Herhaling, tegenstelling en overige stijlfiguren 180
16 Beeldspraak 182
v Overzicht literaire begrippen 184
17
Literatuurgeschiedenis
Inleiding
Nederlandse literatuurgeschiedenis 190
v Overzicht literatuurgeschiedenis 1100–1914 192
v Overzicht literatuurgeschiedenis 1914–2020 194
18 Gedenk te sterven 1100–1550
Middeleeuwen 196
19 Pluk de dag 1550–1700
Renaissance 206
20
Alles is maakbaar 1700–1800
Verlichting 216
21 Gevoel & werkelijkheid 1800–1880
Romantiek & realisme 226
22
23
24
25
26
27
Een nieuw geluid 1880–1914
Modernisme 236
Twijfel & duistere krachten 1914–1940
Nihilisme & vitalisme 246
Vernietiging & vernieuwing 1940–1970
Existentialisme & autonomie 256
in dit katern
Rumoer, commercie & emancipatie 1970–2000
Postmodernisme & individualisme 266
Multicultureel & multimediaal 2000–2020
Globalisering & identiteit 276
Epiloog
Met de kennis van nu 286
Bronnen 290
Register van zaken en begrippen 294
Register van personen 298
Taal & cultuur
1 Mensen zijn taaldieren 10
2 Communiceren doe je samen 15
3 Iedereen journalist? 20
4 Over praten, posten en prompten 25
5 Waarom spreekt niet iedereen hetzelfde Nederlands? 30
6 De kunst van het overtuigen: adequaat, aanvaardbaar en aantrekkelijk 35
7 De geschiedenis van het Nederlands 40
8 Wie bepaalt wat literatuur is? 46
9 Met taal doe je iets 51
5 Waarom spreekt niet iedereen hetzelfde Nederlands?
Het is je vast al weleens opgevallen dat niet iedereen in Nederland hetzelfde Nederlands spreekt, maar waar komen die verschillen vandaan? En hebben ze ook een functie? Op school leer je het Standaardnederlands, maar in de praktijk zijn er veel andere soorten Nederlands die buiten die standaardtaal vallen, maar wel volop voorkomen in Nederland.
Talen in Nederland L In Nederland is het Standaardnederlands de officiële taal. Het is bijvoorbeeld de taal van de overheid, de taal die je leert op school en de taal die wordt gebruikt in de media. Toch is Nederland in de praktijk een heel meertalig land. Zo heeft de overheid in de provincie Friesland ook het Fries erkend als rijkstaal, en voor doven en slechthorenden is Nederlandse Gebarentaal door de wet erkend.
Daarnaast heeft de Nederlandse overheid een afspraak tussen Europese landen ondertekend om regionale talen en talen van minderheidsgroepen te beschermen. Via die afspraak zijn in Nederland het Limburgs en het Nedersaksisch erkend als regionale talen. Het Nedersaksisch is een verzameling dialecten in het noordoosten van Nederland. Het Jiddisch, de taal van Joden, en het Romanes, de taal van Roma en Sinti, zijn erkend als niet-regiogebonden minderheidstalen. Deze talen horen niet bij één taalgebied; de mensen die deze talen gebruiken, wonen verspreid door Nederland en andere Europese landen.
Naast al die erkende talen spreken sommige mensen thuis natuurlijk ook een dialect, zoals Brabants of Zeeuws, of Engels of een andere migrantentaal, zoals Pools, Turks of Arabisch. Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) naar thuistalen — talen die mensen thuis gebruiken — blijkt dat tegenwoordig ongeveer driekwart van de mensen in Nederland thuis Nederlands spreekt en een kwart andere talen of dialecten. Het verschilt per provincie welke talen en dialecten dat precies zijn.
Taalvariatie L Voor het Standaardnederlands zijn in Nederland duidelijke afspraken gemaakt, maar in België en Suriname, waar het Nederlands ook een officiële taal is, gelden soms andere afspraken. Het Standaardnederlands klinkt daar niet hetzelfde als in Nederland en daarom wordt het Standaardnederlands een pluriforme of pluricentrische taal genoemd: een taal met meerdere standaardvormen, in meerdere centra.
Ook binnen het Nederlands is er variatie, en die verschillen binnen een taal noemen we ook wel taalvariatie. Sprekers van het Nederlands gebruiken soms verschillende woorden om naar hetzelfde ding te verwijzen, denk maar aan friet of patat voor gefrituurde aardappelstaafjes. Ook spreken ze klanken als de g en de r verschillend uit, bijvoorbeeld een zachte g of een rollende r of een r die achter in de keel wordt gevormd. Verder zijn er verschillen in grammatica. In het hele taalgebied geldt groter dan als de norm, maar toch zijn er ook sprekers die in de praktijk meestal groter als zeggen. Een ander voorbeeld is variatie in het gebruik van wederkerende voornaamwoorden: sommige sprekers zeggen dat iemand zichzelf wast, zoals in de standaardtaal, terwijl andere sprekers zeggen dat iemand z’n eigen wast. Klanken, woorden en zinsstructuren die afwijken van de standaardtaal of in verscheidene vormen voorkomen, zijn voorbeelden van taalvariatie.
Geografische, etnische en sociale variatie L Taalvariatie kan geografische, etnische en sociale oorzaken hebben. Taalgebruik klinkt anders tussen en binnen regio’s waar mensen verschillende dialecten spreken of verschillende regionale accenten hebben. In de 20ste eeuw maakten taalwetenschappers spraakopnames door heel het land om verschillen en overeenkomsten tussen plaatsen in kaart te brengen. Ze ontdekten dat er wel honderden verschillende dialecten zijn in Nederland; sommige lijken meer op elkaar dan andere.
Taalgebruik kan ook verschillen tussen etnische groepen. Migranten en hun nakomelingen spreken thuis met familie vaak hun eigen talen. Als ze Nederlands spreken, hoor je invloeden uit die talen, waardoor hun Nederlands bijvoorbeeld ‘Marokkaans Nederlands’ of ‘Surinaams Nederlands’ wordt genoemd. Dit zijn voorbeelden van etnolecten
Ook op sociaal niveau kun je onderscheid maken tussen sprekers, bijvoorbeeld op basis van hun geslacht, leeftijd, beroep of sociale klasse. Zulke sociolecten worden door mensen in heel het land gesproken. Dialecten, etnolecten en sociolecten zijn taalvariëteiten van het Nederlands, met elk hun eigen specifieke kenmerken.
Registers L Vaak lopen geografische, etnische en sociale factoren door elkaar en is het dus niet eenvoudig om ze uit elkaar te houden. Het taalgebruik van iemand die uit Groningen komt, vrouw is, een migratieachtergrond heeft en hogeropgeleid is, wordt door al die verschillende identiteiten beïnvloed. Hoe iemand spreekt of schrijft, hangt daarnaast nog af van situationele factoren, bijvoorbeeld waar een gesprek plaatsvindt, wanneer, met wie en waarover. Een ander woord voor taalgebruik dat verschilt per communicatieve context, is register. Sprekers beschikken over meerdere registers en kunnen ook schakelen tussen die registers om zich aan te passen aan de context. Een jongere die straattaal spreekt, doet
GEMMA PAUWELS
v 5 WAAROM SPREEKT NIET IEDEREEN HETZELFDE NEDERLANDS?
dat waarschijnlijk niet altijd, maar alleen onder vrienden. In een presentatie op school of in een sollicitatiebrief voor een bijbaantje gebruikt die bijvoorbeeld Standaardnederlands, en thuis met familie misschien wel een dialect.
Dialect, regiolect en hyperdialect L Het Standaardnederlands bestaat nog maar een paar eeuwen (zie ook Taal & Cultuur 7). In de middeleeuwen sprak iedereen een dialect. Dat bleef zo tot ongeveer halverwege de 20ste eeuw. Vanaf de jaren 1960 werd in steeds minder huishoudens dialect gebruikt, omdat het ABN beter zou zijn om sociaal hogerop te komen. ABN staat voor Algemeen Beschaafd Nederlands, de vroegere benaming voor het Standaardnederlands (ook wel: Algemeen Nederlands). Ouders dachten dat dit beter zou zijn voor de schoolprestaties en taalvaardigheid van hun kinderen.
Die taalverschuiving had grote gevolgen voor de dialecten in Nederland. Als ze niet meer worden doorgegeven van de ene op de andere generatie, is de kans groot dat ze op termijn uitsterven. Ook toenemende mobiliteit speelt een rol in dialectverlies. Vroeger bleven mensen vooral in hun eigen dorp wonen en werken, maar nu steeds meer jongeren buiten hun geboorteplaats gaan studeren, werken en wonen, gaan lokale dialecten langzaam verloren. Als je met mensen uit andere plaatsen praat, pas je namelijk automatisch je taalgebruik aan, zodat je elkaar begrijpt. Dat gaat ten koste van je eigen dialect.
Dialecten zijn de afgelopen decennia steeds meer op elkaar gaan lijken. Lokale dialecten die per dorp verschillen, hebben plaatsgemaakt voor zogenoemde regiolecten. Een regiolect wordt gesproken in een groter gebied. Je kunt dan bijvoorbeeld nog wel horen dat iemand uit Zeeland of Brabant komt, maar niet precies uit welk deel van de provincie, omdat kleine verschillen in uitspraak of woordenschat vervagen. De regiolecten die jongeren spreken, zitten tussen het Standaardnederlands en het dialect in, bijvoorbeeld Nederlands met een herkenbaar regionaal accent of met een paar dialectwoorden. Een Gronings woord als scheuveln (‘schaatsen’) wordt bijvoorbeeld minder gebruikt en daarvoor komt dan schoatsen in de
plaats: het woord is Nederlands, maar aan de tongval herken je iemands regionale afkomst. Af en toe overdrijven jongeren het dialect. Dat wordt dan hyperdialect genoemd. Omdat jongeren het dialect niet van jongs af aan hebben geleerd, weten ze niet precies hoe het hoort te klinken. Als ze proberen om dialect te praten, gaat dat soms een beetje mis. Een jongere uit Brabant zegt bijvoorbeeld clubske in plaats van clubke voor ‘clubje’. Oudere dialectsprekers vinden het dialect dan ‘nep’ of ‘fout’ klinken. Als steeds meer mensen uit nieuwe generaties hyperdialect gaan gebruiken, kan het op den duur wel een nieuwe vorm van dialect worden. Bovendien zijn voor dialecten geen duidelijke regels vastgelegd, zoals voor de standaardtaal. Je leert dialecten ook niet op school. Wat voor dialectsprekers aanvoelt als ‘correct’ dialect heeft daarom vooral te maken met wat ze herkennen uit hun eigen omgeving of van vroeger.
Onder de naam van zijn typetje Tiktok Tammo maakt Johannes Peetsma video’s in het Gronings.
Jongerentaal en straattaal L Taal is een levend verschijnsel, het is altijd in beweging. Dat zie je terug in de veelzijdigheid van dialecten die een lange historie kennen, maar ook in andere taalveranderingen door de tijd heen, bijvoorbeeld per generatie. Het taalgebruik van jongeren verschilt duidelijk van dat van volwassenen. Tijdens de kindertijd en de puberteit ontwikkelen jongeren hun identiteit; ze ontdekken wie ze zijn. Dat gaat gepaard met een eigen sociolect dat steeds verandert op basis van de laatste taaltrends: als je een trend volgt, kun je laten horen dat je bij een bepaalde groep hoort. Jongeren gebruiken bijvoorbeeld modewoorden, omdat hun vrienden of klasgenoten het ook doen — soms zelfs zonder dat ze weten wat die woorden precies betekenen of uit welke taal ze komen.
