Skip to main content

Inkijkexemplaar FORUM Geschiedenis Opdrachtenboek VWO 4-6 ed2

Page 1


FO R U M OPDRACHTEN

AUTEURS

ARIE WILSCHUT

DICK VAN STRAATEN

MARCEL VAN RIESSEN

FO R U M GESCHIEDENIS

OPDRACHTENBOEK BOVENBOUW VWO

TWEEDE, GEHEEL HERZIENE EDITIE

BOOM VOORTGEZET ONDERWIJS

© 2026 Boom | All rights reserved No text & data mining. www.boom.nl

Eerste editie, 2019

Tweede, geheel herziene editie, 2026

Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets van deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opname of enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Voor zover het maken van reprografische verveelvoudigingen uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16h Auteurswet dient men de daarvoor wettelijke verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (www.reprorecht.nl).

Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in compilatiewerken op grond van artikel 16 Auteurswet kan men zich wenden tot de Stichting PRO (www.stichting-pro.nl).

All rights reserved. No part of this publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted, in any form or by any means, electronic, mechanical, recording or otherwise without prior written permission of the publisher.

verantwoording illustraties en tekstfragmenten De uitgever heeft getracht alle rechthebbenden van de illustraties en bronteksten in deze publicatie te bereiken. Mocht u desondanks menen dat uw rechten niet zijn gehonoreerd, dan kunt u contact opnemen met de uitgever.

bureauredactie Pieter de Blok, Zwolle boekverzorging René van der Vooren, Amsterdam beeldinkoop Imago Mediabuilders, Amersfoort

isbn 978 94 6442 246 7

boom.nl / voortgezet-onderwijs

Inhoud

Hoe zit dit opdrachtenboek in elkaar ? 6

A Het gebruik van geschiedenis

Geschiedenis in de samenleving

1  Het belang van geschiedenis 10

2 Geschiedenis en identiteit 12

3 Geschiedenis en politiek 14

4 Geschiedenis als moreel kompas 16

5 Geschiedenis als praktische les 18

6 Geschiedenis als entertainment 20

D Thema's Onderwerpen voor het schoolexamen

1  Het slavernijverleden 92

2 Energietransities 120

3 Religie en samenleving 150

4 Monumenten en herdenken 170

5 Terreur en terrorisme 190

6 Schuld en boete 208

7 Rechtsstaat en democratie 230

B Hoe geschiedenis in elkaar zit

Historisch denken en redeneren

1  Chronologie en anachronisme 24

2 Continuïteit en verandering 27

3 Oorzaken en gevolgen, toeval en onvoorspelbaarheid 30

4 Waarden en oordelen 32

5 Bronnen, vragen en feiten 34

6 Interpretaties 38

7 Taal 40

C Oriëntatiekennis

Kenmerkende aspecten van tien tijdvakken

1  Jagers & boeren 44

2 Grieken & Romeinen 46

3 Monniken & ridders 48

4 Steden & staten 50

5 Ontdekkers & hervormers 52

6 Regenten & vorsten 54

7 Pruiken & revoluties 56

8 Burgers & stoommachines 58

9 Wereldoorlogen & crisis 61

10 Televisie & computer 64

Examentraining 68

E Historische contexten Onderwerpen voor het Centraal Examen

1  Steden en burgers in de Lage Landen 262 Examentraining 280

2 De Verlichting: theorie en praktijk 284

Examentraining 306

3 Confucianisme, communisme en kapitalisme in China 312 Examentraining 335

4 Democratie en dictatuur in Duitsland 340 Examentraining 357

Hoe zit dit opdrachtenboek in elkaar?

Dit opdrachtenboek heeft dezelfde vijf onderdelen als het leerboek. Per onderdeel zijn er verschillende soorten opdrachten. Hieronder zie je wat het doel van die opdrachten is.

A Het gebruik van geschiedenis

v Verwerken

Deze opdrachten helpen je de inhoud van deel A te verwerken. Dit is geen examenstof.

v Toepassen

Hier pas je de inzichten uit deel A toe op kleine, losse onderwerpen. De inhoud van die onderwerpen is niet bedoeld om te leren. Het zijn voorbeelden om ermee te oefenen. Het is geen examenstof.

