Skip to main content

Inkijkexemplaar Docentenhandleiding Leefstijl vo leerjaar 3/4 en mbo

Page 1


Boom beroepsonderwijs

info@boomberoepsonderwijs.nl www.boomberoepsonderwijs.nl

Auteurs: Heinnie Kieft en Edmée Warneke

Vormgeving: Coco Hoeksema, YUNOCOCO, Utrecht

Titel: Docentenhandleiding Leefstijl VO deel 3

ISBN: 978 903 72 4458 8

© Boom beroepsonderwijs

Behoudens de in of krachtens de Auteurswet gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vormofopenigewijze,hetzijelektronisch,mechanisch,doorfotokopieën,opnamenofenigeanderemanier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Voor zover het maken van reprografische verveelvoudigingen uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16h Auteurswet dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (www.reprorecht.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in compilatiewerken op grond van artikel 16 Auteurswet kan men zich wenden tot de Stichting PRO (www.stichting-pro.nl).Deuitgeverheefternaargestreefddeauteursrechtenteregelenvolgensdewettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden. Door het gebruik van deze uitgave verklaart u kennis te hebben genomen van en akkoord te gaan met de specifieke productvoorwaarden en algemene voorwaarden van Boom beroepsonderwijs, te vinden op www.boomberoepsonderwijs.nl.

INHOUDSOPGAVE

Module

Module

Module 8 De toekomst, dat ben jij

MODULE 1

ORIËNTATIE EN INTEGRATIE

Algemene intro

Leefstijl start in de bovenbouw met een module waarin uitgebreid stilgestaan wordt bij oriënteren en integreren. De opbouw is zoals bij Leefstijl te doen gebruikelijk: van laagdrempelige activerende opdrachten naar meer verdieping in de kennismaking. De module besteedt aandacht aan groepsvorming, groepsdynamiek en waardeverkenning om de start van het schooljaar effectief te laten verlopen.

Het is belangrijk om met module 1 te starten, omdat daardoor het groepsdynamische proces gerespecteerd wordt. Met module 1 kan een goede start gemaakt worden met een veilig en uitdagend leerklimaat.

Module 1 bestaat uit vier blokken met ieder vijf activiteiten.

Blokken

1. Goed van start

2. Jezelf laten kennen

3. Groepsdynamica

4. Van waarde.

MODULE 1

Vaardigheden

Blok 1 Goed van start

• Zelfkennis

• Zelfreflectie

• Omgevingsbewustzijn

• Jezelf presenteren

• Verantwoordelijkheid nemen

• Rekening houden met anderen

• Jezelf en anderen serieus nemen.

Blok 2 Jezelf laten kennen

• Zelfkennis

• Zelfreflectie

• Inzicht in persoonlijke eigenschappen

• Jezelf presenteren, online en offline

• Inzicht in beeldvorming

• Omgevingsbewustzijn

• Gezinshistorisch besef

• Omgaan met openheid en privacy

• Vertrouwen opbouwen.

Blok 3 Groepsdynamica

• Betrokkenheid tonen

• Een bijdrage leveren in een groep

• (Eigen) gedrag analyseren

• Omgevingsbewustzijn

• Doelen stellen

• Aanpassingsvermogen

• Herkennen van gedragscodes in verschillende sociale situaties

• Rolwisseling

• Autonomie

• Weerstand bieden tegen negatieve groepsdruk

• Verantwoordelijkheid nemen.

Blok 4 Van Waarde

• Zelfreflectie

• Zelfkennis

• Verantwoordelijkheid nemen

• Omgevingsbewustzijn

• Inlevend vermogen

• Respect hebben voor jezelf en anderen

• Elkaar in waarde laten

• Tolerantie.

MODULE 1

Belangrijk voor de docent

Blok 1 Goed van start

In het begin van een nieuw schooljaar is het wellicht verleidelijk om kennismaking voor lief te nemen in een klas waar de meeste leerlingen elkaar al kennen. Voor een groepsproces is het echter van belang dat iedereen de tijd en ruimte gegund krijgt om een goede start te maken. Er kunnen veranderingen hebben plaatsgevonden, er zijn ontwikkelingen geweest en iedereen is weer een stap verder in zijn leven. Zelfs als een klas helemaal hetzelfde is gebleven, is het prettig een soort 'incheck-periode' te hebben waarin je de gelegenheid krijgt om je plek in de groep te vinden en je te heroriënteren in het geheel. De oriëntatie en integratie komt het best tot zijn recht als deze zorgvuldig opgebouwd wordt qua risiconiveau van de opdrachten.

