FORUM Geschiedenis voorbeeldkatern Opdrachtenboek havo bovenbouw

Page 1


FO R U M OPDRACHTEN

AUTEURS

ARIE WILSCHUT

DICK VAN STRAATEN

MARCEL VAN RIESSEN

FO R U M GESCHIEDENIS

OPDRACHTENBOEK BOVENBOUW HAVO

TWEEDE, GEHEEL HERZIENE EDITIE

BOOM VOORTGEZET ONDERWIJS

© 2026 Boom | All rights reserved

No text & data mining. www.boom.nl

Eerste editie, 2019

Tweede, geheel herziene editie, 2026

Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets van deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opname of enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Voor zover het maken van reprografische verveelvoudigingen uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16h Auteurswet dient men de daarvoor wettelijke verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (www.reprorecht.nl).

Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in compilatiewerken op grond van artikel 16 Auteurswet kan men zich wenden tot de Stichting PRO (www.stichting-pro.nl).

All rights reserved. No part of this publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted, in any form or by any means, electronic, mechanical, recording or otherwise without prior written permission of the publisher.

verantwoording illustraties en tekstfragmenten

De uitgever heeft getracht alle rechthebbenden van de illustraties en bronteksten in deze publicatie te bereiken. Mocht u desondanks menen dat uw rechten niet zijn gehonoreerd, dan kunt u contact opnemen met de uitgever.

bureauredactie Pieter de Blok, Zwolle boekverzorging René van der Vooren, Amsterdam beeldinkoop Imago Mediabuilders, Amersfoort

isbn 978 94 6442 244 3

boom.nl / voortgezet-onderwijs

Inhoud

Hoe zit dit opdrachtenboek in elkaar ? 6

A Het gebruik van geschiedenis

Geschiedenis in de samenleving

1  Is geschiedenis belangrijk? 10

2 Geschiedenis en politiek 12

3 Geschiedenis als richtlijn voor goed en kwaad 14

4 Geschiedenis als praktische les 16

5 Geschiedenis als entertainment 18

D Thema's Onderwerpen voor het schoolexamen

1  Het slavernijverleden 80

2 Energietransities 104

3 De Eerste en de Derde Wereldoorlog 126

4 Monumenten en herdenken 148

5 Israëliërs en Palestijnen 164

6 Rechtsstaat en democratie 182

B Hoe geschiedenis in elkaar zit

Historisch denken en redeneren

1  Chronologie 22

2 Continuïteit en verandering 24

3 Oorzaken en gevolgen, toeval en onvoorspelbaarheid 26

4 Waarden en oordelen 28

5 Bronnen, vragen en feiten 30

6 Interpretaties 32

7 Taal 34

C Oriëntatiekennis

Kenmerkende aspecten van tien tijdvakken

1  Jagers & boeren 38

2 Grieken & Romeinen 40

3 Monniken & ridders 42

4 Steden & staten 44

5 Ontdekkers & hervormers 46

6 Regenten & vorsten 48

7 Pruiken & revoluties 50

8 Burgers & stoommachines 52

9 Wereldoorlogen & crisis 55

10 Televisie & computer 58

Examentraining 62

E Historische contexten Onderwerpen voor het Centraal Examen

1  Industrie en kolonialisme in het Britse Rijk 202

Examentraining 227

2 Democratie en dictatuur in Duitsland 232

Examentraining 248

3 Nederland van emigratieland tot immigratieland 254

Examentraining 274

Hoe zit dit opdrachtenboek in elkaar?

Dit opdrachtenboek heeft dezelfde vijf onderdelen als het leerboek. Per onderdeel zijn er verschillende soorten opdrachten. Hieronder zie je wat het doel van die opdrachten is.

A Het gebruik van geschiedenis

v Verwerken

Deze opdrachten helpen je de inhoud van deel A te verwerken. Dit is geen examenstof.

v Toepassen

Hier pas je de inzichten uit deel A toe op kleine, losse onderwerpen. De inhoud van die onderwerpen is niet bedoeld om te leren. Het zijn voorbeelden om ermee te oefenen. Het is geen examenstof.

B Hoe geschiedenis in elkaar zit

v Verwerken

Deze opdrachten helpen je met het begrijpen van de uitleg bij de onderdelen van historisch denken. Die zijn leerstof voor het centraal examen (CE).

v Toepassen

Hier pas je de onderdelen van historisch denken toe op kleine, losse onderwerpen. Het gaat niet om de inhoud van die onderwerpen. Ze zijn bedoeld om te oefenen met historische denkwijzen. Dat is een goede voorbereiding op het examen. Dat oefenen zit overigens ook de andere delen van dit boek.

C Oriëntatiekennis

Bij elk van de tien tijdvakken is er een rubriek ‘verwerken’ en een rubriek ‘toepassen’.

v Verwerken

Deze opdrachten helpen je de inhoud van de kenmerkende aspecten te begrijpen en herkennen. De eerste vier tijdvakken (C1 – C17) zitten niet in het centraal examen. In Forum worden ze wel behandeld. Zo heb je een compleet historisch overzicht. Als in een opdracht een vaardigheid van historisch denken wordt gebruikt, staat dat aangegeven met een verwijzing: v B1, v B2, etc. Je kunt de onderdelen van deel B uit dit boek daarbij dus gebruiken.

v Toepassen

Hier pas je de oriëntatiekennis toe op kleine, losse onderwerpen. Het gaat niet om de inhoud van die onderwerpen. Ze zijn bedoeld om te oefenen met oriëntatiekennis. Dat is een goede voorbereiding op het examen. Als in een opdracht een vaardigheid van historisch denken wordt gebruikt, staat dat aangegeven met een verwijzing: v B1, v B2, etc. Je kunt de onderdelen van deel B uit dit boek daarbij dus gebruiken.