Jongerentaal is een parapluterm voor allerlei vormen van taalgebruik die kenmerkend zijn voor jongeren en die meestal onbegrijpelijk klinken voor volwassenen. Een bekende vorm van jongerentaal in Nederland is straattaal, een taal die in de jaren 1990 voor het eerst in Amsterdam werd opgemerkt. Straattaal is een mengtaal met invloeden uit andere talen, zoals Surinaams, Marokkaans-Arabisch, Berbers, Engels, Spaans en Papiaments. Deze taal is ontstaan in de grote steden, waar jongeren met verschillende etnische en talige achtergronden met elkaar in contact kwamen. Ze namen woorden, klanken en grammaticale structuren uit elkaars talen over en mixten die met het Nederlands. Tegenwoordig gebruiken jongeren in heel Nederland straattaal en verspreiden woorden zich niet alleen op straat maar bijvoorbeeld ook via rapmuziek en sociale media. Er zijn zelfs straattaalwoorden in woordenboeken terechtgekomen, zoals fittie (‘ruzie’) en skeer (‘blut, armoedig’), leenwoorden uit het Surinaams. Dat betekent niet dat ze ook tot de standaardtaal behoren, maar wel dat ze echt zijn ingeburgerd in het informele Nederlands.
Sjibbolet L Ook online ontstaan heel eigen vormen van jongerentaal, bijvoorbeeld op TikTok. TikToktaal is ook een sociolect: een taal die hoort bij jonge sprekers die actief zijn op sociale media en daar dezelfde artiesten en influencers volgen. Via een sociaal medium kunnen woorden zich razendsnel verspreiden onder jongeren over de
hele wereld. Dat gebeurde in 2025 bijvoorbeeld met six seven (vaak geschreven met cijfers: 6–7), dat eigenlijk niks betekent maar juist daardoor grappig is. Via liedjes, video’s en memes kunnen taaltrends viraal gaan en functioneren als een sjibbolet: een talig herkenningsteken waaraan je meteen kunt horen dat, in dit geval, iemand jong is, naar bepaalde muziek luistert of populaire memes kent. Ook dialecten, etnolecten en andere sociolecten hebben zulke sjibbolets. Iemand die bij het afscheid nemen houdoe zegt, herken je bijvoorbeeld meteen als Brabander. Iemand die met een rollende r spreekt en daarnaast met een sterkere z (zzziek) en met een s die klinkt als sj (sjchool), heeft waarschijnlijk een Marokkaanse achtergrond. En iemand die met een Gooise r praat, krijgt al snel het stempel van een kakker.
Sociale praktijk en identiteit L Taalgebruik kan dus allerlei associaties oproepen. Zodra je iemand hoort praten, kun je diegene meestal meteen in een hokje plaatsen. Er bestaan allerlei stereotypen over taalvariatie, bijvoorbeeld dat dialectsprekers boers zijn, dat straattaalsprekers stoer zijn of dat jongeren ‘slecht’ Nederlands spreken. Vroeger dachten taalwetenschappers dat waar je vandaan komt of in welk milieu je opgroeit, echt bepalend is voor hoe je praat. Deels klopt die aanname nog steeds, maar taalwetenschappers zijn er ook steeds meer van overtuigd geraakt dat sprekers zelf kunnen bepalen bij welke groep ze willen horen en dat ze hun taalgebruik daarop kunnen afstemmen. Je kunt andere accenten of talen imiteren om ergens bij te horen. Dat wordt ook wel crossing genoemd: je steekt als het ware de grens over naar de taal van een andere groep sprekers.
Ook als je zelf geen migratieachtergrond hebt, kun je bijvoorbeeld een Marokkaans accent nadoen of Surinaamse woorden gebruiken. Op die manier kun je laten zien dat je op de hoogte bent van de stoere straatcultuur. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor Engelse leenwoorden: als je woorden gebruikt die een hippe status hebben op sociale media, zoals in 2025 rizz (‘uitstraling, aantrekkelijk’) en slay (‘geweldig, cool’) — woorden die nu misschien alweer achterhaald zijn — kun je
v 5 WAAROM SPREEKT NIET IEDEREEN HETZELFDE NEDERLANDS?
zelf ook trendy overkomen. En ook als je van huis uit geen dialect spreekt, maar wel wilt uitstralen dat je trots bent op de regio waar je vandaan komt, kun je een dialectspreker of een bepaald accent imiteren. Soms loop je natuurlijk wel het risico dat je dan door de mand valt en dat de oorspronkelijke sprekers meteen doorhebben dat je hun taalgebruik toe-eigent. Hoe dan ook is spelen met taal een sociale praktijk: je kunt creatief met taalvariaties omgaan om je identiteit vorm te geven. En als spreker heb je ook meerdere identiteiten waartussen je kunt wisselen: je stemt je spreekstijl af op hoe je op een bepaald moment wilt overkomen.
Sociale betekenis L Waarom spreekt niet iedereen hetzelfde Nederlands? Het antwoord is eigenlijk simpel: omdat we niet allemaal hetzelfde zijn. Elke spreker heeft een andere regionale, etnische en/of sociale achtergrond en die klinkt door in diens taalgebruik. Taalvariatie bestaat náást de standaardtaal en draagt sociale betekenis De standaardtaal is formeel en afstandelijk, maar communiceren in je eigen vorm van Nederlands kan bijvoorbeeld een warm gevoel van thuis geven of zorgen voor een wij-gevoel met mensen die ongeveer hetzelfde praten als jij. Voor buitenstaanders kan het soms zelfs overkomen als een soort geheimtaal of codetaal. Als jongeren of bepaalde beroepsgroepen een eigen groepstaal bedenken die buitenstaanders maar moeilijk kunnen ontcijferen, kunnen ze zich daarmee onderscheiden van anderen. Dat heeft natuurlijk positieve en negatieve kanten: enerzijds is het grappig en handig om een eigen taaltje te hebben, maar anderzijds kan het ook mensen buitensluiten of communicatie moeilijker maken. Gelukkig ontstaan er maar zelden echt misverstanden door taalvariatie.
Spiegel van de samenleving L Dat taalvariatie waardevol is, wil niet zeggen dat het niet belangrijk is om de standaardtaal goed te leren. De standaardtaal is immers de taal die je nodig hebt in het onderwijs en voor je professionele carrière. Het is vooral nuttig om te beseffen dat het Standaard-
nederlands niet altijd de enige vorm van Nederlands is die ‘goed’ is. Wat de beste taalkeuze is, hangt af van de situatie en de doelgroep. Taalvariatie is bovendien een natuurlijk verschijnsel dat je kunt verklaren vanuit allerlei perspectieven (geografisch, etnisch, sociaal enzovoort). Juist dat iedereen net een beetje anders praat en dat er niet één soort Nederlands bestaat, maakt taal ook zo boeiend. Het is een spiegel van de samenleving: alle diversiteit die je op straat en online tegenkomt, hoor je terug als je goed luistert.
Over de auteur kristel doreleijers is taalwetenschapper en werkt als onderzoeker bij de afdeling Taalvariatie van het Meertens Instituut. Ze heeft de digitale kennisplatforms Profielwerkstuk Taalkunde en Taal Onderzoek Je Zo opgezet.
Verder lezen voor je profielwerkstuk?
v Adviescommissie Taalvariatie (2019). Visie op taalvariatie en taalvariatiebeleid. Visietekst van de Adviescommissie Taalvariatie in opdracht van het Algemeen Secretariaat van de Taalunie.
v Taalunie. Bennis, H. (z.d.). Hoeveel dialecten heeft het Nederlands? Taalcanon.
v Doreleijers, K., Kerkhof, A., Leufkens, S. & Oostendorp, M. van (2026). Atlas van het dialect in Nederland. Lannoo.
v Doreleijers, K. (2022, 21 juni). Waarom leer je op school Standaardnederlands en geen dialect? NEMO Kennislink.
v Doreleijers, K. (2024, 26 september). Slay of cringe filmpjes? Jongerentaal in marketingfilmpjes. NEMO Kennislink.
v Mourigh, K., Doreleijers, K., & Grondelaers, S. (2026). Hoe straattaal heel Nederland veroverde. Onze Taal 2026 (1), 24-27.
Als je een lekker gerecht op tafel wilt zetten, zijn alleen goede ingrediënten niet genoeg. De bereidingswijze en het op smaak brengen met kruiden in de juiste dosering, zijn net zo belangrijk. Voor het formuleren van je boodschap geldt hetzelfde: het gaat om de combinatie van inhoud en stijl. Kijk maar naar literatuur. Als schrijven alleen om de inhoud ging, zou het bijna onmogelijk zijn om nog een origineel boek te schrijven. De meeste onderwerpen zijn immers al eindeloos vaak aan bod gekomen. Toch blijven schrijvers ons nog steeds verrassen. Dat komt doordat zij hun eigen, unieke stijl aan de inhoud toevoegen. Niet voor niets is een bekende Franse uitdrukking: ‘C’est le ton qui fait la musique’ — Het is de toon die de muziek maakt.
Het woord stijl komt van het Latijnse stilus, oftewel: pen. Je stijl is je persoonlijke pen. In deze paragraaf gaat het vooral over schrijfstijl, maar ook in mondeling taalgebruik hanteer je een eigen stijl: een persoonlijke mix van typische woorden en zinnen.
Stijl en context L Je stijlkeuze hangt niet alleen af van je eigen voorkeur. Ook de context is belangrijk: het doel van de tekst, de plek waar die wordt gepresenteerd en het publiek. Net zoals je bij verschillende gelegenheden passende kleding draagt, vraagt elke spreek- en schrijfsituatie om een andere stijl. Neem een begrafenis: daar vertel je in persoonlijke taal iets moois over de overledene. Doel is immers om op een waardige manier afscheid te nemen. Of een sollicitatiebrief: die heeft als doel om uitgenodigd te worden voor een gesprek. De stijl die daarbij hoort, is een mix van zakelijk en persoonlijk. Daarbij maakt het ook uit of je solliciteert bij een pretpark of advocatenkantoor.
Stijl doet ertoe L Met jouw stijl wil je een bepaald effect teweegbrengen bij je lezer of toehoorder. Daarvoor heb je verschillende technieken tot je beschikking. Je kunt keuzes maken op woord-, zins- en tekstniveau.
v woordniveau
v ouderwetse, eigentijdse of nieuwe woorden
v formele of informele woorden
v eenvoudige of moeilijke woorden
v veel of weinig bijvoeglijke naamwoorden
v algemene of specifieke woorden
v statische of dynamische werkwoorden
v veel of weinig variatie in woordgebruik
v gebruik van verkleinwoorden
v gebruik van intensiverende of extensiverende woorden
v zinsniveau
v korte of juist lange zinnen
v veel of weinig bijzinnen en beknopte bijzinnen
v passieve of actieve zinnen
v variatie in zinslengte of woordvolgorde
v gebruik van beeldspraak
v gebruik van stijlfiguren
v tekstniveau
v gebruik van dialoog
v gebruik van ruimtelijke beschrijvingen
v grammaticale tijd
v volgorde van tekstelementen
Welke schrijfstijl? L Hoe vind je nu je eigen schrijfstijl? Ten eerste geldt: kijk de kunst af. Lees boeken, verhalen, essays en artikelen en let daarbij goed op welke stijlmiddelen je aanspreken. Welke keuzes maakt de schrijver waardoor die jouw aandacht weet te vangen?
Verder geldt: wees authentiek. Lees je tekst na en vraag je af of jij je erin herkent; of de woorden écht van jou zijn. Of je nu uitblinkt in uitbundige beschrijvingen of juist liever geen woord te veel gebruikt: schrijf zoals je bent. Er zijn geen vaste categorieën van schrijfstijlen waaruit je kunt kiezen. En er zijn dus ook geen regels voor hoe je een bepaalde schrijfstijl typeert. Wanneer je wilt uitleggen hoe iemand schrijft, gebruik je je fantasie en maak je associaties.
Stijlen en smaken verschillen L Elke auteur heeft een eigen stijl. De een gebruikt graag specifieke woorden en zinsconstructies, de ander varieert er juist op los.
Over de stijl van schrijver Thomas Olde Heuvelt schreef een recensent in de VPRO Gids: ‘Geschreven in buitengewoon effectief proza dat je in Olde Heuvelts onwaarschijnlijkste fantasiekronkels doet meegaan. Met verslavende vertelvaart van een bingewaardige Netflix-serie.’