De leerlingen hebben bij Leefstijl het recht van passen. Dit wordt uitgebreid toegelicht in de Algemene Inleiding van deze handleiding.

Blok 2 Jezelf laten kennen

In het proces van oriëntatie en integratie gaat het om het leren kennen van anderen en om jezelf laten kennen door anderen. Hoe presenteer jij jezelf aan de mensen om je heen? Wat laat je daarbij wel en niet van jezelf zien? Er zijn daarbij grote verschillen tussen mensen. Denk bijvoorbeeld aan het verschil tussen extraverte of introverte persoonlijkheden. Extraverte mensen zijn naar buiten gericht en zijn van nature geneigd tot openheid, ook over persoonlijke aangelegenheden. Introverte mensen daarentegen zijn eerder geneigd om zaken voor zichzelf te houden, zeker als het gaat om gevoelens. Ook zijn er mensen die makkelijk praten en op de voorgrond treden, zonder echter persoonlijk te worden. Het gaat er niet om wat beter is. Maar enige persoonlijke informatie delen, doet iets met het onderlinge contact. Het is daarmee een middel in het proces van oriëntatie en integratie.

Om dit middel goed in te kunnen zetten, hebben jongeren zelfkennis en omgevingsbewustzijn nodig. Ze leren om vooraf na te denken, welke informatie over jezelf je in een bepaalde situatie juist wel of beter niet deelt. Of welke mediakanalen je daarvoor mogelijk inzet. Het draait steeds om het vinden van de balans tussen het bieden van openheid en het bewaken van privacy.

Blok 3 Groepsdynamica

Leerlingen in de bovenbouw maken ook op school onderdeel uit van verschillende groepen. De mentorklas kan eenanderesamenstellinghebben,dandesamenstellingvandeklassenbijdeprofielvakken.Degroepsdynamiek zal in elke klas weer anders zijn. Zo ook hun rol in het geheel. Dat kan voor jongeren best verwarrend zijn, in een fase waarin hun identiteitsontwikkeling op volle toeren draait. Zeker wanneer de sociale rollen die zij buiten school vervullen, weer andere taken en verantwoordelijkheden met zich mee brengen. Of wanneer hun rollen in de offline- en onlinewereld sterk van elkaar verschillen.

Voor jongeren in deze leeftijd is bovendien de peergroup erg belangrijk: 'een groep van met elkaar bekende leeftijdgenoten die gemeenschappelijke gedragscodes hebben en die voor elkaar de basis van sociale vergelijking vormen,waaraanoordelenoverslagenoffalenwordenontleend'.Dedefinitiezelfmaakthetbelangheelduidelijk. Jongeren leven voortdurend in het spanningsveld van erbij willen horen en uniek mogen zijn.

MODULE 1

Ukuntleerlingenhierbijondersteunendoorheninzichtteverschaffeninverschillendedynamiekendieingroepen spelen.Doorzeomgevingsbewusttemaken,hunaanpassingsvermogenenvermogentotrolwisselingtevergroten en hen helpen weerstand te bieden tegen negatieve groepsdruk. Zo krijgen zij vat op groepsdynamiek, in plaats van eraan te zijn overgeleverd. Dat past bij hun leeftijd en is zeker ook belangrijk voor mbo-studenten die zelf met groepen gaan werken.

Lees ter voorbereiding op dit blok nog eens hoofdstuk 4.2 Groepsvorming uit de Algemene Inleiding.

Blok 4 Van waarde

Opgroeiende jongeren die richting volwassenheid gaan, krijgen steeds meer besef van wie ze zijn en wie ze willen zijn. Hun waarden worden daarbij steeds meer richtinggevend.