B Hoe geschiedenis in elkaar zit

v Verwerken

Deze opdrachten helpen je met het begrijpen van de uitleg bij de onderdelen van historisch denken. Die zijn leerstof voor het centraal examen (CE).

v Toepassen

Hier pas je de onderdelen van historisch denken toe op kleine, losse onderwerpen. Het gaat niet om de inhoud van die onderwerpen. Ze zijn bedoeld om te oefenen met historische denkwijzen. Dat is een goede voorbereiding op het examen. Dat oefenen zit overigens ook de andere delen van dit boek.

C Oriëntatiekennis

Bij elk van de tien tijdvakken is er een rubriek ‘verwerken’ en een rubriek ‘toepassen’.

v Verwerken

Deze opdrachten helpen je de inhoud van de kenmerkende aspecten te begrijpen en herkennen. De eerste vier tijdvakken (C1 – C17) zitten niet in het centraal examen. In Forum worden ze wel behandeld. Zo heb je een compleet historisch overzicht. Als in een opdracht een vaardigheid van historisch denken wordt gebruikt, staat dat aangegeven met een verwijzing: v B1, v B2, etc. Je kunt de onderdelen van deel B uit dit boek daarbij dus gebruiken.

v Toepassen

Hier pas je de oriëntatiekennis toe op kleine, losse onderwerpen. Het gaat niet om de inhoud van die onderwerpen. Ze zijn bedoeld om te oefenen met oriëntatiekennis. Dat is een goede voorbereiding op het examen. Als in een opdracht een vaardigheid van historisch denken wordt gebruikt, staat dat aangegeven met een verwijzing: v B1, v B2, etc. Je kunt de onderdelen van deel B uit dit boek daarbij dus gebruiken.

Onderdeel C wordt afgesloten met een afdeling

Examentraining. Daarin staan 72 opgaven van precies dezelfde soort als de opgaven in het centraal examen.

Bij de thema’s zijn de opdrachten geordend per paragraaf in het leerboek. Er zijn bij elke paragraaf drie soorten opdrachten:

v Verwerken en oriënteren

Deze opdrachten helpen je de inhoud van de tekst van een paragraaf te verwerken. Ook worden verbanden gelegd met kenmerkende aspecten van tijdvakken uit deel C van dit boek. Bij de opdrachten waarbij oriëntatiekennis van belang is, wordt dat aangegeven met een verwijzing, bijvoorbeeld v C23, v C42, etc. Als in een opdracht een vaardigheid van historisch denken wordt gebruikt, staat dat aangegeven met een verwijzing: v B1, v B2, etc. Je kunt de onderdelen van deel B uit dit boek daarbij dus gebruiken.

v Taal

Deze opdracht gaat over de rubriek ‘Taal’ in het leerboek onder elke paragraaf. Je leert hiermee te werken met Nederlandse taal die je misschien nog niet zo goed kent.

v Toepassen

Hier pas je de leerstof van een paragraaf toe op bronnen. Zo kun je oefenen met de leerstof. Dat is een goede voorbereiding op het schoolexamen. Als in een opdracht een vaardigheid van historisch denken wordt gebruikt, staat dat aangegeven met een verwijzing : v B1, v B2, etc. Je kunt de onderdelen van deel B uit dit boek daarbij dus gebruiken. Bij de opdrachten waarbij oriëntatiekennis van belang is, wordt dat aangegeven met een verwijzing, bijvoorbeeld v C23, v C42, etc.

E Historische contexten

Bij de historische zijn de opdrachten geordend per paragraaf in het leerboek. Er zijn bij elke paragraaf drie soorten opdrachten:

v Verwerken en oriënteren

Deze opdrachten helpen je de inhoud van de tekst van een paragraaf te verwerken. Ook worden verbanden gelegd met kenmerkende aspecten van tijdvakken uit deel C van dit boek. Bij de opdrachten waarbij oriëntatiekennis van belang is, wordt dat aangegeven met een verwijzing, bijvoorbeeld v C23, v C42, etc. Als in een opdracht een vaardigheid van historisch denken wordt gebruikt, staat dat aangegeven met een verwijzing: v B1, v B2, etc. Je kunt de onderdelen van deel B uit dit boek daarbij dus gebruiken.

