Turks en Arabisch!

Bestel gratis in onze webshop op www.voedingscentrum.nl/webshop

30-04-2026 16:36

IJZERTEKORT TIJDENS DE ZWANGERSCHAP?

Vertrouw op IRON VITAL® vloeibaar ijzer dat de juiste concentratie goed opneembare ijzer-II-gluconaat, Vitamine B1, B2, B3, B6, B12 en C bevat en dankzij de natuurlijke planten- en vruchtenextracten een heel aangename fruitsmaak heeft.

NIET CONSTIPEREND

GIST-, GLUTEN- EN LACTOSEVRIJ

GEEN CONSERVERINGSMIDDELEN

GESCHIKT VOOR VEGETARIËRS

EN VEGANISTEN

ALCOHOLVRIJ

Behoort u tot de beroepsdoelgroep binnen de geboortezorg en wilt u graag folders en proefmonsters van de IRON VITAL® voor uw praktijk ontvangen?

Stuur dan een mail met uw volledige adresgegevens naar: info@arkopharma.nl

€ 15,25 SLECHTS

VRAAG NU

PROEFMONSTERS AAN!

Medicatie tijdens de zwangerschap

Waarom de standaarddosering niet altijd de juiste is

Drie op de vier vrouwen in Nederland gebruikt weleens een medicijn tijdens de zwangerschap.1

Toch is voor veel geneesmiddelen nog onvoldoende bekend welke dosering in deze periode veilig en effectief is. Project Madam, een samenwerking tussen het Radboudumc, MUMC+ en Moeders van Morgen Lareb, wil dit veranderen door onderzoek te doen naar de juiste geneesmiddeldosering voor zwangeren. Dit blijkt vaak een andere dosering te zijn dan die in de praktijk aan zwangeren wordt voorgeschreven.

Wat verandert er tijdens de zwangerschap en waarom is er zo weinig bekend?

Tijdens de zwangerschap verandert het lichaam van de zwangere ingrijpend om de groei en ontwikkeling van de foetus te ondersteunen.

Deze veranderingen beïnvloeden ook hoe geneesmiddelen in het lichaam worden opgenomen, verdeeld en uitgescheiden.

Zo werken de nieren harder, waardoor het lichaam geneesmiddelen sneller kan uitscheiden. Ook verandert de activiteit van enzymen in de lever die verantwoordelijk zijn voor de afbraak van medicatie. Hierdoor worden sommige geneesmiddelen sneller afgebroken, terwijl andere juist langer in het lichaam blijven.

Daarnaast neemt het bloedvolume toe, waardoor geneesmiddelen meer verdund raken en zich anders over het lichaam verdelen.²

Door deze veranderingen kan de concentratie van geneesmiddelen in het bloed tijdens de zwangerschap afwijken van die vóór de zwangerschap. Dit kan leiden tot een verminderde werking of tot een verhoogd risico op bijwerkingen en toxiciteit bij de moeder of de foetus. Daarnaast is voor veel medicijnen nog niet bekend hoeveel van het geneesmiddel via de placenta bij de foetus terechtkomt. Toch worden zwangeren vaak uitgesloten van geneesmiddelonderzoek. Hierdoor ontbreekt belangrijke kennis over veilige en effectieve doseringen in deze groep.³

Dagmar Hiensch, Caroline Dibbets, Dr. Vera Bukkems, Prof. Liesbeth Scheepers, Prof. Saskia de Wildt

Hoe wordt de juiste dosering bepaald?

Project Madam richt zich daarom op het vinden van de juiste dosering van geneesmiddelen tijdens de zwangerschap. Onderzoekers analyseren beschikbare literatuur over de concentratie van medicatie in het bloed van zwangeren en over de werking en veiligheid van deze geneesmiddelen tijdens de zwangerschap. Daarnaast wordt er onderzoek gedaan naar hoeveel van een geneesmiddel via de placenta bij de foetus terechtkomt.

Dit wordt onderzocht met placenta’s die na de bevalling beschikbaar komen.