Waarden worden doorgaans gekoppeld aan personen of groepen. De groepen kunnen heel divers zijn: gezin, familie,subcultuur,geloof,vriendengroep,sportclub,maatschappijoflandbijvoorbeeld.Waardenzijnbelangrijke idealen die nagestreefd worden en overtuigingen die het gedrag bepalen van een persoon of groep. Normen zijn de gedragsregels en handelingen die voortvloeien uit waarden. Normen zijn praktisch toepasbaar en vaak meetbaar.

Er kunnen verschillen zijn in normen en waarden tussen groepen. Sterker nog: dit komt veel voor. Diversiteit is een feit. Dit hoeft niet altijd voor problemen te zorgen. In de politiek bijvoorbeeld, zijn er niet voor niets verschillende partijen die de belangen behartigen van mensen die dezelfde waarden nastreven.

Als normen en waarden wel botsen, is het zaak om het begrip tolerantie veel aandacht te geven. In plaats van de verschillen als belemmering te zien, komen we tot een inclusief geheel van groepen binnen het grotere geheel. In module 7 en 8 zal hier meer aandacht voor zijn.

BLOK 1 GOED VAN START

BLOKOVERZICHT

Inleiding

Het schooljaar gaat weer van start. Voor veel leerlingen betekent dit een weerzien met elkaar na een zomervakantie. Misschien zijn er wat wijzigingen in de klassensamenstelling, of zijn er zelfs nieuwe leerlingen of docenten. Waarschijnlijk zullen de meeste leerlingen elkaar reeds kennen. Leefstijl staat een goede introductie en oriëntatie voor. Iedereen wordt de gelegenheid geboden om weer aan elkaar en aan school te wennen. In blok 1 gebeurt dit op een laagdrempelige manier. In blok 2 betreft het een verdiepende kennismaking.

De opdrachten in blok 1 zijn overwegend plenair en activerend van aard. De leerlingen krijgen daardoor snel in beeld met wie ze in de klas zitten. Het groepsdynamische proces wordt hiermee in gang gezet. In blok 3 van deze module komt dit onderwerp uitgebreid terug.

Doelen

De leerlingen:

• kennen het belang van een goede introductie met elkaar

• zijn in staat om op een laagdrempelige manier met elkaar in contact te komen

• zijn samen verantwoordelijk voor een goede start van het schooljaar

• weten welke gedragsverwachtingen bijdragen aan een goede sfeer in de klas.

Activiteiten

1. Bingo !

De leerlingen ontdekken spelenderwijs bij wie ze allemaal in de klas zitten.

2. Ik sluit aan

De leerlingen doen een plenaire opdracht waarbij ze nader kennismaken met elkaar.

3. Groepsvorming

De leerlingen gaan met elkaar in gesprek om na te denken over een goede sfeer in de klas.

4. UBAA

De leerlingen doen stapsgewijs deelopdrachten waarbij ze in groepen nadenken over goede afspraken in de klas.

5. De vraag van vandaag

De leerlingen bedenken een vraag die tot reflectie kan leiden.

MODULE 1 ORIËNTATIE EN INTEGRATIE

1. BINGO !

Tijd: 15 minuten

De leerlingen ontdekken spelenderwijs bij wie ze allemaal in de klas zitten.

Materiaal:

• kopieerblad 1: Bingokaart

• pennen.

Toelichting:

In het begin van een schooljaar is het belangrijk dat leerlingen de gelegenheid krijgen om weer aan elkaar te wennen. Deze opdracht biedt de mogelijkheid om snel een indruk te krijgen van de groep als geheel. Bij wie zit ik in de klas? Met wie heb ik hier te maken? Wie ken ik al goed? Wie ga ik beter leren kennen? Welke nieuwe leerlingen zijn er?

Activiteit

Jullie krijgen dadelijk een A4 van mij met allemaal uitspraken. Je zou het als een bingokaart kunnen zien. Op de A4 zie je verschillende vakken met daarin de uitspraken. Op mijn teken gaan jullie met je bingokaart de klas door. Zoek bij iedere uitspraak een klasgenoot die aan de uitspraak voldoet. Om dit zeker te weten maak je contact met de desbetreffende klasgenoot. Check of de klasgenoot en de uitspraak met elkaar overeenkomen. Laat vervolgens je medeleerling zijn naam noteren in het passende vak op je bingokaart. Zoek op die manier zo veel mogelijk verschillende klasgenoten op en verzamel hun namen. Als het goed is, staat in ieder vak een andere naam. Jouw naam komt niet voor op je eigen kaart. Je mag alleen namen van anderen op je kaart zetten.

