Skip to main content

FORUM_Geschiedenis_LEERBOEK_vwo_bovenbouw_voorbeeldkatern_April_2026_32pp

Page 1


FO R U M GESCHIEDENIS

AUTEURS

ARIE WILSCHUT

DICK VAN STRAATEN

MARCEL VAN RIESSEN

FO R U M GESCHIEDENIS

LEERBOEK BOVENBOUW VWO

TWEEDE, GEHEEL HERZIENE EDITIE

BOOM VOORTGEZET ONDERWIJS

© 2026 Boom Voortgezet Onderwijs, Meppel, The Netherlands

Eerste editie, 2019

Tweede, geheel herziene editie, 2026

Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets van deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opname of enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Voor zover het maken van reprografische verveelvoudigingen uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16h Auteurswet dient men de daarvoor wettelijke verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (www.reprorecht.nl).

Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in compilatiewerken op grond van artikel 16 Auteurswet kan men zich wenden tot de Stichting PRO (www.stichting-pro.nl).

All rights reserved. No part of this publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted, in any form or by any means, electronic, mechanical, recording or otherwise without prior written permission of the publisher.

verantwoording illustraties en tekstfragmenten De uitgever heeft getracht alle rechthebbenden van de illustraties en bronteksten in deze publicatie te bereiken. Mocht u desondanks menen dat uw rechten niet zijn gehonoreerd, dan kunt u contact opnemen met de uitgever.

bureauredactie Pieter de Blok, Zwolle boekverzorging René van der Vooren, Amsterdam beeldinkoop Imago Mediabuilders, Amersfoort

isbn 978 94 6442 245 0

boom.nl / voortgezet-onderwijs

Inhoud

Een Forum voor geschiedenis 6

A Het gebruik van geschiedenis

Geschiedenis in de samenleving

1  Het belang van geschiedenis 10

2 Geschiedenis en identiteit 12

3 Geschiedenis en politiek 14

4 Geschiedenis als moreel kompas 16

5 Geschiedenis als praktische les 18

6 Geschiedenis als entertainment 20

B Hoe geschiedenis in elkaar zit

Historisch denken en redeneren

1  Chronologie en anachronisme 24

2 Continuïteit en verandering 30

3 Oorzaken en gevolgen, toeval en onvoorspelbaarheid 34

4 Waarden en oordelen 40

5 Bronnen, vragen en feiten 44

6 Interpretaties 50

7 Taal 54

C Oriëntatiekennis

Kenmerkende aspecten van tien tijdvakken

1  Jagers & boeren 60

2 Grieken & Romeinen 62

3 Monniken & ridders 65

4 Steden & staten 68

5 Ontdekkers & hervormers 72

6 Regenten & vorsten 76

7 Pruiken & revoluties 79

8 Burgers & stoommachines 83

9 Wereldoorlogen & crisis 88

10 Televisie & computer 94

D Thema's

Onderwerpen voor het schoolexamen

1  Het slavernijverleden 100

2 Energietransities 120

3 Religie en samenleving 138

4 Monumenten en herdenken 154

5 Terreur en terrorisme 172

6 Schuld en boete 192

7 Rechtsstaat en democratie 212

E Historische contexten Onderwerpen voor het Centraal Examen

1  Steden en burgers in de Lage Landen 234

2 De Verlichting: theorie en praktijk 254

3 Confucianisme, communisme en kapitalisme in China 274

4 Democratie en dictatuur in Duitsland 296

bijlage 1

Exameneisen historisch denken en redeneren 312

bijlage 2

Overzicht van kenmerkende aspecten 314

Register 000

Een Forum voor geschiedenis

het forum was in de oudheid het centrale plein van de stad Rome. De belangrijkste tempels lagen er en ook de vergaderzaal van de Romeinse Senaat was er te vinden. Het Forum was de plaats waar alles gebeurde wat voor de stad van belang was. Als een Romeinse keizer een belangrijke overwinning had behaald, hield hij een triomftocht door de stad. Zo’n tocht trok onder de triomfbogen door die rond het Forum waren opgericht.

Het Forum was ook de plaats waar toespraken werden gehouden over politiek. Daarvoor waren speciale plaatsen ingericht voor sprekers onder een drietal zuilen aan de kop van het plein. De Romeinen verzamelden zich dan op het Forum om de toespraak te horen en erover in discussie te gaan. Daarom is het woord ‘forum’ in onze taal langzamerhand iets anders gaan betekenen dan ‘plein’, namelijk: een plaats om in discussie te gaan. Vanwege die betekenis is dit geschiedenisboek Forum genoemd.

nu zul je misschien denken : geschiedenis is toch niet iets om over te discussiëren? Geschiedenis is wat er vroeger gebeurd is en daar kun je toch niets meer aan veranderen. Je kunt het op zijn hoogst uit je hoofd leren. Hoewel veel mensen zo over geschiedenis denken, klopt dat niet. Geschiedenis is niet wat er vroeger gebeurd is. Wat vroeger gebeurd is, bestaat namelijk niet meer. Het enige wat we hebben, zijn onze beelden van het verleden: verhalen, boeken, films, afbeeldingen. Allemaal beelden die door mensen gemaakt zijn. Ze horen bij het heden. Er valt wel degelijk over te discussiëren.

beelden van het verleden zijn heel belangrijk. Iedereen baseert meningen en overtuigingen op dingen die hij of zij gehoord heeft over de wereld tot nu toe. Anders zou je helemaal geen meningen kunnen hebben. Geschiedenis is daardoor de achtergrond van veel debatten in de samenleving. De schrijvers van dit boek willen die kant van geschiedenis benadrukken: geschiedenis als forum voor discussie. Daarom staan in dit boek niet alleen beschrijvingen van dingen die vroeger gebeurd zijn, maar ook teksten over hoe geschiedenis gebruikt wordt en hoe je kunt leren historisch te denken en redeneren. Bij elk hoofdstuk wordt uitgelegd wat de inhoud ervan te maken heeft met de wereld van nu en de toekomst. Door verbanden te leggen tussen verleden, heden en toekomst wordt geschiedenis een spannend vak, waar je veel aan hebt. Het kan je helpen bij het bepalen van je standpunt op allerlei fora waarop discussies gevoerd worden.