Omdat er weinig onderzoek is gedaan naar zwangeren, wordt er ook gebruik gemaakt van computermodellen, zogenaamde physiology-based pharmacokinetic (PBPK)-modellen. Deze modellen bootsen het lichaam van de zwangere na en voorspellen hoeveel van het geneesmiddel aanwezig is in het lichaam van de moeder en soms ook in de foetus.4 Deze informatie wordt gebruikt om het doseeradvies te ondersteunen.

De verzamelde informatie wordt kritisch beoordeeld en besproken in een multidisciplinaire expertgroep.

‘Zwangeren worden vaak uitgesloten van geneesmiddelonderzoek, waardoor belangrijke kennis ontbreekt over veilige en effectieve doseringen’

Deze groep bestaat uit onder andere gynaecologen, internisten, kinderartsen, apothekers, toxicologen, huisartsen, verloskundigen en patiëntvertegenwoordigers. De KNOV was betrokken bij de expertgroep. Zij wegen de voor- en nadelen van de aangepaste dosering af voor zowel moeder als kind. Na goedkeuring worden de doseeradviezen gepubliceerd op de websites van Moeders van Morgen Lareb en het Farmacotherapeutisch Kompas, zodat zorgverleners deze in de praktijk kunnen toepassen.

Voorbeeld: amoxicilline

Amoxicilline is een veelgebruikt antibioticumtijdens de zwangerschap. In de praktijk krijgen zwangeren vaak een dosering van 500 mg drie keer per dag, terwijl bij niet-zwangeren regelmatig hogere doseringen worden gebruikt.

Omdat de nieren tijdens de zwangerschap sneller werken, wordt amoxicilline sneller uitgescheiden. Onderzoek laat zien dat de blootstelling aan amoxicilline met ongeveer 15 tot 25% afneemt tijdens de zwangerschap. 5

Daarom wordt bij milde tot matige infecties geadviseerd om de hoogste dosering binnen de

gebruikelijke doseerrange te gebruiken. Het onderzoek van Project Madam laat bovendien zien dat bij bepaalde indicaties, zoals preventief antibioticagebruik bij vroegtijdig gebroken vliezen, een hogere dosering nodig is om effectieve spiegels te bereiken. Voor de preventie van early-onset neonatale sepsis (EONS) lijkt de standaarddosering daarentegen wel voldoende om effectieve spiegels te behalen. In alle gevallen blijft het belangrijk om infecties tijdens de zwangerschap adequaat te behandelen. De voordelen hiervan wegen doorgaans op tegen de mogelijke nadelen van een hogere dosering.

Voorbeeld: labetalol

Labetalol is het eerste keus geneesmiddel bij de behandeling van zwangerschapshypertensie. Tijdens de zwangerschap neemt de activiteit toe van het enzym in de lever dat labetalol afbreekt. Hierdoor breekt het lichaam dit geneesmiddel sneller af, wat de effectiviteit kan verminderen.6,7 Onderbehandeling van zwangerschapshypertensie heeft negatieve gevolgen voor zowel moeder als (ongeboren) kind. Dit kan bijvoorbeeld het risico op zwangerschapsvergiftiging en een laag geboortegewicht verhogen. Tegelijkertijd kunnen hogere doseringen van labetalol, vooral later in de zwangerschap, bij de pasgeborene leiden tot een lage hartslag, bloeddruk en bloedsuiker, maar dit lijkt niet op te wegen tegen de risico’s van onderbehandelde hypertensie bij de moeder.

Voor een voldoende bloeddrukverlagend effect over de gehele dag, wordt geadviseerd om labetalol vaker per dag te doseren. Daarnaast is het van belang om de bloeddruk van de moeder goed te monitoren en zo nodig de dosering te verhogen.

