Opdrachtenboek vmbo-kgt 4 Hoe werk je met dit opdrachtenboek 6
1 Regeren in Nederland 8 2 De Eerste Wereldoorlog 30 3 Totalitaire dictaturen tegenover democratie 54
4 De Tweede Wereldoorlog 74 5 Europa en de wereld 94 6 Een nieuw Nederland 114 Gegevens over afbeeldingen 134
Regeren in Nederland 1
Inleiding
Leerboek, p. 8–9
1 a Noem drie verschillen tussen een koning en een gekozen politieke leider. Gebruik ook de afbeeldingen in het leerboek op p. 9. r
b Welke grote verandering wordt in dit hoofdstuk beschreven? r
AMachtige koningen
Leerboek, p. 10–11
v Verwerking
1 Gebruik het schema onderaan deze pagina
Neem het schema over en vul het in. t 1
2 a Leg uit wat het verschil is tussen een absolute monarchie en een constitutionele monarchie. t 2
b Leg uit dat een koning in een constitutionele monarchie geen dictator kan zijn. t 2
3 Leerboek, afbeelding 1
Je ziet hoe de koning zweert dat hij zich aan de grondwet zal houden. Bedenk wie degenen zijn die daarbij in het publiek zitten.
Leg je antwoord uit. i
Nederland was een
De Oranjes waren
Veel macht had(den)
voor 1800 na 1800
2 a Troelstra was een socialistische politieke leider. Leg uit wat socialisme inhoudt, of zoek op wat het inhoudt. t 1
b Bedenk wat Troelstra zou hebben gevonden van een koning zoals koning Willem II. i
4 Leg uit waarom Willem I liever koninklijke besluiten nam dan dat hij wetten maakte. t 1
5 Leerboek, afbeelding 2
a Bedenk wat de koning tegen de veteraan zei. i
b Je ziet dienaren van de koning rechts verzoekschriften verzamelen. Wat deed de koning daarmee? Kies het antwoord. t 1
A Ze allemaal lezen en toestaan wat er gevraagd werd.
B Ze allemaal lezen en alleen iets toestaan als hij dat zelf goed vond.
C Ze laten lezen door zijn ambtenaren en hen laten beslissen.
D Ze weggooien zonder ze te lezen.
6 a Wat wilden de liberalen veranderen? r
b Leg uit waarom liberalen de naam ‘liberalen’ hadden gekozen. t 1
7 Leerboek, afbeelding 3
Je ziet een gevecht tussen mensen in de straat en mensen die vanaf een balkon terugschieten. Bedenk wie de mensen in de straat en de mensen op het balkon waren. Leg je antwoord uit. i
8 Hoe reageerde koning Willem II op de plannen van Thorbecke? Leg uit waarom. t 1
v Toepassing
9 Gebruik bron 1
a Wie heeft deze tekst waarschijnlijk geschreven en over wie gaat hij? Kies het antwoord en leg je keuze uit. t 2
A Koning Willem II over koning Willem I.
B Thorbecke over koning Willem I.
C Koning Willem I over Thorbecke.
b Wat bedoelde de schrijver met de zin: ‘Hij was zelf eigenlijk de minister op alle ministeries’? t 2
c Was de schrijver positief over deze politieke leider, of juist niet? Leg je antwoord uit. t 2
10 Gebruik bron 2
a Leg uit waarom deze prent past bij het liberalisme. t 1
b Leg uit waarom deze prent beter past bij het Franse liberalisme dan bij het Nederlandse liberalisme. t 2
Bron 1
De volgende tekst uit de 19de eeuw gaat over een belangrijke politieke leider van Nederland :
‘Hij was wel bereid om naar adviezen te luisteren, maar wilde niets aan anderen overlaten. Hij was zelf eigenlijk de minister op alle ministeries. Hij wilde geen zelfstandige mensen in dienst hebben. Zijn ministers waren geen staatsdienaren, maar zijn persoonlijke dienaren. Bij de benoeming van ministers lette hij er niet op of zij de regering konden versterken, maar of ze hem zelf goed uitkwamen.
De regering hing helemaal af van wat hij zelf persoonlijk bedacht. Daardoor werden geen bekwame en sterke ministers aangetrokken. Buitengewone mensen vond hij lastig en niet bruikbaar.’
Bron 2 afbeelding 1
De prent van afbeelding 1 werd gedrukt in Parijs. Je ziet een koninklijke troon in de vlammen. 1
Het begin van de democratie
Leerboek, p. 12– 13
v Verwerking
1 Leerboek, afbeelding 4
De demonstranten hebben een rood-wit-blauw spandoek waarop staat ‘Volk, vrijheid, vaderland’.
Leg uit dat dit bij het liberalisme paste. t 2
2 De koning werd in 1848 plotseling liberaal in plaats van conservatief. Dat zei hij tenminste.
a Wat betekent zo’n verandering van conservatief naar liberaal? t 1
b Waarom was de koning ineens van mening veranderd? t 1
c Was de koning echt van mening veranderd of had hij een andere reden had om dit te zeggen? Leg je antwoord uit. t 2
3 Gebruik het schema onderaan deze pagina
Neem het schema over en vul het in. t 1
4 Leerboek, afbeelding 5
Bij welk recht van de Tweede Kamer past deze afbeelding? r
Het recht om …
De Eerste Kamer heeft dit recht ( kruis aan )
5 afbeelding 2
De schema’s van afbeelding 2 laten zien hoe de grondwet in elkaar zat vóórdat Thorbecke die veranderde en ná de veranderingen van Thorbecke.
a Geef bij elk cijfer in het eerste schema een omschrijving. Bijvoorbeeld: [ 2 ] De koning kiest zelf de leden van de Eerste Kamer. t 1
b Geef bij elk cijfer in het tweede schema een omschrijving. Bijvoorbeeld: [ 5 ] De Provinciale Staten kiezen de leden van de Eerste Kamer. t 1
c Leg met het eerste schema uit dat de Staten-Generaal vóór 1848 eigenlijk geen echte volksvertegenwoordiging waren. t 2
d Leg met het tweede schema uit dat de Staten-Generaal ná 1848 meer een echte volksvertegenwoordiging werden. t 2
e Leg met het tweede schema uit hoe de Staten-Generaal na 1848 macht kregen over de regering. t 2
v De opdrachten bij paragraaf B worden vervolgd op p. 12
De Tweede Kamer heeft dit recht (kruis aan)
wetsvoorstellen te veranderen. ◻ ◻
uitgaven van ministers goed- of af te keuren. ◻ ◻ iets grondig uit te zoeken. ◻ ◻
zelf met een wetsvoorstel te komen.
een minister te ondervragen.
Het recht heet …
Kiezers
Kiezers
6 afbeelding 3
Op afbeelding 3 zie je een vergadering van de Tweede Kamer. Links achter de schuine tafel zit de voorzitter. Die geeft aan wie er aan de beurt is om iets te zeggen. Rechts achter de schuine tafel zitten één of meer ministers. a Zoek de juiste combinaties van letters en cijfers. t 1
A Ministers maken plannen bekend of beantwoorden vragen.
B Eén Kamerlid is aan de beurt om te spreken.
C De voorzitter geeft Kamerleden of de minister om de beurt het woord.
D Kamerleden staan klaar om vragen te stellen.
E Journalisten en publiek volgen de vergadering.
F Kamerleden zitten op hun plaats.
b Ministers zijn géén lid van de Tweede Kamer. Bedenk waarom er in de vergaderzaal toch een speciale plaats voor hen is. i
7 Grondrechten verkleinen de macht van de regering. Elk grondrecht geeft aan dat de regering iets niet mag doen. Neem het schema over en vul het in. t 1
Grondrecht : vrijheid van …
… godsdienst meningsuiting
… drukpers vereniging & vergadering
… onderwijs
De regering mag niet …
8 Leerboek, afbeelding 6
Leg uit dat de demonstranten zich niet houden aan het grondrecht waar ze vóór zijn. t 2
Bron 3
Een voorbeeld van een wet die er door het recht van initiatief van de Tweede Kamer is gekomen, is de wet over orgaandonatie. Deze tekst geeft een beschrijving:
‘Soms kan een patiënt alleen geholpen worden met een orgaan uit het lichaam van iemand die overleden is. Vroeger kon dat alleen als iemand voor zijn dood toestemming had gegeven om zijn /haar organen te gebruiken. Weinig mensen gaven die toestemming. Daardoor moesten patiënten meestal lang wachten op een orgaan. Regelmatig overleed iemand tijdens die wachttijd.
Het Kamerlid Pia Dijkstra van D66 maakte een wetsvoorstel waarin stond dat iedereen bij overlijden automatisch donor is, behalve als je vóór je dood hebt vastgelegd dat je géén donor wil zijn.
In 2016 diende Dijkstra het voorstel in. De regering wilde dat toen niet doen, omdat de twee grootste partijen die ministers hadden geleverd het niet eens waren over zo’n plan: de PvdA was er wel voor, maar de VVD niet.
In de Tweede Kamer werd het voorstel op het nippertje aangenomen met 75 stemmen vóór en 74 stemmen tegen.
Daarna ging het naar de Eerste Kamer waar het met 38 stemmen voor en 36 tegen ook werd aangenomen. Daardoor werd het plan van Dijkstra een wet.’
v Toepassing
9 Gebruik bron 3
a Leg uit waarom Dijkstra het recht van initiatief gebruikte. t 2
b Het wetsvoorstel werd in de Tweede én de Eerste Kamer met een heel kleine meerderheid aangenomen. Hoe zou je dat kunnen verklaren? t 2
Bron 4
Grondrechten lijken heel eenvoudig: sommige dingen mag de regering niet doen. Maar zo simpel is het niet altijd. Grondrechten kunnen ook met elkaar in strijd zijn:
‘Een belangrijk grondrecht is het verbod op discriminatie. Iedereen in Nederland moet gelijk behandeld worden, iedereen heeft gelijke rechten. Maar er zijn mensen die zeggen dat volgens hun godsdienst vrouwen minder rechten hebben dan mannen. Zij zeggen dan: “Er is toch vrijheid van godsdienst? Dus mogen wij vrouwen minder rechten geven, want dat is een regel van onze godsdienst.”
Vrijheid van meningsuiting kan ook een probleem zijn. Als het jouw mening is dat niet iedereen gelijk hoeft te worden behandeld, mag je dat dan zeggen? Of is dat niet toegestaan omdat je niet mag discrimineren? Maar er is toch vrijheid van meningsuiting?’
c Stel dat in de Tweede Kamer alleen een meerderheid voor het plan zou kunnen worden gehaald als er nog iets aan veranderd werd. Zou dat dan kunnen?
Leg je antwoord uit. t 2
d Stel dat in de Eerste Kamer alleen een meerderheid voor het plan zou kunnen worden gehaald als er nog iets aan veranderd werd. Zou dat dan kunnen?
Leg je antwoord uit. t 2
10 Gebruik bron 4
a Leg uit hoe het discriminatieverbod en de vrijheid van godsdienst met elkaar kunnen botsen. t 1
b Leg uit hoe het discriminatieverbod en de vrijheid van meningsuiting met elkaar kunnen botsen. t 1
c Kan het ene grondrecht volgens jou belangrijker zijn dan het andere grondrecht?
Leg je mening uit. i
C
Koning en parlement
Leerboek, p. 14 – 15
v Verwerking
1 In de grondwet staat: ‘De koning is onschendbaar’. Wat betekent dat? Kies het antwoord. r
A De koning heeft geen macht.
B De koning kan geen fouten maken.
C De koning kan niet aangesproken worden op wat hij zegt of doet.
D De koning staat hoog boven iedereen, is onbereikbaar.
2 Leg uit welke gevolgen de ministeriële verantwoordelijkheid heeft voor de vrijheid van de koning. t 1
3 a Hoe probeerde koning Willem III na 1848 toch nog macht te behouden? t 1
b Beschrijf hoe de oplossingen van koning Willem III misliepen. t 1
4 a Waarom was de Tweede Kamer boos over de ‘Luxemburgse kwestie’? r
b Wat deed de Tweede Kamer toen? t 1
c En hoe reageerde de koning? t 1
5 Leerboek, afbeelding 8
a Hoe liet de koning zien dat het hier ging om een plechtige boodschap namens hemzelf voor heel Nederland? t 1
b Onder de tekst staat alleen ‘Willem’. Er staat geen naam van een minister bij. Kon de koning dat zomaar doen? Leg je antwoord uit. t 2
c De koning liet zijn ministers blijven, maar vroeg de kiezers een parlement te kiezen dat beter bij zijn ministers paste. Leg uit dat dat niet erg democratisch was. t 1
6 Leg uit dat een koning niet zomaar ministers kan benoemen die hij zelf wil. t 1
7 Wat is het verschil tussen een ‘koninklijk kabinet’ en een ‘parlementair kabinet’? t 1
8 Wat houdt de vertrouwensregel in? Kies het antwoord. t 1
A Alle Tweede Kamerleden moeten achter de ministers staan.
B De koning moet vertrouwen hebben in zijn ministers.
C De meerderheid van het volk moet achter de koning staan.
D Meer dan de helft van de Tweede Kamerleden moet achter de ministers staan.
9 De kiezers van Nederland kiezen de Tweede Kamer en (indirect) ook de Eerste Kamer. De kiezers kiezen géén ministers. Leg uit waarom een Nederlandse regering tóch democratisch genoemd kan worden. t 2
v Toepassing
10 Gebruik bron 5
a Bedenk of de herinneringen van de minister uit de tijd vóór 1867 komen of uit de tijd daarná. Leg je antwoord uit. i
b Kan een koning gewoon zeggen ‘daar komt niets van in’ als hij het niet eens is met een plan van een minister? Leg je antwoord uit. t 2
Bron 5
Minister Weitzel beschrijft in zijn herinneringen koning Willem III :
‘Als de koning weer eens een woedeaanval heeft, stijgt het bloed hem plotseling naar het hoofd, hij fronst zijn wenkbrauwen en de aderen van zijn voorhoofd zwellen op. Soms lost zo’n onweer zich eenvoudig weer op. De koning geeft dan alleen een norse afwijzing op het voorstel van de minister : “Daar wil ik niets van weten!” Soms volgt er ook een storm van woede. De minister doet er verstandig aan om die kalm aan te horen en de koning te laten uitbulderen.