v Taal

Deze opdracht gaat over de rubriek ‘Taal’ in het leerboek onder elke paragraaf. Je leert hiermee te werken met Nederlandse taal die je misschien nog niet zo goed kent.

v Toepassen

Hier pas je de leerstof van een paragraaf toe op bronnen. Zo kun je oefenen met de leerstof. Dat is een goede voorbereiding op het centraal examen. Als in een opdracht een vaardigheid van historisch denken wordt gebruikt, staat dat aangegeven met een verwijzing : v B1, v B2, etc. Je kunt de onderdelen van deel B uit dit boek daarbij dus gebruiken. Bij de opdrachten waarbij oriëntatiekennis van belang is, wordt dat aangegeven met een verwijzing, bijvoorbeeld v C23, v C42, etc.

Elke historische context wordt afgesloten met een afdeling Examentraining. Daarin staan opgaven van precies dezelfde soort als de opgaven in het centraal examen.

1 Is geschiedenis belangrijk?

A

Geschiedenis in de samenleving Het gebruik van geschiedenis

1 Het belang van geschiedenis

v Doel Je leert waarom geschiedenis belangrijk is.

v Verwerken

1 Leg uit waarom kennis van geschiedenis één van de weinige manieren is om je op de toekomst voor te bereiden. T 2

2 Beschrijf hoe kennis van het verleden iets zou kunnen bijdragen aan de oplossing van het klimaatprobleem. T 1

3 In het leerboek staat een passage over vrouwelijke leiders. Met welk doel is die passage in de leerboektekst opgenomen? T 1

4 Iedereen die beslissingen neemt en plannen maakt voor de toekomst, gebruikt automatisch geschiedenis. Waarom heb je dan toch het schoolvak geschiedenis nodig? T 1

5 Leerboek, afbeelding 1 en 2

a Wat is een zichtbare parallel tussen beide afbeeldingen? T 1

b De suffragettes hebben door radicale acties bijgedragen aan de totstandkoming van het vrouwenkiesrecht. Welke conclusie trekt de historicus en filosoof Krznaric daaruit over de acties van klimaatactivisten? R

c Denk je dat hij gelijk heeft? Leg je antwoord uit. I

v Toepassen

v Lees ‘Robert McNamara en de Vietnamoorlog’.

6 McNamara zegt dat de Amerikanen naar de Vietnamezen keken ‘vanuit het oogpunt van onze eigen ervaringen’. Over welke ‘eigen ervaringen’ heeft hij het dan, gelet op het vervolg van de tekst? T 2

7 Voordat de Amerikanen in Vietnam kwamen, hadden de Vietnamezen hun Franse koloniale overheersers overwonnen en het land uit gejaagd. Wat hadden de Amerikanen kunnen leren van die geschiedenis? T 2

8 afbeelding 1

Foto’s zoals afbeelding 1 verschenen jarenlang in Amerikaanse media. Bedenk welke invloed dat had op het Amerikaanse publiek. I

9 Maak de volgende zin af: ‘Als de Amerikanen meer oog hadden gehad voor het belang van de Vietnamese geschiedenis, dan … ’ T 2

Robert McNamara en de Vietnamoorlog

Robert McNamara (1916–2009) was van 1961 tot 1968 minister van Defensie van de Verenigde Staten. In die tijd vocht zijn land een grote oorlog uit in Vietnam. De Amerikanen dachten dat ze Vietnam tegen het communisme moesten beschermen. Dat leidde tot een jarenlange verwoestende oorlog die zo’n 60 000 Amerikaanse soldaten het leven kostte — en meer dan een miljoen Vietnamese burgers en soldaten. Het eindresultaat was een nederlaag van de Amerikanen. Vietnam kwam geheel in handen van de communisten. De nederlaag bezorgde de Amerikanen een groot trauma. Naderhand vroeg McNamara zich af hoe je dit drama kon verklaren. Hij schreef erover:

‘Wij keken naar het volk en de leiders van Vietnam vanuit het oogpunt van onze eigen ervaringen. Wij zagen bij hen een verlangen naar vrijheid en democratie, net zoals dat er bij onszelf was. We verkeken ons ook op de vastberadenheid van de Vietnamezen. Telkens weer gingen wij ervan uit dat we de schade die wij de communisten toebrachten konden opschroeven tot een niveau waarop hun leiders een afweging van kosten en baten zouden maken en zouden besluiten dat het moment was gekomen om de handdoek in de ring te werpen. Maar dit waren wel de mensen die zeven jaar hadden gevochten om de Fransen eruit te gooien. Onze onjuiste inschatting van zowel vriend als vijand was een afspiegeling van ons volstrekte gebrek aan kennis over de geschiedenis, de cultuur en de politiek van de mensen in dat gebied, en de persoonlijkheid en de gewoonten van hun leiders.’

Amerikaanse slachtoffers in Vietnam, na een veldslag met de Vietnamezen in 1966. Foto van Larry Burrows voor Time / Life

Titel

BHistorisch denken en redeneren Hoe geschiedenis in elkaar zit

1

Chronologie en anachronisme

v Doel Je leert hoe je chronologie gebruikt en hoe verschillen tussen tijden kunnen leiden tot anachronismen.

v Verwerken

1 Laat aan de hand van twee voorbeelden zien dat jaartellingen cultuurgebonden zijn. T 1

2 Op 1 januari viert de hele wereld nieuwjaarsdag. Zelfs in landen als Turkije en Indonesië, waar meer dan 90% van de bevolking moslim is, wordt deze dag gevierd. Maar in Saoedi-Arabië, Pakistan en Iran wordt 1 januari nauwelijks gevierd. Leg uit hoe je dit kunt verklaren. T 1

3 Waarom besloot men de Nieuwe Tijd onder te verdelen in de Vroegmoderne en Moderne Tijd? R

4 Maak combinaties van perioden en tijdvakken die bij elkaar horen. Noteer steeds de nummers en bijbehorende letters. T 1

1 Prehistorie

2 Oudheid

3 Middeleeuwen

4 Vroegmoderne Tijd

5 Moderne Tijd

a Pruiken en revoluties

b Burgers en stoommachines

c Jagers en boeren d Grieken en Romeinen e Steden en staten

5 Bekijk de indeling in tijdvakken die in het Nederlandse geschiedenisonderwijs wordt gebruikt.

Leg aan de hand van één van de tijdvakken uit waarom deze indeling goed past bij de Europese geschiedenis en minder goed bij de geschiedenis van andere werelddelen. T 2

6 Leerboek, afbeelding 1

De vijf perioden worden getypeerd met een afbeelding. Zoek in deel C van het leerboek op welk kenmerkend aspect van een periode het best bij elk van de vijf afbeeldingen past. T 1

7 Dat Nederland tegenwoordig nog een koningshuis heeft, wordt door sommigen beschouwd als een anachronisme. Bedenk wat daarmee bedoeld wordt. I

8 Is presentisme een voorbeeld van anachronisme?

Leg je antwoord uit. T 2

9 Leg uit waarom standplaatsgebondenheid het duidelijkst geldt voor tijdgebondenheid. T 2

10 In het leerboek staan drie stappen voor het maken van tijdsvolgordevragen. Gebruik deze stappen om de volgende zes gebeurtenissen in de juiste chronologische volgorde te zetten. Noteer alleen de nummers. T 1

1 Toen de Portugese ontdekkingsreiziger Vasco da Gama India bereikte, was hij verbaasd over de rijkdom aan producten die de plaatselijke bevolking op markten verhandelde.

2 De Franse revolutionair Robespierre wilde dat koning Lodewijk XVI ter dood werd veroordeeld.

3 Na het overlijden van Mohammed groeide de islam uit tot de heersende godsdienst op het Arabisch schiereiland.

4 Onder keizer Claudius slaagden de Romeinen erin om Brittannië te veroveren.

5 Op verzoek van Nederlandse bedrijven kwamen gastarbeiders uit het Middellandse Zeegebied naar Nederland om te werken.

6 Met grote werkverschaffingsprojecten bestreed de Amerikaanse president Roosevelt de werkloosheid die het gevolg was van de economische crisis.