Het Forum in Rome zoals het er dagelijks bij lag. Bij de zuilen vooraan op de afbeelding hielden sprekers hun toespraken.

Het Forum in Rome tijdens een triomftocht.

A

Geschiedenis in de samenleving Het gebruik van geschiedenis

het gebruik van geschiedenis

1 Het belang van geschiedenis

Geschiedenis gaat over dingen die voorbij zijn. Je kunt er niets meer aan veranderen. Totaal niet boeiend, zou je kunnen denken. Of toch wel?

Van alle vakken die je op school leert, wordt geschiedenis vaak één van de minst belangrijke gevonden. Geschiedenis gaat immers over wat er vroeger gebeurd is. Daar kun je toch niets meer aan veranderen. De mensen die in geschiedenisboeken voorkomen, zijn vrijwel allemaal al lang dood. Het is moeilijk om je voor te stellen hoe kennis van het verleden belangrijk zou kunnen zijn. Vaak hoor je mensen zeggen dat ze zich liever bezighouden met de toekomst. Dat is niet zo vreemd. Iedereen wil immers een idee hebben van wat hem of haar later te wachten staat. Het heeft duidelijk nut om je op de toekomst voor te bereiden. Maar juist daarom heb je geschiedenis nodig. Als je bijvoorbeeld een vakantie wilt uitzoeken voor de volgende zomer, gebruik je je herinnering aan vorige vakanties ; sommige dingen wil je misschien liever niet meer, of juist heel graag nog een keer. Als je een cadeau voor iemand wilt kopen, bedenk je wat diegene in het verleden altijd leuk vond. Zonder oriëntatie op het verleden wordt het gewoonweg heel moeilijk om nog normaal te leven.

v Verleden, heden en toekomst

De toekomst is leeg en voor een belangrijk deel onvoorspelbaar — de toekomst bestaat (nog) niet. De enige manier om je erop te oriënteren is uitgaan van ontwikkelingen in de tijd tot nu toe, en dan proberen de lijnen door te trekken. Zonder enig idee van wat er eerder gebeurd is, zou je niets kunnen begrijpen van de werkelijkheid van vandaag. En je zou al helemaal geen gedachten kunnen hebben over hoe het verder zou kunnen gaan.

Laten we een voorbeeld nemen van een belangrijk probleem van nu en de toekomst: de klimaatverandering. Wetenschappers proberen te berekenen wat de gevolgen zijn van een stijging van de gemiddelde temperatuur op aarde met één, twee, of meer graden. Ze schatten in hoe groot en hoe snel de zeespiegelstijging zal zijn die daarmee samenhangt. Internationale politici sluiten akkoorden over maat­

regelen om de ergste gevolgen van de veranderingen in te dammen. Iedereen is druk bezig met de toekomst. Maar hoe weten we eigenlijk dat er een probleem is en welk probleem dat is? Dat kan alleen door te kijken naar de veranderingen van de afgelopen eeuwen.

Met de industrialisatie is een grote verschuiving opgetreden in het gebruik van energie. Daarvan word je je bewust als je iets weet over de invoering van stoommachines en verbrandingsmotoren in plaats van de windkracht en spierkracht die men daarvóór gebruikte. Stel dat niemand zich had afgevraagd waar die stoommachines en motoren voor in de plaats gekomen waren en iedereen had gedacht dat ze er altijd al geweest waren. Zou dan iemand op het idee gekomen zijn dat een teveel aan CO 2 in de atmosfeer misschien de oorzaak was van de ellende? Zou je op het idee kunnen komen dat in de toekomst een energietransitie noodzakelijk is zonder iets te weten over de verschuiving die in het verleden heeft plaatsgevonden?

v Betrouwbare kennis

Zonder het te weten is iedereen bezig met het verleden als hij of zij nadenkt over de toekomst. Maar als dat vanzelf al zo gebeurt, waarom moet je dan nog apart geschiedenis bestuderen? De reden is dat je voor een goede oriëntatie op de werkelijkheid betrouwbare kennis nodig hebt. Die is niet altijd zo gemakkelijk beschikbaar. Met politieke of ideologische bijbedoelingen worden je allerlei zaken voorgespiegeld over de wereld tot nu toe, zonder dat die op feiten gebaseerd zijn. Zo denken veel mensen dat oorlog en geweld horen bij mannelijke leiders — dat de wereld vreedzamer zou zijn als er meer vrouwen aan het bewind waren. Maar uit de geschiedenis blijkt dat niet duidelijk. Zo voerde de Engelse koningin Elizabeth I (r. 1558–1603) jarenlang oorlog tegen Spanje en schrok zij er niet voor terug haar nicht en rivaal

1

Een kiesrechtactiviste (‘suffragette’) wordt gearresteerd in Londen (1914). Activistes hadden zich vastgeketend aan het hek van Buckingham Palace om hun eis van vrouwenkiesrecht kracht bij te zetten.