Ralph merkte dat zoveel twinkellichtjes bij elkaar de eigenschap bezaten je zintuigen voor de gek te houden. Bijna hoorde je de stromende regen niet meer. Bijna zag je niet meer de grimmige, kale novembertakken die als skelettenhanden deinden aan de rand van je gezichtsveld, of wat net daarbuiten scharrelde.
Bijna vergat je de stank van keldervocht en kreupelrot.
Uit: thomas olde heuvelt, November Meulenhoff Boekerij (2022).
De drieslag als stijlfiguur (zie ‘Overzicht stijlfiguren’, pp. 106–107) geeft dit fragment een herkenbaar ritme mee en versterkt bovendien de grimmige indruk. De korte zinnen geven het verhaal snelheid. De bijvoeglijke naamwoorden en vergelijkingen versterken de spookachtige sfeer. Door het stijlfiguur alliteratie wordt de stank bijna tastbaar.
Zelfportretten van twee bekende
Nederlandse kunstenaars: Rembrandt van Rijn (1606–1669) en Vincent van Gogh (1853–1890). Hun stijl is erg verschillend, al dan niet door de conventies van schilderkunst in de tijd waarin ze leefden.
Over de romans van de bekroonde auteur Lucas Rijneveld schreef Onno Blom op 6 november 2020 in de Volkskrant: ‘schilderachtige stijl’, ‘beeld op beeld stapelend’, een ‘stortvloed aan metaforen’, ‘tomeloze taal’ en ‘obsessionele bezweringen van liefde en dood’. In de openingsscène van de roman Mijn lieve gunsteling zie je enkele van deze stilistische kenmerken terug in één fragment.
Lieve gunsteling, ik zeg het je maar meteen: ik had je in dat steilorige hoogseizoen als een zweer met een hoefmes uit de klauwlederhuid moeten verwijderen, ik had ruimte moeten maken bij de tussenklauwspleet zodat mest en vuil ertussenuit zouden vallen en niemand je kon infecteren, misschien had ik je enkel wat moeten pellen en bijschaven met de slijper, je moeten reinigen en droogwrijven met wat zageling.
Dit fragment is een metafoor van één lange zin, waarin de hoofdpersoon beeldend beschrijft wat hij met zijn ‘gunsteling’ had moeten doen. Zowel de metafoor als de zinslengte dragen bij aan de schilderachtige stijl. De schrijver kiest ervoor om niet-alledaagse woorden te gebruiken. Daarbij hebben het tweede en het laatste woord van het fragment een opvallende overeenkomst. Het fragment klinkt bijna poëtisch, terwijl het gaat over het schoonmaken van koeienpoten. Dit neemt de lezer mee naar een specifieke wereld en roept allerlei vragen op.
FORMULEREN EN STIJL
Begrijpelijk formuleren
Het lijkt zo simpel: gewoon zeggen wat je bedoelt. Toch formuleren we onze boodschap soms te ingewikkeld. De lezer of luisteraar moet dan extra moeite doen om die te begrijpen. Een te simpele tekst daarentegen, kan betuttelend overkomen op de ontvanger.
Hoe je het best formuleert, hangt af van je lezer. Het verschilt nogal of je bijvoorbeeld een artikel voor een opinietijdschrift schrijft, of een kaartje voor een jarige vriendin.
Het is de kunst om niet te moeilijk en ook niet te makkelijk te schrijven of te spreken. Daarbij zijn doordachte keuzes in de samenhang, zinslengte, zinsbouw en woordkeuze van belang.
Samenhang L Een tekst moet coherent zijn. Dat betekent dat elke alinea de hoofdgedachte van de tekst ondersteunt, de zogeheten relationele coherentie. Ook binnen een alinea moeten de zinnen met elkaar in verband staan. Signaal- en verwijswoorden helpen daarbij. Het is belangrijk dat die woorden naar de juiste zaken verwijzen; dat is de referentiële coherentie
Zinslengte L Wanneer je veel lange zinnen gebruikt, raakt de lezer al gauw de weg kwijt. Zinnen tot 15 woorden zijn voor de meeste mensen goed te volgen. Langere zinnen kun je beter opknippen en inkorten.
A Examentraining kan een groot verschil maken voor de resultaten van veel leerlingen, omdat de kans op slagen wordt versterkt en er zijn dan meer jongeren die hun droom kunnen volgen en, in plaats van het jaar opnieuw te doen, kunnen beginnen aan hun studie.
B Examentraining vergroot de kans op slagen. Hierdoor kunnen meer leerlingen beginnen aan hun studie, in plaats van het jaar opnieuw te doen.
Kern bij elkaar L De kern van een zin wordt gevormd door het onderwerp en het (naamwoordelijk of werkwoordelijk) gezegde. Als je leest, zoek je onbewust steeds naar die kern om de zin te begrijpen. Zet bij het schrijven de elementen uit de kern dus niet te ver uit elkaar en bij voorkeur vooraan in de zin. Zo bespaar je de lezer zoekwerk.
A We zijn uiteindelijk, na een lange discussie, waarbij we de voors en tegens hebben afgewogen, tot de conclusie gekomen dat een huiswerkvrije school geen goed idee is.
B We zijn uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat een huiswerkvrije school geen goed idee is, na een lange discussie waarbij we de voors en tegens hebben afgewogen.
Tangconstructie L In een tangconstructie zijn woorden die bij elkaar horen, gescheiden door een lange uitleg. Lezers moeten dan veel onthouden voordat ze de zin snappen. Dat kun je voorkomen door de volgorde te veranderen of de zin op te splitsen.
A Mijn vriendin durft een dure jurk die ze op internet heeft gekocht, nadat ze hem gedragen heeft op een schoolfeest, schaamteloos terug te sturen naar de webshop.
B Mijn vriendin koopt een dure jurk op internet, draagt hem op een schoolfeest en durft hem dan schaamteloos terug te sturen naar de webshop.
Lijdende vorm L In een actieve zin is meteen duidelijk wie of wat de handeling verricht. In een passieve zin, de lijdende vorm, is degene die handelt vaak verborgen. De lijdende vorm is niet fout en past soms goed, bijvoorbeeld als de nadruk niet ligt op degene die handelt. Wel is het goed om kritisch te zijn bij het gebruik ervan. Een actieve variant is vaak duidelijker en leest prettiger.
Ook als je niet weet wie of wat het (handelend) onderwerp is van je zin, is er altijd wel een alternatief voor de passieve zin te bedenken:
A Uw aanvraag wordt in behandeling genomen.
B Wij nemen uw aanvraag in behandeling.
Lastige woorden L In het Nederlands kun je bestaande woorden eindeloos aan elkaar plakken tot nieuwe, samengestelde woorden, zoals banketbakkersbenodigdhedenleverancierszoon.
Voor de begrijpelijkheid zijn lange samenstellingen minder prettig en kun je ze beter opknippen.
Bij woorden van meer dan zeven lettergrepen haken de meeste lezers af.
De complexiteit van woorden kan ook in de betekenis zitten, of hoe vaak ze gebruikt worden in dagelijks taalgebruik. Om moeilijke woorden te vermijden, is het goed om je te verplaatsen in de lezer of luisteraar. Zo kan een docent aan de universiteit zonder problemen het woord substantief gebruiken bij studenten Nederlands, terwijl een docent op de middelbare school beter kan spreken van een zelfstandig naamwoord.
Naamwoordstijl L In de naamwoordstijl is van een werkwoord een zelfstandig naamwoord gemaakt, vaak met een lidwoord ervoor. Mensen denken dat een tekst hiermee extra gewichtig klinkt. Ook hier geldt: de naamwoordstijl is niet fout, maar gebruik hem niet te vaak. Dat maakt je tekst abstract, afstandelijk en minder goed leesbaar. Voeg liever personen of instanties toe die handelen.
A Het werken met tablets gebeurt al in drie klassen, dus het afschaffen daarvan kan niet zomaar.
B Al drie klassen werken met tablets, dus dat kun je niet zomaar afschaffen.
De Nederlandse overheid pleit voor inclusieve communicatie. Onderdeel daarvan is dat alle informatie voor alle inwoners van Nederland begrijpelijk moet zijn. Begrijpelijk wil zeggen: opgesteld in B1-niveau, het zogeheten burgerschapsniveau.
In Europa zijn zes taalniveaus vastgesteld voor lezen, luisteren, spreken en schrijven. Die lopen van A1 en A2 (basisgebruikers) via B1 en B2 (zelfstandige gebruikers) naar C1 en C2 (vaardige gebruikers).
Lang niet iedereen in Nederland beheerst het Nederlands op C-niveau: dat is maar zo’n 15%. Toch publiceren veel instanties en bedrijven teksten op taalniveau C1. Voor veel mensen zijn die teksten niet goed te begrijpen. Daarbij is eenvoudig Nederlands, niveau B1, niet alleen voor mensen met een praktische opleiding. Ook theoretisch geschoolden en professionals lezen meestal liever teksten op taalniveau B1 dan op C1. Een tekst op B1 leest namelijk gemakkelijker en sneller, zeker als je deze online leest, bijvoorbeeld op je smartphone.
Kenmerken van teksten op taalniveau B1 zijn: v duidelijke titel en tussenkoppen; v actieve schrijfstijl met voorbeelden; v eenvoudige woorden die iedereen kent; v korte en duidelijke zinnen.
FORMULEREN EN STIJL
17 Nauwkeurig formuleren
Als je niet nauwkeurig formuleert, is het onduidelijk wat je bedoelt. Eén komma in een zin kan al een groot verschil maken:
a ‘Pas op, Nora!’ b ‘Pas op Nora!’
Nauwkeurig formuleren is van groot belang om je boodschap goed over te brengen. Bij een toets of in een verslag laat jij ermee zien dat je de leerstof goed beheerst. Ook tijdens je studie en in je werk is zorgvuldig formuleren belangrijk — of je nu onderzoeker, therapeut, gamedeveloper of belastingadviseur wordt. De kleinste onnauwkeurigheid kan namelijk al tot misverstanden leiden.
Verplaats je in de lezer L Schrijven is als praten met iemand die er niet bij is. Als je een tekst schrijft, vraag je je steeds af wat de lezer wil weten (maar ook: wat de lezer al wél weet). Het helpt daarbij om de zes standaardvragen te gebruiken: wie, wat, waar, waarom, wanneer en hoe. Als de lezer met vragen blijft zitten na het lezen, is je tekst onnauwkeurig. Neem de informatieve zin: ‘De resultaten van recent onderzoek naar vapen en roken onder jongeren zijn zorgwekkend.’ Wie dit leest, verwacht uitleg: Wat is er precies onderzocht en bij wie? Wat zijn de resultaten en waarom zijn ze zorgwekkend? Is deze uitleg er niet, dan blijft de tekst te vaag.
Op de aanvraag omgevingsvergunning zijn naast de activiteit ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ tevens de activiteiten ‘bouwen’ en ‘aanleg’ van toepassing. Nu is gebleken dat er sprake is van een onoverkomelijke weigeringsgrond voor de activiteit ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’, komen ook de activiteiten ‘bouwen’ en ‘aanleg’ niet voor een omgevingsvergunning in aanmerking. Dit gelet op de onlosmakelijkheidsvereiste, welke stelt dat onlosmakelijk samenhangende activiteiten in één keer moeten worden aangevraagd.
Bron: gemeente Westerveld, oktober 2023
Onnauwkeurige teksten L De tekst hierboven komt uit een brief van de gemeente Westerveld waarin een aanvraag voor het aanleggen van een zonnepark wordt afgewezen. Deze tekst roept allerlei vragen op: Wat wordt bedoeld met onoverkomelijke weigeringsgrond? En waaruit is dit precies gebleken? Nog belangrijker: wat wordt er nu eigenlijk gezegd? De boodschap is dat de ontvanger geen vergunning krijgt, en dat daarmee ook de andere activiteiten komen te vervallen. Maar je moet goed lezen om dit uit de tekst te halen. De vage woorden en passieve zinnen maken de tekst onnauwkeuriger dan nodig is.