Als er ook maar iets belangrijks besproken moet worden, moet de minister de koning daar eerst schriftelijk van op de hoogte stellen. Als een minister probeert alleen mondeling iets aan de koning voor te stellen, dan valt Zijne Majesteit hem al bij zijn eerste woorden in de rede: “Daar komt niets van in!” Hij is dan moeilijk tot andere gedachten te brengen. Iemand die zo hoog staat als hij, kan zich immers niet vergissen of ongelijk hebben. Dat denkt hij. Als hij de plannen eerst schriftelijk krijgt, dan moet hij ze tenminste helemaal lezen.’
11 Gebruik bron 6
a Is het volgens de ministeriële verantwoordelijkheid logisch dat de koning deze televisietoespraak hield? Leg je antwoord uit. t 2
b Wat kan de reden zijn geweest dat de televisietoespraak werd gehouden? Kies het antwoord. t 2
A Buitenlandse vakanties zijn een privézaak van de koning; daar hebben ministers niets mee te maken.
Bron 6 afbeelding 4
Tijdens de zogenaamde ‘coronacrisis’ in de jaren 2020–2022 heerste er in Europa een besmettelijk virus. Om zo min mogelijk mensen besmet te laten raken, moesten Nederlanders zo veel mogelijk thuisblijven en weinig contacten hebben met anderen. Reizen naar het buitenland konden al helemaal niet. Maar koning Willem-Alexander ging met zijn gezin tóch naar Griekenland op vakantie. Later sprak hij in een televisietoespraak zijn spijt daarover uit:
‘Met spijt in het hart richt ik mij tot u. Onze reis naar Griekenland heeft bij heel veel Nederlanders hevige reacties opgeroepen. Het doet pijn uw vertrouwen in ons beschaamd te hebben. Het was heel onverstandig van ons om geen rekening te houden met de inwerking van de nieuwe beperkingen op onze samenleving. Ons eigen besluit terug te keren is genomen vanuit het besef dat we niet hadden moeten gaan.’
B De koning vond deze fout zó erg, dat hij vond dat hij in dit geval zelf verantwoordelijk was.
C De ministers hadden de koning aangeraden de televisietoespraak te houden; over de tekst hadden ze samen overlegd.
Strijd
D v Verwerking
om het kiesrecht
Leerboek, p. 16 – 17
1 a Thorbecke was als liberaal vóór democratie. Leg uit waarom hij toch niet iedereen kiesrecht wilde geven. t 1
b Liberalen waren voor beter onderwijs. Een liberale partij als D66 is dat tegenwoordig nog steeds. Leg het verband uit tussen onderwijs en democratie. t 1
2 Leerboek, afbeelding 10
a Leg uit waarom deze afbeelding goed past bij het caoutchouc-artikel. t 2
b Eén soort kiezers wordt door de tekenaar nog steeds als de voornaamste soort kiezers afgebeeld. Welke soort kiezers was dat? t 1
c Bij de invoering van het caoutchouc-artikel was er continuïteit en verandering. Leg dat uit. t 2
3 Leerboek, afbeelding 11
a Bedenk of de makers van dit affiche liberalen waren of strenggelovige christenen. Leg je antwoord uit. i
b Wat was volgens de makers van dit affiche het voordeel van openbare scholen – en dus het nadeel van bijzondere scholen? t 1
c Hebben de makers van dit affiche door de afloop van de schoolstrijd gelijk gekregen? Leg je antwoord uit. t 1
4 Liberalen behoorden meestal tot de rijkere burgerij. Strenggelovige christenen waren meestal meer eenvoudige mensen.
a Leg uit waarom de christenen — in verband met de schoolstrijd — belang hadden bij uitbreiding van het kiesrecht. t 2
b Leg uit wat die uitbreiding van het kiesrecht te maken had met emancipatie. t 2
5 afbeelding 5
Voor de ‘bijzondere scholen’ werd soms gecollecteerd. De man links op de afbeelding zegt: ‘Ik wil best mijn handtekening zetten, maar om geld moet je niet bij mij komen.
De Bijbel krijgen we toch wel gratis — ook zonder die ‘scholen met de Bijbel’.’
a Leg uit waarom voor bijzondere scholen werd gecollecteerd. t 1
b Leg uit waarom de gelovigen niet zo gemakkelijk geld konden geven. t 1
c Leg uit dat deze prent uit de periode vóór 1917 afkomstig is. t 1
6 Leerboek, afbeelding 12
a De politicus die heel blij wegloopt met het algemeen kiesrecht, was een socialist. De aanhangers van de socialisten behoorden meestal tot de armste mensen. Leg uit waarom die politicus zo blij was. t 1
b Bedenk bij welke politieke stroming de politicus hoorde die de ‘bijzondere school’ blij in ontvangst neemt. i
c De vrouw die rechts staat, krijgt niks. Wat betekent dat? t 1
d Om de grondwet te kunnen veranderen is een tweederde meerderheid nodig in de beide Kamers van de Staten-Generaal; dus 100 van de 150 Tweede Kamerleden en 50 van de 75 Eerste Kamerleden moeten ervóór stemmen. Bedenk hoe de regering in 1917 zo’n grote meerderheid kon behalen. i
Districtenstelsel
Evenredige vertegenwoordiging
Voordelen Nadelen
7 Neem het schema hierboven over en vul het in. t 1
v Toepassing
8 Gebruik bron 7
Wat wilde de tekenaar met de prent zeggen?
Kies het antwoord. t 1
A De grondwet van Thorbecke stond vol met voorrechten voor de rijken.
B Thorbeckes grondwet was vóór democratie, maar de rijken hielden het kiesrecht voor zichzelf.
C Thorbecke had zijn grondwet niet voor alle Nederlanders bedoeld.
D Thorbecke verdiende eigenlijk geen standbeeld.
9 Gebruik bron 8
a Van welke politieke stroming was de spreker waarschijnlijk een aanhanger?
Leg je antwoord uit. t 1
b Noem twee bezwaren die hij heeft tegen bijzondere scholen. r
Bron 8
In 1886 werd de volgende toespraak gehouden:
‘Wij willen dat onze kinderen samen naar één school gaan: de kinderen van protestanten en liberalen, van roomsen en joden. Wij willen dat zij naast elkaar op één bank zitten, uit één boek lezen, en naar dezelfde onderwijzer luisteren. Elke cent die uit-
Bron 7 afbeelding 6
In Amsterdam staat een standbeeld van Thorbecke.
Met zijn rechterhand steunt hij op een boek met de grondwet en in zijn andere hand houdt hij de geschreven teksten voor de grondwet. Tekenaar Albert Hahn maakte deze tekening waarop je ziet hoe eenvoudige burgers naar Thorbecke omhoogklimmen en hun hand uitstrekken naar de grondwet. Achter het beeld van Thorbecke staat een rijke heer, die zegt: ‘Blij eraf! Dat is niet voor jullie geschreven!’
6
gegeven wordt aan christelijke scholen zorgt voor de toename van tweedracht onder ons volk. Elke cent die daarvoor wordt uitgegeven vervuilt de kinderwereld doordat de ruzies onder grote mensen op hen worden overgebracht. De wereld mag voor hen niets anders zijn dan een kinderwereld; een wereld van stille ontwikkeling, ongestoorde vrede en zorgeloze blijdschap.’
E
Politieke
partijen
Leerboek, p. 18 – 19
v Verwerking
1 a Waarom kenden kiezers in de tijd van het censuskiesrecht de kandidaten vaak persoonlijk? r
b In het districtenstelsel kenden de kiezers de kandidaten ook goed. Leg uit waarom. t 2
2 Leerboek, afbeelding 13
Je ziet heren met hoge hoeden die hun stem uitbrengen.
a Waarom waren het alleen heren? t 1
b Hoge hoeden hoorden bij de rijkeren, petten bij de armeren. Waarom zien we alleen hoge hoeden? t 1
3 Waarom waren politieke partijen een goede oplossing toen er meer kiezers kwamen? t 1
v Lees voor de volgende opdrachten eerst tekstblok 14, 15 en 16.
4 Gebruik het schema onderaan deze pagina Neem het schema over en vul het in. De leider van de liberalen ken je nog uit vorige paragrafen. t 1
5 Leg uit dat liberalen en socialisten tegengestelde meningen hadden over de volgende punten. t 2
a belastingen
b de vrije markt
c ondernemers
6 Leg uit dat liberalen en confessionelen tegengestelde meningen hadden over het onderwijs. Kijk eventueel terug in paragraaf D, tekstblok 11. t 2
7 Leerboek, afbeelding 14, 15 en 16
a Noem een overeenkomst tussen de drie posters. t 1
b De partijen laten zien waar ze vóór of tégen zijn. Welke partij laat het duidelijkst zien waar ze vóór is? Leg je antwoord uit. t 2
c Kijk nog eens naar opdracht 3. Waarom moesten partijen goed duidelijk maken waar ze vóór of tegen waren? t 2
partij leider aanhangers vooral belangrijk programmapunt liberalen
In 1903 was er in Nederland een grote spoorwegstaking. Deze prent verscheen toen in een krant met als bijschrift: ‘Het hele raderwerk staat stil als uw machtige arm het wil’.
v Toepassing
8 Gebruik bron 9
a Wat voor iemand is degene die op de afbeelding zijn ‘machtige arm’ opheft? t 1
b Wat voor mensen zijn degenen die machteloos aan zijn broekspijpen trekken? t 1
c In wat voor krant zou deze prent verschenen zijn: een confessionele, een socialistische of een liberale krant? Leg je antwoord uit. t 2
9 Gebruik bron 10
Welke tekst is van een confessionele, welke van een liberale en welke van een socialistische leider? Leg je keuzes uit met telkens een verwijzing naar de tekst. t 2
Bron 10
De volgende drie teksten zijn van politieke leiders uit de 19de eeuw :
‘Op ons partijbureau komen brieven binnen met aanklachten van hongerlijdende wevers in Twente. Met vervloekingen tegen ‘koning Stork’. * Brieven van uitgezogen veenarbeiders, van uitgemergelde vrouwen en meisjes op de suikerfabrieken — één daarvan heette ‘het Moordhol’. Brieven op een flard pakpapier, op de helft van een kruidenierszak, met petroleumvlekken, met vetvlekken, met olievlekken, met margarinevlekken. Brieven waaruit het leed sijpelde als bloed uit een wond.’
* Stork was in Twente een grote ondernemer.
‘De waarheden van de godsdienst zijn heel geschikt om ondernemers en arbeiders met elkaar te verzoenen en tot samenwerking te brengen. Beide groepen moeten worden herinnerd aan hun plichten. De arbeiders moeten volledig en trouw het werk leveren waartoe zij zich in hun arbeidscontract hebben verplicht. Zij mogen hun baas geen schade toebrengen. De bazen mogen hun loontrekkers niet als slaven beschouwen. Ze moeten respect hebben voor de waardigheid van hun arbeiders als mens, als christen. Ze moeten bedenken dat loonarbeid geen schande is voor een mens, maar een eer, omdat hij de kans krijgt daarmee in zijn levensonderhoud te voorzien.’
‘Iedere burger moet veilig zijn in zijn eigen huis. Hij moet vrij kunnen reizen in zijn land. De burger moet beschermd worden tegen elk willekeurig optreden van de staatsmacht. Burgers moeten samen kunnen komen om hun ideeën uit te wisselen. Daarna kunnen ze gedachten formuleren waarover zij het allemaal eens zijn. Dat kan alleen als er een vrije pers is. Vertegenwoordigers van het volk moeten in de hoofdstad de mening van de burgers naar voren brengen. Daarom moeten er vrije verkiezingen zijn.’
Emancipatie
Leerboek, p. 20 – 21
v Verwerking
1 Waarom streefden socialisten, protestanten en rooms-katholieken naar emancipatie? t 2
2 afbeelding 8
a Bij welke zuil behoorde dit vaandel? t 1
b Leg uit waarom politieambtenaren niet één, maar aan aantal aparte bonden oprichtten. t 2
3 Leerboek, afbeelding 17
a Wie is op de afbeelding de rooms-katholieke en wie de protestantse leider? Geef in je antwoord aan: ‘links’ of ‘rechts’ op de afbeelding. t 1
b Op de achtergrond staan een soort engelen in de hemel die bij nader inzien duivels blijken te zijn. Bedenk wat de tekenaar daarmee duidelijk wilde maken. i
c De twee leiders staan voor een grote brandkast. Bedenk wat de tekenaar daarmee duidelijk wilde maken. i
d Leg uit dat de tekenaar een socialist is. t 2
4 In tekstblok 17 en in tekstblok 18 komt het woord emancipatie voor. Het gaat dus over hetzelfde, maar toch is er een verschil.
a Wat is de overeenkomst tussen de twee soorten emancipatie? t 2
b Wat is het verschil? t 2
5 Aletta Jacobs schreef naar Thorbecke. Die gaf haar toestemming om te studeren.
a Leg uit dat dat voor Thorbecke als liberaal logisch was. t 2
b Zou hij het ook gedaan hebben als hij een confessioneel was geweest? Leg je antwoord uit. t 2
6 Lees de uitspraak van Wilhelmina Drucker in tekstblok 18. Wat moesten vrouwen volgens haar doen? t 1
7 Wat is het verschil tussen actief kiesrecht en passief kiesrecht? t 1
Bron 11 afbeelding 9
Deze spotprent verscheen in 1896 in een blad waarin vooral grappige dingen werden verteld of dingen belachelijk werden gemaakt.