Onderdeel C wordt afgesloten met een afdeling

Examentraining. Daarin staan 52 opgaven van precies dezelfde soort als de opgaven in het centraal examen. Tijdvak 1–4 komen hier niet voor, want die zitten niet in het centraal examen.

Bij de thema’s zijn de opdrachten geordend per paragraaf in het leerboek. Er zijn bij elke paragraaf drie soorten opdrachten:

v Verwerken en oriënteren

Deze opdrachten helpen je de inhoud van de tekst van een paragraaf te verwerken. Ook worden verbanden gelegd met kenmerkende aspecten van tijdvakken uit deel C van dit boek. Bij de opdrachten waarbij oriëntatiekennis van belang is, wordt dat aangegeven met een verwijzing, bijvoorbeeld v C23, v C42, etc. Als in een opdracht een vaardigheid van historisch denken wordt gebruikt, staat dat aangegeven met een verwijzing: v B1, v B2, etc. Je kunt de onderdelen van deel B uit dit boek daarbij dus gebruiken.

v Taal

Deze opdracht gaat over de rubriek ‘Taal’ in het leerboek onder elke paragraaf. Je leert hiermee te werken met Nederlandse taal die je misschien nog niet zo goed kent.

v Toepassen

Hier pas je de leerstof van een paragraaf toe op bronnen. Zo kun je oefenen met de leerstof. Dat is een goede voorbereiding op het schoolexamen. Als in een opdracht een vaardigheid van historisch denken wordt gebruikt, staat dat aangegeven met een verwijzing : v B1, v B2, etc. Je kunt de onderdelen van deel B uit dit boek daarbij dus gebruiken. Bij de opdrachten waarbij oriëntatiekennis van belang is, wordt dat aangegeven met een verwijzing, bijvoorbeeld v C23, v C42, etc.

E Historische contexten

Bij de historische zijn de opdrachten geordend per paragraaf in het leerboek. Er zijn bij elke paragraaf drie soorten opdrachten:

v Verwerken en oriënteren

Deze opdrachten helpen je de inhoud van de tekst van een paragraaf te verwerken. Ook worden verbanden gelegd met kenmerkende aspecten van tijdvakken uit deel C van dit boek. Bij de opdrachten waarbij oriëntatiekennis van belang is, wordt dat aangegeven met een verwijzing, bijvoorbeeld v C23, v C42, etc. Als in een opdracht een vaardigheid van historisch denken wordt gebruikt, staat dat aangegeven met een verwijzing: v B1, v B2, etc. Je kunt de onderdelen van deel B uit dit boek daarbij dus gebruiken.

v Taal

Deze opdracht gaat over de rubriek ‘Taal’ in het leerboek onder elke paragraaf. Je leert hiermee te werken met Nederlandse taal die je misschien nog niet zo goed kent.

v Toepassen

Hier pas je de leerstof van een paragraaf toe op bronnen. Zo kun je oefenen met de leerstof. Dat is een goede voorbereiding op het centraal examen. Als in een opdracht een vaardigheid van historisch denken wordt gebruikt, staat dat aangegeven met een verwijzing : v B1, v B2, etc. Je kunt de onderdelen van deel B uit dit boek daarbij dus gebruiken. Bij de opdrachten waarbij oriëntatiekennis van belang is, wordt dat aangegeven met een verwijzing, bijvoorbeeld v C23, v C42, etc.

Elke historische context wordt afgesloten met een afdeling Examentraining. Daarin staan opgaven van precies dezelfde soort als de opgaven in het centraal examen.

1 Is geschiedenis belangrijk?

A

Geschiedenis in de samenleving Het gebruik van geschiedenis

het gebruik van geschiedenis

1 Is geschiedenis belangrijk?

v Doel Je leert waarom geschiedenis belangrijk is.

v Verwerken

1 Leg met een voorbeeld uit waarom je geschiedenis nodig hebt om je op de toekomst voor te bereiden. R

2 Beschrijf hoe geschiedenis duidelijk maakt dat er een klimaatprobleem is. T 1

3 Hoe zou geschiedenis iets duidelijk kunnen maken over de toekomst van het klimaatprobleem? T 1

4 Iedereen die beslissingen neemt en plannen maakt voor de toekomst, gebruikt automatisch geschiedenis. Waarom heb je dan toch het schoolvak geschiedenis nodig? T 1

v Toepassen

v Lees ‘Robert McNamara en de Vietnamoorlog’.

5 Waarom dachten de Amerikanen — volgens McNamara — dat de Vietnamezen vrijheid en democratie zouden willen, en geen communisme? T 1

6 Voordat de Amerikanen in Vietnam kwamen, hadden de Vietnamezen hun Franse koloniale overheersers overwonnen en het land uit gejaagd. Wat hadden de Amerikanen kunnen leren van die geschiedenis? T 2

7 Foto’s zoals afbeelding 1 verschenen jarenlang in Amerikaanse media. Bedenk welke invloed dat had op het Amerikaanse publiek. I

Robert McNamara en de Vietnamoorlog

Robert McNamara (1916–2009) was van 1961 tot 1968 minister van Defensie van de Verenigde Staten. In die tijd vocht zijn land een grote oorlog uit in Vietnam. De Amerikanen dachten dat ze Vietnam tegen het communisme moesten beschermen. Dat leidde tot een jarenlange verwoestende oorlog die zo’n 60 000 Amerikaanse soldaten het leven kostte — en meer dan een miljoen Vietnamese burgers en soldaten. Het eindresultaat was een nederlaag van de Amerikanen. Vietnam kwam geheel in handen van de communisten. De nederlaag bezorgde de Amerikanen een groot trauma. Naderhand vroeg McNamara zich af hoe je dit drama kon verklaren. Hij schreef erover:

‘Wij keken naar het volk en de leiders van Vietnam vanuit het oogpunt van onze eigen ervaringen. Wij zagen bij hen een verlangen naar vrijheid en democratie, net zoals dat er bij onszelf was. We verkeken ons ook op de vastberadenheid van de Vietnamezen. Telkens weer gingen wij ervan uit dat we de schade die wij de communisten toebrachten konden opschroeven tot een niveau waarop hun leiders een afweging van kosten en baten zouden maken en zouden besluiten dat het moment was gekomen om de handdoek in de ring te werpen. Maar dit waren wel de mensen die zeven jaar hadden gevochten om de Fransen eruit te gooien. Onze onjuiste inschatting van zowel vriend als vijand was een afspiegeling van ons volstrekte gebrek aan kennis over de geschiedenis, de cultuur en de politiek van de mensen in dat gebied, en de persoonlijkheid en de gewoonten van hun leiders.’