Maria Stuart te laten onthoofden. Keizerin Catharina de Grote van Rusland (r. 1762–1796) breidde het Russische Rijk aanzienlijk uit ten koste van haar buren en meende dat oorlog goed was voor de grootheid van Rusland — net als de Russische president Poetin tegenwoordig. De Britse premier Margaret Thatcher (r. 1979–1990) stuurde de Britse marine de halve wereld over om oorlog te voeren tegen Argentinië.

Het is belangrijk dat je het vak geschiedenis goed kent om vertrouwd te raken met de manier waarop mensen met het verleden omgaan: in de politiek, in de religie, in de economie — op alle terreinen van

2

Een klimaatactiviste wordt gearresteerd in Londen (2019). De historicus Krznaric meent dat de geschiedenis van de suffragettes laat zien dat radicale acties zin hebben en tot resultaat leiden. Dus doen klimaatactivisten zoals die van Extinction Rebellion het volgens hem goed.

het leven. Het verleden bestaat niet meer; we hebben alleen de verhalen die daarover gaan in boeken, films en musea. Die verhalen noemen we ‘geschiedenis’. Het is belangrijk dat je leert kritisch naar die verhalen te kijken.

Allerlei denkbeelden over vroeger, nu en straks hebben met elkaar te maken en lopen soms helemaal door elkaar heen. Daarom is geschiedenis een vak waar je niet buiten kunt als je nadenkt over het heden en de toekomst. In de hiernavolgende gedeelten van dit boek lees je meer over de manieren waarop mensen het verleden gebruiken.

BHistorisch denken en redeneren Hoe geschiedenis in elkaar zit

hoe geschiedenis

zit

1 Chronologie en anachronisme

Chronologie of tijdrekenkunde is voor geschiedenis belangrijk

omdat je ermee kunt bepalen wanneer iets heeft plaatsgevonden.

Anachronisme heeft te maken met de verschillen tussen diverse tijden.

v Jaartellingen

Bij geschiedenis probeer je gebeurtenissen in de tijd te plaatsen. Daarom worden ze vaak gekoppeld aan het jaar waarin ze plaatsvonden. Om jaren van elkaar te onderscheiden, worden ze genummerd. Elke cultuur die een tijdrekening gebruikt, heeft ergens een punt in de tijd gekozen om te beginnen de jaren te tellen. Zo gebruikten de Romeinen het moment van de stichting van de stad Rome als hun ‘eerste jaar’. Ze telden de jaren daarna als: ‘zo veel jaar na de stichting van de stad’. Moslims beschouwen het jaar van de tocht van Mohammed van Mekka naar Medina (de zogenaamde hidjra) als het eerste jaar. Zo zijn er nog veel andere mogelijke jaartellingen.

De westerse cultuur gebruikt de christelijke jaartelling. Het jaar waarin men denkt dat Christus geboren is, wordt het ‘eerste jaar van Onze Heer’ genoemd. In het Latijn wordt ‘in het jaar X van Onze Heer’ geschreven als: Anno Domini X, afgekort als AD X. Alle daaropvolgende jaren worden geteld als ‘zo veel jaar na Christus’ geboorte’, afgekort ‘na Christus’ (n. C.), en de jaren ervóór als ‘voor Christus’ (v. C.).

Deze westerse jaartelling wordt tegenwoordig in bijna de hele wereld gebruikt.

Het is niet neutraal om bij het tellen van jaren een christelijk uitgangspunt te kiezen. In Engelstalige boeken worden daarom de afkortingen AD (Anno Domini) en BC (Before Christ) vaak vervangen door CE (Common Era) en BCE (Before Common Era). In het Nederlands zie je soms ‘o. j.’ (onze jaartelling) en ‘v.o.j.’ (voor onze jaartelling). Dat lijkt neutraler, maar het blijft een jaartelling die door christenen zo is ingesteld.

Daarvan word je je beter bewust als je voorbeelden van andere jaartellingen kent. De islamitische jaartelling begint in het jaar 622 volgens de christelijke jaartelling. Maar je kunt een islamitisch jaartal niet zomaar uitrekenen door 622 van het christelijke jaartal af te trekken, want islamitische jaren zijn korter (354 / 355 dagen). Daardoor verschuiven de maanden ook door de seizoenen en valt de zomer

niet altijd in dezelfde maand. Het christelijke jaar 2025 valt ongeveer samen met het islamitische jaar 1446.

Een neutrale telling van jaren kan niet bestaan. Elk beginpunt is een keuze die door mensen wordt gemaakt en hangt dus af van de interpretatie die mensen aan geschiedenis geven. Tijdens de Franse Revolutie is geprobeerd van de christelijke invloed af te komen door de jaartelling te laten beginnen bij de stichting van de eerste Franse Republiek in 1792. Maar Napoleon heeft dat in 1806 weer teruggedraaid. Als hij dat niet had gedaan en deze jaartelling in Europa in gebruik was gebleven, zouden we nu in de derde eeuw leven in plaats van in de eenentwintigste. Het eindexamenprogramma zegt het volgende over jaartellingen:

v Je kunt uitleggen, met gebruik van de westerschristelijke jaartelling en een ander voorbeeld van een jaartelling, dat chronologische indelingen interpretatief van aard zijn.

v Perioden en tijdvakken

Tijdens de Renaissance is in Europa een indeling van de tijd in drie perioden tot stand gekomen. De mensen oriënteerden zich toen op de klassieke beschaving van Grieken en Romeinen. De periode van de klassieke beschaving noemden ze de ‘oude tijd’. Die tijd zetten ze tegenover hun eigen tijd die ze de ‘nieuwe tijd’ noemden. Tussen die twee tijden lag ongeveer duizend jaar die de mensen in de Renaissance niet zo interessant vonden omdat — volgens hen — de klassieke beschaving toen verloren was gegaan. Daarom noemden ze die ‘onbelangrijke tussenperiode’ de ‘Middeleeuwen’.