8 In 1918 werd Suze Groeneweg als eerste vrouw verkozen tot Tweede Kamerlid. Vrouwen mochten toen nog niet stemmen. Leg uit waarom zij tóch kon worden verkozen. r
9 De laatste zin van deze paragraaf is: ‘Nu was de democratie in Nederland helemaal af’. Leg uit wat daarmee bedoeld wordt. t 1
v Toepassing
10 Gebruik bron 11
a Welk effect verwachtte deze tekenaar van het vrouwenkiesrecht? t 1
b Bedenk of de tekenaar vóór of tégen het feminisme was. Leg je antwoord uit. t 2
11 Gebruik bron 12
a Bedenk bij wat voor soort partij minister Heemskerk hoorde: confessioneel, liberaal of socialistisch? Leg je antwoord uit. i
b Aletta Jacobs heeft het over ‘onze vereniging’. Welke vereniging is dat geweest? t 1
c Bedenk of het bestuur van die vereniging uit mannen of uit vrouwen bestond. Leg je antwoord uit. i
d Waarom wilde het bestuur geen demonstratie in Den Haag houden, maar alleen een vergadering? t 2
Bron 12
Uit de herinneringen van Aletta Jacobs:
‘Het werd het mij al gauw duidelijk dat wij vrouwen in ieder geval ons best moesten doen om de regering ten val te brengen. Minister Heemskerk had zelfs durven beweren: ‘De vrouwen in Nederland willen helemaal geen kiesrecht!’ Dat was al genoeg reden om onze duizenden leden op te wekken tot een luid protest tegen deze regering. Ik stelde het bestuur van onze vereniging voor om in Den Haag een demonstratie te houden en zo te bewijzen dat vele vrouwen in Nederland het kiesrecht verlangden. Die demonstratie zou dan moeten eindigen in een grote vergadering. Maar toen ik dit voorstelde, bleek dat het bestuur zo’n optreden in het openbaar nog te ver vond gaan.
Wij kwamen dus met een tussenoplossing. Er zou in Den Haag wel een protestvergadering worden gehouden, maar de deelnemers uit het hele land zouden niet per se in een optocht van het station naar de vergaderzaal hoeven te gaan. Iedereen kon ook op eigen gelegenheid daarheen gaan. Dit is het eerste openbare optreden van onze vereniging geweest.’
Sociale en koloniale problemen
Leerboek, p. 22 – 23
v Verwerking
1 Leerboek, afbeelding 20 Welke zin uit tekstblok 20 zou jij kiezen als onderschrift bij deze afbeelding? Leg je keuze uit. i
2 Noem drie problemen die behoorden tot de sociale kwestie. r
3 Welk meningsverschil was er onder liberalen over de manier waarop de sociale kwestie moest worden opgelost? t 1
4 Leg uit wat het verschil is tussen liefdadigheid en ergens recht op hebben. t 1
5 a Leg uit hoe het recht van initiatief werd gebruikt bij de Kinderwet van Van Houten. t 1 b Leg uit hoe het recht van amendement werd gebruikt bij de Kinderwet van Van Houten. t 1
6 Leerboek, afbeelding 21 a Kinderen juichen een politicus toe. Wie was die politicus? r b Hadden de kinderen echt veel redenen om te juichen? Leg uit waarom wel en waarom niet. t 1
7 Behoorden de ministers die rond 1900 met sociale wetten kwamen tot de ouderwetse liberalen of tot modernere liberalen? Leg je antwoord uit. t 2
8 Gebruik het schema onderaan deze pagina Geef aan bij welke letters in het schema de volgende woorden thuishoren. t 1
9 a Over welk meningsverschil in de koloniale politiek werd in de Tweede Kamer gedebatteerd? t 1
b Bedenk wat bij dit meningsverschil het standpunt van de liberalen was. Leg je antwoord uit. i
Bron 13 afbeelding 10
Deze foto is in Amsterdam gemaakt omstreeks 1900.
Bron 14
Een hoge ambtenaar in het Nederlandse bestuur van Indonesië schreef:
‘Misschien is het mogelijk om Indonesiërs door onderwijs en ontwikkeling tot hogere beschaving te brengen. Maar dan zullen ze ook leren begrijpen, dat ze zichzelf wel kunnen besturen en dat zij ons niet meer nodig hebben. En wat zal dan gebeuren?
Het is in het belang van Nederland om de Indonesiërs steeds onbewust te laten blijven van hun eigen kracht. Ze moeten niet op het idee komen dat ze buiten ons om gelukkiger zouden kunnen zijn.’
v Toepassing
10 Gebruik bron 13
a Met welk probleem van de sociale kwestie heeft deze foto te maken? t 1
b Welke sociale wet was bedoeld als oplossing voor dit probleem? r
11 Gebruik bron 14
Welk standpunt heeft de schrijver van deze bron in het meningsverschil over koloniale politiek? t 2
Vaardigheden
v De kwestie
Leerboek, p. 24
Bij deze opdrachten kun je samenwerken met een groepje leerlingen.
1 Verdeel de argumenten in twee groepen. Leg uit waarom je ze zó verdeeld hebt. t 2
2 Lees nog eens de argumenten per groep. Welke van de twee groepen vind je het belangrijkst? i
3 Geef een antwoord op de volgende vraag.
Zijn populaire politieke leiders ook altijd de beste bestuurders? t 2
v Historisch denken
Leerboek, p. 25
4 a Bedenk een voorbeeld van een beschrijvende, een verklarende en een waarderende vraag over koning Willem I. i
b Bedenk een voorbeeld van een beschrijvende, een verklarende en een waarderende vraag over Thorbecke. i
c Bedenk een voorbeeld van een beschrijvende, een verklarende en een waarderende vraag over Aletta Jacobs. i
5 Gebruik bron 1, 5 en 10 op de vorige bladzijden van dit opdrachtenboek
a Beantwoord voor elk van de drie bronnen apart de volgende vraag. Hoeveel weet de schrijver over het onderwerp waarover de bron gaat? Leg telkens je antwoord uit. t 2
b Beantwoord voor elk van de drie bronnen apart de volgende vraag. Wat was de bedoeling van de schrijver van de bron, wat wilde hij bereiken? Leg telkens je antwoord uit. t 2
c Bedenk voor elke bron apart of deze betrouwbaar is als je iets wilt weten over het onderwerp waarover de bron gaat. Leg telkens je antwoord uit. t 2
v Soorten bronnen
Leerboek, p. 26
6 afbeeldingen 11, 12 & 13
a Geef voor elk van de drie afbeeldingen aan of er een publieke of privé bron is afgebeeld. t 1
b Bedenk voor elk van de drie bronnen de bedoeling van de schrijver. i
7 afbeelding 11
De eerste zin van de boodschap van Willem I luidde: ‘Na een scheiding van 19 jaar heb ik het onuitsprekelijke genoegen dat ik door u allen eenstemmig naar Nederland ben teruggeroepen.’
Bedenk of deze zin betrouwbaar is of dat hij de dingen te mooi voorstelt. Leg je antwoord uit. i
Boodschap van Willem I bij zijn aankomst in Nederland in 1813.
8 afbeelding 12
Een zin uit de brief van Aletta Jacobs luidde: ‘Ik ben op 26 juli 1870 in Amsterdam geslaagd voor het examen voor leerling-apotheker en wil mij graag verder toeleggen op de studie van natuurkunde en medicijnen.’
Bedenk of deze zin betrouwbaar is of dat hij de dingen te mooi voorstelt. Leg je antwoord uit. i
9 Bedenk welke bronnen waarschijnlijk vaker betrouwbare informatie bevatten: publieke of privé bronnen. Leg je antwoord uit. i
Brief van Aletta Jacobs aan minister Thorbecke.
De Kinderwet van Van Houten.
Om te onthouden voor het examen
Leerboek, p. 28–29
1 Ga bij alle genoemde begrippen na of je weet wat ze betekenen. r
2 Ga bij begrippen die nog een onderverdeling hebben na, of je uit je hoofd weet wat daarbij hoort. Bijvoorbeeld bij ‘rechten van parlement om de regering te controleren’: welke rechten zijn dat en wat betekenen die? (Leg een blaadje over de regels onder zo’n zin en kijk of je uit je hoofd weet wat eronder staat). r
3 Gebruik het schema hieronder Geef bij de omschrijvingen de juiste uitdrukking of het juiste begrip. t 1
Omschrijving
a Artikel in de grondwet waardoor kiesrecht werd gegeven aan degenen die daar geschikt voor waren.
b De regel dat een minister kan aanblijven zolang de meerderheid van het parlement achter hem/haar staat.
c De volksvertegenwoordiging van Nederland.
d Democratie waarin de volksvertegenwoordiging altijd het laatste woord heeft.
e Het recht om als parlement zelf met wetsvoorstellen te komen.
f Het recht om een minister te ondervragen.
g Het recht om wetsvoorstellen te veranderen.
h Het streven van confessionelen naar eigen, maar door de overheid betaalde scholen.
i Kabinet dat het vertrouwen heeft van de meerderheid van de volksvertegenwoordiging.
j Kiesrecht voor mensen die méér dan een bepaald bedrag aan belasting betalen.
k Koninkrijk waarin de macht van de koning beperkt wordt door een grondwet.
Uitdrukking of begrip
l Ministers worden aangesproken op alles wat de koning zegt of doet.
m Opdeling van de hele samenleving in vier aparte stromen met eigen organisaties.
n Politieke stroming die streeft naar meer gelijke verdeling van bezit.
o Politieke stroming die uitgaat van een geloofsovertuiging.
p Recht om door de kiezers gekozen te worden.
q Recht om zelf je stem uit te brengen.
r Regering waarin één persoon zonder enige tegenspraak kan regeren.
s Proberen dezelfde rechten te krijgen als anderen die die rechten al hebben.
t Streven naar meer rechten voor vrouwen in samenleving en politiek.
u Veroveren van koloniën door industriële landen.
v Vrijheden van burgers die bepalen wat een regering niet mag doen.
w Wetten die bedoeld zijn om de sociale kwestie op te lossen.
4 Bij jaartallen :
a Welke jaartallen hebben te maken met uitbreiding van het kiesrecht? t 1
b Welke jaartallen hebben te maken met een gelukte en een mislukte revolutie? t 1
c Welke jaartallen hebben te maken met de overwinning van het parlement op de koning? t 1
5 Bij personen :
a Welke personen horen bij liberalen, confessionelen, socialisten en feministen? t 1
b Welke twee namen houd je over? Leg uit waarom zij niet bij één van de bovengenoemde stromingen konden horen. t 2
Begrippen & woorden
Leerboek, p. 30–31
1 Maak met de volgende rijtjes woorden en begrippen uit paragraaf A goede zinnen. t 2 a koning / constitutionele monarchie / macht / grondwet b republiek / staat / macht / burgers c democratie / volksvertegenwoordiging / macht / koning d koning / verzoekschrift / populair / macht
2 Gebruik begrippen en woorden uit het rijtje van paragraaf B om de volgende tekst aan te vullen. Noteer de cijfers en zet er de juiste woorden achter. t 1
In 1848 waren er in Europa [ 1 ]…………… waarin de [ 2 ]…………… in [ 3 ]…………… kwamen tegen
[ 4 ]…………… koningen. In Nederland werd de [ 5 ]…………… veranderd waardoor de [ 6 ]…………… veel meer [ 7 ]…………… kreeg. Zo kregen de Staten-Generaal de volgende rechten om de [ 8 ]…………… te controleren:
[ 9 ]…………… , [ 10 ]…………… en [ 11 ]…………… .
Alleen de Tweede Kamer kreeg daarnaast het recht van [ 12 ]…………… en het recht van
[ 13 ]…………… . De Tweede Kamer, Provinciale Staten en gemeenteraden werden voortaan
[ 14 ]…………… gekozen. Het volk kreeg
[ 15 ]…………… , bijvoorbeeld vrijheid van
[ 16 ]…………… , [ 17 ]…………… , [ 18 ]…………… ,
[ 1 9 ]…………… & [ 20 ]…………… en [ 21 ]…………… .
3 a Kies uit het rijtje woorden en begrippen van paragraaf C zeven woorden en begrippen die te maken hebben met ministeriële verantwoordelijkheid; leg daarmee uit wat ministeriële verantwoordelijkheid is. t 1
b Kies uit het rijtje woorden en begrippen van paragraaf C drie woorden en begrippen die te maken hebben met de vertrouwensregel; leg daarmee uit wat de vertrouwensregel inhoudt. t 1
4 a Gebruik uit het lijstje van paragraaf D de woorden kiesrecht / belasting / censuskiesrecht / rekbaar / algemeen kiesrecht om uit te leggen wat er tussen 1848 en 1917 veranderde. t 2
b Gebruik uit het lijstje van paragraaf D de woorden liberalisme / openbaar / christendom / protestants / rooms-katholiek / machthebber / actievoeren / schoolstrijd / emancipatie / islam om de schoolstrijd en de gevolgen daarvan uit te leggen. t 2
5 a Kies uit het rijtje woorden en begrippen van paragraaf E tien woorden en begrippen die te maken hebben met liberalisme. Leg uit wat ze met liberalisme te maken hebben. t 1
b Kies uit het rijtje woorden en begrippen van paragraaf E elf woorden en begrippen die te maken hebben met confessionalisme. Leg uit wat ze met confessionalisme te maken hebben. t 1
c Kies uit het rijtje woorden en begrippen van paragraaf E zes woorden en begrippen die te maken hebben met socialisme. Leg uit wat ze met socialisme te maken hebben. t 1
6 Gebruik begrippen en woorden uit het rijtje van paragraaf F om de volgende tekst aan te vullen. Noteer de cijfers en zet er de juiste woorden achter. t 1
In de negentiende eeuw werden vrouwen in de [ 1 ]…………… nog vaak [ 2 ]…………… . Zij mochten bijvoorbeeld niet studeren aan een [ 3 ]…………… . Aletta Jacobs schreef een brief aan [ 4 ]…………… Thorbecke waarin zij vroeg om te kunnen studeren voor [ 5 ]…………… Jacobs werd, net als Wilhelmina Drucker, een [ 6 ]…………… die zich inspande voor het [ 7 ]…………… . Een belangrijk doel was het verkrijgen van [ 8 ]…………… . Bij de [ 9 ]…………… swijziging van 1917 kregen vrouwen eerst alleen [ 10 ]…………… , pas later [ 11 ]……………
7 a Kies uit het rijtje woorden en begrippen van paragraaf G acht woorden en begrippen die te maken hebben met de sociale kwestie. Leg uit wat ze met de sociale kwestie te maken hebben. t 1
b Kies uit het rijtje woorden en begrippen van paragraaf G zeven woorden en begrippen die te maken hebben met modern imperialisme. Leg uit wat ze met modern imperialisme te maken hebben. t 1
De Eerste Wereldoorlog 2
Inleiding
Leerboek, p. 32–33
1 De soldaten op de foto bovenaan pagina 33 kijken opgewekt. Wat kun je met deze foto laten zien? Kies het antwoord. t 1
A De soldaten hadden geen idee welke hel ze op het slagveld te wachten stond.