Voorbeeld: sertraline

Het gebruik van antidepressiva tijdens de zwangerschap neemt toe. Sertraline is één van de meest voorgeschreven medicijnen binnen deze groep. Tijdens de zwangerschap neemt de activiteit toe van enzymen in de lever die sertraline afbreken. Hierdoor kan de blootstelling aan sertraline, vooral in het tweede en derde trimester, met wel 40% afnemen. Dit kan leiden tot een verminderde effectiviteit en terugkeer van depressieve of angstklachten.8

Een hogere dosering kan gepaard gaan met voorbijgaande ontwenningsverschijnselen bij de pasgeborene. Tegelijkertijd kan een onbehandelde depressie negatieve gevolgen hebben voor zowel moeder als (ongeboren) kind, zoals terugkeer van de depressieve gevoelens, vroeggeboorte of een te laag geboortegewicht.

Daarom wordt geadviseerd om zwangeren die sertraline gebruiken op de hoogte te stellen van een mogelijke afname van de effectiviteit. Daarbij is het van belang om de klachten goed te monitoren en zo nodig de dosering te verhogen.

Voorbeeld: corticosteroïden

De corticosteroïden betamethason en dexamethason worden ingezet bij dreigende vroeggeboorte om ernstige complicaties bij de pasgeborene te voorkomen, zoals het respiratoir distresssyndroom, intraventriculaire bloedingen en necrotiserende enterocolitis.

PBPK-modellen die geneesmiddelspiegels bij zwangeren en de foetus voorspellen, laten zien dat de huidige doseringsschema’s van deze

‘Voor verloskundigen ligt hier een belangrijke rol in het signaleren van veranderingen in effectiviteit en bijwerkingen’

geneesmiddelen leiden tot hoge piekconcentraties in het bloed van zowel de moeder als de foetus.9 Dit kan leiden tot onnodige bijwerkingen, zoals infecties en een te lage bloedglucosespiegel bij de moeder. Bij de foetus kan een hoge blootstelling mogelijk nadelige effecten hebben op de neurologische ontwikkeling.

Gegevens over de veiligheid en effectiviteit van lagere doseringen tijdens de zwangerschap zijn alleen nog onvoldoende onderzocht. Binnen de expertgroep is daarom besloten dat er op dit moment onvoldoende bewijs is om een lagere dosering in de praktijk toe te passen. Dit voorbeeld laat zien dat PBPK-modellen suggereren dat een lagere dosering mogelijk is, maar dat er eerst verder onderzoek nodig is naar de effectiviteit en veiligheid van deze aangepaste dosering. Dit betekent dat de huidige dosering hetzelfde blijft totdat aanvullend onderzoek aantoont of de lagere dosering veilig en effectief is.

Wat kan de verloskundige betekenen?

Wanneer een zwangere medicatie gebruikt, is het belangrijk om alert te zijn op veranderingen in effectiviteit en bijwerkingen. Een verminderde werking, het terugkeren van klachten of juist het optreden van nieuwe bijwerkingen kan erop wijzen dat een andere dosering van het geneesmiddel nodig is. Voor zorgverleners is het daarom van belang om hier tijdens controles actief naar te vragen en signalen serieus te nemen.

Voor verloskundigen ligt hier een belangrijke rol. Zij hebben veel contact met zwangeren en kunnen hen informeren over mogelijke veranderingen in de werking en bijwerkingen van medicatie. Daarnaast kunnen zij veranderingen in klachten of bijwerkingen vroegtijdig signaleren. Door deze signalen te herkennen en te overleggen met de zwangere en de arts, kan de behandeling tijdig worden aangepast. Zo kunnen verloskundigen bijdragen aan het optimaliseren van de behandeling en de gezondheid van zowel moeder als kind verbeteren.

Tot nu toe zijn er voor elf geneesmiddelen zwangerschapsspecifieke doseeradviezen opgesteld. Later in 2026 volgen er meer. De volledige doseeradviezen voor onder andere amoxicilline, labetalol en sertraline zijn te vinden via de websites van Moeders van Morgen Lareb en het Farmacotherapeutisch Kompas.

Meer achtergrondinformatie over de adviezen en het onderzoek van Project Madam is beschikbaar op projectmadam.org.