Later zijn nog twee perioden toegevoegd aan het drietal Oudheid­Middeleeuwen­Nieuwe Tijd. Door de opkomst van de archeologie bleek dat er in de tijd vóór de geschreven geschiedenis ook al veel menselijke culturen hadden bestaan. Die periode werd ‘voorgeschiedenis’ of Prehistorie genoemd, omdat

PREHISTORIE

OUDHEID

men ervan uitging dat je voor ‘echte geschiedenis’ geschreven bronnen nodig had.

In de Nieuwe Tijd is een onderverdeling gemaakt omdat rond 1800 in Europa zulke belangrijke veranderingen optraden, dat er een nieuwe wereld leek te ontstaan. Die veranderingen waren de democratische en de industriële revolutie. De periode vanaf ongeveer 1800 wordt daarom aangeduid als de Moderne Tijd, en de periode tussen 1500 en 1800 als de Vroegmoderne Tijd. Daardoor ontstonden vijf perioden die tegenwoordig nog steeds worden gebruikt:

v prehistorie

De tijd vóór de geschreven bronnen.

v oudheid

Vanaf de uitvinding van het schrift (ca. 3000 v. C.) tot het einde van het West­Romeinse Rijk (ca. 500 n.C.).

v middeleeuwen

Vanaf het eind van het West­Romeinse Rijk (ca. 500) tot ongeveer 1500.

v vroegmoderne tijd

Vanaf ongeveer 1500 tot ongeveer 1800.

v moderne tijd

Vanaf ongeveer 1800 tot nu.

MIDDELEEUWEN

De vijf perioden in vijf beelden :

v een grotschildering uit Lascaux

v een Griekse tempel uit Paestum

v een middeleeuws handschrift uit de 11de eeuw

v Nederlandse VOC­schepen voor de stad Cochin in India

v een Amerikaanse stoomlocomotief uit 1938

VROEGMODERNE TIJD
MODERNE TIJD

Chronologie en anachronisme

vijf perioden tien tijdvakken

prehistorie

oudheid

3000 v. C. – 500 n. C.

middeleeuwen

500 – 1500

v oude beschavingen

v klassieke beschavingen

v Vroege Middeleeuwen

v Hoge en Latere Middeleeuwen

vroegmoderne tijd

1500 – 1800

v 16de eeuw, Renaissancetijd

v 17de eeuw, Gouden Eeuw

v 18de eeuw, Verlichtingseeuw

moderne tijd

1800 – nu

v 19de eeuw, industrialisatietijd

v eerste helft 20ste eeuw

v tweede helft 20ste eeuw, 21ste eeuw

1 Jagers & boeren tot ca. 800 v.C.

2 Grieken & Romeinen ca. 800 v.C. – ca. 500 n.C.

3 Monniken & ridders ca. 500 – ca. 1000

4 Steden & staten ca. 1000 – ca. 1400

5 Ontdekkers & hervormers ca. 1400 – ca. 1600

6 Regenten & vorsten ca. 1600 – ca. 1700

7 Pruiken & revoluties ca. 1700 – ca. 1800

8 Burgers & stoommachines ca. 1800 – ca. 1900

9 Wereldoorlogen & crisis ca. 1900 – ca. 1950

10 Televisie & computer ca. 1950 – nu

Voor het Nederlandse geschiedenisonderwijs zijn tien tijdvakken met herkenbare namen bedacht. Zij geven een nadere onderverdeling van de perioden, waardoor je gebeurtenissen preciezer in de tijd kunt plaatsen. Het eindexamenprogramma zegt het volgende over perioden en tijdvakken:

v Je kunt de tien tijdvakken gebruiken als referentiekader om gebeurtenissen chronologisch te ordenen; je kunt de tien tijdvakken plaatsen in de perioden Prehistorie, Oudheid, Middeleeuwen, Vroegmoderne Tijd en Moderne Tijd en deze perioden gebruiken als referentiekader om gebeurtenissen chronologisch te ordenen.

v Anachronisme en tijdgebondenheid

Bij geschiedenis moet je rekening houden met de verschillen tussen diverse tijden. Het gedrag van mensen hangt samen met wat in een bepaalde tijd geloofd en belangrijk gevonden werd. Zo is het gedrag van de middeleeuwse kathedralenbouwers alleen uit te leggen door rekening te houden met de centrale rol van het christendom in hun tijd.

Als je de omstandigheden of normen en waarden van verschillende tijden door elkaar haalt, noem je dat anachronisme (van de Griekse woorden ‘ana’ (tegen) en ‘chronos’ (tijd)). Een voorbeeld van anachronisme is het beoordelen van het verleden volgens de maatstaven van tegenwoordig. Mensen beschouwen hun eigen tijd vaak als de enige belangrijke. Daden en gedachten van mensen uit het verleden worden gemakkelijk ‘belachelijk’ of ‘primitief’ genoemd. Het is moeilijk om je echt in een andere tijd in te leven.