B De soldaten waren blij dat ze de hel op het slagveld overleefd hadden.
C Deze soldaten hebben net een overwinning behaald.
D Britse soldaten waren meestal opgewekter dan Duitse.
AEen mooie tijd
Leerboek, p. 34–35
v Verwerking
1 Leerboek, afbeelding 1
Bedenk twee gevolgen van straatverlichting voor het leven in een stad. i
2 Leerboek, afbeelding 1 en 2
Rond het jaar 1900 vonden veel mensen dat ze in een ‘mooie tijd’ leefden. Leg uit waarom ze dat vonden. Gebruik in je antwoord een voorbeeld uit elk van beide afbeeldingen. t 1
2 Leg uit dat wapens zoals op de foto onderaan pagina 33 een gevolg waren van de Industriële Revolutie. t 1
3 Welke grote verandering veroorzaakte de Eerste Wereldoorlog? t 1
3 afbeelding 1
Dit is de oudste filmposter ter wereld uit 1895. Leg uit dat deze afbeelding goed past bij de ‘mooie tijd’. Kijk ook naar de mensen op de afbeelding. t 2
4 Gebruik het schema hiernaast
Zet de volgende begrippen op de juiste plaats in het schema. Maak combinaties van cijfers en letters.
A Afrika
B afzetmarkt
C Azië
D bewapening
E grondstoffen
F stoomschepen
5 Leerboek, afbeelding 3
Op de foto staat een Nederlands echtpaar op de veranda van hun huis in Indonesië. Leg uit
wat deze foto laat zien over:
a de welvaart van Europeanen in koloniën. t 2
b de verhouding tussen Europeanen en de plaatselijke bevolking. t 2
6 Leerboek, afbeelding 4
Met welk doel werd de Eiffeltoren gebouwd? r
7 a Leg uit wat nationalisme is. t 1 b Bedenk een voordeel en een nadeel van nationalisme. i
v De opdrachten bij paragraaf A worden vervolgd op p. 32
b Hoe kwam het dat juist Europese landen grote koloniale rijken veroverden? t 1
c Leg met de kaart uit waarom veel Europeanen vonden dat ze in ‘een mooie tijd’ leefden. t 2
d Bedenk wat de inwoners van de koloniën hiervan vonden. Leg je antwoord uit. i
9 Gebruik bron 2
Leg met de afbeelding uit wat de wereldtentoonstelling te maken had met :
a moderne techniek. t 1
b nationalisme. t 1
c modern imperialisme. t 1
Bron 1 afbeelding 2
Kaart van koloniale rijken omstreeks 1900.
10 Gebruik bron 2
Rond 1900 vonden veel mensen dat ze in ‘een mooie tijd’ leefden. Kun je deze poster gebruiken als bewijs voor die uitspraak?
Leg je antwoord uit. t 2
Bron 2 afbeelding 3
Poster van de wereldtentoonstelling in Parijs, 1900. Een bezoeker zei over de tentoonstelling:
‘Niets laat de glorie van een land zo goed zien als zijn producten.’ 3
De crisis van 1914
Leerboek, p. 36– 37
v Verwerking
1 Leerboek, afbeelding 5
Bedenk waarom van de moord op Frans Ferdinand wel tekeningen bestaan, maar geen foto’s. i
2 Welke zin is juist? t 1
A Gavrilo Princip was een Oostenrijkse nationalist.
B Na de moord op Frans Ferdinand was meteen duidelijk dat er een grote oorlog zou uitbreken.
C Oostenrijk-Hongarije wilde Servië aan zijn grondgebied toevoegen.
D Veel Serviërs wilden dat Bosnië bij hun land kwam.
3 Maak van deze negen begrippen drie groepen van drie die bij elkaar horen. t 2
afschuwelijk / keizerrijk / nationalisten / oorlog / organisatie / troonopvolger / verschillende volken / wreed / Zwarte Hand
4 Leerboek, afbeelding 6
a Rusland hielp Servië. Leg uit waarom. t 1
b Oostenrijk-Hongarije was niet bang voor Rusland. Leg uit waarom. t 1
c Leg met de kaart uit hoe er oorlog kon komen tussen Duitsland en Rusland. t 2
is vriend / bondgenoot van is vijand van moord in Sarajevo
5 Leerboek, afbeelding 6
a Welke landen hoorden bij de ‘Centralen’? t 1
b Bedenk waarom deze landen de ‘Centralen’ werden genoemd. i
c Leg met de kaart uit waarom Duitsland als eerste wilde aanvallen. t 2
6 Gebruik het schema bovenaan deze pagina
Vul in het schema de landennamen op de juiste plaatsen in. Maak combinaties van letters en cijfers. t 1
1 Duitsland
2 Frankrijk
3 Oostenrijk-Hongarije
4 Rusland
5 Servië
7 Leerboek, afbeelding 7
a Leg uit waarom de mannen op de foto zo enthousiast zijn. t 1
b Een uitspraak: ‘Het Duitse leger bestond in 1914 uit goed getrainde, ervaren en geharde soldaten.’ Leg met de foto uit dat deze uitspraak onjuist is. t 2
8 Leerboek, afbeelding 7
Welke twee woorden passen het best bij deze foto? Kies het antwoord. t 1
A godsdienst
B nationalisme
C paniek
D vrijwillig
9 In het blauwe stukje tekst staat: ‘Het uniform gaf zelfs de slechtste leerling een beetje mannelijke waardigheid’. Leg in je eigen woorden uit wat daarmee bedoeld wordt. t 2
v Toepassing
10 Gebruik bron 3
a Leg uit wat de tekenaar bedoelde met ‘blaffende honden’. t 2
b Leg uit wie volgens de tekenaar de sterkere partij was: de Centralen of de Geallieerden. t 2
4
Bron 3 afbeelding 4
Tekening uit 1914. Het Engelse opschrift betekent: Hoor, de honden blaffen!
11 Gebruik bron 4
a Leg in je eigen woorden uit hoe deze Franse jongemannen over oorlog dachten. t 1
b Bedenk hoe het kan dat zij zo over oorlog dachten. i
Bron 4
Een Franse soldaat schreef in zijn dagboek op 2 augustus 1914 :
‘Tegen vijf uur in de avond komt er leven op de grote boulevards. Een menigte jongemannen praat vrolijk met elkaar.
“Waar ga jij heen?”
“Naar Toul … en jij?”
“Naar Verdun!”
“Dat is leuk, de eerste dag meteen al naar de grens …”
En rustig praten ze al over het feestje dat ze gaan bouwen als ze terugkomen uit de oorlog, na de Duitsers “een flinke dreun te hebben verkocht ”.’
Totale oorlog C
Leerboek, p. 38 – 39
v Verwerking
1 Leerboek, afbeelding 8
a Wie bedacht het plan dat op het kaartje is afgebeeld? r
b Leg in je eigen woorden uit wat het plan inhield. t 1
2 Leerboek, afbeelding 8
a Welk nadeel had het aanvalsplan op het kaartje? t 1
b Wat was voor Duitsland een onbedoeld gevolg van het plan? t 1
3 België, Luxemburg en Zwitserland waren neutrale landen. Leg uit wat daarmee bedoeld wordt. t 1
4 Leerboek, afbeelding 9
Leg uit waarom soldaten dit soort loopgraven maakten. t 1
5 Leg met twee voorbeelden uit dat moderne wapens dodelijker bleken te zijn dan ooit. t 1
6 Leerboek, afbeelding 7 (pagina 37)
Maak twee bijschriften bij deze foto:
a één bijschrift dat past bij de eerste paar weken van de oorlog. t 2
b één bijschrift dat past bij de oorlog na ruim een jaar vechten. t 2
7 Waarom voerden alle oorlogvoerende landen de dienstplicht in? t 1
8 Leerboek, afbeelding 10
Op de poster staat: ‘Duitse vrouwen, ga werken in het thuisleger’.
a Bedenk wat bedoeld wordt met ‘thuisleger’. i
b Waarom werden vrouwen opgeroepen om dit soort werk te doen? t 1
c Wat doet de vrouw op deze poster? Kies het antwoord. t 1
A Ze duwt de angstige soldaat zachtjes naar het front: zij is eigenlijk moediger dan hij.
B Ze geeft de soldaat een granaat en legt haar hand op zijn rug als teken van steun.
C Ze pakt de granaat uit zijn hand en wil hem tegenhouden: ‘stop met die oorlog’.
9 Regeringen gebruikten propaganda en censuur. Leg uit welke twee dingen ze daarmee wilden bereiken. t 1
10 Leerboek, afbeelding 11
Van de stad Ieper was na de oorlog niets meer over. Leg uit hoe dat kwam. t 1
11 Welke twee dingen horen bij een totale oorlog?
Kies het antwoord. t 1
A Alle inwoners merken de gevolgen van de oorlog.
B Er zijn overal gevechten: op het land én op het water.
C Iedereen helpt mee om de oorlog te winnen, ook de vrouwen thuis.
D Iedereen vecht tegen iedereen, de samenleving is een totale chaos.
Bron 5 afbeelding 5 Britse poster uit 1915.
De vertaling van de tekst is:
‘5 vragen aan mannen die niet in dienst zijn gegaan:
1 Als je lichamelijk helemaal gezond bent en tussen 19 en 38 jaar oud, ben je dan echt tevreden met je leventje van nu?
2 Ben je blij als je op straat ziet dat andere mannen het uniform van de koning wél dragen?
3 Wat ga je zeggen als mensen later vragen: “En wat deed jij in de grote oorlog?”
4 Wat zeg je als je kinderen later vragen: “Vader, waarom was jij geen soldaat?”
5 Wat zou er met het Britse Rijk gebeuren als alle mannen thuis zouden blijven?
Je koning en vaderland hebben je nodig. Ga in dienst, vandaag nog!’
Bron 6
Verslag van een Franse soldaat over een gebeurtenis bij het plaatsje Bécourt aan het front in 1915:
‘Ik luister gespannen naar de schoten en de granaten. We wachten op de Duitsers. Maar die komen niet. Langzaam wordt het weer stil. Even later horen we wat er gebeurd is. Er zijn zeven Franse soldaten gedood door eigen geweervuur. Onze wachtposten hadden uit verveling op vogels geschoten. Hun schoten zorgden voor paniek bij enkele van onze soldaten. Die gingen terugschieten en doodden per ongeluk hun eigen kameraden.’
v Toepassing
12 Gebruik bron 5
a Leg in je eigen woorden uit hoe deze poster mannen in dienst probeert te krijgen. t 2
b Is deze poster volgens jou een voorbeeld van propaganda? Leg je antwoord uit. t 2
13 Gebruik bron 6
a Zeven Franse soldaten gingen dood zonder dat er een vijand aan te pas kwam. Leg uit hoe dat kon gebeuren. t 1
b Leg uit dat dit verhaal goed past bij een loopgravenoorlog t 2
c Dit soort verhalen kwam niet in de krant. Leg uit waarom. t 2
Oorzaken
en aanleiding D
Leerboek, p. 40 – 41
v Verwerking
1 a De moord op de Oostenrijkse troonopvolger kan volgens historici niet de enige oorzaak zijn van de oorlog. Leg uit waarom. t 1
b Historici die naar oorzaken van de oorlog zoeken, kijken naar de tijd vóór de oorlog, niet naar de tijd van de oorlog zélf. Leg uit waarom ze dat doen. t 2
2 a Waarom was nationalisme een oorzaak van de Eerste Wereldoorlog? r
b Waarom was militarisme een oorzaak van de Eerste Wereldoorlog? r
3 Leerboek, afbeelding 12
Op de poster staat: ‘De oude vlag beschermen’. a Leg uit dat dit een voorbeeld is van nationalisme t 1
b Is de poster ook een voorbeeld van militarisme? Leg je antwoord uit. t 2
4 Leerboek, afbeelding 13
Leg uit dat dit schip onderdeel was van een bewapeningswedloop. t 1
5 Gebruik het schema hiernaast
Neem het schema over en zet deze landen in de goede kolom. t 1
6 a Bedenk een reden waarom het sluiten van een bondgenootschap oorlog kan voorkomen. i
b Bedenk een reden waarom het sluiten van een bondgenootschap de kans op oorlog juist kan vergroten. i
7 Het moderne imperialisme was een oorzaak van de Eerste Wereldoorlog. Leg uit waarom. t 2
8 uitspraak 1 — Nationalisme is een oorzaak van modern imperialisme. uitspraak 2 — Nationalisme is een gevolg van modern imperialisme.
Leg beide uitspraken uit. t 2
9 Leerboek, afbeelding 14
a Leg uit welk vijandbeeld van Duitsland op deze tekening te zien is. t 1
b Bedenk hoe Duitsers op de tekening zouden kunnen reageren. i
Gallieerden Neutraal Centralen
10 Gebruik het schema hierboven
Welke oorzaken en aanleiding van de Eerste Wereldoorlog passen in het schema bij de nummers 1 tot en met 9?