Opzettelijke vaagheid L Je kunt je afvragen of de auteur van bovenstaande tekst ondeskundig was, of dat de tekst met een reden niet helemaal helder geformuleerd is. Opzettelijke vaagheid komt regelmatig voor, bijvoorbeeld in teksten van de overheid. Het kan immers — zeker in de politiek! — handig zijn om in het midden te laten wíé er moet handelen of wat de exacte feiten zijn, bijvoorbeeld omdat er verschillende belangen meespelen. Maar op de lezer heeft deze strategie een averechts effect: vage teksten zijn niet goed voor de geloofwaardigheid. Ze wekken de indruk dat de schrijver niet vakkundig is of zaken verborgen wil houden.
Voeg context toe L De aanleiding om ergens over te schrijven of vertellen is voor jezelf vaak duidelijk, maar de lezers of luisteraars weten niet altijd waarom wat jij vertelt, relevant is. Het kan zijn dat ze bepaalde voorkennis missen om de strekking van je verhaal goed te begrijpen. Verplaats je dus in je publiek en leid een tekst altijd beknopt in met benodigde informatie die voor de ander niet vanzelfsprekend is.
Lege woorden L Onze taal bevat veel vage woorden die, zonder de juiste context, geen specifieke betekenis of toegevoegde waarde hebben. Ze zijn dan ‘leeg’ en vaak overbodig.
v In zo’n situatie gebeuren er regelmatig allerlei dingen die een grote rol spelen in het proces
v Verschillende factoren droegen bij aan de ontwikkeling die is ingezet.
Deze zinnen bevatten helemaal geen informatie. Zelfs met meer context zijn de zinnen vaag door de vele lege woorden en onduidelijke verwijzingen.
Verwijzingen L Ook verwijswoorden kunnen een tekst onnauwkeurig maken. Bij onjuist gebruik zaai je verwarring. Want naar wie of wat verwijzen de verwijswoorden nu precies?
A De minister keek naar haar woordvoerder. Zij antwoordde dat de datum nog niet bekend was.
B De minister keek naar haar woordvoerder. De woordvoerder antwoordde dat de datum nog niet bekend was.
Ingebouwde beperking L Woorden als over het algemeen, met name en mede geven aan dat de boodschap van de zin niet altijd geldig is, maar dat er beperkingen zijn. ‘Over het algemeen reist Marjolein graag per trein’ geeft feitelijk aan dat er ook momenten zijn waarop Marjolein liever niet met de trein reist. ‘Dit festival wordt mede mogelijk gemaakt door de Taalunie’ betekent dat de Taalunie niet de enige sponsor is. Dat roept
Maak het SMART! LLL
Of je nu een onderzoek moet doen voor school, een inzameling organiseert voor je vereniging of een subsidie aanvraagt voor een buurtfeest: het begint met het schrijven van een plan. Een goed plan is niet vaag, maar doordacht en nauwkeurig opgeschreven. Een veelgebruikt hulpmiddel bij het schrijven van plannen is de SMART-methode. SMART staat voor Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden. De methode helpt je om voldoende concreet te maken wat je precies gaat doen en met welk doel. In het schema kun je zien welke vragen je moet beantwoorden om je plan SMART te maken.
specifiek Wat?
meetbaar Waaraan?
acceptabel Waarom?
realistisch Welke?
tijdgebonden Wanneer?
Ik weet precies wat ik wil bereiken.
Ik weet waaraan ik kan merken of het resultaat is bereikt.
Ik weet waarom ik dit doel wil bereiken.
Ik weet wat ik ga doen om mijn doel te bereiken.
Ik weet wanneer ik begin en wanneer mijn doel moet zijn bereikt.
vragen op bij de oplettende lezer. Gebruik zo’n ingebouwde beperking dus alleen als het nodig is, en licht hem altijd toe: ‘Maar nu het zulk lekker weer is, pakt Marjolein liever de fiets.’
Dubbelzinnigheid L Sommige woorden hebben meerdere betekenissen: homoniemen. Wanneer je uit het zinsverband niet kunt opmaken welke betekenis de schrijver bedoelt, ontstaat dubbelzinnigheid. Overigens kan dit ook bewust ingezet worden voor een humoristisch effect.
v Dan komen we nu bij het slot. v De tekendocent heeft de hond afgemaakt.
18 Bondig formuleren
De kracht van een goede tekst is dat er geen woord te veel in staat. Iets kort en bondig opschrijven is vaak moeilijker dan ergens veel woorden aan besteden. Een bekend credo is dan ook: ‘Schrijven is schrappen.’
Schrappen met beleid L Toch is schrijven geen kwestie van alles zo bondig mogelijk formuleren. Het is zoeken naar het juiste evenwicht. Soms heeft het meerwaarde om ergens meer woorden aan te wijden dan noodzakelijk. Kijk naar romans: daarin gebruiken schrijvers taal als kunstvorm, waarmee ze hun publiek willen raken. Ze kiezen soms bewust voor een schrijfstijl met uitgebreide beschrijvingen en lange zinnen. Kort en bondig taalgebruik past weer wel wanneer het essentieel is dat de boodschap helder overkomt, zoals in een brief van de overheid. Schrap dus met beleid en laat alleen woorden weg die niemand mist.
1 L Hulpwerkwoorden L Hulpwerkwoorden als zullen, kunnen, mogen, willen en gaan maken zinnen vaak onnodig lang en de boodschap minder duidelijk. Wees er dus zuinig mee.
A Ik zou het zeer op prijs stellen als je de enquête zou willen invullen. Mocht je nog vragen hebben, dan kun je mij een e-mail sturen.
B Ik stel het zeer op prijs als je de enquête invult. Heb je nog vragen, stuur mij dan gerust een e-mail.
2 L Bijvoeglijke naamwoorden L Bijvoeglijke naamwoorden voegen niet altijd betekenis toe. Soms zijn ze overbodig, omdat het zelfstandig naamwoord al genoeg zegt, zoals in een gespierde bodybuilder. In tekstgenres waarbij je zo mooi of precies mogelijk wilt formuleren, kun je bijvoeglijke naamwoorden wel heel effectief inzetten. Doe dit echter met mate: te veel extra informatie haalt de vaart uit een tekst en beperkt de fantasie van de lezer. Pas ook op voor clichés zoals een frisse duik of een warm applaus
A De prachtige, bloeiende bloemen in de zonnige tuin boden de toevallige voorbijgangers een verrukkelijk uitzicht.
B Voorbijgangers genoten van het onverwachte kijkje op de bloementuin.
3 L Pleonasme L Wanneer een woord een deel van de betekenis van een ander woord herhaalt, spreken we van een pleonasme: een ronde cirkel, groter groeien of een passerende voorbijganger. Soms heeft deze herhaling nut, bijvoorbeeld als je de aandacht op een uitzondering of bijzonderheid wilt vestigen. In andere gevallen kun je het herhalende woord beter schrappen.
A In het noorden van Zweden is erg veel witte sneeuw gevallen.
B In dit schemerlicht lijkt het geen witte sneeuw, maar meer op roze sneeuw.
5 L Bijwoorden L Woorden als heel, erg en zeer versterken een bijvoeglijk naamwoord. In de praktijk kun je ze meestal weglaten zonder dat de betekenis verandert. Ook bijwoorden als vaak, soms, doorgaans en meestal voegen niet altijd iets toe. Gebruik ze daarom alleen als je een specifieke situatie of frequentie beschrijft. FORMULEREN
4 L Tautologie L Er is sprake van een tautologie wanneer niet een deel, maar de hele betekenis van een woord wordt herhaald: gratis en voor niets, vast en zeker, voor eeuwig en altijd. Net als een pleonasme kun je een tautologie bewust inzetten om een bepaalde betekenis te versterken. Maar soms is er sprake van overtollig woordgebruik.
A Zodra de kaartverkoop van start ging, kocht zij onmiddellijk drie kaartjes voor het concert.
B Zodra de kaartverkoop van start ging, kocht zij drie kaartjes voor het concert.
A Ik ga meestal met de fiets naar school.
B Ik ga meestal met de fiets naar school, maar als het regent ga ik met de bus.
6 L Uitdrukkingen L Behalve losse woorden zijn er ook gestandaardiseerde uitdrukkingen die je tekst onnodig lang maken en weinig aan betekenis toevoegen. Vaak kun je ze door een ander woord of andere woordgroep vervangen.
A Zij is echt zo’n type dat altijd voor anderen klaarstaat.
B Zij staat altijd voor anderen klaar.
Een voorzetseluitdrukking is een groep van meerdere woorden die samen de functie van een voorzetsel hebben. De meeste ervan kun je gewoon door één voorzetsel vervangen.
A Als gevolg van het slaaptekort was hij chagrijnig.
B Door het slaaptekort was hij chagrijnig.
Tip L AI-tekstgeneratoren zijn een bruikbaar hulpmiddel bij het bondiger formuleren van je tekst. Controleer wel altijd of de betekenis niet is veranderd door de aanpassingen.
De Elsschotproef L Een schrijver die bondig formuleren tot kunst heeft verheven, is de Vlaming Willem Elsschot (1882–1960). Hij schreef gedichten en romans; daarnaast werkte hij als reclamemaker. In zijn manuscripten schrapte hij net zo lang woorden totdat de betekenis aangetast dreigde te worden. Wat overbleef was een sobere, maar duidelijke tekst. Niet voor niets werd zijn literaire stijl tot de nieuwe zakelijkheid gerekend: de zinnen en het woordgebruik hadden meer weg van korte nieuwsberichten of pakkende advertenties. Zijn werkwijze werd bekend als de Elsschotproef: blijf schrappen totdat het ten koste gaat van de leesbaarheid.
Mand! LLL
Het internet staat bol van virale momenten, maar slechts weinige weten de tijdgeest zo treffend te vangen als het legendarische ‘Mand!’-fragment uit Omroep Maxim. Wat begon als een gesprek tussen presentator Maxim Hartman en antiekhandelaar Ben Strik over een Delfts aardewerken mandje, groeide uit tot een cultureel fenomeen. Het fragment, oorspronkelijk uitgezonden in 2012, toont een simpele interactie: Hartman daagt Strik uit om de beschrijving van een Tichelaarmandje steeds verder in te korten. Wat nog begint als ‘een heel mooi mandje gemaakt door de firma Tichelaar, gebruikt als tafelversiering en fruitmandje’ wordt door de gefrustreerde Strik uiteindelijk radicaal gereduceerd tot het memorabele ‘Mand!’ — een meesterlijke demonstratie van komische timing en minimalisme.
De humor schuilt hier in de spanning tussen Striks serieuze, academische benadering en Hartmans absurdistische drang naar ultieme beknoptheid. Het is een persiflage op media-interviews, waarin deskundigen en politici vaak langdradige antwoorden geven, terwijl de journalisten juist zoeken naar pakkende soundbites. Met de opkomst van platforms als TikTok en AI-samenvattingsapps blijkt de drang naar bondigheid actueler dan ooit.
Met ruim 5,3 miljoen views en vele memes werd ‘Mand!’ niet zomaar een grap; het werd een taalspel. Het inspireerde zelfs tot de kortste podcast van Nederland (de 30 seconden durende Mand!podcast) en een blijvende invloed op hoe we denken over communicatie-efficiëntie. Recente GenAItools zoals Googles BrevityEngine en TLDR-Pro gebruiken vergelijkbare principes als ‘Mand!’, waarbij teksten stapsgewijs worden gecomprimeerd tot hun kern; zij het helaas (nog) zonder Hartmans komische timing.
Naar: frank van der bijl , nextenabler.com, 20 februari 2025
19 Aantrekkelijk formuleren
Een tekst moet natuurlijk begrijpelijk zijn. Maar er is meer voor nodig om de aandacht van de lezer vast te houden. Schrijven is als verleiden, als flirten op een feestje. Er bestaan allerlei technieken om je tekst aantrekkelijk te maken.