Over de auteurs

- Dagmar Hiensch: Apotheker-onderzoeker, Radboudumc

- Caroline Dibbets: PhD-kandidaat, Radboudumc

- Dr. Vera Bukkems: Ziekenhuisapotheker-klinisch farmacoloog, Ziekenhuis Rivierenland

- Prof. dr. Liesbeth Scheepers: Hoogleraar Implementatie van verloskundige zorg op maat, gynaecoloogperinatoloog, MUMC+

- Prof. dr. Saskia de Wildt: Hoogleraar klinische farmacologie, kinderarts-intensivist, Radboudumc.

Bronnen

1. Houben E, Bezemer I, Hukkelhoven C, Steegers E, Herings R. Medication use during pregnancy in the Netherlands: a population-based study. Value Health. 2017;20(9).

2. Westin AA, Reimers A, Spigset O. Should pregnant women receive lower or higher medication doses? Tidsskr Nor Laegeforen. 2018 Oct 30;138(17).

3. Bilinski A. Why It Is UnethicalNotto Conduct Randomized Trials in Pregnancy.JAMA.2026;335(12):1029–1030.

4. Ke AB, Greupink R, Abduljalil K. Drug Dosing in Pregnant Women: Challenges and Opportunities in Using Physiologically Based Pharmacokinetic Modeling and Simulations. CPT Pharmacometrics Syst Pharmacol. 2018;7(2):103-10.

5. Abduljalil K, Ning J, Pansari A, Pan X, Jamei M. Prediction of Maternal and Fetoplacental Concentrations of Cefazolin, Cefuroxime, and Amoxicillin during Pregnancy Using Bottom-Up Physiologically Based Pharmacokinetic Models. Drug Metab Dispos. 2022;50(4):386-400.

6. Fischer JH, Sarto GE, Hardman J, Endres L, Jenkins TM, Kilpatrick SJ, et al. Influence of gestational age and body weight on the pharmacokinetics of labetalol in pregnancy. Clin Pharmacokinet. 2014;53(4):373-83.

7. Rubin PC, Butters L, Kelman AW, Fitzsimons C, Reid JL. Labetalol disposition and concentration-effect relationships during pregnancy. Br J Clin Pharmacol. 1983;15(4):465-70.

8 Koldeweij C, Dibbets C, Franklin BD, Scheepers HCJ, de Wildt SN. A User-Driven Framework for Dose Selection inPregnancy: Proof of Concept for Sertraline. Clin Pharmacol Ther. 2025 Jan;117(1):214-224.

9 Van Der Heijden JEM, Van Hove H, Van Elst NM, Van Den Broek P, Van Drongelen J, Scheepers HCJ, De Wildt SN, Greupink R. Optimization of the betamethasone and dexamethasone dosing regimen during pregnancy: a combined placenta perfusion and pregnancy physiologically based pharmacokinetic modeling approach. Am J Obstet Gynecol 2025 Feb;232(2):228.

Als lid versterk je niet alleen je eigen positie, maar ook die van alle verloskundigen in Nederland. Door als collectief op te treden, staan we sterk en kunnen we breed gedragen stappen zetten richting een nog betere geboortezorg.

Word lid van de KNOV

Ledenvoordelen

• Je kunt meedenken over en bijdragen aan de inhoud van het vak.

• Je hebt toegang tot handige documenten over waarneming, praktijkvoering, overname, tariefbepaling, toelatingscontracten, etc.

• Als je lid bent van de KNOV ben je automatisch ook aangesloten bij de geschilleninstantie.

• Als klinisch verloskundige heb je via de KNOV toegang tot juridische ondersteuning door vakbond FBZ.

• Je krijgt toegang tot de KNOV-helpdesk.

• Je hebt toegang tot het online inspiratienetwerk, waar meer dan 2.400 verloskundigen met elkaar in gesprek gaan en elkaar helpen.

• Je ontvangt vier keer per jaar het tijdschrift De Verloskundige.

• Je krijgt toegang tot de platforms voor verschillende werksettings.

• Je krijgt korting op de tarieven van tolkendienst Global Talk.