Kim Il-sung op een fresco in de Noord-Koreaanse hoofdstad Pyongyang. 1

De Noord-Koreaanse Juche-kalender

In het communistische Noord-Korea wordt officieel de Juche-kalender gebruikt. Juche betekent ‘zelfvoorzienendheid’. Het is een ideologie die stelt dat de ‘Grote Leider’ de revolutie leidt en als een vader over het volk regeert. De Juche-jaartelling begint in 1912, het geboortejaar van Kim Il-sung (r. 1945–1994), de stichter van de Noord-Koreaanse communistische staat en daarmee de eerste ‘Grote Leider’ van het land. Op het Noord-Koreaanse fresco zie je Kim Il-sung, omringd door gelukkige Noord-Koreanen.

v Toepassen

v Lees ‘De Noord-Koreaanse Juche-kalender’.

11 Leg uit waarom het beginjaar van de NoordKoreaanse kalender goed te vergelijken is met het beginjaar van de christelijke kalender. Betrek afbeelding 1 in dit opdrachtenboek in je antwoord. T 2

12 In welk jaar leven wij nu volgens de Juchekalender? T 1

13 Bedenk een naam voor de periode vóór het begin van de Juche-jaartelling die goed zou passen bij de Noord-Koreaanse interpretatie van die ‘voortijd’. I

14 Bedenk waarom totalitaire regimes graag een nieuwe tijdrekening invoeren. I

Een verhalenverteller in Mali, zichzelf begeleidend met een snaarinstrument, omstreeks 1965.

v Lees ‘Mondelinge traditie in Afrika’.

15 Leg uit dat de overgang van prehistorie naar historie in verschillende delen van de wereld op verschillende momenten plaatsvond. T 2

16 Bewering: schriftloze Afrikaanse volkeren hadden voor de komst van de Europeanen geen geschiedenis. Geef een argument voor en een argument tegen deze bewering. T 2

Mondelinge traditie in Afrika

In Afrika leefden tot de komst van de Europeanen halverwege de negentiende eeuw volken die geen schrift gebruikten. Mondelinge traditie was voor hen van groot belang: verhalen werden van generatie op generatie doorverteld. Toen de Europeanen — en later de Afrikanen zelf — de vertelde geschiedenis gingen opschrijven, verminderde het belang van de mondelinge traditie, hoewel die nooit helemaal verdween, zoals te zien is aan een foto uit de jaren zestig van de twintigste eeuw.

17 Is het presentistisch om te zeggen dat schriftloze Afrikaanse culturen ‘nog in de prehistorie leefden’? Leg je antwoord uit. T 2

COriëntatiekennis

Kenmerkende aspecten van tien tijdvakken

C 1 Jagers & boeren

v Doel Je kent drie kenmerken van het tijdvak jagers & boeren en kunt die gebruiken om gebeurtenissen en verschijnselen in hun historische context te plaatsen.

v Verwerken

1 Leerboek, afbeelding 1, 2 en 3 Leg voor elke afbeelding apart uit waarom die gebruikt wordt als illustratie van het bijbehorende kenmerkende aspect van tijdvak 1. T 2

2 Bedenk of de culturen van jager-verzamelaars ongeveer 10 000 jaar geleden geheel uit de wereld zijn verdwenen. Leg je antwoord uit. I

3 Bedenk waarom op veel grotschilderingen uit deze periode mammoeten, oerossen, herten en zwijnen staan. I

4 Noem een andere naam voor neolithische revolutie  R

5 Beschrijf welke gevolgen de neolithische revolutie voor de aarde heeft gehad. T 1

a akkerbouw

b arbeidsspecialisatie

c drijfjacht

d godkoningen

e nomadisch bestaan

f ontwikkelde architectuur

g Oude Steentijd

h schrift

i stadstaten

j vaste woonplaatsen

k veeteelt

6 Tussen het leven van een groep mensen die van de landbouw leeft en jager-verzamelaars bestaan grote verschillen. Noem er twee. R

7 Leg het verband uit tussen hogere landbouwopbrengsten en het ontstaan van stedelijke beschavingen. T 2

8 Gebruik het schema hieronder Neem het schema over. Geef met kruisjes aan wat hoort bij jager-verzamelaars, wat bij de eerste boeren en wat bij de eerste stedelijke beschavingen. Let op: sommige dingen passen in meerdere kolommen. T 1

v Toepassen

v Lees ‘De wetten van Hammoerabi’