Zinsbouw en zinslengte L Een tekst met een prettig ritme leest lekker. Dat ritme wordt eentonig wanneer zinnen steeds hetzelfde klinken en je niet varieert in zinsbouw en zinslengte.
A Ik ga naar school. Ik heb eerst Nederlands. Ik vind het een saai vak.
B Ik ga naar school. Dan heb ik eerst Nederlands, maar dat vind ik een saai vak.
Soms wordt een boodschap juist wél krachtiger wanneer je een paar zinnen op dezelfde manier formuleert. Dit stijlfiguur heet parallellie en wordt vaak gebruikt in speeches of reclames.
v Hij was niet bang voor het systeem, hij was niet bang voor het establishment, hij was niet bang voor criminelen.
Bron: Toespraak onthulling monument Peter R. de Vries, 15 juli 2024, Leidseplein, amsterdam.nl
Woordkeuze L Ook voor het gebruik van woorden geldt: herhaling maakt je tekst saai, tenzij het een functie heeft.
A De verkoper deed de boeken in een papieren tasje. Met een glimlach overhandigde de verkoper me het papieren tasje. De verkoper zei: ‘Veel plezier met uw boeken!’
B De verkoper deed de boeken in een papieren tasje, dat hij me met een glimlach overhandigde: ‘Veel plezier ermee!’
Gebruik dus niet te vaak dezelfde woorden, maar maak gebruik van synoniemen en verwijswoorden; die verlevendigen je tekst.
Archaïsmen en neologismen L Verouderde woorden of archaïsmen maken een tekst stijf en saai. Je kunt ze gemakkelijk vervangen door eigentijdse of meer pakkende woorden.
A Gelieve de kledingstukken welke reeds gepast zijn, te retourneren teneinde de pashokjes netjes te houden.
B Wil je gepaste kledingstukken terughangen? Zo blijven de pashokjes netjes!
Ook bij neologismen (nieuwe woorden) moet je goed bedenken of de ander weet wat je bedoelt. Begrijpt die dat expirationship staat voor ‘liefde met een vervaldatum’?
Voorbeelden L Concrete voorbeelden maken je tekst levendiger. Ze roepen een beeld op met een emotie erbij en zorgen voor herkenning of verdieping.
v Als gevolg van video’s op TikTok staan toeristen soms lang te wachten om iets te kopen. Zo stond er gisteren een rij van anderhalf uur voor een Amsterdamse frietzaak die patatjes parmezaan met truffelmayonaise op het menu heeft.
Persoonlijk taalgebruik L Lezers willen zo precies mogelijk weten wie iets doet of op wie iets betrekking heeft. Gebruik dus concrete, persoonlijke woorden en schrijf actief (zie Communicatie 16). Het kan ook werken om je lezer aan te spreken of te appelleren aan diens persoonlijke leefsituatie.
v Leuk dat je er bent! Ik ben Karin en ik schrijf over kleding maken. Met mijn blog werk ik aan mijn geheime missie om iedereen achter de naaimachine te krijgen ;)
Beeldspraak L Metaforen of vergelijkingen zijn een vorm van taalgebruik waarin je met een ‘beeld’ op een figuurlijke manier omschrijft wat je letterlijk bedoelt. Door zulke beelden wordt taal ‘zichtbaar’ en ‘voelbaar’. Creatieve, originele beeldspraak levert je daarnaast taalplezier op.
v Een eiland dat nog een beetje vastzit aan het vasteland, als een losse tand aan een draadje, heet een schiereiland.
Uit: annet schaap, Lampje. Querido (2017).
Stijlfiguren L Een stijlfiguur is een ‘vaste vorm’ van taalgebruik om iets wat je wilt zeggen meer nadruk of extra betekenis te geven. Het valt op, zorgt voor herkenning of vermaakt de lezer.
v Op school leer ik lezen met begrip, schrijven met creativiteit, en spreken met overtuiging. — drieslag
Zowel beeldspraak als stijlfiguren kun je op creatieve manieren inzetten. Ze maken je tekst aantrekkelijk en je kunt er je persoonlijke stem in kwijt. In Literatuur 15 en 16 (pp. 180–183) en in de overzichten beeldspraak en stijlfiguren (pp. 104–107) vind je meer uitleg en voorbeelden van verschillende soorten beeldspraak en stijlfiguren.
Mooischrijverij L Beginnende schrijvers die aantrekkelijk willen formuleren, trappen nog weleens in de valkuil dat elke zin die ze schrijven een kunstwerk op zich moet zijn. De tekst dient dan niet meer het communicatieve doel, omdat ze te veel woorden gebruiken of overdreven mooi formuleren.
v In het holst van de duistere nacht werd de zwakke, zieke jongen luidkeels jammerend en steunend, dwars door donkere, stille, uitgestorven straten gesleept, die eeuwig en altijd verlaten waren, als een schreeuw in de leegte, een zucht in de wind.
In deze lange zin sneeuwt de aantrekkelijkheid onder door de vele bijvoeglijke naamwoorden, omslachtige formuleringen en clichématige beeldspraak. Daarnaast is veel van wat er staat overbodig, en de zin eindigt met twee vormen van beeldspraak die niets nieuws en ook geen poëtische zeggingskracht toevoegen.
De kunst van aantrekkelijk schrijven is om de zintuigen en de fantasie van de lezer te prikkelen, zonder dat deze alle details op een presenteerblaadje krijgt voorgeschoteld.
Verslag 21
Op school maak je verschillende schrijfproducten, zoals je profielwerkstuk. Ook in je vervolgopleiding en later in je werk krijg je vaak schrijfopdrachten, zoals een onderzoeks- of stageverslag, of een rapport van een werkbezoek dat je hebt afgelegd.
Een verslag bevat uiteenlopende informatie, die je zo overzichtelijk mogelijk presenteert. Ook verwerk je jouw eigen observaties of visie in een verslag — hoe de lezer al deze feiten moet interpreteren.
Wat is een verslag? L Een verslag is een schriftelijk of mondeling relaas over een gebeurtenis, observatie, ervaring of onderzoek, waarmee je je lezer of toehoorder wilt informeren over de toedracht, de werkwijze en de resultaten. De term wordt voor verschillende tekstsoorten gebruikt: van beschrijvende tot meer betogende of adviserende teksten, en alles ertussenin. In plaats van verslag kom je ook andere termen tegen, zoals werkstuk, scriptie, rapport of paper. Elk verslag heeft zo zijn eigen kenmerken, bijvoorbeeld:
v Boekverslag: beschrijving van inhoud, thematiek, personages en stijl van een boek, aangevuld met eigen interpretaties en leeservaringen ;
v Stageverslag of reflectieverslag: beschrijving van een persoonlijke ervaring en reflectie op het leerproces;
v Onderzoeksverslag: beschrijving van de onderzoeksvraag, -methode, -resultaten en -conclusies, gebaseerd op onderzoeksdata en bronteksten.
Elke onderwijsinstelling, docent of werkgever stelt andere eisen aan een verslag. Ga daarom altijd goed na wat er precies van je verwacht wordt als het gaat om inhoud, opbouw, taalgebruik, opmaak, omvang enzovoorts.
Inhoud en opbouw L Veel verslagen hebben als doel informatie verschaffen, evalueren en verantwoorden. Dit gebeurt volgens een vaste opzet. Een wetenschappelijk artikel bevat bijvoorbeeld
een korte inleiding (abstract), de presentatie van het theoretisch kader, de onderzoeksmethode, een bespreking van de resultaten, een conclusie en een discussie.
In de opbouw van elk verslag vind je altijd de bekende drieslag van inleiding, middenstuk en slot. Daarnaast zijn er nog enkele aanvullende onderdelen die in veel verslagen te vinden zijn:
v Voorwoord — persoonlijke tekst voorafgaand aan het verslag waarin je kort de aanleiding beschrijft;
v Samenvatting — kort overzicht van de inhoud en de belangrijkste resultaten van het verslag;
v Bronnen- / literatuurlijst — alle informatiebronnen die je gebruikt hebt voor je onderzoek, en alle literatuur waaruit je citeert (zie hiervoor ook de paragraaf ‘Bronvermelding’, Communicatie 8);
v Bijlagen — alle aanvullende informatie die je hebt gebruikt in je verslag, zoals tabellen, grafieken, vragenlijsten of notities van gesprekken en observaties.
Formulering en presentatie L Een verslag is een zakelijke tekst, maar dat betekent niet dat je taalgebruik saai en droog moet zijn. Ook in een zakelijke tekst bied je in de eerste plaats een boeiend verhaal, waarin je begrijpelijk, nauwkeurig, bondig en aantrekkelijk formuleert. De tips daarvoor vind je in het onderdeel ‘Formuleren en stijl’ (Communicatie 15–19).
Ook moet een verslag er altijd verzorgd en aantrekkelijk uitzien, zodat alle informatie overzichtelijk gepresenteerd wordt en snel te vinden is.
Feedback L Vraag anderen om je teksten na te lezen en verbeteringen aan te geven. Je kunt hiervoor ook gebruikmaken van een AI-tekstgenerator. Dit zal de kwaliteit van het eindproduct ten goede komen. Plan daarom bij elk verslag een feedbackmoment in van je docent of andere experts, en zorg ervoor dat je genoeg tijd hebt om opmerkingen te verwerken. Let ten slotte altijd goed op zinsbouw, spelling en gebruik van interpunctie.
Autisme in de klas: leuker kunnen we het niet maken. Wel makkelijker.
Profielwerkstuk Leyla Arslan
Inhoud
1 Samenvatting
2 Inleiding
2.1 Waarom dit onderwerp?
2.2 Doel van het onderzoek
2.3 Onderzoeksvragen
2.4 Leeswijzer
3 Wat is autisme?
3.1 Definitie en kenmerken
3.2 Vooroordelen en misverstanden
3.3 Verschillende vormen van autisme
3.4 Oorzaken van autisme
3.4.1 Genetisch
3.4.2 Neurologisch
3.4.3 Omgevingsfactoren
4 Autisme op de middelbare school
4.1 Autisme en leren
4.2 Autisme en de sociale omgeving
4.3 Ondersteuning en therapie
4.4 Hulpmiddelen
5 Onderzoek
5.1 Verantwoording
5.2 Onderzoeksmethode
5.3 Uitvoering van het onderzoek
6 Resultaten
6.1 Uitkomst interviews
6.2 Uitkomst enquête
7 Conclusie en aanbevelingen
7.1 Conclusie
7.2 Aanbevelingen
8 Bronnenlijst
9 Bijlagen
9.1 Uitwerking interviews
9.2 Vragenlijst
9.3 Resultaten vragenlijst
Inhoudsopgave L De inhoudsopgave laat de lezer zien welke informatie waar te vinden is in je verslag. Ook voor jezelf is het een handig hulpmiddel voor je gaat schrijven, om structuur aan te brengen in alle informatie die je hebt verzameld.
tip — Vraag een AI-tekstgenerator om een eerste versie te maken van de inhoudsopgave. Controleer de gegenereerde tekst altijd goed.
Inleiding L Een krachtige, heldere inleiding zorgt ervoor dat je de lezer verleidt om de rest van je verslag te lezen. In de inleiding introduceer je het onderwerp, de eventuele probleemstelling, de doelstelling, je eventuele onderzoeksvragen en beschrijf je kort de opbouw van je verslag of de opzet van je onderzoek.
Inhoudelijke hoofdstukken L Bij meerdere inhoudelijke hoofdstukken of paragrafen is een verdere indeling prettig. Denk daarbij goed na over de meest passende structuur voor je tekst (zie ook Communicatie 3).
Nummering L Door een goede nummering van hoofdstukken, paragrafen, bladzijdes, illustraties, bronnen en noten vindt de lezer snel de weg. Je kunt hier zelf ook weer naar verwijzen in de lopende tekst van je verslag.
Bronvermelding L Je bronnenlijst komt achteraan, maar je maakt hem zeker niet als laatste. Tijdens het schrijfproces houd je deze lijst nauwkeurig bij. Betrouwbare bronnen zoeken en beoordelen, hieruit correct citeren en bronnen vastleggen zijn belangrijk bij het maken van een verslag.