Reflectie

• Wat ben je te weten gekomen over je klasgenoten?

• Welke uitspraak vond je interessant?

• Hoe is het om op deze manier contact te maken met elkaar?

• Welke uitspraak zou leuk geweest zijn op de bingokaart?

• Hoe draagt deze opdracht bij aan groepsvorming?

Transfer

Hoe wordt er op andere plekken in je leven aandacht besteed aan introductie? Als het voetbalseizoen of ander sportseizoen start: is er aandacht voor het opstarten? Hoe dan?

BLOK 1 GOED VAN START

KOPIEERBLAD 1: BINGOKAART

MODULE 1 ORIËNTATIE EN INTEGRATIE

2. IK SLUIT AAN

Tijd: 15 minuten

De leerlingen doen een plenaire opdracht waarbij ze nader kennismaken met elkaar.

Materiaal: geen.

Toelichting:

De activiteit nodigt leerlingen uit om informatie over zichzelf te delen. Door deze oefening krijgen leerlingen meer zicht op de onderlinge verschillen en overeenkomsten in de klas. De opdracht komt het best tot zijn recht als er een opbouw in risiconiveau in zit. In dit geval betekent het dat er eerst een ronde met zichtbare kenmerken gedaan wordt of laagdrempelige kenmerken, vervolgens de onzichtbare kenmerken en meningen.

Activiteit

We gaan met de klas een levend domino doen. Dit doen we in twee rondes. Ik begin dadelijk met twee kenmerken van mezelf. Bijvoorbeeld links heb ik blauwe ogen, rechts heb ik een huisdier. Ik strek bij het zeggen van deze zinnen respectievelijk mijn linkerbeen, dan mijn rechterbeen. Iemand anders mag dan aansluiten. Dat kun je doen als je minstens één kenmerk hebt, dat ik genoemd heb. Je sluit aan bij dat kenmerk, door bij de juiste kant te gaan staan. De andere kant vul je aan met een nieuw kenmerk. Het gaat in de eerste ronde om uiterlijke kenmerken of andere kenmerken die niet heel persoonlijk zijn.

Als iedereen uiteindelijk aansluiting heeft kunnen vinden, staan we met de hele klas verbonden met elkaar. Daarna gaan we de tweede ronde doen.

Ronde 1

Zichtbarekenmerkenoflaagdrempeligekenmerken:haarkleur,lievelingseten,favorietemuziek,kleurvankleren, spijkerbroek, bril, voorkeur voor chips.

Ronde 2

Onzichtbare kenmerken en meningen: ik vind school leuk, ik vind het belangrijk dat we in vrijheid leven, ik houd van kunst, ik erger me aan mensen die appen in het verkeer, ik vind sociale media erg belangrijk, ik ben behulpzaam, ik ben weleens eigenwijs.

U kunt de tweede ronde starten zoals u de eerste ronde gedaan hebt. Alleen nu zijn de kenmerken onzichtbaar of meer persoonlijk. Dat kan ook meningen betreffen.

Mogelijk ondersteunt u deze ronde door een aanvulzin aan te bieden: links = ik houd van...of ik word blij van..., rechts = ik vind...of ik denk dat...

BLOK 1 GOED VAN START

Ukuntdezeopdrachtineenvlottempolatenverlopendooraantemoedigendaarwaarnodigofandereleerlingen uit te nodigen om aan te haken. Zorg dat de domino door kan lopen door iemand een ander kenmerk te laten noemen als de doorloop gaat haperen.

Reflectie

• Wat vind je van deze oefening?

• Welk verschil merk je met de eerste opdracht?

• Hoe is het om meer persoonlijke informatie over jezelf te delen met anderen?

• Hoe deel je doorgaans informatie over jezelf? Welke mediakanalen gebruik je daarbij?

Transfer

Let de komende tijd eens op hoe en met wie je iets deelt over jezelf. Wat zijn laagdrempelige onderwerpen voor jou? Wanneer deel je meer persoonlijke informatie over jezelf?