Doe het zo dat je bij 1 –4 vier oorzaken invult die iets met elkaar te maken hebben en bij 5 – 8 vier andere oorzaken die ook iets met elkaar te maken hebben. t 2
Bron 7 afbeelding 6
Britse poster. Er staat op: ‘Vecht je nu mee, of wacht je tot dit gebeurt?’
v Toepassing
11 Gebruik bron 7
a Welke misdaden begaat het Duitse leger volgens deze poster? Noem er twee. t 1
b Leg uit wat deze poster te maken heeft met een vijandbeeld. t 2
12 Gebruik bron 8
a Wat werd in Groot-Brittannië en Frankrijk blijkbaar over Duitsland gezegd? Leg je antwoord uit. t 2
b Als je iets wilt weten over militarisme in Duitsland in 1914, is deze poster dan een betrouwbare bron? Leg je antwoord uit. t 2
7
Bron 8 afbeelding 7
Duitse poster uit 1914. Er staat op: ‘Wie is er nu militarist?
Tussen 1700 en 1914 voerde Groot-Brittannië 49 oorlogen, Pruisen (Duitsland) 13 oorlogen, Frankrijk 35 oorlogen.’
Het jaar 1917 E
Leerboek, p. 42 – 43
v Verwerking
1 Leg uit welk gevolg de revolutie in Rusland had voor de Eerste Wereldoorlog. t 1
2 Leerboek, afbeelding 15
Op de poster staat de leider van de communisten in Rusland: Lenin. Hij staat voor een fabriek en wijst vooruit. Bedenk voor welke groep Lenin opkwam met zijn revolutie. i
3 afbeelding 8
a Welke gebieden raakte Rusland kwijt door de vrede met Duitsland in 1917? t 1
b Toen Duitsland een jaar later zelf de oorlog verloor, moest het deze gebieden weer afstaan. Maar ze gingen niet terug naar Rusland. Bedenk wat er wél mee gebeurde. i
4 a Met welk doel begon Duitsland in 1917 met een onbeperkte duikbootoorlog? t 1
b De Verenigde Staten waren neutraal. Waarom vond Duitsland dat het toch Amerikaanse schepen mocht aanvallen? t 2
5 Leerboek, afbeelding 16
Het Britse schip ‘Lusitania’ werd in 1915 tot zinken gebracht door een Duitse onderzeeboot. Meer dan duizend opvarenden kwamen om. Onder hen waren honderd Amerikanen. Welke reactie op de onderg ang van de Lusitania hoort bij Duitsland, welke bij Groot-Brittannië en welke bij de Verenigde Staten? t 1
A ‘Als neutraal land kunnen we de moord op onze burgers niet onbestraft laten.’
B ‘Jullie schepen vervoeren ook wapens, dat is een daad van oorlog.’
C ‘Oorlog is geen excuus om schepen aan te vallen die burgers vervoeren.’
6 De Amerikaanse president zei: ‘Wij maken de wereld veilig voor democratie’. Wat bedoelde hij daarmee? Kies het antwoord en leg je keuze uit. t 2
Brest-Litovsk estland finland letland litouwen wit-rusland polen
Leningrad
duitsland rusland
Moskou
oostenrijkhongarije
servië
roemenië
bulgarije
oekraïne
Odessa
Door Rusland verloren gebieden in het verdrag met Duitsland
Charkiv
turkse rijk
A We vechten door tot overal mannen én vrouwen mogen stemmen.
B We vechten tegen koningen en keizers, want die zijn niet door het volk gekozen.
C We vechten voor onschuldige mensen die door agressieve landen worden aangevallen.
7 a Leg uit wat volgens de Amerikaanse president het verschil was tussen Amerikaanse en Europese oorlogsdoelen. t 1
b Bedenk of de Europeanen dat met hem eens waren. Leg je antwoord uit. i
Bron 9 afbeelding 9
Amerikaanse poster met als opschrift: ‘Vernietig dit gestoorde monster. Neem dienst in het leger.’
Op de helm staat: militarisme. Op de knuppel: kultur (Duits voor ‘cultuur’).
Op de achtergrond zie je verwoestingen in Europa. Het monster stapt aan land in Amerika, aan de overkant van de Atlantische Oceaan.
8 Leerboek, afbeelding 17
a Bedenk wat de Geallieerden dachten bij het zien van deze tekening. i
b Bedenk wat Duitsers dachten bij het zien van deze tekening. i
Bron 10
Bericht in een Franse krant over de aankomst van Amerikaanse soldaten in de haven van Boulogne op 25 juni 1917 :
‘Met hun olijfgroene uniformen, hun hoeden met brede randen, hun stoere leren riemen en een uiterlijk dat doet denken aan cowboys uit het wilde westen, brengen zij iets nieuws in deze oorlog.
Een van de soldaten was nog onder de indruk van wat er allemaal gebeurde en een beetje van slag van de Franse wijn. Hij vertelde heel serieus dat hij was gekomen om “oorlog te voeren tegen alle koningen ”. ’
v Toepassing
9 Gebruik bron 9
a Hoe benadrukt de tekenaar dat de Duitsers zich ‘beestachtig’ gedragen? Noem twee dingen. t 1
b Welk gevaar was er volgens hem voor Amerika? t 2
c Wat was het doel van deze poster? t 2
d Is de poster gemaakt vóór of nadat de Verenigde Staten gingen meedoen aan de Eerste Wereldoorlog? Leg je antwoord uit. t 2
10 Gebruik bron 10
a Leg met de bron uit dat Europeanen niet gewend waren Amerikaanse soldaten te zien. t 1
b Het idee van de soldaat dat hij kwam vechten ‘tegen alle koningen’ was waarschijnlijk een gevolg van de ideeën van de Amerikaanse president. Leg uit waarom. t 2
Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog
Leerboek, p. 44 – 45
v Verwerking
1 Leerboek, afbeelding 18
a Nederland was neutraal. Toch waren deze soldaten gemobiliseerd. Leg uit waarom. t 1
b Bedenk of deze foto bedoeld was om vijanden af te schrikken. Leg je antwoord uit. i
2 Tijdens de oorlog moest Nederland rekening houden met een aanval van drie kanten. Neem het schema hieronder over en vul in waarom er aanvallen konden komen. t 1
Aanval kon komen … omdat …
vanuit Duitsland
vanuit België
5 Leerboek, afbeelding 20
a Wie heeft deze ‘dodendraad’ aan de Belgisch-Nederlandse grens neergezet? r
b Wat was het doel ervan? r
c Welke mening heeft de tekenaar over de ‘dodendraad’? t 2
6 Waardoor ontstond in de Eerste Wereldoorlog in Nederland een tekort aan veel goederen? t 1
vanuit Engeland 10
3 afbeelding 10
De tekenaar Jan Sluijters maakte in augustus 1915 deze tekening van Nederlandse soldaten aan de grens. Wat wilde hij laten zien? t 2
4 Leerboek, afbeelding 19
Op de foto staan Belgische vluchtelingen op weg naar Nederland. Waarom vluchtten zij? r
7 Welke twee problemen moest het werken met voedselbonnen voorkomen? Kies de juiste antwoorden. t 1
A Anders zou door de tekorten de prijs van voedsel enorm stijgen.
B Anders zouden rijke Nederlanders alle voorraden kunnen opkopen.
C Winkels konden nu gesloten worden, tienduizenden winkelbedienden konden worden gemobiliseerd.
D Zo liet de Nederlandse regering aan Duitsland zien hoe je problemen oplost in een echte democratie.
E Zo werd voorkomen dat Belgische vluchtelingen alle voorraden zouden opmaken.
8 Leerboek, afbeelding 21 Leg uit waarom dit pak koffie er zo saai uitziet. t 1
9 uitspraak — ‘Het is een goed idee om, net als toen, van allerlei producten maar één merk te maken: dat is goedkoper en beter voor het milieu.’
Ben je het eens met deze uitspraak? Geef argumenten voor je mening. i
10 Hieronder staan vijf beweringen over de Nederlandse regering tijdens de Eerste Wereldoorlog. Welke twee uitspraken zijn juist? t 1
A De regering maakte een einde aan de neutraliteitspolitiek.
B De regering stond de opvang van Belgische vluchtelingen toe.
C De regering vluchtte naar Groot-Brittannië.
D De regering voerde een distributiesysteem in.
E De regering zegde het lidmaatschap van de Volkenbond op.
v Toepassing
11 Gebruik bron 11
a Wat was de oorzaak van de daling van de hoeveelheid goederen in de jaren 1914–1918? t 1
b Waarom viel de daling in 1914 nog mee, maar werd die in de volgende jaren steeds erger? t 2
c Noem twee gevolgen van de daling. r
12 Gebruik bron 12 t / m 15 (zie volgende pagina)
De vier bronnen gaan over gevolgen van de Eerste Wereldoorlog voor Nederland.
Geef per bron aan welk begrip daarbij hoort.
Let op: er blijven twee begrippen over.
A censuur / B distributie
C handelsbelemmeringen / D mobilisatie
E propaganda / F vluchtelingen
Bron 11 afbeelding 11
In de grafiek staat de hoeveelheid goederen die aankwam in Nederlandse havens tussen 1913 en 1920.
Bron 12
Een Nederlandse ooggetuige vertelt :
‘Een lange stoet van voetgangers, wagens, karren, rijtuigen, kinderwagens, kruiwagens — al wat wielen had — met blinden, zieken, kinderen, ouderen en huisraad kwam vanuit het zuiden de grens over. Kinderen werden langs de weg geboren.’
Bron 13
Herinneringen van een Nederlandse officier:
‘Het veldleger, bestaande uit vier divisies, was opgesteld in NoordBrabant, niet ver van de grens verwijderd. Toen de bewegingsoorlog in Frankrijk en België in een loopgravenoorlog was overgegaan, bleven onze troepen langer in hetzelfde legerkamp.’
Bron 14
Uit een verslag van de Nederlandse regering :
‘Per periode van vier tijdvakken reikte het Centraal Broodkantoor 13 000 000 broodkaarten uit voor bruinbrood. Het aantal gebruikers van bruinbrood was per tijdvak 3 ½ miljoen. Elke kaart geeft recht op 2.800 gram brood, waarvoor 1.750 gram meel nodig is.’
Bron 15
Uit een Nederlands boek over de Eerste Wereldoorlog:
‘De Engelsen hadden de toegang tot de Duitse zeehavens geblokkeerd. Duitsland liet het daar niet bij zitten en stuurde onderzeeboten op de Engelsen af. Die onderzeeboten hebben heel wat Nederlandse vissersboten en vrachtschepen naar de zeebodem geschoten.’
Het einde van de oorlog
Leerboek, p. 46 – 47
v Verwerking
1 Gebruik het schema hieronder
Het schema geeft weer wat er in 1918 gebeurde. Geef aan wat er moet worden ingevuld bij de letters A – E. t 1
Oorzaken : Gevolgen in Duitsland :
De Centralen verliezen de oorlog
2 Leerboek, afbeelding 22
a Wie zitten er achter de tafel en wie ervóór?
Leg je antwoord uit. t 1
b Hoe laat de schilder zien dat Duitsland bij de onderhandelingen niets te vertellen had? t 2
3 Welke twee verschillende meningen waren er over het vredesverdrag met Duitsland? r
4 Leerboek, afbeelding 23
a Noem vijf landen waaraan Duitsland gebied moest afstaan. r
b Wat was een gevolg voor Duitsland van de gebiedsafstand aan Polen? t 1
5 a Noem vier straffen die in Versailles aan Duitsland werden opgelegd. r
b Bedenk wie het meest tevreden was over het verdrag: Frankrijk of de Verenigde Staten. i
6 afbeelding 12 + leerboek, afbeelding 6
Vergelijk afbeelding 12 met de kaart op p. 37 van het leerboek (afbeelding 6).
a Welk land werd volgens jou na de oorlog zwaarder gestraft: Oostenrijk-Hongarije of Duitsland? Leg je antwoord uit. i
b Je zou kunnen zeggen dat de moordenaar van de Oostenrijkse troonopvolger uiteindelijk zijn zin heeft gekregen. Leg uit waarom. t 2
12
Estland
Letland
Litouwen
Verenigd Koninkrijk
Duitsland
Frankrijk
Rusland
Polen
Tsjech0-Slowakije
Oostenrijk
Hongarije
Roemenië
Joegoslavië Bulgarije
Italië
Spanje
Albanië
Griekenland
Turkije
Europa na de Eerste Wereldoorlog.
v De opdrachten bij paragraaf G worden vervolgd op p. 46
7 Leerboek, afbeelding 24
a De Amerikaanse president wilde dat er een Volkenbond kwam. Leg uit waarom. t 1
b In het krantenbericht staan drie figuren: ‘overwinning ‘, ‘democratie’ en ‘vrede’. Leg uit waarom die drie volgens de Amerikaanse president bij elkaar hoorden. t 2
8 Welke zin vat het stukje blauwe tekst goed samen? Kies het antwoord. t 2
A Als vrije landen nu niet vreedzaam samenwerken, is de oorlog voor niets geweest.
B De Amerikaanse soldaten hebben eigenlijk voor niets gevochten.
C Een democratie kost miljarden, maar dat is het waard.
D Het is afschuwelijk, maar als mensen echt vrij willen zijn is oorlog voeren onvermijdelijk.