30 Discussie
Een discussie is een uitwisseling van meningen en argumenten tussen twee of meer deelnemers. Discussianten richten zich vaak op het oplossen van een probleem. Daarom is ‘gelijk krijgen’ nooit het doel van een discussie; het probleem en de oplossing ervan staan centraal. Het draait om begrijpen in plaats van winnen. Hierin onderscheidt de discussie zich van het debat.
Voorwaarden L Voor een goede discussie gelden twee belangrijke uitgangspunten:
1 Alles wat de deelnemers inbrengen, moet in dienst staan van de oplossing van het probleem.
2 Alles wat deelnemers zeggen, kan opnieuw ter discussie worden gesteld.
Gedrag L Het helpt een discussie vooruit als de deelnemers letten op de volgende zaken:
v Luister onbevooroordeeld naar elkaar. Laat anderen uitpraten. Bedenk: luisteren is meer dan wachten tot iemand klaar is met praten. Als iets niet duidelijk is, vraag dan door.
v Probeer aan te sluiten bij wat er gezegd is.
v Val niet in herhaling.
v Maak de discussie niet te persoonlijk. Het gaat om de inhoud. Laat de anderen in hun waarde en wees vriendelijk en beleefd.
v Wees niet dominant, maar ook niet te bescheiden. Zorg voor een goede balans tussen luisteren en zelf ideeën inbrengen.
v Kom terug op je mening als je iets beters hoort. Dat is geen teken van zwakte, maar juist een goede poging om om het probleem op te lossen.
Discussieregels L Een discussie binnen een grotere groep mensen kent een aantal handige spelregels:
v Wijs een neutrale voorzitter aan en stel de tijdsduur vast. De voorzitter houdt de tijd in de gaten en zorgt ervoor dat iedereen een evenwichtige inbreng heeft. Diegene let er ook op dat het probleem en de oplossing centraal (blijven) staan en vat de informatie samen als dat nodig is.
v Voer daarnaast de discussie in vier stappen:
1 Bespreek eerst wat het probleem is. Heeft iedereen hetzelfde beeld voor ogen? Gebruik feitelijke informatie voor de probleemschets en baseer je op betrouwbare bronnen en data.
2 Bespreek ieders gedachten over mogelijke oplossingen. Ga in eerste instantie nog niet tegen elkaar in. Luister vooral naar elkaar.
3 Bespreek de voors en tegens die genoemd zijn.
4 Ten slotte: bespreek wat de beste gezamenlijke oplossing van het probleem is. Dat kan natuurlijk een compromis zijn.
Discussiëren in rondes
LLL
Om te zorgen dat alle perspectieven voldoende aan bod komen, kun je met elkaar aanvullende spelregels afspreken voor de structuur van de discussie. Zo kun je discussiëren in rondes. In elke ronde mag er steeds uitsluitend vanuit één perspectief gereageerd worden.
Witte ronde De eerste ronde is de inventarisatieronde. Wat is het probleem en welke feiten horen daarbij? Bijvoorbeeld:
v Wat zijn de oorzaken?
v Wat zijn de gevolgen?
v Wat zijn mogelijke oplossingen?
Rode ronde Iedereen reageert vanuit gevoel en emotie op de mogelijke oplossingen.
Zwarte ronde Reactie vanuit het negatieve. Wat is er slecht aan de oplossing(en)? Wat zijn de nadelen?
Gele ronde Reactie vanuit het positieve. Wat is er goed aan de oplossing(en)? Wat zijn de voordelen?
Groene ronde Reactie op de zwarte en gele ronde. Hoe kunnen we de nadelen van een mogelijke oplossing wegnemen en de voordelen van een oplossing versterken?
Literatuur
Inleiding
1 De kunst van lezen en schrijven 142
2 Fictie & werkelijkheid 144
3 Literaire genres 146 Proza
4 Het vertellen van verhalen 148
5 Plot, tijd en setting 150
6 Vertelperspectief en focalisatie 154
7 Personages en representatie 159
8 Thema en motieven 163
9 Huilbaby 167
Poëzie
10 Poëzie 170
11
12
Vormvaste poëzie 172
Vormvrije poëzie 174
13 Eigentijdse poëzie 176
14 Klank & ritme 178
15 Herhaling, tegenstelling en overige stijlfiguren 180
16 Beeldspraak 182
v Overzicht literaire begrippen 184
Literatuurgeschiedenis
17 Inleiding Nederlandse literatuurgeschiedenis 190
In de 18de eeuw domineert de optimistische idee dat mens en samenleving maakbaar zijn. Door je verstand te gebruiken, word je een beter mens en kun je een betere wereld creëren. Stap één is de opvoeding, bijvoorbeeld met opvoedkundige kinderversjes, zoals het onderstaande gedicht van Hieronymus van Alphen.
Het gebroken glas
Eene vertelling
Cornelis had een glas gebroken
Voor aan de straat.
Schoon hij de stukken had verstoken, Hij wist geen raad.
Hij had een afschrik van te liegen, Wijl God het ziet :
En zou hij nu Mama bedriegen,
Dat kon hij niet.
Hij stond onthutseld en bewogen,
De moeder komt:
Zij ziet de tranen in zijn oogen, Hij scheen verstomd.
[ ]
Kom Keesje lief ! hou op met krijten, Zei moeder toen:
’k Wil u die misslag niet verwijten, Hij kreeg een zoen.
‘Die altoos wil de waarheid spreken, Wordt wel beloond.
Die leugens zoekt voor zijn gebreken, Wordt nooit verschoond.’
hieronymus van alphen
Uit: Proeve van kleine gedigten voor kinderen (1778)
De kindergedichten van Van Alphen zijn vernieuwend omdat ze niet uitgaan van een straffende ouder, maar van een ‘kindervriend’ die het goede gedrag van het kind beloont. Vernieuwend is ook dat Van Alphen de versjes eerst uittest op kinderen. Zij moeten de teksten makkelijk uit hun hoofd kunnen leren en opzeggen ; iets wat tot in de 20ste eeuw met zijn versjes gebeurt.
Historische context
De 17de eeuw brengt de Republiek der Verenigde Nederlanden veel welvaart, maar naarmate het leven luxer wordt, lijkt de motivatie om te ondernemen en risico’s te nemen, te verdwijnen; de rijken houden er een vrij en losbandig leven op na. Ondertussen worden steeds meer arbeiders werkloos. Zij moeten hun heil buiten de steden zoeken. De Republiek verliest haar machtige positie aan Engeland en Frankrijk en raakt in verval. Aan het eind van deze eeuw gaat zelfs de roemruchte multinational VOC failliet.
Koloniale uitbuiting L Koloniale handel brengt grote winsten, maar de rijkdom wordt ongelijk verdeeld: aandeelhouders, reders en kooplieden profiteren, terwijl de inheemse bevolking wordt uitgebuit. Indonesische boeren zijn verplicht om een deel van hun producten tegen lage prijzen aan de VOC te leveren en mogen geen handeldrijven met andere partijen. Nederlandse schepen vervoeren in deze eeuw tienduizenden tot slaaf gemaakte Afrikanen vanuit West-Afrika naar plantagekoloniën in Suriname en het Caribisch gebied. Een aanzienlijk deel wordt doorverkocht naar Amerika. De overige tot slaaf gemaakten worden gedwongen tot zware arbeid op plantages of in huishoudens. Het zal nog tot 1863 duren voordat Nederland de slavernij afschaft.
Democratische revoluties L Aan het eind van deze periode groeit in Europa en Amerika het verzet tegen absolutistische vorsten en regenten en strijdt het volk voor meer democratische rech-
ten: ‘Vrijheid, gelijkheid en broederschap’ is het credo van de Franse Revolutie, die uitloopt op een enorme chaos en terreur met tienduizenden executies. Het is generaal Napoleon Bonaparte die begin 19de eeuw de orde terugbrengt. Hij grijpt de macht in Frankrijk en bezet vervolgens grote delen van Europa, waaronder Nederland.
Culturele context
Vrije en democratische samenlevingen zoals wij die kennen, zijn ondenkbaar zonder de ideeën van de verlichting. Voor het eerst ontstaan er denkbeelden over vrijheid, gelijkheid, burgerrechten, religieuze tolerantie en verdeling van welvaart. Deze ideeën ontkiemen aan het eind van de 17de eeuw, wortelen vervolgens in kringen van intellectuelen en ontwikkelde burgers, en dringen in de tweede helft van de 18de eeuw door bij de middenklasse en eenvoudige burgers.
Verlichting L Het begrip verlichting verwijst naar de idee dat het menselijk verstand licht werpt op de waarheid, en de duisternis van onwetendheid en bijgeloof verdrijft. De Engelse wetenschapper Isaac Newton doet aan het eind van de 17de eeuw allerlei natuurkundige ontdekkingen Deze zijn zo opzienbarend en fundamenteel dat men begint te geloven dat de menselijke ratio zelfs in staat is de geheimen van de schepping bloot te leggen.
Rationalisme L De grote ontdekkingstochten van de 16de en 17de eeuw verplaatsen zich naar het terrein van de geest en de wetenschap. Men neemt aan dat alles valt te weten door nauwkeurig waarnemen en logisch redeneren. Het is de naar Nederland gevluchte Franse filosoof René Descartes die stelt dat rationeel redeneren een wezenlijk onderdeel is van wetenschap bedrijven. Van hem is de gevleugelde uitspraak cogito, ergo sum: ik denk, dus ik besta. Het verlicht denken beperkt
Een filosoof legt de werking van het zonnestelsel uit Geschilderd door Joseph Wright of Derby (ca. 1766).
v 20 LITERATUURGESCHIEDENIS 1700–1800 VERLICHTING
zich niet langer tot de natuurwetenschappen, maar verbreedt zich naar andere terreinen. Steeds meer verlichte denkers stellen dat het niet te bewijzen is dat een bepaalde religie de enige juiste is. Voor hen is dit aanleiding om te pleiten voor godsdienstvrijheid en tolerantie. Ook in de maatschappelijke verhoudingen zien verlichte denkers veel onredelijkheid. Waarom is de een van adel en de ander niet? Waarom zijn sommige mensen slaaf en andere vrij? De Franse JeanJacques Rousseau stelt dat de mens van nature gelijk is en iedereen dus dezelfde rechten moet krijgen. Gelijk is bij Rousseau ‘gelijker’, want net als veel van zijn tijdgenoten blijft hij van mening dat vrouwen volgzaam en onderdanig moeten zijn. Rousseau introduceert ook nieuwe ideeën over onderwijs. Kinderen moeten volgens hem zelf ontdekken hoe de wereld in elkaar zit. De natuur is hiervoor de beste leermeester.
Encyclopedie L Verlichtingsdenken wordt gekenmerkt door een onbegrensd optimisme over de maakbaarheid en beheersbaarheid van de mens en de wereld. Een mooi voorbeeld van dit optimisme is de ambitie van literatoren en wetenschappers om álle kennis te verzamelen en die in een encyclopedie op te slaan, zodat kennis kan worden verspreid en gedeeld.
Taalgeschiedenis 1700–1800
LLL
Er woedt in deze periode een taal- en cultuurstrijd. De Franse taal en cultuur heeft bij de elite prestige. Justus van Effen en veel andere journalisten zetten zich af tegen het Frans, omdat ze het Nederlands aanzien willen geven en hun bladen toegankelijk willen maken voor een breed publiek. Ook boeken verschijnen meestal in het Nederlands en voor pamfletten geldt dit nog meer. De drukpers zorgt voor flinke oplagen van dit massamedium en rondtrekkende marskramers zorgen voor de landelijke verspreiding. Door het ontbreken van uniformerende taal- en spellingregels blijft het schriftelijke gebruik van het Nederlands nog gevarieerd.