Zo kwam het in slavenkoloniën regelmatig voor dat vroegere slaven die waren vrijgelaten of vrijgekocht, zelf ook weer slaven kochten. Hoe kan zoiets? De grote geleerde Isaac Newton, die de zwaartekrachtwetten formuleerde, geloofde óók in magie. Kettervervolgers geloofden er heilig in dat ze iets goeds deden als ze mensen met een afwijkende godsdienstige opvatting op de brandstapel brachten. Zo zit het verleden vol met dingen die wij ons maar moeilijk kunnen voorstellen.

Als je zulke dingen beoordeelt vanuit het heden, noem je dat presentisme. Dat kan ertoe leiden dat je het gedrag van mensen uit het verleden veroordeelt als onbegrijpelijk en slecht. Maar daar word je niet wijzer van. Je begrijpt dan niet wat er vroeger gebeurde en leert er dus niets van. Je wordt alleen maar bevestigd in wat je tóch al dacht.

2

Op deze vijftiende­ eeuwse Franse afbeelding wordt Karel de Grote (r. 768–814) voorgesteld als een laatmiddeleeuwse Franse koning, met Franse lelies als symbool. Een anachronisme.

Ieder mens is gebonden aan zijn of haar tijd en tot op zekere hoogte aan zijn of haar omstandigheden. Dat wordt ook wel standplaatsgebondenheid genoemd. Je verplaatsen in de tijd is niet mogelijk. Daarom is tijdgebondenheid de duidelijkste vorm van standplaatsgebondenheid. Als je rekening houdt met standplaatsgebondenheid, kun je beter begrijpen waarom mensen vroeger deden wat ze deden. Het eindexamenprogramma zegt het volgende over standplaatsgebondenheid en anachronisme:

v Je kunt menselijk gedrag in het verleden verklaren vanuit de toen en daar bekende en geaccepteerde kennis en waarden en vanuit de identiteit van individuen en groepen die in die tijd of op die plaats leefden en hierbij rekening houden met verschillende factoren die de standplaatsgebondenheid van mensen of een groep bepalen, zoals: waarden, politieke, sociaaleconomische en culturele oriëntatie, kennis, gender en karakter.

v Je kunt bij morele oordelen over het verleden anachronistisch toepassen van kaders van waarden en normen op het verleden herkennen.

Chronologie en anachronisme

v Examenvraag over chronologie

De opgave

Chronologie wordt op het examen vrijwel altijd getoetst met een ‘volgordevraag’, meestal de eerste vraag die je tegenkomt. Je krijgt een lijst gebeurtenissen te zien die met één onderwerp of thema te maken heeft, in dit geval de Groningse Der Aa­kerk.

De volgende gebeurtenissen uit het verleden van de Der Aa­kerk staan in willekeurige volgorde:

a Ook in Groningen viel de groeiende welvaart samen met ontkerkelijking, waardoor de Der Aa­kerk in verval raakte.

b Toen de Franse revolutionaire legers de Republiek binnentrokken, gebruikten ze de Der Aa­kerk als opslagplaats voor hooi en levensmiddelen en als paardenstal.

c In de tijd dat missionarissen het christendom in Noord­Nederland verspreidden, stond op de plek waar later de Der Aa­kerk verrees een kleine houten kapel.

d De kerk werd gebruikt als doorgangshuis voor onderduikers, zonder dat de Duitse bezetters dat merkten.

e Otto III, bisschop van Utrecht, bevestigde de rechten van de kerk, die vooral werd bezocht door schippers en kooplui van de door handel opbloeiende stad.

f Nadat het leger van stadhouder Maurits Groningen veroverde, werden de altaren in de kerk ontmanteld om de kerk geschikt te maken voor protestantse kerkdiensten.

Het antwoord

stap 1 — Let niet op het onderwerp waarover de gebeurtenissen gaan (in dit geval de Der Aa­kerk). Daaraan heb je niks om de vraag te beantwoorden en het leidt je alleen maar af.

stap 2 — Kijk bij elke gebeurtenis wat voor algemeens erin te vinden is. In dit geval zou dat zijn: A ontkerkelijking; B Franse Revolutie; C christelijke missionarissen; D onderduikers; E opbloei van handel; F verovering door Maurits (protestantisme en Tachtigjarige Oorlog).

stap 3 — Bedenk bij elk van deze algemene dingen bij welk tijdvak (of welk kenmerkend aspect van een tijdvak) ze horen. Gebruik de lijst kenmerkende aspecten bij de examenopgaven. Dat wordt dan: A de ‘jaren zestig’ (tijdvak 10); B de democratische revoluties (tijdvak 7); C de kerstening van Europa (tijdvak 3); D de Duitse bezetting van Nederland (tijdvak 9); E de opkomst van handel en ambacht (tijdvak 4); F Reformatie en Nederlandse Opstand (tijdvak 5).

Nu is het makkelijk de juiste volgorde te bepalen door de tijdvakken in de juiste volgorde te zetten. Het antwoord luidt dus: C – E – F – B – D – A.

v Examenvraag over standplaatsgebondenheid

De opgave

De Portugese missionaris Diego del Santissimo Sacramento bezocht rond 1584 prehistorische rotstekeningen bij de Afrikaanse stad M’banza­Kongo.