Amerikaanse slachtoffers in Vietnam, na een veldslag met de Vietnamezen in 1966. Foto van Larry Burrows voor Time/Life.

Titel

BHistorisch denken en redeneren Hoe geschiedenis in elkaar zit

Chronologie 1

v Doel Je leert wat jaartellingen, perioden en tijdvakken zijn en hoe je ze gebruikt.

v Verwerken

1 Noem drie voorbeelden van beginpunten van jaartellingen. R

2 Op 1 januari viert de hele wereld nieuwjaarsdag. Zelfs in landen als Turkije en Indonesië, waar meer dan 90% van de bevolking moslim is, wordt deze dag gevierd. Maar in Saoedi-Arabië, Pakistan en Iran wordt 1 januari bijna niet of helemaal niet gevierd. Leg uit hoe je dit kunt verklaren. T 1

3 Waarom werd de Nieuwe Tijd onderverdeeld in de Vroegmoderne en de Moderne Tijd? R

4 Met welke gebeurtenis eindigt de Oudheid?

Kies het antwoord. R

a De geboorte van Jezus van Nazareth.

b De moord op Julius Caesar.

c De tocht van Mohammed van Mekka naar Medina.

d De val van het West-Romeinse Rijk.

5 Maak combinaties van tijdvakken en perioden. Noteer de cijfers met bijbehorende letters. T 1

1 Prehistorie

2 Oudheid

3 Middeleeuwen

4 Vroegmoderne Tijd

5 Moderne Tijd

a Pruiken en revoluties

b Burgers en stoommachines

c Jagers en boeren

d Grieken en Romeinen

e Steden en staten

6 Leerboek, afbeelding 1

De vijf perioden worden getypeerd met een afbeelding. Gebruik deel C van het leerboek en zoek daarin op welk kenmerkend aspect uit een bepaalde periode het best bij elk van de vijf afbeeldingen past. T 1

v Toepassen

v Lees ‘De Noord-Koreaanse Juche-kalender’.

7 Leg uit waarom het beginjaar van de NoordKoreaanse kalender goed te vergelijken is met het beginjaar van de christelijke kalender. Betrek afbeelding 1 in dit opdrachtenboek in je antwoord. T 2

8 In welk jaar leven wij nu volgens de Juchekalender? T 1

9 a Bedenk hoe de tijd vóór het begin van de Juche-jaartelling in Noord-Korea beoordeeld wordt. I

b Bedenk een naam voor die tijd die bij dit Noord-Koreaanse standpunt zou passen. I

10 Wat kan goed met het voorbeeld van de Juchekalender uitgelegd worden? Kies een van de twee uitspraken en leg je keuze uit. T 2

a De Noord-Koreaanse kalender is duidelijk propaganda; de christelijke jaartelling is objectiever.

b Chronologische indelingen staan nooit vast en zijn altijd tijd- en cultuurgebonden.

De Noord-Koreaanse Juche-kalender

In het communistische Noord-Korea wordt officieel de Juche-kalender gebruikt. Juche (‘zelfvoorzienendheid’) is een ideologie die de ‘Grote Leider’ van de arbeidersrevolutie vereert. Deze ‘Grote Leider’ waakt als een vader over het Noord-Koreaanse volk. De Juche-jaartelling begint in 1912, het geboortejaar van Kim Il-sung (r. 1945–1994), de stichter van de

Noord-Koreaanse communistische staat en daarmee de eerste ‘Grote Leider’. Op afbeelding 1 zie je Kim Il-sung, omringd door gelukkige Noord-Koreanen. Na de stichter Kim Il-sung zijn ook diens zoon en kleinzoon de dictators van Korea geweest: Kim Jong-il (r. 1994–2011) en Kim Jong-un (r. 2011–nu). De familie Kim is dus een soort dynastie van vorsten en heiligen in Noord-Korea geworden.

Kim Il-sung op een fresco in de Noord-Koreaanse hoofdstad Pyongyang.

COriëntatiekennis

Kenmerkende aspecten van tien tijdvakken

C 1 Jagers & boeren

v Doel Je kent drie kenmerken van het tijdvak jagers & boeren en kunt die gebruiken om gebeurtenissen en verschijnselen in hun historische context te plaatsen.

v Verwerken

1 Leerboek, afbeelding 1, 2 en 3 Leg voor elke afbeelding apart uit waarom die gebruikt wordt als illustratie van het bijbehorende kenmerkende aspect van tijdvak 1. T 2

2 Bedenk of de culturen van jager-verzamelaars ongeveer 10 000 jaar geleden geheel uit de wereld zijn verdwenen. Leg je antwoord uit. I

3 Bedenk waarom op veel grotschilderingen uit deze periode mammoeten, oerossen, herten en zwijnen staan. I

4 Noem een andere naam voor neolithische revolutie  R

5 Beschrijf welke gevolgen de neolithische revolutie voor de aarde heeft gehad. T 1

a stadstaten

b nomadisch bestaan

c veeteelt

d ontwikkelde architectuur

e Oude Steentijd

f vaste woonplaatsen

g akkerbouw

h schrift

i arbeidsspecialisatie

j drijfjacht

k godkoningen

6 Tussen het leven van een groep mensen die van de landbouw leeft en jager-verzamelaars bestaan grote verschillen. Noem er twee. R

7 Leg het verband uit tussen hogere landbouwopbrengsten en het ontstaan van stedelijke beschavingen. T 2

8 Gebruik het schema hieronder Neem het schema over. Geef met kruisjes aan wat hoort bij jager-verzamelaars, wat bij de eerste boeren en wat bij de eerste stedelijke beschavingen. Let op: sommige dingen passen in meerdere kolommen. T 1

v Toepassen

v Lees ‘De wetten van Hammoerabi’.