9 a Waarom is de Volkenbond nooit succesvol geworden? r
b Grote, sterke landen hebben minder belang bij een Volkenbond dan kleine, zwakkere landen. Leg uit waarom. t 2
Bron 16 afbeelding 13
In 1870 was er een oorlog tussen de Duitsers en de Fransen geweest. De Duitsers wonnen. Zij gebruikten hun overwinning om in het grote paleis van Versailles bij Parijs hun nieuwe Duitse keizerrijk uit te roepen. Op dit schilderij zie je dat gebeuren. De Fransen zouden nooit vergeten dat hun belangrijkste paleis voor dit doel was misbruikt. 13
Bron 17
In mei 1919 werd de inhoud van het Verdrag van Versailles aan de Duitse bevolking bekendgemaakt. De Berlijner Oskar Münsterberg schreef in zijn dagboek :
‘Vandaag is de zwartste dag van de oorlog, de vredesvoorwaarden van Versailles! Het lijkt alsof we niet meer aan de ondergang kunnen ontsnappen met deze door de vijand opgelegde vrede. In binnen- en buitenland wachten de vijanden van de staat hun kans af. De lange oorlog heeft het dierlijke egoïsme bij de vijand wakker geschud. Zo kan een op het slagveld militair onoverwonnen staat toch niet eindigen? De eisen zijn te streng, maar van welke kant moet de redding komen? Welke gevolgen zou een afwijzing van het verdrag hebben? Een nieuwe revolutie bij ons of bij de anderen?’
v Toepassing
10 Gebruik bron 16
a Bedenk een reden waarom de eerste keizer van Duitsland zich liet kronen in een groot paleis van zijn belangrijkste tegenstander Frankrijk. i
b Bedenk een reden waarom Frankrijk wilde dat Duitsland het vredesverdrag na de Eerste Wereldoorlog op precies diezelfde plek ondertekende. i
11 Gebruik bron 17
a ‘De eisen zijn te streng,’ schrijft Münsterberg. Noem vier strenge eisen. r
b Over de inhoud van het verdrag van Versailles had Duitsland niets in te brengen. Waaruit blijkt dat in deze bron? t 1
c Münsterberg vraagt zich af wat het gevolg zou zijn als Duitsland het verdrag zou afwijzen. Bedenk wat dat gevolg had kunnen zijn. i
12 Gebruik bron 18
a Hoe denkt de tekenaar over de plannen van de Amerikaanse president om een Volkenbond op te richten? t 1
b Was de mening van de tekenaar over de Volkenbond terecht? Leg je antwoord uit. t 2
Bron 18 afbeelding 14
Spotprent met de Amerikaanse president die bellen blaast. Op de bak staat: idealisme. In de zeepbel staat: Volkenbond (League of Nations). Tekening uit een Amerikaans tijdschrift uit 1920.
Vaardigheden
v De kwestie
Leerboek, p. 48
Bij deze opdrachten kun je samenwerken met een groepje leerlingen.
1 Verdeel de argumenten in twee groepen. Leg uit waarom je ze zo verdeeld hebt. t 2
2 Lees nog eens de argumenten per groep. Welke groep heeft volgens jou de meest overtuigende argumenten? i
3 Geef een antwoord op de vraag: Is het mogelijk om wereldvrede te bewaren of zal er altijd wel oorlog gevoerd worden? t 2
v Historisch denken
Leerboek, p. 49
4 Gebruik schema 1 hieronder
De overgang naar een volgende periode was vaak een ‘keerpunt’. Bedenk welk keerpunt bij welke overgang hoort. Maak combinaties van cijfers en letters. t 1
1 Democratische Revolutie
2 Ondergang van het Romeinse Rijk
3 Renaissance en ontdekkingsreizen
4 Uitvinding van het schrift
5 Gebruik schema 2 hieronder
Ook bij de overgangen tussen samenlevingstypen horen ‘keerpunten’. Bedenk welk keerpunt bij welke overgang hoort. Maak combinaties van cijfers en letters. t 1
1 Industriële Revolutie
2 Opkomst van steden vanaf het jaar 1000
3 Uitvinding van computer en internet
4 Uitvinding van de landbouw
samenleving
1 2 Prehistorie Oudheid Vroegmoderne Tijd Middeleeuwen Moderne Tijd jagerverzamelaars landbouwsamenleving landbouw / stedelijke samenleving
samenleving
Criterium De ‘mooie tijd’ ( 1870–1914 )
a denken over oorlog v militarisme
v modern imperialisme
v nationalisme
Eerste Wereldoorlog en kort erna
v Volkenbond
v democratie
v mensenrechten
b industriële samenleving 1 2
c grote keizerrijken v Russische keizerrijk
v Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk v Duitse keizerrijk
6 Gebruik het schema hierboven
Vergelijk aan de hand van het schema de ‘mooie tijd’ (1870–1914) met de periode van de Eerste Wereldoorlog en daarna.
a Geef aan wat er bij de cijfers 1 – 5 moet worden ingevuld. t 1
b Noem een belangrijke overeenkomst en een belangrijk verschil tussen de twee perioden. t 2
v Soorten bronnen
Leerboek, p. 50
7 Welke twee vragen moet je stellen bij propaganda-afbeeldingen? r
8 a Blader door hoofdstuk 2 van het leerboek. Noem vijf afbeeldingen die zijn gemaakt om propaganda mee te bedrijven. t 1
b Sommige foto’s uit dit hoofdstuk kunnen gebruikt worden om propaganda mee te bedrijven, ook al zijn ze niet om die reden gemaakt. Geef daar een voorbeeld van. t 1
9 Gebruik de poster ‘Women of Britain say GO’.
a Met welk doel is deze poster gemaakt? t 1
b Bedenk of vrouwen de mannen echt aanmoedigden om te gaan vechten. Bedenk een reden waarom ze dat wel deden en een reden waarom ze dat niet deden. i
10 Gebruik de spotprent met ‘Es ist nicht wahr!’
a Met welk doel is deze prent gemaakt? t 1
b Op 1 februari 1917 gaf De Duitse keizer dit bevel aan het Duitse leger:
‘Aan alle onderzeeboten: alles wat je ziet direct tot zinken brengen.’
Als je dit bevel leest, had de tekenaar dan gelijk met deze afbeelding? Leg je antwoord uit. t 2
Om te onthouden voor het examen
Leerboek, p. 52–53
1 Ga bij alle genoemde begrippen na of je weet wat ze betekenen. r
2 Ga bij begrippen die nog een onderverdeling hebben na, of je uit je hoofd weet wat daarbij hoort. Bijvoorbeeld bij ‘totale oorlog’: welke kenmerken horen daarbij? Bij oorzaken van de oorlog: welke acht kun je er noemen? (Leg een blaadje over de regels onder zo’n zin en kijk of je uit je hoofd weet wat eronder staat). r
3 Gebruik het schema hieronder Geef bij de volgende omschrijvingen de juiste uitdrukking of het juiste begrip. t 1
Omschrijving
a Trots op je eigen land en volk.
b Invoeren van productie in fabrieken.
c Koloniën veroveren in de tijd na de Industriële Revolutie.
d Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en het Turkse Rijk.
e Groot-Brittannië, Frankrijk, en Rusland.
f Plan om Frankrijk aan te vallen via neutrale landen.
g Oorlog met stellingen die bestaan uit uitgegraven gangen.
h Oorlog waarvan het hele land en de hele bevolking de gevolgen ondervindt.
i Proberen mensen over te halen tot bepaalde gedachten of meningen.
j Controle op de media om te voorkomen dat er berichten verschijnen die nadelig zijn voor de regering.
k Verheerlijken van alles wat militair is.
l Om het hardst steeds meer en steeds betere wapens aanschaffen.
m Overeenkomst tussen landen om elkaar te helpen in geval van oorlog.
Uitdrukking of begrip
n Ideeën over de vijand die de vijand als heel slecht voorstellen.
o Oorzaak die een ontwikkeling op gang brengt.
p Oorlog waarbij schepen worden getorpedeerd.
q Geen partij kiezen in een conflict of oorlog.
r In staat van paraatheid brengen van het leger.
s Mensen die hun land verlaten als gevolg van geweld of oorlog.
t Grensversperring tussen België en Nederland die onder stroom stond.
u Hindernissen waardoor er weinig of geen handel kon worden gedreven.
v Tekort aan goederen.
w Afspraak tussen strijdende partijen om te stoppen met vechten.
x Vergoeding voor oorlogsschade.
y Een gebied geheel vrij maken van militairen.
z Internationale organisatie gericht op vreedzaam oplossen van conflicten.
4 Bij jaartallen:
a Tussen de gebeurtenissen in 1914 en die in 1917 verliepen drie jaren. Wat maak je daaruit op? t 1
b Tussen de gebeurtenissen in 1917 en die in 1918 verliep één jaar. Wat maak je daaruit op? t 1
5 Bij personen:
a Wat hebben de drie genoemde personen uit dit hoofdstuk met elkaar gemeen? t 1
b Welke twee passen het meest bij elkaar en waarom? t 1
Begrippen & woorden
Leerboek, p. 54–55
1 Gebruik het schema hieronder
Drie begrippen uit paragraaf A hebben veel met elkaar te maken: industrialisatie, modern imperialisme en nationalisme. Geef bij elke letter in één zin aan wat het verband is. t 2
2 Maak de tekst af met de woorden uit het lijstje bij paragraaf B. Noteer de cijfers en zet er de juiste woorden achter. t 1
In juni 1914 werd de [ 1 ]…………… van OostenrijkHongarije vermoord door een Servische [ 2 ]…………… . De moordenaar was lid van de geheime [ 3 ]…………… de Zwarte Hand. Bijna niemand dacht dat dit zou uitlopen op een grote [ 4 ]……………
Maar Oostenrijk-Hongarije wilde Servië straffen, en was door zijn [ 5 ]…………… met Duitsland niet bang voor Rusland, dat de Serviërs als broedervolk zag. Zo stonden de Centralen en de Geallieerden als twee [ 6 ]…………… tegenover elkaar. Toen de strijd begon was er bij veel mensen veel [ 7 ]…………… . Duizenden [ 8 ]…………… meldden zich voor het leger. Zij waren totaal niet in [ 9 ]…………… en dachten dat ze snel weer thuis zouden zijn.
3 Maak de puzzel hieronder met woorden uit paragraaf C. Welk woord komt tevoorschijn in de extra omlijnde vakjes? t 1
1 Zwaar geschut.
2 Het verbieden van bepaalde berichten.
3 Hiermee probeer je mensen in jouw ideeën te laten geloven.
4 Een verwoestende strijd waar de hele bevolking bij betrokken is.
5 Vanuit hier beschoten de twee legers elkaar jarenlang zonder veel gebied te veroveren.
a militarisme
b nationalisme
c modern imperialisme
d moderne techniek
e bewapeningswedloop
f bondgenootschappen
g vijandbeeld
h industrialisatie
4 Gebruik het schema hierboven
Neem het schema over en kruis aan of de oorzaken van de oorlog uit paragraaf D horen bij economie, bij cultuur of bij politiek. t 1
5 Geef per rijtje woorden aan welk woord niet bij de andere drie woorden uit paragraaf E past. t 2
a onderzeeboot / revolutie / communisme / tsaar
b neutraal / onderzeeboot / torpederen / marine
c front / blokkeren / loopgraaf / uitputten
d president / democratie / mensenrechten / uitputten
6 Deze vragen gaan over de woorden uit paragraaf F.
a Leg uit waarom de Nederlandse regering in de oorlog distributie invoerde. Gebruik in je antwoord de woorden ‘handelsbelemmeringen’ en ‘schaarste’. t 2
b Leg uit welk gevolg de oorlog had voor Nederland. Gebruik in je antwoord het woord ‘mobilisatie’. t 2
c Leg uit waarom aan het begin van de oorlog zo veel Belgische vluchtelingen naar Nederland kwamen. Gebruik in je antwoord de woorden ‘geweld’ en ‘verwoestingen’. t 2
7 Wat is het verschil tussen een wapenstilstand en een vredesverdrag? t 2
8 Gebruik het schema hieronder Neem het schema over en kruis aan of de woorden uit paragraaf G horen bij de straf voor Duitsland of het idealisme van de Amerikaanse president. t 1
Straf voor Duitsland
Amerikaans idealisme
a herstelbetaling
b rechtvaardig
c wraak
d vernederen
e vreedzaam
onderhandelen
Totalitaire dictaturen tegenover democratie 3
Inleiding
Leerboek, p. 56–57
1 a Leg uit waarom de poster van Stalin propaganda was. t 1
b Leg uit waarom de foto van Hitler géén propaganda was. t 1
c Leg uit waarom deze foto tóch als propagandamiddel gebruikt kon worden. t 2
ACommunisme in Rusland
Leerboek, p. 58–59
v Verwerking
1 Zijn de zinnen oorzaak of gevolg van de communistische revolutie in Rusland? t 1
A De communistische partij krijgt de macht.
B Rusland vecht mee in de Eerste Wereldoorlog.
C Russen demonstreren tegen de tsaar.
D Rusland heet voortaan de Sovjet-Unie.
E Er is onvoldoende voedsel in de steden.
2 Noem twee redenen waarom de communisten vonden dat zij na de revolutie alléén de macht moesten hebben. r
2 a Waarom is het moeilijk te begrijpen dat dictators vaak populair zijn? i
b Waarom is het belangrijk is om je af te vragen waardoor dictators aan de macht komen? i
3 Leerboek, afbeelding 1
a Leg uit waarom op de poster rijke villa’s en bankgebouwen instorten. t 1
b De communisten lieten gebouwen niet echt slopen, ze maakten er staatsbezit van. Met welk doel deden ze dat? r
c Noem nog iets waaraan je kunt zien dat de poster propaganda is. t 1
4 Leerboek, afbeelding 1 en 2 + het schema hieronder
a Neem het schema hieronder over en vul begrippen uit tekstblok 2 op de juiste plaatsen in. Gebruik ten minste twaalf begrippen. t 1
b Waar passen afbeelding 1 en 2 in het schema? Leg je antwoord uit. t 2
Totalitaire dictatuur van Stalin
1 absoluut leiderschap 2 indoctrinatie met communistische ideeën 3 andere ideeën verbieden 4 tegenstanders uitschakelen
5 Welk woord past niet bij de andere twee woorden? Leg steeds je antwoord uit. t 2
a censuur / staatsbezit / planeconomie
b kapitalisme / vijfjarenplan / planeconomie
c collectivisatie / landbouw / industrie
6 Leerboek, afbeelding 3
a Waaraan zie je dat de mensen boeren zijn? t 1
b Leg uit waarom zij demonstreren tegen boeren met een eigen bedrijf. t 2
c Waaraan zie je dat deze boeren de demonstratie niet zelf hebben georganiseerd? t 2
d De collectivisatie kostte veel Russen het leven. Vind je dit de schuld van deze boeren? Leg je antwoord uit. i
7 Wat was een vijfjarenplan? r
8 Leg uit waardoor het economische beleid van Stalin miljoenen slachtoffers kostte. t 1
Bron 2 afbeelding 2
Het opschrift op deze poster is: ‘Wij zullen het vijfjarenplan in vier jaar afkrijgen!’