Hij schreef daarover: ‘Men denkt dat het Sint Thomas [een leerling van Jezus] was, die deze teksten in de steen achterliet.’ Leg uit dat Diego del Santissimo Sacramento de prehistorische Afrikaanse cultuur bekeek vanuit zijn eigen wereldbeeld.

Het antwoord

In de opgave staat: ‘vanuit zijn eigen wereldbeeld’. Het gaat daarbij om de gebondenheid van de Europese missionaris aan zijn christelijke achtergrond. Zo iemand ging ervan uit dat de christelijke god en christelijke heiligen altijd en overal aanwezig waren. Dus kon hij prehistorische tekeningen alleen maar zien als iets dat daarmee te maken had, ook al is dat volgens ons onmogelijk. Maar voor hem niet. Je moet je in dat standpunt verplaatsen.

Dus luidt je antwoord:

Voor een Portugese missionaris was het christendom zó vanzelfsprekend, dat hij alles wat hij tegenkwam daarmee in verband bracht. Hij kon zich niet voorstellen dat de tekeningen door een Afrikaanse beschaving waren gemaakt en verklaarde ze dus vanuit zijn christelijke kennis.

COriëntatiekennis

Kenmerkende aspecten van tien tijdvakken

Jagers &

boeren tot ca. 800 v.C.

Het eerste tijdvak is enorm lang : zo’n 200 000 jaar. Het gaat over het oudste bestaan van de mensheid. De hele Prehistorie en een deel van de Oudheid horen bij dit tijdvak. We onderscheiden drie bestaanswijzen: die van jager-verzamelaars, die van de eerste landbouwers, en die van de eerste stedelijke beschavingen.

1 Jager-verzamelaars

2 De eerste landbouwers

3 De eerste stedelijke beschavingen

Grotschildering uit Lascaux (Frankrijk), ongeveer 15 000 jaar geleden gemaakt door een jagerscultuur.

1 Jager-verzamelaars

De eerste groepen mensen leefden van en in de natuur zonder iets aan de natuur te veranderen. Ze verzamelden plantaardig voedsel en jaagden op dieren. Deze kleine groepen mensen kenden meestal geen vaste woonplaatsen of ze hadden woonplaatsen die wisselden met de seizoenen. Dat wordt een nomadisch bestaan genoemd: een rondtrekkend bestaan. Bekende overblijfselen van deze culturen zijn grotschilderingen, zoals die van Lascaux in Frankrijk. De tijd van de jager-verzamelaars noemen we ook wel de Oude Steentijd. De stenen gebruiksvoorwerpen uit deze tijd zijn ruw en ongepolijst.

2 De eerste landbouwers

Waarschijnlijk zo’n 10 000 jaar geleden ontdekten mensen dat ze zelf voedsel konden produceren. Ze legden akkers aan waarop bepaalde plantensoorten werden ingezaaid en gingen dieren houden als vee. Dat was een grote ommekeer in het bestaan van de mensheid: een revolutie. Deze wordt landbouwrevolutie of neolithische revolutie genoemd.

Het woord neolithisch is afgeleid van Nieuwe Steentijd (van Grieks neos (νέος ) = nieuw en lithos ( λίθος ) = steen). De Nieuwe Steentijd begon met de uitvinding van de landbouw.

Door landbouw en veeteelt konden mensen zich vestigen op vaste woonplaatsen. Ze konden samenleven in grotere groepen dan jager-verzamelaars. De stenen voorwerpen uit deze tijd zijn glad gepolijst. Ook werd er aardewerk gemaakt: potten waarin landbouwproducten konden worden bewaard en gekookt.

De belangrijkste verandering was dat de mensen waren begonnen de aarde te bewerken. Ze veranderden de natuur. Doordat mensen de aarde in cultuur brachten, is in de loop van de laatste 10 000 jaar de aanblik van de aarde onherkenbaar veranderd.

3 De eerste stedelijke beschavingen

Ongeveer 5000 jaar geleden ontstonden stedelijke beschavingen (in het Engels aangeduid met ‘civilization’). Ze bloeiden op langs enkele rivierdalen in de wereld. De vruchtbaarheid van de rivierdalen maakte landbouw mogelijk met relatief hoge opbrengsten. Daardoor konden hoger ontwikkelde samenlevingen ontstaan waarin niet iedereen meer bezig hoefde te zijn met het werk op het land.

Voor Europeanen zijn de beschavingen van het oude Egypte (langs de Nijl) en van Mesopotamië (langs de Eufraat en de Tigris) het bekendst, maar er waren meer oude beschavingen, bijvoorbeeld in India en China. Kenmerkend voor een ‘civilization’ zijn:

v wonen in ommuurde steden.

v het schrift (schrijfkunst).

v een ontwikkelde politieke organisatie onder leiding van priesters en godkoningen.

v ontwikkelde vormen van kunst en architectuur.

Een bekend voorbeeld van godkoningen waren de farao’s in het oude Egypte. Met een godkoning wordt bedoeld: een koning die wordt beschouwd als een vertegenwoordiger van de goden en die zélf ook wordt gezien als een god of halfgod.

Ploegende boer in het oude Egypte. Wandschildering in een grafkamer, ca. 1200 v.C.

De Ishtar-poort van Babylon. Reconstructietekening uit 1927.