9 Uit de wetsartikelen blijkt dat Babylonië in de tijd van koning Hammoerabi een landbouwsamenleving was. Toon dit aan met een wetsartikel. T 2

jagerverzamelaars eerste landbouwers eerste stedelijke beschavingen

De wetten van Hammoerabi

Omstreeks 1750 v. C. maakte de Babylonische koning Hammoerabi (r. 1795 – ca. 1750 v. C.) een wetboek. Het is het oudste bestaande wetboek ter wereld. Er staan 282 artikelen in. Dit zijn enkele voorbeelden:

Art. 5 Als een rechter een verwijtbare fout maakt in zijn vonnis, dan moet hij twaalf keer de boete betalen die hij heeft opgelegd, en hij zal in het openbaar van de stoel van de rechter worden verwijderd, en hij zal nooit meer rechtspreken.

Art. 6 Als iemand eigendom van de tempel of de staat steelt, zal hij ter dood worden gebracht.

Art. 8 Als iemand runderen, schapen, ezels, varkens of geiten steelt die aan een god of gerechtshof toebehoren, dan zal de dief het dertigvoudige van de waarde van de gestolen dieren betalen. Als het gestolen dier toebehoorde aan een bevrijde slaaf, betaalt de dief het tienvoudige.

Art. 196 Als een man een oog van een andere man uitsteekt, dan zal zijn eigen oog ook worden uitgestoken.

Art. 229 Als een huis door slechte constructie instort en de eigenaar wordt daardoor gedood, dan zal de bouwer van het huis ter dood worden gebracht.

Art. 236 Als een man zijn boot verhuurt aan een zeeman en deze zeeman is onzorgvuldig waardoor er schipbreuk ontstaat, zal de zeeman de eigenaar ter compensatie een nieuw schip geven.

De wetten van Hammoerabi staan in spijkerschrift gegraveerd op een hoge zuil. Op de afbeelding het onderste stuk. Bovenaan zie je hoe Hammoerabi (links) de wetten ontvangt van een god. 1

10 Uit de wetsartikelen blijkt dat Babylonië in de tijd van koning Hammoerabi een stedelijke beschaving was. Toon dit aan door: a twee kenmerken van een stedelijke beschaving te noemen. R b uit te leggen welke artikelen uit het wetboek bij die twee kenmerken passen. T 2

11 v B 5

Een geschiedwetenschapper doet onderzoek naar Babylonische waarden en normen in de tijd van Hammoerabi. Zij concludeert dat de wetsartikelen bruikbare informatie bevatten voor haar onderzoek. Ondersteun deze conclusie met informatie uit de bron. T 2

Titel

DOnderwerpen voor het schoolexamen Thema’s

D 1 Het slavernijverleden

1 Een wereld vol slaven

v Doel Je kunt uitleggen op welke manieren mensen wereldwijd in slavernij gebracht werden.

v Verwerken en oriënteren

1 Noem het verschil tussen ‘moderne slavernij’ en de slavernij die vóór 1800 vrijwel overal ter wereld voorkwam. R

2 Noem vier manieren waarop mensen slaaf konden worden. R

3 v C3 — De eerste stedelijke beschavingen Slavernij past veel beter bij ‘stedelijke beschavingen’ dan bij ‘jager-verzamelaars’ of ‘de eerste landbouwers’. Leg uit waarom. T 2

4 Leerboek, afbeelding 1 v C6 — Het Romeinse wereldrijk Leg uit hoe de tekenaar laat zien dat de Romeinen heersten over een wereldrijk. T 2

5 Noem drie oorzaken van het verdwijnen van slavernij uit West-Europa in de loop van de Middeleeuwen. R

6 Bewijst het bestaan van galeislaven dat het verbod op slavernij in West-Europa genegeerd werd? Leg je antwoord uit. T 2

7 Zoek bij elk van de volgende zinnen de uitdrukking uit de rubriek ‘Taal’ in het leerboek die er het best bij past. T 1

a De onderdanen van de vorst waren eigenlijk wel verplicht om zijn beleid te accepteren.

b De regering probeerde doelbewust de verkeersonveiligheid in te perken.

c Er is altijd wel iemand te vinden die onwaarheden over een ander wil vertellen.

d Vroeger mochten de inwoners hun godsdienst vrij uitoefenen, maar voortaan niet meer.

e We hadden alle mogelijkheden om ons geld te besteden zoals we wilden.

f Ze konden niets doen, want ze hadden geen geld of bezittingen waarmee ze iets konden bereiken.

v Toepassen

v Lees ‘Slaaf of tot slaaf gemaakte?’