MODULE 1 ORIËNTATIE EN INTEGRATIE

3. GROEPSVORMING

Tijd: 15 minuten

De leerlingen gaan met elkaar in gesprek om na te denken over een goede sfeer in de klas.

Materiaal: geen.

Toelichting:

De opdracht is gericht op in contact komen met verschillende leerlingen. Door in een vroeg stadium vaak te rouleren in een groep, stimuleer je tolerantie. Iedereen raakt er gewend aan om steeds met iemand anders te werken. Het onderwerp van gesprek is in deze activiteit groepsvorming. Wat is er nodig om in een klas een prettige sfeer te krijgen? Hoe kan iedereen daaraan bijdragen? Het is belangrijk dat iedereen zich hiervoor verantwoordelijk voelt.

Activiteit

Wegaanmetdeklasnadenkenovergroepsvorming.Wegaanditdoendoorkortegespreksrondentehouden.

Maak een tweetal met iemand uit de klas. Ga bij iemand staan die je vandaag nog niet of nauwelijks hebt gesproken. Dat is je eerste duo. We gaan in totaal vier rondes doen met steeds een andere partner.

De structuur van de opdracht staat hieronder beschreven.

Er zijn in totaal vier rondes. De leerlingen kiezen per ronde een nieuwe gesprekspartner. Ze kiezen steeds iemand uit met wie ze deze dag nog weinig contact gehad hebben.

Iedere ronde duurt ongeveer twee minuten. Een minuut per persoon. Om de beurt geeft de leerling antwoord op de vraag. De ander luistert en stelt één of twee vragen tussendoor. U zorgt voor een goede tijdbewaking. Bij een oneven aantal kunt u zelf meedoen.

U geeft per ronde aan wie mag beginnen. Dit gebeurt steeds op basis van willekeur. Voorbeelden: degene die gisteravond het vroegst naar bed is gegaan, degene met het hoogste huisnummer, degene die het meest recent jarig was, degene die het verst van school woont, degene die het kortste haar heeft, degene die de meeste huisdieren heeft, degene die het verst weg op vakantie is geweest.

Ronde 1: Beschrijf de sfeer in een klas waar iedereen zich prettig voelt.

Ronde 2: Wat kunnen leerlingen zelf doen om de sfeer in een klas goed te houden?

Ronde 3: Welke rol heeft een docent om de sfeer in de klas prettig te houden?

Ronde 4: Welk onderwerp zou je graag in de Leefstijlles aan bod zien komen?

BLOK 1 GOED VAN START

Na alle vier rondes kunt u de onderwerpen van ronde 4 inventariseren. Welke onderwerpen vinden leerlingen belangrijk? U kunt deze onderwerpen laten terugkomen bij de lessen van de modules. U kunt desgewenst een lijst maken van de onderwerpen, zodat u er op terug kunt komen.

Reflectie

• Waarom is het belangrijk verschillende klasgenoten te spreken over de sfeer in de klas?

• Welk effect zou het hebben als je dit alleen met je eigen vrienden zou doen?

• Welke rol heeft een docent in het goed tot stand brengen van de groepssfeer?

• Wat is het voordeel als je zelf verantwoordelijk bent voor de sfeer in de klas?

• Welke onderwerpen die je graag zou terugzien in een Leefstijlles zijn nog niet genoemd?

Transfer

Denk de komende tijd na over hoe jij actief kunt bijdragen aan een prettige en werkbare sfeer op school. Wat kun je doen? Hoe laat je dat merken?

MODULE 1 ORIËNTATIE EN INTEGRATIE

4. UBAA

Tijd: 25 minuten

De leerlingen doen stapsgewijs deelopdrachten waarbij ze in groepen nadenken over goede afspraken in de klas.

Materiaal:

• kopieerblad 1: UBAA

• papier en pennen

• flip-over papier of poster.

Toelichting:

De opdrachten van dit blok zijn gericht op een heldere communicatie over concrete gedragsverwachtingen. Om groepsvormingverderuittebouwenhebjegoedeafsprakennodigwaarindezeverwachtingentotuitingkomen. We gebruiken hiervoor een communicatietraject: UBAA. U staat voor uitspreken. B staat voor bespreken. A staat voor afspreken. De laatste A staat voor aanspreken.