DOnderwerpen voor het schoolexamen Thema’s

D 1 Het slavernijverleden

In onze ogen is slavernij misdadig en onmenselijk. Toch was slavernij duizenden jaren lang normaal in bijna de hele wereld. Hoe komt het dat de normen en waarden over slavernij zo ingrijpend zijn veranderd?

als het in nederland over slavernij gaat, denk je waarschijnlijk aan de situatie in de vroegere Nederlandse koloniën Suriname, Indonesië en de Caribische eilanden. Maar er zijn in het verleden veel meer voorbeelden van slavernij geweest: bijna altijd en bijna overal was er slavernij. Hoe past het Nederlandse slavernijverleden in dit algemene beeld?

1 Een wereld vol slaven

v C3 — De eerste stedelijke beschavingen v C6 — Het Romeinse wereldrijk

Slavernij is tegenwoordig in geen enkel land legaal, hoewel volgens de Global Slavery Index in 2023 nog zo’n 50 miljoen mensen in een vorm van ‘moderne slavernij’ leefden. In 1981 verbood Mauritanië als laatste land ter wereld officieel de slavernij. Dwangarbeid, gedwongen huwelijken, mensenhandel en afgedwongen orgaanhandel worden gezien als ‘moderne slavernij’. Overheden van alle landen zouden die actief moeten bestrijden, maar dat gebeurt niet overal.

Moderne slavernij is echter wel iets anders dan de slavernij die vóór 1800 bestond. Toen was slavernij wettelijk toegestaan en werd slavernij door veel mensen als iets normaals beschouwd. Vrijwel elke samenleving kende voor 1800 zulke officiële, wettelijk geregelde slavernij, behalve West­Europa. Een slaaf was een mens die beschouwd werd als het bezit van een ander mens. De bezitter kon in principe alles met zo’n slaaf doen: hem werk laten doen (zonder betaling uiteraard), hem offeren aan de goden, hem verkopen aan een ander.

In de oude beschavingen in Mesopotamië en Egypte, de Griekse wereld en het Romeinse Rijk vormden slaven een aanzienlijk deel van de bevolking. Zij deden vrijwel al het werk. Ook in het oude China en Japan, in de Amerikaanse beschavingen vóór Columbus, in de islamitische wereld en in Afrikaanse koninkrijken was slavernij een normaal verschijnsel

Dit hoofdstuk

In dit hoofdstuk zetten we het Nederlandse slavernijverleden in een ruimere historische context. In de eerste twee paragrafen (1 en 2) bespreken we hoe slavernij bijna overal op de wereld eeuwenlang voorkwam, wat daarvan de oorzaken waren en welke gevolgen dit had voor de slaven. In de daaropvolgende twee paragrafen (3 en 4) kijken we naar Afrika: hoe was het daar gesteld met slavernij, en waarom ontstond er vanuit Afrika een mensenhandel door Europeanen die slaven over de Atlantische Oceaan transporteerden? Vervolgens komen er twee paragrafen (5 en 6) over de rol van Nederland: hoe kwamen Nederlanders ertoe in slaven te handelen en hoe werd daarover vroeger in Nederland gedacht? Daarna gaan we in op de wrede behandeling van slaven, manieren waarop zij daartegen in verzet kwamen, en hoe de slavernij uiteindelijk werd afgeschaft (paragraaf 7 en 8).

De negende en laatste paragraaf gaat over de sporen die slavernij in de wereld van vandaag heeft achtergelaten. Daarna volgt een conclusie waarin we het verhaal van het slavernijverleden nog eens op een rij zetten.

dat op grote schaal voorkwam. In Rusland was de meerderheid van de boerenbevolking nog tot 1861 het bezit van landheren. Hoe kwam het dat er bijna overal slavernij bestond?

Veel mensen raakten in slavernij door oorlog. Een vorst die een oorlog won, meende dat hij vrij kon beschikken over de overwonnen bevolking. Wat te doen met het verslagen leger? De strijders zomaar laten gaan was niet verstandig. Vroeg of laat zouden ze hun nederlaag willen wreken. Beter was het dan om alle vijanden op het slagveld maar af te slachten. Een andere optie was om ze als krijgsgevangenen af

Slavenmarkt in het oude Rome. Afbeelding uit de 19de eeuw.
Arabische slavenkaravaan. Afbeelding uit de 19de eeuw.

eHistorische contexten

Onderwerpen voor het Centraal Examen

1 Steden en burgers in de Lage Landen

In Nederland wordt niet hoog opgekeken naar autoriteiten. Verschillen tussen arm en rijk zijn er verhoudingsgewijs klein en er is weinig verschil tussen hogere en lagere standen. Hoe is Nederland zo’n burgerlijk land geworden?

in 2023 lag de inkomensongelijkheid in Nederland ruim onder het gemiddelde van alle 27 EU-landen. Alleen in Tsjechië, België, Slovenië en Slowakije waren de inkomensverschillen kleiner. Nederlanders kijken niet erg op tegen mensen die hoger geplaatst zijn. De norm in Nederland is dat je ‘gewoon doet’, dat je je niet te veel onderscheidt van anderen en geen ‘kapsones’ hebt. Vergeleken met andere landen heeft Nederland al eeuwenlang een opmerkelijk burgerlijk karakter. Met ‘burgerlijk’ wordt hier niet bedoeld: staatsburgers die deelnemen aan het bestuur van hun land (zie het hoofdstuk Rechtsstaat en democratie in deel D van dit boek). Het gaat om stadsburgers: mensen die leven van handel en ambacht. Zij zijn al honderden jaren de toonaangevende sociale en politieke groep in Nederland. In andere landen was de grootgrondbezittende adel altijd het belangrijkst. In Nederland waren altijd maar weinig grote adellijke landgoederen en kastelen.