• Je kunt gebruikmaken van een vertrouwenspersoon die jou bijstaat als je een klacht krijgt of dreigt te krijgen.

Het KNOV-lidmaatschap De KNOV behartigt jouw belangen aan landelijke tafels. We staan voor je klaar met informatie en advies over de inhoud en organisatie van verloskundige zorg. Al meer dan 125 jaar.

‘Toen ik begon met mijn opleiding ben ik al lid geworden van de KNOV – toen nog de NOV. Dat deed je gewoon, de hele klas was lid. Ik vind het heel vanzelfsprekend: ik hou van dit vak en wil graag een steentje bijdragen. Dit doe ik bijvoorbeeld door mee te denken over het Kwaliteitsregister en het beroepsprofiel. Andersom brengt de KNOV ook kennis, inzicht en een fijn netwerk. Samen staan we sterk.’

Erna Kerkhof, eerstelijnsverloskundige

Sinds april heb je ook toegang tot de nieuwe KNOV-academie!

Lees meer hierover op pagina 16.

Lid worden of meer weten?

Kijk op knov.nl/ledenvoordeel of scan de code.

Achter de schermen bij de inspectie

Wanneer moet je als verloskundige een situatie melden bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)? Wat gebeurt er nadat er een melding bij de IGJ is binnengekomen? En wat doet de inspectie met signalen uit het veld? Voor veel verloskundigen blijft het werk van de inspectie abstract en op afstand. IGJ-inspecteur Lauri van den Berg geeft je een inkijkje in haar werk.

Verloskundigen zijn deskundigen in de geboortezorg, maar toch kan er in de praktijk iets misgaan. Daarom regelt de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) dat verloskundigenpraktijken incidenten en calamiteiten moeten onderzoeken om ervan te leren en zo de zorg verder te verbeteren. Het toezicht van de IGJ is daarop een extra waarborg, zodat zwangeren en gezinnen kunnen rekenen op veilige en kwalitatief goede zorg. Tegelijk signaleert de inspectie knelpunten in de praktijk, zoals de lange reistijd naar het ziekenhuis door verkeersdrukte in stedelijke gebieden. Hoewel de IGJ zulke problemen niet zelf oplost, brengt zij deze wel onder de aandacht van ministeries en beleidsmakers.

Meldingen belangrijk voor de inspectie

‘Een deel van mijn werk bestaat uit het onderzoeken van meldingen’, vertelt Lauri. Jaarlijks ontvangt de inspectie zo’n 40 tot 50 meldingen over de eerstelijnsverloskundige zorg, waarvan een groot deel verplichte

meldingen zijn (zie kader). Daarbij is het onderscheid in ernst belangrijk: een incident, waarbij (mogelijke) beperkte schade is ontstaan, moet wel intern onderzocht worden, maar hoeft niet gemeld te worden. Pas bij een ernstig schadelijk gevolg of overlijden is sprake van een calamiteit en geldt een meldplicht. Hierover bestaat in de praktijk nog vaak een misverstand, bijvoorbeeld dat elke perinatale sterfte gemeld moet worden. ‘Dat is niet zo,’ licht Lauri toe. ‘Alleen als er een relatie is met tekortkomingen in de zorg, is melden verplicht.’ Naast deze verplichte meldingen ontvangt de IGJ ook signalen van zorgverleners en zorggebruikers. ‘Die meldingen geven inzicht in wat er speelt in de dagelijkse praktijk en waar de grootste risico’s liggen voor de kwaliteit en veiligheid van de geboortezorg.’

Melden bij de IGJ

Verloskundigenpraktijken zijn in drie situaties verplicht melding te doen bij de IGJ:

• Calamiteiten

• Ontslag wegens disfunctioneren

• Geweld in de zorgrelatie

De IGJ-brochure ‘Calamiteiten Wkkgz melden aan IGJ’ (scan de code) kan helpen bij de inschatting of een gebeurtenis wel of geen calamiteit is. Twijfel? Dan is het advies om wel te melden.