Uitspreken is informeel van aard en vindt vaak in de wandelgangen plaats. Bij uitspreken toets je vaak je mening aan die van anderen. Je polst als het ware hoe er over iets gedacht wordt. De setting waarin onderwerpen uitgesproken worden kan variëren. In dit kader gebruiken we de opdracht Sta op als...

Bespreken is formeler van karakter. Onderwerpen worden in groepen of tijdens vergaderingen besproken. Dit is meer georganiseerd van aard en zal vaak ook tot vervolgstappen leiden. Nadat iets is besproken verwacht men doorgaans actie. In dit kader gaat de klas in groepen mogelijke afspraken bespreken.

Afspreken is nodig om kaders helder te krijgen. Wat kan wel en wat kan niet? Grenzen worden vastgesteld en verwachtingen worden helder. In het kader van Leefstijl betekent het dat afspraken in plustaal worden geformuleerd,zodatiedereenweetwelkgedraggewenstis.Plustaalwordtuitgebreidtoegelichtindealgemene inleiding van de handleiding. De afspraken zullen geïnventariseerd worden en samengevat in vijf geldende afspraken.

Aanspreken is nodig om de afspraken goed te onderhouden en te monitoren. Aanspreken kan positief zijn. Je spreekt elkaar aan om elkaar te stimuleren of aan te moedigen, een compliment of een constructieve tip te geven. Vaak spreken we elkaar alleen aan als het niet goed gaat met een afspraak. Het is dan evengoed belangrijk dat er altijd een constructieve tip gegeven wordt.

BLOK 1 GOED VAN START

Activiteit

Uitspreken

We gaan samen een activiteit doen waarbij ik begin met steeds een uitspraak te doen. Als je het eens bent met de uitspraak, ga je staan. Als je het er niet mee eens bent of je hebt er geen mening over, blijf je zitten. Als je twijfelt of je bent het deels met de uitspraak eens ga je half staan. Je buigt dan door je knieën. De uitspraken gaan over de klas, de sfeer in de klas en omgaan met elkaar. Na een aantal uitspraken zal ik jullie uitnodigen om uitspraken te bedenken. De oefening staat ook wel bekend als Sta op als...

U start de oefening met onderstaande zinnen. Daarna nodigt u leerlingen uit om het van u over te nemen. De leerlingen bedenken dan zelf zinnen die te maken hebben met gedrag in de klas.

Sta op als...

• je het leuk vindt als er veel lol is in de klas

• je een hekel hebt aan ruzie

• je vindt dat ruzies uitgepraat moeten worden

• je vindt dat je met iedereen moet kunnen samenwerken

• je vindt dat onenigheid nu eenmaal wel eens voorkomt in een klas

• je elkaar in de waarde laten heel belangrijk vindt

• je vindt dat iedereen zelf moet weten wat hij deelt tijdens de Leefstijlles

• je vindt dat iedereen zijn mening mag uiten in de les

• je vindt dat 'passen mag' een goede afspraak is

• je vindt dat je onderlinge verschillen moet respecteren.

Reflectie

• Waarom is het belangrijk om samen naar gedrag in de klas te kijken?

• In hoeverre voel jij je verantwoordelijk voor de sfeer in de klas?

• Welke samenhang is er tussen leeftijd en type afspraken die je maakt met elkaar?

• Welk belang heb je erbij om inspraak te hebben over afspraken met elkaar?

Bespreken

De opdracht gaat verder door de klas in groepen te delen. U kunt daarvoor gebruikmaken van kopieerblad 1. Dit zijn verdeelkaarten met verschillende manieren om op school te komen. Iedereen komt op zijn eigen manier naar school.

Als u de klas in groepen heeft gedeeld, kunt u de opdracht vervolgen.