9 Uit de wetsartikelen blijkt dat Babylonië in de tijd van koning Hammoerabi een landbouwsamenleving was. Toon dit aan met een wetsartikel. T 2

jagerverzamelaars eerste landbouwers eerste stedelijke beschavingen

De wetten van Hammoerabi

Omstreeks 1750 v. C. maakte de Babylonische koning Hammoerabi (r. 1795 – ca. 1750 v. C.) een wetboek.

Het is het oudste bestaande wetboek ter wereld. Er staan 282 artikelen in. Dit zijn enkele voorbeelden:

Art. 5 Als een rechter een verwijtbare fout maakt in zijn vonnis, dan moet hij twaalf keer de boete betalen die hij heeft opgelegd, en hij zal in het openbaar van de stoel van de rechter worden verwijderd, en hij zal nooit meer rechtspreken.

Art. 6 Als iemand eigendom van de tempel of de staat steelt, zal hij ter dood worden gebracht.

Art. 8 Als iemand runderen, schapen, ezels, varkens of geiten steelt die aan een god of gerechtshof toebehoren, dan zal de dief het dertigvoudige van de waarde van de gestolen dieren betalen. Als het gestolen dier toebehoorde aan een bevrijde slaaf, betaalt de dief het tienvoudige.

Art. 196 Als een man een oog van een andere man uitsteekt, dan zal zijn eigen oog ook worden uitgestoken.

Art. 229 Als een huis door slechte constructie instort en de eigenaar wordt daardoor gedood, dan zal de bouwer van het huis ter dood worden gebracht.

Art. 236 Als een man zijn boot verhuurt aan een zeeman en deze zeeman is onzorgvuldig waardoor er schipbreuk ontstaat, zal de zeeman de eigenaar ter compensatie een nieuw schip geven.

De wetten van Hammoerabi staan in spijkerschrift gegraveerd op een hoge zuil. Op de afbeelding het bovenste stuk. Bovenaan zie je hoe Hammoerabi (links) de wetten ontvangt van een god.

10 Uit de wetsartikelen blijkt dat Babylonië in de tijd van koning Hammoerabi een stedelijke beschaving was. Toon dit aan door: a twee kenmerken van een stedelijke beschaving te noemen. R b uit te leggen welke artikelen uit het wetboek bij die twee kenmerken passen. T 2

11 v B 5

Een geschiedwetenschapper doet onderzoek naar Babylonische waarden en normen in de tijd van Hammoerabi. Zij concludeert dat de wetsartikelen bruikbare informatie bevatten voor haar onderzoek. Ondersteun deze conclusie met informatie uit de bron. T 2

C Examentraining

v Doel Je oefent met je historische kennis en historische vaardigheden aan de hand van opgaven van precies dezelfde soort als de opgaven op het centraal schriftelijk examen.

v Opgaven

v Tijdvak 5

Gebruik bron 1

Deze prent werd gebruikt als propaganda in een conflict dat in de zestiende eeuw ontstond.

1 Leg, telkens met de prent, uit: v over welk conflict het hier gaat, en v welke kant de tekenaar kiest in dit conflict, en v dat de prent als propaganda kan worden gebruikt. T 2

In de zestiende eeuw begon de Europese expansie overzee en ontstond een nieuwe wetenschappelijke belangstelling. Beide ontwikkelingen hebben elkaar beïnvloed.

2 Leg uit met telkens een voorbeeld: v hoe de nieuwe wetenschappelijke belangstelling de Europese expansie mogelijk maakte, en v dat de expansie ook de wetenschappelijke belangstelling bevorderde. T 2

Gebruik bron 2

Onder historici bestaan verschillende meningen over de vraag of de opstand in de Nederlanden begon: a als een sociaaleconomisch conflict, of b als een godsdienstoorlog.

3 Ondersteun elk van beide meningen met een argument uit de bron. T 2

In 1581 ondertekenden zeven provincies van de Nederlanden het Plakkaat van Verlating. In dat document werd Filips II als vorst afgezet, met als argument dat een volk het recht heeft in opstand te komen wanneer een koning zijn plichten tegenover zijn volk niet nakomt en zich, zeker in godsdienstig opzicht, als een tiran gedraagt. Het Plakkaat van Verlating is in verband te brengen met twee kenmerken van de zestiende eeuw.

4 Leg uit: v van welk kenmerkend aspect van de zestiende eeuw het Plakkaat van Verlating het hoogtepunt vormt, en v van welk kenmerkend aspect van de zestiende eeuw het Plakkaat van Verlating mede een gevolg is. T 2

Gebruik bron 3

5 Leg met een verwijzing naar de bron uit bij welk kenmerkend aspect van de zestiende eeuw het verhaal van Vespucci past. T 2

Gebruik bron 4

De oprichting van botanische tuinen past bij twee kenmerkende aspecten van tijdvak 5.

6 v Noem die twee kenmerkende aspecten, en v geef per kenmerkend aspect aan waardoor dat past bij het oprichten van een botanische tuin. T 2

v Tijdvak 6

In 1598 werd in Frankrijk het Edict van Nantes uitgevaardigd. Dit maakte een einde aan de burgeroorlog tussen katholieken en protestanten. In 1685 trok koning Lodewijk XIV (r. 1643–1715) het edict weer in, omdat hij één godsdienst in zijn land wilde. Veel Franse protestanten vluchtten toen naar de Nederlandse Republiek.