‘Verloskundigen weten zelf het beste waar de oorzaken liggen en wat verbetermaatregelen zijn’

Lauri van den Berg werkte tot 2022 als verloskundige, waarna zij de overstap maakte naar de inspectie. Naast haar werk bij de inspectie doet zij promotieonderzoek naar de kwaliteit van de geboortezorg.

Verantwoordelijkheid van praktijkhouders

Praktijkhouders zijn als zorgaanbieders volgens de Wkkgz verantwoordelijk voor de kwaliteit van zorg van de verloskundigenpraktijk. De IGJ verwacht dat zij de calamiteitenmeldingen doen. ‘We zien regelmatig dat zzp’ers dit zelfstandig oppakken, terwijl juist een gezamenlijke aanpak nodig is om verbetermaatregelen breed door te voeren binnen een praktijk.’ Lauri ziet dat dit ook waardevol is voor waarnemers, die soms net zijn afgestudeerd. ‘Zij hebben een ingrijpende gebeurtenis meegemaakt en horen nazorg te krijgen van hun collega’s. Samen melden en onderzoeken helpt hierbij.’ Tegelijkertijd blijft de drempel om te melden hoog: verplichte meldingen worden soms te laat of niet gedaan. Volgens Lauri speelt naast onwetendheid ook angst een rol. ‘Helaas heerst het beeld nog te veel dat wij straffen, terwijl onze focus ligt op leren en verbeteren na een calamiteit.’

Vertrouwen als vertrekpunt

Na een calamiteitenmelding vraagt de inspectie de zorgaanbieder om zelf onderzoek te doen, vanuit het uitgangspunt van

vertrouwen in de professional. ‘Verloskundigen weten zelf het beste waar de oorzaken liggen en welke verbetermaatregelen voor hun praktijk en regio passend zijn’, vertelt Lauri. Omdat calamiteitenonderzoek geen dagelijks werk voor verloskundigen is, biedt de KNOV-handreiking Omgaan met calamiteiten (scan hiervoor de code). Daarnaast wordt binnen de KNOV-academie gewerkt aan een microlearning over calamiteitenonderzoek.

De meeste calamiteiten spelen zich af in de hele geboortezorgketen, niet alleen binnen één praktijk. Daarom stimuleert de IGJ gezamenlijk onderzoek door ketenpartners. ‘We zien goede voorbeelden, zoals VSV’s die vooraf afspraken maken over hoe zij calamiteiten samen onderzoeken.’

De IGJ als externe toets

Na een calamiteitenonderzoek beoordeelt de inspectie of dit zorgvuldig uitgevoerd is en of de verbetermaatregelen passend zijn. Is dat het geval, dan wordt de melding afgesloten. ‘Wij kijken ook naar de nazorg en of het perspectief van de zwangere of het gezin is meegenomen.’ De inspectie heeft ook familie-

inspecteurs die in specifieke situaties de familie begeleiden bij wat er is gebeurd nadat een verloskundigenpraktijk een melding bij de inspectie heeft gedaan. Anders dan vaak gedacht, ligt de nadruk van de inspectie niet op het nemen van maatregelen tegen een praktijk: uitgangspunt is dat verloskundigen leren en verbeteren. Alleen als dat onvoldoende gebeurt, of bij ernstige signalen zoals een alcoholverslaving van een verloskundige, grijpt de inspectie in.

Ook leren van wat goed gaat

Toezicht gaat niet alleen over verbeterpunten, maar juist ook over wat goed gaat. ‘Tijdens onze VSV-bezoeken zien we bijvoorbeeld dat gezamenlijke consulten tussen de zwangere en de eerste en tweede lijn goed werken bij zorgvragen buiten de richtlijn,’ vertelt Lauri. Dit past bij Safety-II: leren van wat goed gaat en die inzichten delen. Lauri sluit af: ‘We werken allemaal aan hetzelfde doel: veilige en goede geboortezorg. Door signalen te delen en samen te leren, kunnen we die zorg blijven verbeteren.

Scan de code voor de KNOV-handreiking Omgaan met calamiteiten.