Bron 1 afbeelding 1
Twee foto’s van Stalin en zijn medewerkers. De linker foto is vóór 1940 gemaakt, de rechter ná 1940. Op de rechter foto is een medewerker verdwenen. Blijkbaar mocht hij niet meer naast Stalin gezien worden.
v Toepassing
9 Gebruik bron 1
a Bedenk wat er in het echt met deze medewerker gebeurd is. Gebruik het begrip ‘zuivering’. i
b Welk begrip past nog meer bij de foto’s? Kies er één en leg je antwoord uit. t 2
A showproces
B collectivisatie
C censuur
10 Gebruik bron 2
a Wat voor iemand is op de afbeelding aan het woord? t 1
b Bedenk of dat echt zijn woorden waren of de woorden van iemand anders. i
c Leg uit dat deze poster propaganda was. t 1
Democratie in Duitsland
Leerboek, p. 60 – 61
v Verwerking
1 Leerboek, afbeelding 4
Deze mannen maken met borden reclame voor hun partij. Leg uit waarom je daaraan kunt zien dat de Republiek van Weimar een parlementaire democratie was. t 2
2 Leg uit waarom de Vrede van Versailles voor Duitsland een vernedering was. t 1
3 Leerboek, afbeelding 5
a Op het bankbiljet is in het rood een nieuw bedrag over het oude bedrag gedrukt. Het oude bedrag was Eintausend (één duizend)
Mark. Wat is het nieuwe bedrag? r
b Zo’n bankbiljet heeft te maken met grote inflatie. Leg dat uit. t 1
c Door de inflatie werden producten duurder. Leg uit waarom dit slecht was voor de Duitse economie. t 2
4 Leerboek, afbeelding 6
a Wat moet de man met de dolk voorstellen? t 1
b Wat wil de tekenaar duidelijk maken? Kies het antwoord. t 1
A De revolutie van 1918 was de oorzaak van de Duitse nederlaag.
B De revolutie van 1918 was het gevolg van de Duitse nederlaag.
c Leg uit waarom de mening van de tekenaar onjuist is. t 2
5 Leerboek, afbeelding 7
a Leg uit waarom de Verenigde Staten met het Dawesplan kwamen. t 1
b Had het plan resultaat? Leg je antwoord uit. t 2
6 Gebruik het schema op de bladzijde hiernaast
Zet in het schema de begrippen A – E op de juiste plek. Maak de juiste combinaties van cijfers en letters. Sommige begrippen moet je meerdere keren gebruiken. t 1
A Groot-Brittannië
B Vrede van Versailles
C Duitsland
D Frankrijk
E Eerste Wereldoorlog
v Toepassing
7 Gebruik bron 3
a Welke hoge functie zal de man links van Hitler in de Eerste Wereldoorlog gehad hebben? Leg uit waaraan je dat ziet. t 1
b Ben je het eens met de uitspraak hieronder? Leg je antwoord uit. t 2
uitspraak — ‘De foto laat zien dat Hitler in 1923 geen enkele kans maakte om de macht over te nemen.’
8 Gebruik bron 4
Zorgde de Franse bezetting van het Roergebied voor verdeeldheid of eenheid onder de Duitse bevolking? Leg je antwoord uit. t 2
Bron 4
Lord D’Abernon (1857–1941) werkte voor de Britse regering in Duitsland. Hij maakte de bezetting van het Roergebied door Franse troepen mee. In zijn dagboek schreef hij op 20 januari 1923:
Bron 3 afbeelding 3
Op deze foto uit 1923 zie je de mannen die samen met Hitler een staatsgreep pleegden.
‘Elke dag zijn steeds meer Duitsers kwaad over de Franse bezetting. Iedereen, arm of rijk, vindt dit niet kunnen. Ik kan mij niet herinneren dat er ooit zo weinig partijstrijd en klassenhaat is geweest als nu. Politieke tegenstanders in Duitsland zijn gewend elkaar aan te vallen als er problemen zijn, maar nu bij de bezetting van het Roergebied is dat niet zo. Ze weten zich te beheersen. Voor één keer zijn ze het met elkaar eens. Zelfs de onafhankelijke socialisten steunen de regering. herstelbetalingen door herstelbetalingen aan het Dawesplan helpt economische crisis in daardoor gaat er geld naar
Economische crisis C
Leerboek, p. 62 – 63
v Verwerking
1 Welke drie zinnen gaan over de oorzaken van de Beurskrach van 1929? Kies het antwoord. t 1
A Veel arbeiders raken werkloos.
B Mensen kunnen niet blijven kopen omdat hun lonen niet almaar blijven stijgen.
C Fabrieken hebben machines die snel producten maken.
D Veel bedrijven gaan failliet.
E Amerikaanse ondernemers geloven dat ze steeds meer kunnen verdienen.
F De crisis slaat over naar landen buiten de Verenigde Staten.
2 Leerboek, afbeelding 8
a Waaruit blijkt dat deze Amerikaanse werklozen heel weinig geld hadden? t 1
b Leg uit dat de grote werkloosheid in de jaren 1930 een gevolg was van de economische crisis. t 1
c Leg uit dat door deze werkloosheid deze economische crisis nóg erger werd. t 2
3 Leg uit waardoor de Sovjet-Unie weinig van de economische crisis merkte. t 1
4 Leerboek, afbeelding 9
a Hoe zie je aan de grafiek dat de economische crisis in Duitsland erger was dan in andere landen? t 1
b Leg uit waardoor de crisis daar erger was. t 1
5 Leerboek, afbeelding 10
a De NSDAP zei er voor alle Duitsers (het ‘Duitse volk’) te zijn. Leg uit hoe je dit aan de poster ziet. t 1
b Hoe laat de tekenaar zien dat het slecht gaat met Duitsland? t 1
c Ging het echt slecht met Duitsland of overdrijft de tekenaar? Leg je antwoord uit. t 2
6 Leerboek, afbeelding 9, 10 + afbeelding 4
a Bij welke verkiezingen behaalde de NSDAP de meeste stemmen? t 1
b Bij welke twee verkiezingen steeg het aantal stemmen op de NSDAP het hardst? t 1
c Leg uit wat daar een oorzaak van was. Gebruik afbeelding 9 en 10 in het leerboek. t 2
Percentages door de NSDAP behaalde stemmen, 1924–1933. 4
Bron 5 afbeelding 5
Deze Russische poster is in 1931 gemaakt. Er staat: ‘Het kapitalistische Engeland beefde.’
Toepassing
Bron 6
Op 15 juli 1931 schreef een Duitse moeder een brief aan haar dochter die in Nederland woonde.
‘Nu is het treurig in de stad. In de etalages ligt alles voor spotprijzen en de winkels zijn leeg. Op straat, vooral voor de banken, overal groepjes mensen die opgewonden met elkaar staan te praten, maar echt onrustig is het nog niet geweest. Oma wilde haar pensioen ophalen, maar de bank betaalde haar geen cent. Mensen zijn bang dat ze hun spaargeld kwijtraken. Vandaag en morgen is Frau M. bij me. Het kleine mensje kwam als een zielig hoopje aanzetten. Ze heeft immers haar moeizaam verdiende geld ook op de spaarbank staan. Ze zei: “Een keer zijn we ons geld al kwijtgeraakt, en nu voor de tweede keer?” Ik heb haar kunnen geruststellen en vanavond ziet ze er wat minder ongelukkig uit. Ik vind het laf en schandalig tegenover het vaderland om het geld, dat hier zo hard nodig is, aan het buitenland te geven. Hoofdzaak is nu dat er hier geen rellen uitbreken.’
7 Gebruik bron 5
a Welke landen stellen de mannetjes voor? t 1
b Leg uit wat de tekenaar duidelijk wil maken over de economische wereldcrisis. t 2
c De poster is propaganda. Toch is niet alles wat je ziet onwaar. Noem iets wat waar is en iets wat waarschijnlijk overdreven is. t 2
8 Gebruik bron 6
a Frau M. zegt dat ze al eerder hun geld zijn kwijtgeraakt. In welk jaar zal dat gebeurd zijn? Kies een jaartal en leg je antwoord uit. t 2
A 1923 B 1925 C 1927
b De moeder schrijft dat Duitsland geld geeft aan andere landen. Leg uit wat dat te maken had met de Eerste Wereldoorlog. t 2
Fascisme en nationaalsocialisme D
Leerboek, p. 64 – 65
v Verwerking
1 Leerboek, afbeelding 11
Zoek in tekstblok 11 een zin die volgens jou het best bij deze foto past. Leg je antwoord uit. i
2 Leg uit waarom de fascisten in Italië tegen de parlementaire democratie waren. t 1
3 Gebruik het schema onderaan deze pagina
Zet achter elke uitspraak een onderstippeld begrip uit tekstblok 11 dat erbij hoort. t 2
4 afbeelding 6
Je ziet Mussolini in Napels vlak voordat hij met zijn aanhangers een staatsgreep pleegde.
a Wie is Mussolini op de foto? t 1
b In welk jaar is deze foto genomen? t 1
c Leg uit dat je aan de mannen op de foto kunt zien dat het fascisme militaristisch was. t 1
Fascistische dictatuur
5 Het schema van opdracht 3 kan ook gebruikt worden voor de nazidictatuur in Duitsland. Het enige wat je moet doen is drie woorden in de uitspraken vervangen. Welke drie? t 1
6 Leerboek, afbeelding 12
Leg met behulp van de afbeelding een verschil uit tussen het Duitse nationaalsocialisme en het Italiaanse fascisme. t 1
uitspraak begrip
1 ‘Het Italiaanse volk strijdt voor het vaderland!’
2 ‘De docent zegt zo vaak dat het fascisme geluk brengt, dat moet dus wel waar zijn.’
3 ‘Vader en moeder, laat mij soldaat worden!’
4 ‘Mussolini is mijn grote held.’
5 ‘Ik moet voorzichtig zijn. Straks word ik opgepakt.’
6 ‘Onze krant is door de regering verboden.’
7 ‘Als jij niet wilt luisteren, moet je maar voelen!’
Bron 7 afbeelding 7
De Italiaanse politie haalt het lijk van de socialistische leider Giacomo Matteotti (1885–1924) weg. Matteotti was een tegenstander van Mussolini. Hij was tegen het geweld waarmee de fascisten aan de macht waren gekomen. Daarom werd hij door een fascistische knokploeg vermoord.
7 Leerboek, afbeelding 13
a Leg uit wat er op de poster gebeurt. t 1
b Het antisemitisme was geen uitvinding van Hitler. Leg uit waarom de poster hier een bewijs van is. t 1
8 Vergelijk het antisemitisme dat er altijd was met het antisemitisme van Hitler.
a Noem een overeenkomst. r
b Noem een verschil. r
v Toepassing
9 Gebruik bron 7
a Leg uit dat de moord op Matteotti past bij de kenmerken van het fascisme. t 2
b Er was weinig openlijk protest tegen de moord op Matteotti. Bedenk waarom. i
10 Gebruik bron 8
a Wie bedoelt Klemperer met de ‘bedenkers van het Jodenvraagstuk’? t 1
b Leg uit waarom er volgens hem helemaal geen ‘Jodenvraagstuk’ was. t 2
c Doordat er de hele tijd werd gesproken en geschreven over het ‘Jodenvraagstuk’, gingen veel Duitsers geloven dat er écht een vraagstuk bestond. Kies één begrip dat hierbij pas. t 1
A indoctrinatie
B nationalisme
C censuur
Bron 8
De Duitser Victor Klemperer (1881–1960) hield van 1933 tot 1945 een dagboek bij.
Op 10 januari 1939 schreef hij:
‘De krant Der Stürmer schrijft steeds over het “Jodenvraagstuk dat opgelost moet worden”. Er bestaat helemaal geen Jodenvraagstuk. Wie dat zegt, praat de propaganda na. Zeker een eeuw lang zijn de Duitse Joden helemaal Duits geweest. Op alle gebieden van het Duitse leven hebben Joden en niet-Joden zonder ruzie samengewerkt. Er waren veel meer ruzies tussen katholieken en protestanten of tussen werknemers en werkgevers. De Joden waren en blijven Duitsers. Er is maar één oplossing voor het Jodenvraagstuk: de uitschakeling van de bedenkers ervan.’
Duitsland onder Hitler E
Leerboek, p. 66 –67
v Verwerking
1 Hitler wilde niet samenwerken met andere partijen in een coalitie. Leg uit waarom dat past bij de kenmerken van het nationaalsocialisme. t 1
2 Leerboek, afbeelding 14
a Welk Duits gebouw staat in brand? r
b Leg uit hoe de nationaalsocialisten deze brand gebruikten om hun macht te vergroten. t 1
3 afbeelding 8
Na de brand vergaderde het parlement in een ander gebouw. Op de foto spreekt
NSDAP-minister Hermann Göring de parlementsleden toe.
a Wat hangt er achter Göring? t 1
b Waar past deze foto beter bij: democratie of dictatuur? Leg je antwoord uit. t 2
4 Er waren in het parlement nog behoorlijk veel tegenstanders van de wet die Hitler alle macht gaf. Leg uit waarom veel van hen toch voor de wet stemden. t 1
5 Leerboek, afbeelding 15
a Leg met behulp van de foto uit wat gelijkschakeling betekent. t 1
b In de tekst worden meer middelen genoemd waarmee Hitler Duitsland gelijkschakelde. Leg uit welk middel volgens jou het meeste effect zal hebben gehad. i
6 Welk woord past niet bij de andere twee woorden? Leg telkens je antwoord uit. t 2
a Führerprinzip / SA / leidersbeginsel
b staat / SS / concentratiekamp
c propaganda / Bund Deutscher Mädel / indoctrinatie
d Gestapo / geheime politie / censuur
7 De nazi’s namen allerlei discriminerende maatregelen tegen Joden.
a Leg uit wat ze daarmee wilden bereiken. t 1
b Welke maatregel ging volgens jou het verst? Leg je antwoord uit. i
Bron 9 afbeelding 9
Hitler zei dat hij legaal (volgens de wet, in het Duits: ‘legal’) aan de macht was gekomen. De Duitse tekenaar die in 1933 deze spotprent maakte dacht daar heel anders over.