1 Een middeleeuwse metropoolregio

v C13 — Opkomst van handel en ambacht v C14 — Steden met stadsrecht v C17 — Het begin van staten

In de tijd van steden en staten herleefden de steden in Europa. Landbouwopbrengsten groeiden door het in cultuur brengen van woeste gronden en het gebruik van nieuwe technieken, zoals een betere ploeg en een beter tuig om paarden voor een ploeg te spannen. Daardoor was bevolkingsgroei mogelijk. Meer mensen konden zich bezighouden met handel en ambacht in plaats van met landbouw. Vorsten kregen meer greep op hun gebied en zorgden voor meer veiligheid. Dat bood nieuwe kansen voor handel over langere afstanden. Met de handel herleefde ook de geldeconomie.

Dit hoofdstuk

In dit hoofdstuk gaan we op zoek naar een historische verklaring voor het burgerlijk-egalitaire karakter van Nederland. In paragraaf 1 bespreken we de opkomst van steden in de Middeleeuwen en de toenemende economische en politieke macht van stadsburgers die daarvan het gevolg was. In paragraaf 2 beschrijven we hoe het streven van stadsburgers naar zelfbestuur in de vijftiende eeuw ingeperkt werd door het optreden van Bourgondische vorsten die naar centralisatie streefden. In paragraaf 3 en 4 leggen we uit hoe deze politieke tegenstelling tussen stadsburgers en vorsten in de zestiende eeuw door de protestantse Reformatie op de spits werd gedreven en zelfs tot een opstand leidde die van de Noordelijke Nederlanden een onafhankelijke republiek maakte. In paragraaf 5 en 6 beschrijven we hoe de Nederlandse Republiek zich staande wist te houden tussen machtige koninkrijken en hoe daar in de ‘gouden’ zeventiende eeuw economische welvaart en een burgerlijke cultuur tot ontwikkeling kwamen.

metropool vlaanderen L Een blik op de kaart van Europa maakt duidelijk waar de herlevende middeleeuwse steden vooral te vinden waren: in het noorden van Italië en in het zuiden van de Nederlanden — twee middeleeuwse metropoolregio’s. In de Italiaanse steden was de macht vaak in handen van adellijke families die een kasteel of versterkt huis in de stad bewoonden. In de steden in de Nederlanden gaven burgers de toon aan. Deze middeleeuwse stadsburgers worden ook wel aangeduid als poorters omdat zij binnen de poorten van een stad woonden. Vlaanderen was het Nederlandse gewest met de meeste steden.

russische vorstendommen

ierland

frankrijk

Gent Gent

heilige

roomse rijk

Stad met 10 000 – 50 000 inwoners

Stad met meer dan 50 000 inwoners

Dichtbevolkt, verstedelijkt gebied

Verstedelijking in Europa omstreeks 1300. 1

Het vervaardigen van wollen stoffen was de tak van nijverheid waar de welvaart in de Vlaamse steden op gebaseerd was. Deze stoffen werden aangeduid als laken, wat overigens niets te maken heeft met beddenlakens van tegenwoordig; het gaat om stoffen van goede kwaliteit waarvan kleding gemaakt werd. In de elfde eeuw was de stad Atrecht (tegenwoordig Arras in Noord-Frankrijk) de eerste Nederlandse stad waarin de lakennijverheid opbloeide. Dat werd vergemakkelijkt door de aanwezigheid van een goed lopende schapenhouderij in de regio. Atrecht was nog een oude Romeinse stad waar een bisschop zetelde. Na het jaar 1000 kwam deze in verval geraakte stad opnieuw tot ontwikkeling. Wat later werd de leidende rol van Atrecht overgenomen door meer naar het noorden gelegen Vlaamse steden als Brugge en Gent. Dat waren geen oude Romeinse steden, maar nieuwere centra, gesticht rond een burcht van de Vlaamse graaf (Brugge) of gegroeid rond abdijen (Gent).

Brugge en Gent behoorden rond 1300 tot de grootste steden van Noordwest-Europa. Ze hadden elk omstreeks 50 000 inwoners, wat in die tijd heel veel was voor een stad. Alleen Parijs (ca. 200 000 inwoners) was toen duidelijk groter.

handelsstromen L In de tijd van monniken en ridders bestonden tussen Noord- en Zuid-Europa bijna geen contacten. De onveiligheid in het feodale Europa maakte handel over langere afstanden toen onmogelijk. In de tijd van steden en staten werden de verbindingen hersteld. De uitwisseling tussen Vlaanderen en Noord-Italië verliep aanvankelijk vooral via jaarmarkten in Midden-Frankrijk waar kooplieden uit Noord en Zuid elkaar konden ontmoeten. Een stad als Atrecht profiteerde daarvan.

Een rechtstreekse verbinding tussen Vlaanderen en Italië was natuurlijk beter dan jaarlijks georganiseerde markten. Zeeroutes boden hiervoor de beste

Cordoba Granada
Sevilla
Barcelona
Genua
Milaan Venetië
Florence Siena
Napels
Palermo
Salonika
Constantinopel
Keulen
Parijs
litouwen
hongarije

boom.nl   /  voortgezet-onderwijs

April 2026

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
FORUM_Geschiedenis_LEERBOEK_vwo_bovenbouw_voorbeeldkatern_April_2026_32pp by Boom beroepsonderwijs - Issuu