MODULE 1 ORIËNTATIE EN INTEGRATIE

Jullie gaan per groep een aantal gedragsafspraken bedenken die passend zijn voor deze klas. Daarna gaan we plenair kijken welke afspraakvoorstellen het meest genoemd worden. Dat worden dan onze afspraken voor dit jaar. We zullen op maximaal vijf afspraken uitkomen. Probeer in jullie voorstellen overkoepelend te denken. Dat voorkomt dat we over ieder detail een afspraak moeten maken. Let wel: de afspraken gaan over welk gedrag we wenselijk vinden. Het gaat niet over regels die al bestaan, zoals op tijd komen.

Mocht het nodig zijn het verschil tussen regels en afspraken uit te leggen, dan kan dat kort. Regels worden van bovenaf opgelegd en gelden doorgaans voor iedereen. Afspraken maak je met elkaar en kunnen per groep verschillen.

Afspreken

Als de groepen met elkaar hebben overlegd en notities hebben gemaakt, volgt een plenaire terugkoppeling. De vijf gedragsafspraken die uiteindelijk gekozen worden, komen op een flip-overpapier te staan. Alle afspraken worden in plustaal geformuleerd. Op die manier weet iedereen welk gewenst gedrag er verwacht wordt.

Aanspreken

Aan de hand van de reflectievragen kunt u stilstaan bij hoe de klas elkaar kan aanspreken over de afspraken. Sta vooral ook stil bij positief aanspreken.

Reflectie

• Hoe gaan we deze afspraken monitoren?

• Wat kunnen we doen om elkaar te stimuleren om de afspraken goed na te komen?

• Hoe kun je elkaar respectvol aanspreken als een afspraak niet goed lukt?

• Hoe laat je elkaar blijken dat je tevreden bent over hoe de afspraken gaan?

Transfer

Welke afspraken werken positief bij jullie thuis? Hoe monitoren jullie de gang van zaken omtrent afspraken bij jullie thuis?

BLOK 1 GOED VAN START

KOPIEERBLAD 1: UBAA

MODULE 1 ORIËNTATIE EN INTEGRATIE

5. DE VRAAG VAN VANDAAG

Tijd: 10 minuten

De leerlingen bedenken een vraag die tot reflectie kan leiden.

Materiaal:

• pennen en papier

• opbergdoos.

Toelichting:

De vraag van vandaag zijn vragen die leerlingen mogen stellen om bepaalde onderwerpen meer onder de aandachttebrengen.Devragenzijnbedoeldomeensindezoveeltijdtevoorschijntehalen.Hetkaneenverdieping geven in het onderlinge contact. Het kan leerlingen de gelegenheid bieden om onderwerpen die zij belangrijk vinden aan de orde te stellen. De onderwerpen zijn gericht op gedrag, in de klas en daarbuiten. De vragen zijn uitnodigend bedoeld om samen op gedrag te reflecteren.

Activiteit

Jullie krijgen van mij een strook papier. Op die strook schrijf je een vraag. Wat kunnen we doen aan..? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat..? Hoe kunnen we samen..? Wat kun je met elkaar doen om..? Je vult de zin aan met een onderwerp dat jij belangrijk vindt. Ik zal alle vragen verzamelen en samen gaan we op gezette tijden een vraag tevoorschijn halen en erover praten. Op die manier komen al jullie vragen aan bod en staan we stil bij wat jullie belangrijk vinden. Ik schrijf de hulpzinnen op het bord. Kies er eentje uit om mee te werken.

U geeft de leerlingen voldoende bedenktijd en verzamelt daarna alle vragen. U zorgt dat u de vragen op een veilige plek bewaart. Het kan raadzaam zijn om de vragen voor u zelf door te nemen om mogelijk overkoepelende thema's of brandende vragen te selecteren. U krijgt aan de hand van de vragen waarschijnlijk een goed beeld van wat de leerlingen bezighoudt.

Reflectie

• Op welk moment zullen we deze vragen tevoorschijn halen?

• Hoe kunnen vragen als deze bijdragen aan groepsvorming?

• Wanneer spreken we een nieuwe ronde af om de vragen mogelijk te verversen?

Transfer

Welke vraag zou jij graag thuis stellen? Je kunt denken aan een 'huiskamervraag van de week'. Op die manier open je mogelijk een mooi gesprek thuis.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Inkijkexemplaar Docentenhandleiding Leefstijl vo leerjaar 3/4 en mbo by Boom beroepsonderwijs - Issuu