7 Leg uit:

v waarom veel Franse protestanten juist naar de Nederlandse Republiek vluchtten, en v dat het beleid van Lodewijk XIV paste bij een kenmerkend aspect van de zeventiende eeuw. T 2

Tussen 1626 en 1636 kreeg Anna Maria van Schurman (1607–1678) grote bekendheid in de Nederlandse Republiek. Ze schreef literatuur en poëzie, verdiepte zich in filosofie en wetenschap en werd geroemd door talloze geleerden.

8 Leg uit dat:

v aan de ene kant Anna Maria van Schurman kenmerkend was voor de Nederlandse Republiek in die tijd, en dat v zij aan de andere kant uitzonderlijk was in haar tijd. T 2

De Franse koning Lodewijk XIV (r. 1643–1715) staat bekend als een absoluut vorst. Hij benoemde Jean­Baptiste Colbert (1619–1683), de zoon van een rijke lakenkoopman, tot minister. Dat was voor die tijd bijzonder, omdat Colbert niet van adel was.

9 Leg uit dat deze benoeming:

v paste bij een absoluut vorst uit die tijd, en v samenhing met de maatschappelijke veranderingen die het handelskapitalisme met zich meebracht. T 2

De Nederlandse Republiek vormde in de zeventiende eeuw een uitzondering op staatkundig gebied.

10 Licht dit toe door:

v aan te geven wat de Nederlandse Republiek in staatkundig opzicht bijzonder maakte in de zeventiende eeuw, en v uit te leggen dat deze bijzondere positie samenhing met het ontstaan van de Nederlandse Republiek. T 2

Twee gegevens:

a In de Nederlandse Republiek speelde de adel in de politiek een ondergeschikte rol.

b In de zeventiende eeuw was de Republiek de belangrijkste handelsnatie van Europa.

11 Leg uit welk verband er tussen deze twee gegevens bestond. T 2

Gebruik bron 5

12 Leg uit dat ‘Onse Lieve Heer op Solder’ kenmerkend is voor de manier waarop in de Nederlandse Republiek werd omgegaan met andere godsdiensten dan de protestantse godsdienst. T 2

Gebruik bron 6

Toen John Locke dit schreef, woonde hij in Nederland. In Engeland was het te gevaarlijk voor hem geworden: daar streed koning Jacobus II (r. 1685–1688) voor behoud van zijn absolute macht en herstel van de katholieke godsdienst.

13 Leg uit:

v tegen welk kenmerkend aspect van de zeventiende eeuw Locke stelling neemt met het standpunt dat de hoogste macht absoluut en onbeperkt bij de bevolking ligt, en

v bij welke gebeurtenis in Nederland in de zestiende eeuw eigenlijk dezelfde redenering werd gebruikt als die van Locke in dit fragment, en

v met welk kenmerkend aspect van de zeventiende eeuw te verklaren is waarom Locke dit werk niet in Engeland schreef maar in Nederland. T 2

v Tijdvak 7

Drie gegevens over de Amerikaanse wetenschapper en politicus Benjamin Franklin (1706–1790):

a Via experimenten kwam Franklin erachter dat bliksem een vorm van elektriciteit is; hij werkte aan de uitvinding van de bliksemafleider.

b Franklin was medeopsteller van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring uit 1776, waarin Amerikaanse kolonisten het vertrouwen in de Britse koning opzeggen en zich vrij en onafhankelijk verklaren.

c Franklin schreef brieven aan Johan Derk van der Capellen; in 1778 bezocht hij Nederland om steun te verwerven voor de jonge Amerikaanse staat.

Met deze gegevens kan worden aangetoond dat Franklins daden en denken passen bij de tijd van pruiken en revoluties (de achttiende eeuw).

14 Leg dit uit door:

v twee kenmerkende aspecten van dit tijdvak te noemen, en

v bij elk aspect aan te geven welk gegeven erbij past. Let op: je mag een gegeven maar één keer gebruiken. T 2

DOnderwerpen voor het schoolexamen Thema’s

1 Het slavernijverleden

1 Een wereld vol slaven

v Doel Je kunt uitleggen op welke manieren mensen wereldwijd in slavernij gebracht werden.

v Verwerken en oriënteren

1 Leerboek, afbeelding 1 en 2

De volgende beweringen over slavernij zijn onjuist. Leg met de tekst en afbeeldingen in deze paragraaf uit wat er niet klopt. T 2

a Alleen gekleurde mensen werden als slaaf verhandeld.

b Het is typisch iets voor westerlingen om mensen in slavernij te brengen.

c Slavernij ontstond toen Europeanen Afrika ontdekten.

2 v C3 — De eerste stedelijke beschavingen

Slavernij past veel beter bij ‘stedelijke beschavingen’ dan bij ‘jager­verzamelaars’ of ‘de eerste landbouwers’. Leg uit waarom. T 2

3 Een eerste oorzaak van slavernij was oorlog.

Noem twee redenen waarom de winnaar van een oorlog tegenstanders tot slaaf maakte. R

4 a Beschrijf met een voorbeeld wat schuldslaven waren. T 1

b Beschrijf met een voorbeeld wat strafslaven waren. T 1

5 Leerboek, afbeelding 1

v C6 Het Romeinse wereldrijk Leg uit hoe de tekenaar laat zien dat de Romeinen heersten over een wereldrijk. T 2

6 v C23 Absolutisme

De Franse koning en zijn minister Colbert gaven een opdracht aan de rechters in hun land.

a Welke opdracht gaven zij de rechters? R

b Leg uit dat je dit kunt zien als een voorbeeld van absolutisme. T 2

7 Behalve oorlog, schuldslavernij en strafslavernij was er nog een vierde manier waarop mensen in slavernij konden raken. Welke? R

v Taal

8 Zoek bij elk van de volgende zinnen de uitdrukking uit de rubriek ‘Taal’ in het leerboek die er het best bij past. T 1

a Sterven van de honger of mijzelf verkopen aan een meester: wat voor keuze is dat?

b Als de familie het had gekund, hadden ze het losgeld voor hem zeker betaald.

c Als je niet al stierf van de uitputting, verdronk je als je schip in de strijd ten onder ging.

d Ik ging naar de kledingwinkel met 50 euro op mijn rekening.

e In de oorlog voerden de nazi’s honderdduizenden Nederlandse mannen af om in Duitse fabrieken te werken.

f Na de moord op haar echtgenoot kreeg ze niet langer de hulp en bescherming die andere burgers kregen.

g Werken in de zilvermijnen en op het land in de brandende zon: vaak was dat hun lot.

h Zelfs in tijden van crisis zijn er altijd mensen die een gezin stichten.