8 a Beschrijf waarom veel mensen liever ‘tot slaaf gemaakte’ zeggen dan ‘slaaf’. T 1

b Welk argument is er om het woord ‘slaaf’ te gebruiken? T 1

9 v B4

Gebruik uit B4 ‘anachronistisch oordelen’ (leerboek, p. 42). Leg uit hoe dit hier van toepassing is. T 2

Taal

Slaaf of tot slaaf gemaakte?

Veel mensen gebruiken het woord ‘slaaf’ niet. Ze zeggen liever ‘tot slaaf gemaakte’. Zo benadrukken ze dat niemand ooit echt slaaf wás. Iemand was alleen slaaf omdat een ander dat zo over diegene beslist had. De slavenhouder maakte andere mensen tot slaaf die het eigenlijk niet waren. Als je zo redeneert, neem je het heden als maatstaf. Wij vinden tegenwoordig dat niemand echt slaaf kan zijn, want alle mensen zijn gelijk. Maar datzelfde geldt voor veel groepen in het verleden. Zo vinden wij het onjuist dat edelen vroeger allerlei rechten hadden die anderen niet hadden. Er waren — volgens ons — dus eigenlijk geen edelen, maar alleen ‘tot edelen gemaakten’. Hetzelfde geldt voor horige boeren: zij waren eigenlijk ‘tot horigen gemaakt’.

Of de soldaten in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog: zij waren allerlei soorten mensen die als dienstplichtigen opgeroepen werden. Zij waren (letterlijk) ‘soldaatgemaakten’.

We kunnen het verleden niet veranderen door woorden te gebruiken waaruit blijkt dat wij het er niet mee eens zijn. Voor het woord ‘slaaf’ geldt dat ook. Eeuwenlang zijn er overal ter wereld slaven geweest. Wij vinden dat niet normaal, maar al die samenlevingen vroeger dachten daar anders over. We kunnen niet voortdurend oordelen over het verleden alsof dat één grote fout was. Je moet bij geschiedenis liever niet oordelen, maar vooral proberen te begrijpen.

v Lees ‘Slavernij bij Grieken, Germanen en Chinezen’ op p. 88.

10 Gebruik bron 1

Geef een verklaring voor de manier waarop de Atheners afrekenden met de mannen, vrouwen en kinderen van Melos. T 2

11 Gebruik bron 2 / v B4, B5

a Tacitus vermengt feiten met meningen bij zijn beschrijving van Germaanse gewoonten. Geef van elk van de twee een voorbeeld. T 1

b Is de vermenging van feiten en meningen een argument vóór of tegen de betrouwbaarheid van deze bron als het gaat om Germaanse slavernij? T 1

c Uit de bron zijn conclusies te trekken over botsende waarden van Romeinen en Germanen. Leg dat uit. T 2

12 Gebruik bron 3 / v B5

a Leg uit waarom Han Yuanding zijn slavin moest verkopen. T 2

b Bedenk waarom er getuigen aanwezig zijn bij het sluiten van het contract. I

c Pas de criteria voor het beoordelen van de betrouwbaarheid van bronnen toe en leg uit waarom dit contract een betrouwbare bron is voor het bestaan van slavernij in China in de tijd van de Tang-dynastie. T 2

13 Gebruik afbeelding 1 en Bron 3

Wat kun je op basis van de afbeelding en de bron concluderen? Kies het antwoord en leg je keuze uit. T 2

a Op de afbeelding komen geen slaven voor, want anders zou je dat wel kunnen zien.

b Op de afbeelding komen misschien slaven voor, maar zeker is dat niet.

c Op de afbeelding komen slaven voor, want het gaat over zijdeproductie.