Het koffiehuis L Tijdens de verlichting wordt kennis verspreid en gedeeld door middel van boeken en tijdschriften, maar ook door gesprekken in koffiehuizen. Grote en kleine thema’s komen er aan bod: van de laatste mode tot de landelijke politiek, van literatuur tot zakendeals, van roddels en achterklap tot de economische malaise. Gevoed door de ideeën van de verlichting, de toenemende werkloosheid, onvrede over het landsbestuur en het cultureel en moreel verval, worden de debatten feller.
Opkomst journalistiek L De debatten worden ook gevoed door de vele satirische bladen en pamfletten waarin bepaalde groepen worden bespot. Serieuzer zijn de bladen die een voorbeeld nemen aan het Engelse tijdschrift The Spectator. Het bekendste en belangrijkste is De Hollandsche Spectator van Justus van Effen. De eerste drie afleveringen verschijnen in het Frans, de taal van de elite. Maar de toegenomen, welvarende middenstand leest liever in het Nederlands. Na de dood van Van Effen schieten de spectatoriale tijdschriften als paddenstoelen uit de grond. Ze worden volgeschreven door beroepsjournalisten die commentaar geven op het dagelijks leven, met als doel de lezer te vermaken en zelf te laten nadenken.
Het literaire leven
Literatuur moet in de verlichting mensen niet alleen vermaken, maar ze ook het goede gedrag voorschotelen en aan het denken zetten.
Literatuur als opvoeder L De opvoeding wordt een van de hoofdthema’s van het verlichtingsstreven naar de ideale samenleving. ‘Dit is de eeuw waarin men [ … ] voor Kinderen schryft’, schrijft Betje Wolff in haar Proeve over de opvoeding (1779). Samen met haar vriendin Aagje Deken schrijft zij de klassieke briefroman voor meisjes en vrouwen: Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782) (zie pp. 220–222).
Wijs door reizen L De door Van Effen vertaalde boeken Robinson Crusoe (1719) van Daniel Defoe en Gulliver’s Travels (1726) van Jonathan Swift zijn razend populair. Ze bieden de lezers niet alleen vermaak, maar vergroten ook hun kennis over exotische oorden. Zo spoelt Robinson na een schipbreuk aan op een onbewoond eiland. Daar toont hij hoe een individu, afgesneden van de samenleving, door arbeid en gezond verstand kan overleven en orde scheppen. Gulliver’s Travels is een imaginair reisverhaal, bedacht om de lezer een spiegel voor te houden. Iedere bestemming is een karikatuur van Swifts eigen 18de-eeuwse wereld. Gullivers reisbestemmingen worden bewoond door reuzen, minimensen en menselijke wezens met paardenhoofden, die allemaal hun eigen, herkenbare problemen hebben. In Nederland verschijnt in deze traditie onder andere Reize door het Aapenland (1788), door J. A. Schasz (pseudoniem van Gerrit Paape) (zie pp. 224–225).
Satire L Satire is een genre dat bij uitstek geschikt is om kritiek op een speelse, vaak ironische manier te verpakken en het publiek een spiegel voor te houden en aan het denken te zetten. Een goed voorbeeld zijn de blijspelen van Pieter Langendijk: de meeste zijn satires met een boodschap. Zijn blijspel Spiegel der vaderlandsche kooplieden (1756) staat in het teken van het economische en morele verval van een jonge generatie kooplieden.
In de volgende scène maakt een jonge koopman ruzie met zijn vrouw over geld. In korte tijd hebben ze het door hun ouders, ook kooplieden, moeizaam vergaarde kapitaal erdoorheen gejaagd en zitten ze in de schulden. De vrouw verwijt de man dat hij niet goed heeft opgelet, waarop hij reageert:
man
Praatjes! Gij hebt me geruïneerd met uw kostelijke huisraad en prachtige kleren. Door uw saletten, visites en contravisites, bij de rijkste dames van de stad.
vrouw
Hoe dikwijls kwam je ’s morgens dronken thuis! Wie weet wat geld gij hebt verteerd als je de gehele nacht had opgetrokken, gezopen, en gekwinkeleerd?
Vervolgens verwijt hij haar dat het bij haar een komen en gaan is van dienstpersoneel en leveranciers. Haar weerwoord:
vrouw
Durf jij geen honderd gulden te besteden, als je een nieuwe pruik hebben moet?
Heb je niet een Atlas van drieduizend gulden gekocht, die je nog moet betalen? Heb je geen telescopen, microscopen, en een camera obscura laten halen?
Een neef schiet de man te hulp:
neef
Die heb ik ook: dat is een teken dat we liefhebbers van kunsten en wetenschappen zijn. Wij studeren in de natuurkunde!
vrouw
Ja, in de natuurkunde van champagne en rijnwijn.
Het stuk houdt het publiek een spiegel voor van het morele verval in het milieu van kooplieden. Het laat zien hoe de kinderen van deugdzame en hardwerkende kooplieden zijn afgegleden, en veranderd in verkwistende, pronkzuchtige zoekers naar aanzien.
Illustratie uit Gulliver’s Travels
v 20 LITERATUURGESCHIEDENIS 1700–1800 VERLICHTING
Dichtkunst L In het begin van de 18de eeuw zijn dichters uit de vorige eeuw nog razend populair. Ze worden nagevolgd door de dichters van genootschappen als het Amsterdamse Felix Meritis. In en buiten deze kringen blijven dichters nog lang hechten aan de klassieken met hun universele regels en wetmatigheden. Een interessante uitzondering hierop is Hubert Korneliszoon Poot, een ‘gewone’ boerenzoon met een uitzonderlijk dichttalent die probeert te leven van zijn dichtkunst en móét toegeven aan zijn roeping. Dichterzijn ervaart hij als een kwellende ziekte:
De dichtkwaal is alleen door dood en graf te stelpen.
Doe wat u wilt en kunt; niets anders zal u helpen.
Die ziekte zit te diep in merg en ingewand,
En groeit gedurig aan in ’t rusteloos verstand,
Net als de melancholie bij ’t vallen van de blaren:
Ten minste, op die wijs is het met mij gegaan.
h.k. poot
Uit: Gedichten, Tweede deel (1728)
Aan het eind van deze eeuw kondigen jonge dichters als Hieronymus van Alphen, Willem Bilderdijk en Rhijnvis Feith met hun sentimentele ideeën een nieuwe stroming aan: de romantiek. Deze sentimentalisten zetten zich af tegen de ‘meetzieke schrijnwerkers’, experimenteren met nieuwe vormen en het in poëzie uitdrukken van hun persoonlijke ervaringen, verlangens en gevoelens, zoals in het sentimentele Julia (1783) van Rhijnvis Feith (zie p. 223).
Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart
Betje Wolff & Aagje Deken, 1782 LLL
Wolff en Deken zijn het bekendste schrijversduo van de Nederlandse literatuur. Hun briefroman
Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart wordt gezien als een meesterwerk en is opgenomen in de Canon van Nederland. Het is een vernieuwend boek over een jonge vrouw die op zoek is naar liefde en geluk. De inhoud is vooruitstrevend, omdat het verhaal een pleidooi is voor de ontwikkeling van vrouwen.
Aan de hand van in totaal 175 brieven van 24 verschillende personages volgt de lezer Sara’s ontwikkeling naar volwassenheid. Sara is wees en woont bij haar conservatieve en strenge tante Hofland. Ze wil vrij en zelfstandig zijn, en besluit bij de weduwe Spilgoed-Buigzaam te gaan wonen. Daar wordt haar deugdzaamheid op de proef gesteld. Ze gaat uit en ontmoet verschillende mannen die haar het hof maken. Eén daarvan is Jacob Brunier, een enorme ijdeltuit en womanizer. Hij probeert Sara in brief 31 te verleiden met mooie woorden en de belofte van luxe spullen. In brief 32 reageert ze op zijn avances.
32ste brief
Sara Burgerhart aan Jacob Brunier
Beste !
Als je deze brief krijgt ben je vast nog druk bezig om je snuifjes uit te zoeken. Nou, neem alle tijd, want wij blijven thuis en zien vandaag niemand. Dat hebben we ons voorgenomen. En omdat ik toch een uurtje niks te doen heb zal ik u een paar regels krabbelen. Man, man, wat heb je het druk! Zoveel gewichtige zaken, het is niet vol te houden! Je bent nog jong, pas op dat je je niet dood werkt. Kun je geen vervanger voor je ambt aanstellen, dan heb je van die kant niets te vrezen, al kost het natuurlijk een centje. Maar het zou jammer zijn als zo’n ijverig, veelbelovend man voor zijn tijd stierf. Daar ga je toch niet van uit, meneer Brunier?
Letje heeft me in vertrouwen gezegd dat je behalve aan haar nog aan zes meisjes mooie tasjes hebt beloofd. Mevrouw Buigzaam is ontevreden omdat je het lint op haar pruik niet hebt omgespeld. En zelf zeg je dat het niet meer gedragen wordt zoals het nu zit! Cornelia Hartog is knorrig omdat je haar de snuif niet bezorgt die ze besteld heeft. Lotje moppert elke ochtend aan het ontbijt dat je haar tandpoeder weer vergeten bent. Dat zijn geen mooie dingen, Jacob! Je zusje ziet als enig excuus dat je het zo druk hebt. Ze zit soms met het schaamrood op haar kaken als Cornelia Hartog op je scheldt, dat kan ze op haar eigen manier namelijk heel goed. En al ben ik je vriendin, er helpt geen lieve moedertje aan: die mensen hebben gelijk. Als je zoveel onderneemt moet je meer discipline hebben. Als je ’s middags wat met ons komt babbelen zie je toch dat wij ook allemaal bezig zijn? De weduwe naait, Letje breit, ik knoop aan mijn manchetten. Cornelia speelt met haar hond, Lotje snuift en frommelt haar zakdoek in elkaar. En jij zit er maar bij niks te doen! Waarom neem je geen werk mee? Dan kon je ‘werkend lid’ van onze sociëteit worden. Dan kon je de zeven dames die je achternaloopt
tasjes bezorgen, je kon om snuif en tandpoeder denken. Je kon het lint van de weduwe spelden zoals het hoort. En tegelijk konden we je nieuwe ideeën horen. Als je dat zou doen had je je zaakjes binnen zes maanden weer op orde, schat ik zo. Ik heb gemerkt dat je vaak in de spiegel kijkt. Zou het een idee zijn als je van logement veranderde en in een spiegelwinkel ging wonen?
(Je merkt, ik denk mee over wat het beste voor je is.) Dan zou je meteen tijd winnen. Dan zie je jezelf in volle lengte en dan kon je iets aan je jas doen, je das rechttrekken, stofjes en pluisjes van je vest plukken. Ik zie graag dat mensen zich goed kleden, maar een kenner ben ik niet hoor!
Verre van dat. Mijn geest is niet geschikt voor het beoefenen van zulke verheven zaken.
Enfin, vat het niet te zwaar op, werk met regelmaat. Je weet wel wie ik ben, he?
De vriendin van je zus
Uit: betje wolff & aagje deken , Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart Hertaald door Tonnus Oosterhoff. Uitgeverij kleine Uil (2021).
Betje Wolff en Aagje Deken in een hedendaagse visualisatie.
v 20 LITERATUURGESCHIEDENIS 1700–1800 VERLICHTING
Tussen verleiding en deugd L Naast Jacob en nog wat andere heren spelen twee mannen een belangrijke rol in Sara’s jonge leven: de eerlijke en deugdzame Hendrik Edeling, die oprecht om Sara geeft, en de verleider R., een gladde charmeur die Sara probeert in te palmen en daarbij grenzen overschrijdt. Sara staat tussen verleiding en deugd, en moet morele keuzes maken. Het zijn keuzes die van alle tijden zijn. Haar openhartige correspondentie met vriendinnen en andere vertrouwenspersonen laat zien hoe Sara zich ontwikkelt en haar eigen ideeën vormt over liefde, moraal, religie, zelfstandigheid en vriendschap. Uiteindelijk doorziet Sara de oppervlakkigheid van R., en trouwt ze met Edeling.