Overal ter wereld slavernij

Bron 1 Slaaf of tot slaaf gemaakte?

Veel mensen gebruiken het woord ‘slaaf’ niet. Ze zeggen liever ‘tot slaaf gemaakte’. Zo benadrukken ze dat niemand ooit echt slaaf wás. Iemand was alleen slaaf omdat een ander dat zo over diegene beslist had. De slavenhouder maakte andere mensen tot slaaf die het eigenlijk niet waren.

Als je zo redeneert, neem je het heden als maatstaf. Wij vinden tegenwoordig dat niemand echt slaaf kan zijn, want alle mensen zijn gelijk. Maar datzelfde geldt voor veel groepen in het verleden. Zo vinden wij het onjuist dat edelen vroeger allerlei rechten hadden die anderen niet hadden. Er waren volgens ons dus eigenlijk geen edelen, maar alleen ‘tot edelen gemaakten’. Hetzelfde geldt voor horige boeren: zij waren eigenlijk ‘tot horigen gemaakt’. Of de soldaten in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog: zij waren allerlei soorten mensen die als dienstplichtigen opgeroepen werden. Zij waren (letterlijk) ‘soldaatgemaakten’.

We kunnen het verleden niet veranderen door woorden te gebruiken waaruit blijkt dat wij het er niet mee eens zijn. Voor het woord ‘slaaf’ geldt dat ook. Eeuwenlang zijn er overal ter wereld slaven geweest. Wij vinden dat niet normaal, maar al die samenlevingen vroeger dachten daar anders over. We kunnen niet voortdurend oordelen over het verleden alsof dat één grote fout was. Je moet bij geschiedenis liever niet oordelen, maar vooral proberen te begrijpen.

Bron 2 De Tang­ dynastie regeerde in China

tussen 618 en 907 n.C. De keizers van deze dynastie bouwden China uit tot een sterke macht. Uit deze periode stamt het volgende koopcontract.

‘Op deze dag verkoopt functionaris Han Yuanding, die voor onverwachte uitgaven is komen te staan en onvoldoende zijde in voorraad heeft, zijn huishoudelijke slavin Jiansheng, ongeveer achtentwintig jaar oud. De slavin wordt verkocht aan Zhu Yuansong, vervolgens aan Zhu’s vrouw en zonen, enz. De prijs van de slavin is vastgesteld op in totaal vijf rollen zijde, zowel bewerkte als onbewerkte zijde. Nadat de slavin en de goederen zijn ingewisseld en de verkoop is voltooid, wordt overeengekomen dat de zonen en dochters van de Zhu­familie voor altijd en eeuwig meester zullen zijn over deze slavin, van generatie op generatie. Om de kans dat dit contract niet wordt opgevolgd zo klein mogelijk te maken, hebben de volgende personen het gezien en zullen zij garant staan:

v De slavin Jiansheng.

v De verkoper van de slavin, haar meesteres.

v De verkoper van de slavin, haar meester, Han Yuanding.

v Een aangetrouwd familielid dat heeft deelgenomen aan de discussie, Fuzhen.

v Een getuige, monnik Chouda van het Baoen­klooster.

v Een getuige, monnik Luo Xian van het klooster van Longxing.’

De bereiding en bewerking van zijde tijdens de Tang­ dynastie.

Het slavernijverleden

v Toepassen

v Lees ‘Overal ter wereld slavernij’ op p. 81.

9 Gebruik bron 1 / v B4

a Beschrijf in je eigen woorden waarom veel mensen tegenwoordig liever ‘tot slaaf gemaakte’ zeggen dan ‘slaaf’. T 1

b Welk argument is er om het woord ‘slaaf’ te blijven gebruiken? T 1

c Aan welke aanduiding (slaaf of tot slaaf gemaakte) geef je zelf de voorkeur en waarom? I

d Gebruik uit B4 ‘anachronistisch oordelen’. Leg uit hoe dit hier van toepassing is. T 2

10 Gebruik bron 2 / v B5

a Leg uit waarom Han Yuanding zijn slavin moest verkopen. T 2

b Bedenk waarom er getuigen aanwezig zijn bij het sluiten van het contract. I

c Pas de criteria voor het beoordelen van de betrouwbaarheid van bronnen toe en leg uit waarom dit contract een betrouwbare bron is voor het bestaan van slavernij in China in de tijd van de Tang­ dynastie. T 2

11 Gebruik afbeelding 1 en Bron 2

Wat kun je op basis van de afbeelding en de bron concluderen? Kies het antwoord en leg je keuze uit. T 2

a Op de afbeelding komen geen slaven voor, want anders zou je dat wel kunnen zien.

b Op de afbeelding komen misschien slaven voor, maar zeker is dat niet.

c Op de afbeelding komen slaven voor, want het gaat over zijdeproductie.

2 Leven in slavernij

v Doel Je kunt met voorbeelden uitleggen welke verschillende vormen van slavernij er waren.

v Verwerken en oriënteren

1 Het offeren van slaven diende meestal een religieus doel. Noem daarvan twee voorbeelden. R

2 Leg uit waarom huisslaven meestal beter behandeld werden dan slaven in mijnen en op landbouwbedrijven. T 2

3 v B5

Welk feit kun je vaststellen op basis van de tekst van Seneca (leerboek, p. 99 ) ? Kies het antwoord. T 1

a Er zijn bronnen die laten zien dat huisslaven slecht behandeld werden.

b Huisslaven die er met de zweep van langs kregen, waren uitzonderingen.

c Huisslaven hadden een zwaar leven.

d Seneca was een tegenstander van slavernij.