eHistorische contexten

Onderwerpen voor het Centraal Examen

1 Steden en burgers in de Lage Landen

1 Een middeleeuwse metropoolregio

v Doel Je kunt beschrijven hoe middeleeuwse stadsburgers in de Lage Landen een belangrijke sociale en economische groep werden.

v Verwerken en oriënteren

1 Gebruik het schema hiernaast / v B3

a Zet op de juiste plaats in het schema: T 1

1 veiligheid

2 betere ploeg

3 hogere landbouwopbrengsten

4 bevolkingsgroei

5 vorst krijgt meer controle

6 ontginningen

b Laat het schema directe of indirecte oorzaken zien van de opkomst van steden?

Leg je antwoord uit. T 2

2 v B3

v C13 — Opkomst van handel en ambacht

Leg uit dat de opkomst van handel een oorzaak was van wat je ziet op afbeelding 13 bij C13 in het leerboek. T 2

3 Leerboek, afbeelding 1

a In Zuid-Spanje lagen drie steden met meer dan 50 000 inwoners. Leg uit waarom dat gebied toch niet gemarkeerd is zoals

Vlaanderen en Noord-Italië. T 2

b Leg met behulp van de kaart uit wat de functie was van de jaarmarkten in MiddenFrankrijk. T 2

Toenemende handel

4 Beschrijf hoe Brugge Atrecht ging verdringen in de handel tussen Noord- en Zuid-Europa. T 1

5 Beschrijf welke problemen werden opgelost door de wisselbrief en de beurshandel. T 1

6 v C14 — Steden met stadsrecht

v C17 — Het begin van staten

Zet de volgende dingen in de juiste volgorde. T 1

a De vorst krijgt meer belastinginkomsten.

b De vorst kan lastige edelen beter controleren.

c De vorst verleent stadsrechten.

d De vorst kan meer ambtenaren en militairen in dienst nemen.

e Er ontstaat een staat die door een vorst wordt geleid.

7 v C14 — Steden met stadsrecht

Kies twee begrippen die je vindt passen bij afbeelding 14 bij C14 in het leerboek. Leg je antwoord uit. I

a patriciërs b bonum commune c handelsbeurs d derde stand

8 Beschrijf hoe de geschiedenis van pestepidemieën en hongersnood laat zien dat Vlaanderen een sterke stedelijke regio was. T 1

9 Beschrijf de feitelijke en symbolische betekenis van de Guldensporenslag. T 1

v Taal

10 Zoek bij de volgende woorden een bijpassende uitdrukking uit de rubriek ‘Taal’ in het leerboek. T 1

a beheersen b weerstand bieden c de basis vormen d ontginnen e dienen als

v Toepassen

v Lees ‘De burgers van Gent en hun graaf’ op p. 264.

11 Gebruik bron 1

a Bedenk waarom rijke burgers van Gent huizen lieten bouwen van Doornikse kalksteen. I

b Bedenk waarom de graaf te midden van de burgerhuizen een burcht liet bouwen. I

12 Gebruik bron 1 / v B5

Levert de geschiedenis van het Gravensteen voldoende bewijs voor het bestaan van een machtsstrijd tussen Vlaamse stadsburgers en de graaf van Vlaanderen? Leg je antwoord uit. T 2

13 Gebruik bron 2 / v B3

a Bedenk waarom het handelsverbod van de Engelse koning voor de Gentenaren aanleiding was om tegen hun graaf in opstand te komen. I

b Bedenk een indirecte oorzaak van hun opstand tegen de graaf. I

14 Gebruik bron 2 / v B5, B6

Kies een interpretatie die je met bron 2 kunt onderbouwen. Leg je antwoord uit. T 2

a De rol van de graaf van Vlaanderen was omstreeks 1340 uitgespeeld.

b De opstandige Vlaamse steden wilden meer zelfbestuur en inspraak.

c De Vlaamse opstandige steden hadden economische macht, geen politieke macht.

15 Gebruik bron 1 / v A2, C36

Bedenk waarom het standbeeld van Van Artevelde juist in de negentiende eeuw in Gent geplaatst werd. I

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Inkijkexemplaar FORUM Geschiedenis Opdrachtenboek VWO 4-6 ed2 by Boom beroepsonderwijs - Issuu