Eerste moderne roman L De briefroman Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart wordt gezien als de eerste Nederlandstalige roman. Het is tegelijk de eerste stap naar de moderne roman waarin het alledaagse leven realistisch wordt weergegeven en de hoofdpersonages een ontwikkeling doormaken. Vernieuwend is ook de levendige stijl.
Jeugdliteratuur LLL
‘Mijn speelen is leeren, mijn leeren is speelen / En waarom zou my dan het leeren verveelen?’ zo schrijft Van Alphen. Maar niet alle jeugdliteratuur is zo braaf als zijn rijmpjes. Toch zal het nog zo’n anderhalve eeuw duren voordat de moraliserende lesjes uit kinderboeken verdwijnen. In 1891 verschijnt De avonturen van Dik Trom van Johan Kievit. Dik werkt zich ieder hoofdstuk in nieuwe problemen, maar zijn vader kan er wel om grinniken: ‘Het is een bijzonder kind, en dat isie.’ In de 20ste eeuw volgen stoere, stoute kinderen als Pietje Bell en Kruimeltje van Chris van Abcoude. Joop ter Heul, van Cissy van Marxveld, is een wat tegendraadse en brutale middelbare scholiere.
De humor en het alledaagse taalgebruik zijn voor veel lezers een verademing in een tijd van stijf en moraliserend proza.
Bijzonder knap van Wolff en Deken is dat de personages allemaal een eigen schrijfstijl hebben en hun brieven afstemmen op verschillende ontvangers. Mede door die verschillende stijlen krijgt de lezer inzicht in de relaties die de personages onderling met elkaar hebben. Brief 32 is hiervan een voorbeeld.
De vorm van een briefroman leent zich bij uitstek voor het weergeven van innerlijke emoties, gedachten en twijfels. Doordat de lezer zich via de ik-vertellers in de brieven kan verplaatsen in 24 verschillende personages, worden allerlei maatschappelijke, morele en persoonlijke vraagstukken vanuit verschillende perspectieven belicht. Dat prikkelt de lezer om kritisch na te denken over bijvoorbeeld de rollen van mannen en vrouwen, over wat wel en niet deugdzaam is en wat er nodig is om iemand goed op te voeden.
Opvallend in het werk van de succesvolste kinderboekenschrijfster van de 20ste eeuw Annie M.G. Schmidt is dat zij in bijvoorbeeld Pluk van de Petteflat en Jip en Janneke kinderen niet benadert als kleine volwassenen, maar als kinderen.
Schmidt staat symbool voor de antiburgerlijkheid uit de jaren 1960 en 1970. Maar de gedragingen van Jip (stoer en ondernemend) en Janneke (voorzichtig en zorgzaam) volgen nog dikwijls de ouderwetse rolpatronen.
De jeugdliteratuur van de 21ste eeuw is veelvormig, realistisch én fantasierijk, behandelt actuele thema’s en geeft kinderen en jongeren een krachtige stem. In plaats van hen een moralistische les te leren, worden zij uitgedaagd om zelf na te denken.
Julia Rhijnvis Feith, 1783
LLL
Het sentimentalisme is een voorloper van de romantiek, maar heeft in Nederland weinig voet aan de grond gekregen. Van sentimentalisten mogen de tranen rijkelijk vloeien. Feiths roman Julia draait om verheven, delicate gevoelens, om sensitiviteit. De liefde van Julia en Eduard is voorbestemd en verbonden met deugd en godsdienst. Wanneer zij elkaar ontmoeten, herkennen de twee verwante zielen elkaar op slag.
Nu was ik in een verlichte plek in het bos aangekomen. Mijn hemel, wat zag ik daar? Een prachtige jonge vrouw, die met haar blauwe ogen en indrukwekkende voorkomen een en al gevoeligheid en onschuld uitstraalde. Donker glanzende haarlokken kronkelden losjes om een sneeuwwitte hals en met haar handen gevouwen zat ze geknield voor de bank van graspollen. […] Bevend keken we elkaar aan. Sprakeloos begonnen onze harten een teder gesprek en mijn intuïtie fluisterde in dat Julia het enige meisje op aarde was dat mij gelukkig kon maken. Hoe makkelijk begrijpen twee harten elkaar die op dezelfde manier slaan, die op dezelfde toonhoogte zijn afgestemd.
Uit: rhijnvis feith , Julia Hertaling: Arjen van Meijgaard. Uitgeverij kleine Uil (2024).
Helaas mag het niet zo zijn. Julia’s vader wil zijn dochter uithuwelijken aan een welgestelde man. Julia en Eduard blijven elkaar hartstochtelijke brieven schrijven, en zijn wanhopig omdat hun voorbestemde liefde geen enkele kans krijgt. Op het moment dat de belemmeringen voor het huwelijk zijn weggenomen, sterft Julia. Het is de zoveelste beproeving die God oplegt aan Eduard. Omdat Eduard niet zonder haar kan leven, koopt hij een huis tegenover de begraafplaats, zodat hij haar nabijheid ook na haar dood kan blijven voelen.
Rhijnvis Feith. Portret geschilderd door Willem Bartel van der Kooi in 1819.
v 20 LITERATUURGESCHIEDENIS 1700–1800 VERLICHTING
Van toen naar nu Dystopie
Het woord dystopie komt van het Griekse dys (slecht) en topos (plaats) en betekent letterlijk slechte plaats. In de literatuur is een dystopie een verhalende voorstelling van een denkbeeldige, vaak toekomstige samenleving waarin maatschappelijke ontwikkelingen tot een onderdrukkende of ontmenselijkende situatie hebben geleid. Klassiekers op dit gebied zijn Nineteen EightyFour (1949) van George Orwell en Brave New World (1932) van Aldous Huxley.
In veel dystopieën staat één persoon centraal die zich verzet tegen het gedrag van de massa. Die persoon volgt niet blind de regels, maar denkt zelf na. Daarmee sluit het genre aan bij de maatschappijkritiek uit de verlichting van de 18de eeuw en de opkomende romantische ideeën van de volgende eeuw: een volledig rationele samenleving wordt bekritiseerd, omdat deze geen ruimte laat voor emoties en eigenheid van individuen. Dystopieën worden gebruikt om kritisch te reflec-
teren op politieke, sociale of technologische tendensen in het heden en komen vaak, maar niet uitsluitend, voor binnen de sciencefiction.
v Reize door het Aapenland
Gerrit Paape, 1788
Reize door het Aapenland kan worden beschouwd als een vroege dystopische satire, al wordt die term in de 18de eeuw nog niet gebruikt. Op het moment van verschijnen verkeert Nederland in politiek roerig vaarwater: een burgeroorlog tussen patriotten en Oranjegezinden dreigt en veel patriotten zijn op de vlucht geslagen.
Het werk is een satirische reisroman waarin de hoofdpersoon terechtkomt in een denkbeeldig land dat wordt bewoond door apen. In Aapenland dromen de apen ervan om beschaafd en machtig te worden, vergelijkbaar met mensen. Zij twisten over de vraag of dit bereikt moet worden door opvoeding en onderwijs of door uiterlijke aanpassing. Deze verdeeldheid leidt tot onderlinge strijd.
De Ommuurde Stad Kowloon in Hongkong was een van de meest dichtbevolkte steden ter wereld ooit. Door het gebrek aan overheidscontrole, de verticale architectuur en de extreme bevolkingsdichtheid werd de stad ook wel beschreven als dystopisch.
Het Aapenland fungeert als een negatief spiegelbeeld van de Nederlandse samenleving. Door middel van overdrijving en satire bekritiseert Paape politieke verdeeldheid, machtsmisbruik en gebrek aan vrijheid. Het geschetste Aapenland is geen utopie, maar een ‘slechte plaats’ die waarschuwt voor maatschappelijke ontsporing.
v Blokken
F. Bordewijk, 1931
In deze roman schetst Bordewijk een totalitaire samenleving met een radicaal gelijkheidsideaal. Dit ideaal leidt tot een ontmenselijkte en nachtmerrieachtige wereld. Mensen leven als machines; gevoelens en individualiteit worden onderdrukt. Iedereen draagt dezelfde kleding en persoonlijk bezit is afgeschaft. Ronde vormen, die staan voor leven en chaos, zijn verboden.
Verzet blijkt onvermijdelijk. Ondanks de strenge discipline blijven mensen verlangen naar verboden genoegens en een eigen identiteit. Ook de auctoriale verteller neemt een kritische houding aan tegenover de dictatuur.
Bordewijk schrijft Blokken in een periode waarin totalitaire ideologieën als communisme en fascisme aan invloed winnen. Plaats en tijd blijven bewust vaag, al suggereert de roman een Europese samenleving in de nabije toekomst. De roman is daarnaast een surrealistische satire op de dogmatische opvattingen van kunstenaarsgroep De Stijl over vorm- en lijngebruik. Volgens deze kunstenaarsgroep moeten vorm en materiaal worden teruggebracht tot de meest elementaire constructie.
v Het boek van alle angsten Emy Koopman, 2020
Dystopische films en (jeugd)romans kennen in de 20ste en 21ste eeuw een sterke opleving. Denk aan The Hunger Games, Divergent en de Nederlandse klassieker Koning van Katoren (1971) van Jan Terlouw. De razendsnelle ontwikkelingen in wetenschap en technologie, evenals de zorgen over klimaatverandering, overbevolking en vluchtelingenstromen dragen bij aan een somber en apocalyptisch toekomstbeeld.
Het bijzondere aan Het boek van alle angsten is dat de twee protagonisten, Fana en Viko, verre van dapper zijn. Ze zijn vooral slachtoffers. Op school passen ze niet ‘in het plaatje’; ze zijn anders. Fana is Iraans en Viko is een gevoelige, filosofische jongen. Dat hij homoseksueel is, maakt zijn positie nog kwetsbaarder. Beiden worden gepest.
De roman ontwikkelt zich gaandeweg tot een beklemmende dystopie, wanneer de hele maatschappij in de greep raakt van de eis om je aan te passen en ‘gewoon’ te doen. De nieuwe orde belooft daadkrachtig alle problemen op te lossen en afwijkingen op te ruimen. Koopman introduceert daarbij geen futuristische technologie, maar bouwt voort op bestaande angsten. Zo worden mensen met een negatief ‘saldo’ in een winkelcentrum per opbod verkocht.
Ironie ontbreekt volledig. Koopman noemt haar roman zelf speculatieve fictie, een term die onderstreept dat de geschetste toekomst angstwekkend dichtbij voelt.
v Klifi
Adriaan van Dis, 2022
Een bijzonder en actueel dystopisch subgenre is klifi, ofwel klimaatfictie. De roman Klifi is vernoemd naar dit genre. Het verhaal speelt zich af in een nabije toekomst. Het koningshuis is afgezet, een populistische president heeft het voor het zeggen, en dan wordt Nederland geteisterd door een enorme watersnoodramp. Vanwege de keiharde censuur durft niemand erover te schrijven, behalve een oudere schrijver. Hij trekt zich terug in een afgelegen kustplaats, maar raakt betrokken bij spanningen tussen vluchtelingen en lokale bewoners. Terwijl geweld, wantrouwen en politieke polarisatie toenemen, wordt hij gedwongen positie te kiezen.
De roman toont hoe morele onverschilligheid kan uitmonden in ontmenselijking en waarschuwt voor een door angst gedreven politiek en verlies van maatschappelijke solidariteit. Geen vrolijk stemmende boodschap. Van Dis strooit echter ruim met satirische verwijzingen naar de actualiteit. Genoeg om ook wat grimlachjes te ontlokken.
Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikelen 16h t/m 16m Auteurswet 1912 jo. besluit van 27 november 2002, Stb 575, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht te Hoofddorp (postbus 3060, 2130 kb , www.reprorecht.nl) of contact op te nemen met de uitgever voor het treffen van een rechtstreekse regeling in de zin van art. 161, vijfde lid, Auteurswet 1912. Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16, Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot de Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten, postbus 3060, 2130 kb Hoofddorp, www.stichting-pro.nl).
All rights reserved. No part of this publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted, in any form or by any means, electronic, mechanical, recording or otherwise without prior written permission of the publisher.