4 v B3 /  v C6 Het Romeinse wereldrijk

Op p. 99 in het leerboek staat: ‘Grote aantallen slaven werkten als landarbeider op grote landbouwbedrijven of in de mijnen’ en ‘Er waren ook honderdduizenden huisslaven’.

Leg uit dat je slavernij kunt zien als een gevolg én een oorzaak van de uitbreiding van het Romeinse Rijk. T 2

5 Noem drie voordelen voor een vorst van het inzetten van slaven als soldaat. R

6 Leerboek, afbeelding 2 / v C10 De islam

Bij welk van de drie ‘voordelen’ uit opdracht 5 past deze afbeelding het best? Leg je antwoord uit. T 2

7 Leerboek, afbeelding 3

Welke zin uit deze paragraaf past het best bij de afbeelding? T 1

8 Tot de achttiende eeuw was er eigenlijk nooit een serieus verzet tegen slavernij als systeem. Beschrijf waarom dat zo was. T 1

v Taal

9 Noteer bij de omschrijvingen het juiste woord of uitdrukking uit de rubriek ‘taal’ in het leerboek. T 1

1 Aanwerven.

2 De meeste mensen houden het zo wel vol.

3 Doden voor goden.

4 Ergens zeker van kunnen zijn.

5 Een stelsel, een vast gegeven.

6 Getraind.

7 Inzetten.

8 Onderdeel worden van.

9 Pechvogels.

10 Speelruimte.

11 Waar moslims de baas zijn.

v Toepassen

v Lees en bekijk ‘Slavenwerk in soorten’ op p. 84.

10 Gebruik bron 1 / v B5

a Welke soort slaven is hier afgebeeld?

Kies het antwoord. T 1

a huisslaven

b dwangarbeiders

c militairen

d landarbeiders

b Bedenk een argument vóór en een argument tegen de betrouwbaarheid van deze afbeelding als bron voor de Babylonische slavernij. I

c Bedenk een hypothese bij deze afbeelding. I

11 Gebruik bron 2 / v B5

a Welke soort slaven is hier afgebeeld? T 1

b Bedenk een argument voor en een argument tegen de betrouwbaarheid van deze afbeelding als bron over Romeinse slavernij. T 1

c Bedenk een feit waarvoor je deze afbeelding als bewijsmateriaal kunt gebruiken. I

eHistorische contexten

Onderwerpen voor het Centraal Examen

1 Industrie en kolonialisme in het Britse Rijk

1 Dertien Britse koloniën

v Doel Je kunt twee motieven uitleggen die Britten hadden om te emigreren naar Noord-Amerika en gevolgen van die migratie voor de inheemse Amerikaanse bevolking beschrijven.

v Verwerken en oriënteren

1 v C21 — Reformatie Waarom zochten Engelse katholieken en fundamentalistische protestanten hun toevlucht in Noord-Amerika? Gebruik in je antwoord het woord ‘Reformatie’. T 1

2 Waarom kozen de Pilgrim Fathers Nederland, en later Noord-Amerika, als bestemming? T 1

3 Leerboek, afbeelding 1 v C18 — Ontdekkingsreizen a Gebieden als Jamaica en Barbados waren eerst Spaans en daarna Brits. In een gebied als Virginia waren de Britten de eerste Europeanen. Hoe kun je dit verklaren? T 2

b Welke van de volgende gebieden behoorden tot de dertien Britse koloniën die later de Verenigde Staten zouden vormen? T 1

a Delaware d Guyana b Georgia e Maryland c Grenada f Trinidad

4 Leg uit waarom een vestiging in Amerika voor Engelse ondernemers en handelaren aantrekkelijk was. T 2

5 Waarom werden de Britse koloniën in Amerika vestigingskoloniën genoemd? T 1

6 Ontleen aan het citaat van de gouverneur van Virginia (leerboek, p. 192-193) twee redenen waarom kolonisten de inheemse bevolking uitroeiden. T 2

7 Leerboek, afbeelding 2 / v B3

Bedenk een mogelijke directe oorzaak en een mogelijk indirect gevolg van de gebeurtenis op de afbeelding. I

8 Leerboek, afbeelding 2 / v B5

In Amerika vielen veel meer inheemse slachtoffers dan Europese. Op deze afbeelding zie je het omgekeerde. Bedenk wat de bedoeling kan zijn geweest van de maker van deze afbeelding. I

9 v B3

Leg uit dat de grote sterfte onder de inheemse bevolking een onbedoeld gevolg was van de kolonisatie door Europeanen. T 2

v Taal

10 Zoek bij elk van de volgende zinnen de uitdrukking uit de rubriek ‘Taal’ in het leerboek die er het best bij past. T 1

a Hij moest jarenlang een hoge prijs betalen voor zijn onbezonnen gedrag.

b Dit zijn de Amsterdammers van wie de familie hier al honderden jaren woont.

c Het moest per se zo gebeuren omdat het nu eenmaal in de heilige boeken stond.

d Ze keek naar veel dingen op een manier die afweek van wat de rest ervan vond.

e Ze wilden echt helemaal opnieuw beginnen op een plek waar nog ruimte en vrijheid was.