Update

Save the date:

4 november

Symposium

Op Urk ligt het Trefpunt Medische Geschiedenis Nederland. Hier vind je de historische archieven van allerlei medische en paramedische beroepsverenigingen, waaronder de KNOV. Op 4 november 2026 organiseert de Commissie Catharina Schrader een dag in het Trefpunt voor verloskundigen en gepensioneerde verloskundigen met als onderwerp: “Passie voor het vak”. Wil jij luisteren naar de passie voor het vak van onder andere Ank de Jonge, Tamar van Haaren, Corine Verhoeven en het KNOV-bestuur? En naar de passie die Jolanda Liebregts heeft voor samenwerken? Stuur dan snel een mail naar clairekroon@hotmail.com want er zijn zo’n 40 plaatsen beschikbaar. Wil je eerst meer weten? Neem dan contact op met Lidewijde Jongmans via lj.jongmans@ziggo.nl.

De dag wordt mogelijk gemaakt door de KNOV en accreditatie is aangevraagd.

Gespreksleidraad

Waarneming in de Praktijk gepubliceerd

Na een pilotfase is de Gesprekleidraad Waarneming in de Praktijk blijvend beschikbaar gesteld voor leden. De Gespreksleidraad is een handige online tool die waarnemend verloskundigen en praktijkhouders stap voor stap ondersteunt tijdens het gesprek over waarneming in de praktijk. Het biedt structuur en helpt om samen inzicht te krijgen in wat een passend spreekuur- en diensttarief kan zijn, waarbij kosten van het zelfstandig waarnemen, werkervaring, werkzaamheden en diensturen kunnen worden meegenomen. Ook kenmerken van de praktijk spelen

Update Aantekening

Basisechoscopie bij de KNOV

In de afgelopen maanden hebben we met verschillende partijen intensief gewerkt aan de kwaliteitsborging van basisechoscopie binnen de KNOV. We zetten hierin belangrijke stappen en willen je graag meenemen in de ontwikkelingen. Zorgverzekeraars hebben hun zorginkoopbeleid 2027 vastgesteld. Mooi nieuws: Salland erkent vanaf dan de aantekening met herregistratie-eis Basisechoscopie. Salland onderstreept hierbij dat kwaliteitsborging primair een verantwoordelijkheid is van de eigen beroepsvereniging. a.s.r. en ONVZ doen dat al, al valt ONVZ vanaf 2027 onder het VGZ-inkoopbeleid waarin deze erkenning nog niet opgenomen. Met andere zorgverzekeraars blijven we in gesprek om de erkenning uit te breiden. Tot die tijd blijft inschrijving in het Echokwaliteitsregister van de BEN nodig voor vergoeding van de geleverde zorg. Achter de schermen werken we hard aan de inrichting in PE-online. Deze zomer verwachten we de technische oplevering, inclusief de koppeling met Vektis. Daarmee gaat de aantekening live in het Kwaliteitsregister Verloskundigen! Je kunt je nu al inschrijven en zo het belang van kwaliteitsborging binnen onze beroepsvereniging helpen onderstrepen. Scan hiervoor de code.

een rol, zoals de omvang van de praktijk en mate van ondersteuning, bijvoorbeeld door assistenten, managers en collega verloskundigen. De Gespreksleidraad is tot stand gekomen op verzoek van leden en in samenwerking met een werkgroep van praktijkhouders en waarnemers. Ook externe experts hebben meegedacht over inhoud en vorm. De Gespreksleidraad, de bijgewerkte handleiding en de Q&A zijn nu beschikbaar op de pagina Waarnemersvergoedingen. Scan hiervoor de code.

happy earth, happy mama!

100% NATUURLIJKE ZWANGERSCHAPSVERGOEDING | MICROPLASTICVRIJ

het puurste babydoekje ter wereld

Puurder dan katoen & water

100% plantaardige doekjes

99,9% water met een druppeltje fruitextract

0% kunstmatige geuren kleurstoffen

Geschikt voor pasgeborenen en gevoelige huid

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
KNOV De Verloskundige 2026#2 by Elma Media - Issuu