Bron 1  Op 21 mei 1607 schreef een Engelse kolonist in Amerika over een ontmoeting met de inheemse bevolking:

‘Maar in aanwezigheid van beide stamhoofden bleek dat we twee zakken misten met daarin kogels en divers speelgoed [gebruikt voor de handel met de inheemse bevolking]. We klaagden bij de stamhoofden, die er onmiddellijk voor zorgden dat het allemaal werd teruggegeven. Ze hadden de kogels en het speelgoed echter verdeeld over minstens een dozijn mensen, ook over diegenen aan de overzijde van het water. Eén van hen, die een mes had gestolen, bracht dit op bevel van het stamhoofd terug, nog voordat wij het misten. Kapitein Newport * bedankte de stamhoofden en beloonde de dieven met het speelgoed dat ze hadden gestolen, maar hij behield de kogels. Hij maakte echter wel duidelijk dat het in Engeland de gewoonte was om de doodstraf te geven voor dergelijke overtredingen.’

* Christopher Newport was de kapitein van het Engelse schip Susan Constant, waarmee hij in 1607 kolonisten vervoerde naar Amerika.

Bron 2 afbeelding 1

In 1616 liet de Virginia Company een portret maken van Mataoka, de dochter van een inheemse NoordAmerikaanse vorst. Om het portret heen staat: ‘Matoaka, alias Rebecca, dochter van de machtige vorst Powhatan, keizer van Virginia. Op de leeftijd van 21, in het jaar 1616.’ Tekst onder het portret: ‘Matoaka alias Rebecka, dochter van de machtige vorst Powhatan, keizer van Attanoughkomouck alias Virginia, bekeerd en gedoopt in het christelijk geloof en vrouw van de waarde heer John Rolfe’. John Rolfe was een Engelse kolonist in de kolonie Virginia.

Bron 3 afbeelding 2

‘De eerste Thanksgiving’, door de Amerikaanse schilder Jean Leon Gerome Ferris (1863–1930) uit 1912. Amerikanen vieren elk jaar Thanksgiving om te herdenken dat de Pilgrim Fathers in hun eerste jaren hulp kregen van de ‘indianen’ om te overleven.

v Toepassen

v Lees ‘Kolonisten en inheemse Amerikanen’ op p. 203.

11 Gebruik bron 1

a Deze ontmoeting past bij de beginperiode van de Engelse aanwezigheid in Noord-Amerika. Leg dat uit met een verwijzing naar de bron. T 2

b Bedenk waarom kapitein Newport besloot de inheemse bevolking niet te bestraffen. I

12 Gebruik bron 2 / v B5

De Virginia Company liet dit portret verspreiden in de hoop meer mensen te interesseren voor vestiging in de kolonie.

a Leg uit waarom dit portret daarvoor kon dienen. T 2

b Bedenk of het portret een betrouwbare voorstelling geeft van de inheemse vrouw. I

13 Gebruik bron 3 / v B5

a Leg uit welk beeld de schilder van de relatie tussen de eerste kolonisten en de inheemse Amerikanen wil geven. T 2

b Bedenk of dat beeld een betrouwbare voorstelling geeft van deze relatie. I

14 Gebruik bron 2 en 3 / v B6

Het portret en het schilderij gaan over verschillende onderwerpen, maar de interpretatie van dit stuk geschiedenis is min of meer hetzelfde. Leg uit wat die interpretatie is. T 2

2 Plantagekoloniën en slavernij

v Doel Je kunt uitleggen dat op de plantagekoloniën in Amerika miljoenen tot slaaf gemaakte Afrikanen werkten en beschrijven hoe en wanneer Groot-Brittannië slavernij verbood.

v Verwerken en oriënteren

1 Noem twee producten die de Britten verbouwden in plantagekoloniën als Barbabos en Jamaica. R

2 Leg uit waarom de plantagekoloniën in het Caribisch gebied winstgevender waren dan de koloniën aan de oostkust van NoordAmerika. T 2

3 Geef aan wat in de driehoekshandel bij A, B en C (zie schema) werd vervoerd. R

4 Leerboek, afbeelding 3

v C29 — Plantages en slavernij / v B5

De afbeelding verscheen in 1825 in een boek van een Britse geograaf over Jamaica. In een moderne bespreking van dat boek staat: ‘Het idyllische beeld van de omstandigheden van de in slavernij levende bevolking van Jamaica stond duidelijk in schril contrast met de werkelijkheid.’

a Welk beeld wilde het boek schetsen van de toestand op de plantages? T 1

b Leg uit wat dit betekent voor de betrouwbaarheid van deze afbeelding als bron. T 2

c Leg het citaat uit de boekbespreking uit. T 2

5 Leerboek, afbeelding 3

De opzichters op de afbeelding zijn Afrikanen — net als de werkers. Bedenk twee redenen om Afrikanen als opzichters te gebruiken in plaats van Europese kolonisten. I

6 Gemiddeld overleefde ongeveer 15 procent van de vervoerde Afrikanen de overtocht over de Atlantische Oceaan niet.

a Waren er op de schepen van de Royal African Company meer over minder slachtoffers? T 1

b Reken uit hoeveel slachtoffers er op Britse slaventransporten in de achttiende eeuw vielen, als het gemiddelde percentage daarop van toepassing is. T 1

7 v C27 — Verlichting

a Leg uit op welke verlichte denkbeelden de abolitionisten zich baseerden. T 2

b Bedenk of christenen dezelfde argumenten hadden, of (ook) andere. I

8 Leg met behulp van het citaat van koning Ghezo (leerboek, p. 194) uit waarom het afschaffen van slavernij vaak veel moeite kostte. T 2

9 Leerboek, afbeelding 4

De afbeelding verscheen in 1875 in The Illustrated London News bij een artikel over het Britse West Africa Squadron, een afdeling van de Royal Navy

Een Afrikaanse vorst wordt naar het schip van de Britse commandant geroeid voor een bespreking aan boord van het Britse schip.

a Bedenk waar de bespreking over ging. I

b Bedenk welke indruk de Britse vloot van meer dan zes schepen op de Afrikanen maakte. I

c Leg uit dat deze indruk overeenstemde met de bedoelingen van de Britten. T 2

Groot-Brittannië
Amerika West-Afrika

boom.nl   /  voortgezet-onderwijs

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.