Bron 10
De Duitser Victor Klemperer (1881–1960) hield van 1933 tot 1945 een dagboek bij. Op 2 juni 1942 schreef hij:
‘Hoeveel grote en kleine pesterijen zijn er in de laatste jaren niet geweest!
Ik zal ze eens op een rij zetten: 1 Na acht of negen uur ’s avonds thuisblijven.
6 Verbod bloemen te kopen. 7 Verbod om naar de kapper te gaan. 8 Parkverbod.
9 Door de Jodenster kunnen we niet naar restaurants. 10 Verbod om voorraden etenswaren in huis te hebben.
11 Maar één uur op een dag om boodschappen te doen. Etc. Maar al deze maatregelen zijn niets vergeleken met het voortdurende gevaar van huiszoeking, mishandeling, gevangenis, concentratiekamp en gewelddadige dood.’
8 Leerboek, afbeelding 16
a Welke naam heeft deze gebeurtenis gekregen? r
b Welke naam zou je misschien beter aan deze gebeurtenis kunnen geven?
Kies er één leg je antwoord uit. i
A ‘Geweldsnacht’
B ‘Moordnacht’
C ‘Synagogennacht’
v Toepassing
9 Gebruik bron 9
a Achter de tralies staan SA-mannen. Leg uit wat de tekenaar wil zeggen over de ‘wettigheid’ waarmee Hitler aan de macht is gekomen. t 2
b Heeft Hitler géén gebruikgemaakt van wetten om de macht te grijpen? Leg je antwoord uit. t 2
10 Gebruik bron 10
a Bedenk waarom de nazi’s Duitse Joden verboden om bloemen te kopen of naar de kapper te gaan. i
b Victor Klemperer was zelf Joods (hoewel hij zich vooral Duitser voelde). Maakt dat volgens jou iets uit voor de bruikbaarheid van zijn dagboek als historische bron?
Leg je antwoord uit. i
Hitler en het buitenland
Leerboek, p. 68 – 69
v Verwerking
1 Noem twee dingen waaruit blijkt dat Duitsland na 1924 in vriendschap en vrede met het buitenland wilde leven. t 1
2 Leerboek, afbeelding 17
The Pact is een verdrag uit 1925 waarin Duitsland een groot gebied (Elzas-Lotharingen) definitief afstond aan Frankrijk. Hoe zie je dat de Franse regering de Duitse regering nog niet echt helemaal vertrouwt? t 1
3 afbeelding 10
a Het logo van de Volkenbond. De naam van de bond staat in de talen die op bijeenkomsten gesproken werden. Welke talen waren dat? r
b De vijf sterpunten staan voor de continenten Afrika, Amerika, Azië, Europa en Oceanië. Bedenk waarom dit goed past bij het doel van de Volkenbond. i
4 Leerboek, afbeelding 18
Past wat je ziet bij de afspraken van de Vrede van Versailles? Leg je antwoord uit. t 1
5 a Wat bedoelde Hitler met ‘Heim ins Reich’? r
b Leg uit waarom hij land in Oost-Europa wilde veroveren. t 1
c Leg uit waarom het logisch is dat Hitler Duitsland losmaakte van de Volkenbond. t 1
6 a Leg uit waarom de Conferentie van München een voorbeeld is van appeasementpolitiek. t 1
b Leg uit waarom de Britten en Fransen appeasement gebruikten. t 2
7 Leerboek, afbeelding 19
Toen Hitler Polen aanviel, konden de Britten en Fransen niet nog een keer toegeven.
Bedenk een reden waarom. Gebruik ook de gebeurtenis op de foto. i
v Toepassing
8 Gebruik bron 11
a Welke landen zijn A, B, C, D en E? t 1
b Deze kaart is vóór het jaar 1938 gemaakt. Noem twee dingen waaraan je dat ziet. t 1
9 Gebruik bron 12
a De ‘appeaser’ is Groot-Brittannië. Welk land stellen de hongerige dieren voor? Leg je antwoord uit. t 1
b De lolly’s stellen óók landen en gebieden voor. Bedenk een voorbeeld van zo’n land of gebied. i
c Bedenk of de hongerige dieren naar de man zullen luisteren. i
d Is de tekenaar een voorstander of een tegenstander van appeasement? t 2
Bron 11 afbeelding 11
Europa tussen 1919 en 1940.
Bron 12 afbeelding 12
Een Amerikaanse spotprent uit 1941. De ‘appeaser’ deelt lolly’s uit aan hongerige dieren. Hij zegt: ‘Denk eraan … nog één lolly, en dan gaan jullie allemaal naar huis!’
Nederland in crisistijd
Leerboek, p. 70 – 71
v Verwerking
1 Leerboek, afbeelding 20
Leg uit wat deze foto te maken heeft met de economische crisis in Nederland na 1929. t 1
2 Leerboek, afbeelding 21
a Welke dijk leggen deze mannen aan? r
b Leg uit waarom de regering dit soort werkverschaffingsprojecten begon. t 1
3 Waarom gaf de regering weinig geld uit aan uitkeringen? Kies twee juiste antwoorden. t 2
A Door de crisis had de regering helemaal geen geld.
B De regering wilde geen schulden maken.
C Door de crisis waren er minder belastinginkomsten.
D Door de bezuinigingen kreeg de overheid minder geld.
4 afbeelding 13
a In welk jaar was de werkloosheid het laagst? t 1
b In welk jaar het hoogst? t 1
c Leg uit of de volgende uitspraak juist of onjuist is. t 2
‘Toen in 1929 in de Verenigde Staten de economische crisis begon, leidde dat meteen tot een crisis in Nederland.’
5 Leg uit waardoor meer Nederlanders op radicale partijen gingen stemmen. t 1
6 Leerboek, afbeelding 22
a Van welke partij is deze verkiezingsposter? r
b Leg uit waarom de partij een somber kijkende werkloze op de poster heeft gezet. t 1
c Beschrijf wat je achter de man ziet en bedenk waarom dat erbij getekend is. i
7
De partij van Mussert behaalde veel minder stemmen dan de partij van Hitler. Bedenk daar een verklaring voor. i
8 Leg uit waarom de regering dacht dat Nederland niet door Duitsland zou worden aangevallen. t 2
Werkoosheid in Nederland als percentage van de beroepsbevolking, 1921–1939
14
Bron 13 afbeelding 14
Deze poster is gemaakt vóór de crisisjaren 1930.
Bron 14
Uit het eerste nummer van Volk en Vaderland, de partijkrant van de NSB, 1933:
‘Er gebeurt zoveel dichtbij en verder af, waaruit blijkt hoe ons land naar de afgrond wordt gelokt en gesleept. Wij zijn nog niet sterk genoeg om dit tegen te gaan. Wij werken ervoor en streven ernaar om dit wel te kunnen. Daarvoor zal enorm veel werk verricht moeten worden. Onze beweging is net begonnen. Maar de kracht van het fascisme zaait nu al angst onder onze tegenstanders.’
v Toepassing
9 Gebruik bron 13
a Welke reden wordt op de poster voor werkverschaffing gegeven? t 1
b Wie wordt opgeroepen om geld te schenken: het volk (burgers) of de overheid? t 2
c In de crisisjaren 1930 betaalde de overheid en niet burgers de werkverschaffing. Bedenk waarom. i
10 Gebruik bron 13 en 14
a In bron 14 staat: ‘Er gebeurt zoveel dichtbij en verder af’. Bedenk welke gebeurtenissen in Nederland en de wereld de schrijver waarschijnlijk bedoelt. i
b Leg uit of de laatste zin van bron 14 een feit of een mening is. t 2
Vaardigheden
v De kwestie
Leerboek, p. 72
Bij deze opdrachten kun je samenwerken met een groepje leerlingen.
1 Verdeel de argumenten in twee groepen. Leg uit waarom je ze zó verdeeld hebt. t 2
2 Lees nog eens de argumenten per groep. Welke van de twee groepen vind je het belangrijkst? i
3 Geef een antwoord op de vraag: ‘Konden dictators de macht krijgen door hun populariteit, of deden ze het door het volk te onderdrukken?’ Geef argumenten bij je antwoord. t 2
v Historisch denken
Leerboek, p. 73
4 Gebruik afbeelding 5 in het leerboek
Was de inflatie in Duitsland na 1922 een snelle of langzame verandering? Leg je antwoord uit. t 2
5 Gebruik afbeelding 4 op p. 54 van dit opdrachtenboek
Was de opkomst van de NSDAP na 1928 een snelle of langzame verandering? Leg je antwoord uit. t 2
6 Gebruik afbeelding 13 en 16 in het leerboek
a Leg met behulp van de afbeeldingen uit dat hier sprake was van continuïteit. t 2 b Was er ook sprake van verandering, als je de afbeeldingen bekijkt? Leg je antwoord uit. t 2
7 Gebruik afbeelding 6 in het leerboek
Was de Dolkstootlegende een directe of indirecte oorzaak van het aan de macht komen van Hitler? Leg je antwoord uit. t 2
8 Wat was de aanleiding voor het uitbreken van de economische crisis in de Verenigde Staten in 1929? Kies het antwoord. Leg je keuze uit. t 1
A In de jaren 1920 waren ondernemers heel optimistisch over de economie.
B Op de beurs in New York brak paniek uit, waardoor aandelen massaal verkocht werden.
C De fabrieken produceerden meer dan consumenten konden kopen.
9 Kies één oorzaak van het aan de macht komen van de communisten in Rusland die jij belangrijk vindt. Leg je keuze uit. i
A Het ging slecht met het Russische leger in de Eerste Wereldoorlog.
B Er was honger en gebrek, vooral in de grote steden.
C De communisten beloofden boeren en arbeiders hoop op een beter leven.
v Soorten bronnen Leerboek, p. 74
10 Leerboek, afbeelding b
Welke mening heeft de tekenaar over het communisme? Gebruik de vier vragen die je altijd bij een spotprent stelt. i
11 afbeelding 15
Deze spotprent is gemaakt naar aanleiding van een gebeurtenis in het jaar 1939. Er staat: ‘Hoelang zal dit huwelijkssprookje duren?’
a Beantwoord de vier vragen die je altijd bij een spotprent stelt. t 1
b Bedenk om welke gebeurtenis het gaat. i
c Wat wil de tekenaar over deze gebeurtenis duidelijk maken? t 2
Om te onthouden voor het examen
Leerboek, p. 76–77
1 Ga bij alle genoemde begrippen na of je weet wat ze betekenen. t 1
2 Ga bij begrippen die nog een onderverdeling hebben na, of je uit je hoofd weet wat daarbij hoort. Bijvoorbeeld bij ‘naziorganisaties’: welke organisaties zijn er en wat betekenen die? (Leg een blaadje over de regels onder zo’n begrip (of zin) en kijk of je uit je hoofd weet wat eronder staat). r
3 Gebruik het schema hieronder Geef bij de volgende omschrijvingen de juiste naam of het juiste begrip. t 1
Omschrijving
a De lijfwacht van Hitler.
b Aansluiting Oostenrijk bij Duitsland.
c Duitsland tussen 1919 en 1933.
d Geheime politie van de nazi’s.
e Daar werd afgesproken dat Hitler Tsjechisch gebied kreeg.
f Mishandeling van Duitse Joden en vernieling van hun winkels en synagogen.
g Iedereen gehoorzaamt de leider Adolf Hitler.
h De economische crisis van 1929 begint in New York.
i Het eerste communistische land ter wereld.
Uitdrukking of begrip
j Leningen aan Duitsland in de jaren 1920.
k Naziorganisatie voor meisjes.
l Organisatie die de vrede in de wereld wilde bewaren.
m Hitler wilde alle Duitstaligen ‘terug naar Duitsland’ brengen.
n De crisis bestrijden door te bezuinigen.
o Nederlandse fascistische partij.
4 Bij jaartallen:
a In welke twee jaren waren er gebeurtenissen die positief waren voor de Republiek van Weimar? t 1
b Welk jaar was volgens jou beslissend voor de verkiezingssuccessen van de NSDAP? i
c Welk jaar maakte duidelijk wat Hitler van plan was met het buitenland en de Duitse Joden? Leg je antwoord uit. t 2
5 Bij personen:
a Wie was leider van de NSB? r
b Wie leidde de communistische revolutie in 1917? r
c Wie kwam in 1933 aan de macht? r
d Wie leidde Nederland in de crisisjaren 1930? r
e Wie kan gezien worden als stichter van het fascisme? r
Begrippen & woorden
Leerboek, p. 78–79
1 De begrippen staan in lijstjes per paragraaf in de volgorde waarin ze in de paragraaf voorkomen. Dat is handig om de leerstof te herhalen. Dat doe je door met de woorden zinnen te maken.
Kies uit de lijst bij paragraaf A de woorden waarmee je de volgende tekst aanvult. Noteer de cijfers en zet er de juiste woorden achter. t 1
Tot 1917 werd Rusland geregeerd door een [ 1 ]…………… .Daarna kwamen de [ 2 ]…………… aan de [ 3 ]…………… . Zij waren tegen het [ 4 ]…………… . Van fabrieken en boerderijen maakten zij [ 5 ]…………… . Stalin was de grootste communistische [ 6 ]…………… . Hij maakte van Rusland een totalitaire staat waarin één [ 7 ]…………… de macht had, namelijk de communistische. Met [ 8 ]…………… en [ 9 ]…………… rekende hij af met Sovjetburgers die hij als zijn tegenstanders zag. Met [ 10 ]…………… werden Sovjetburgers geïndoctrineerd. Stalin gebruikte [ 11 ]…………… om de industrie te ontwikkelen. Boerderijen werden samengevoegd. Dat noem je [ 12 ]…………… .
2 Gebruik het schema op de pagina hiernaast Waar horen de begrippen en woorden bij? t 1
3 Kies uit het lijstje bij paragraaf F twee begrippen die je vindt passen bij de politiek van appeasement. Leg je keuze uit. i
4 Kies uit het lijstje bij paragraaf G twee begrippen die je vindt passen bij de manier waarop minister-president Colijn een einde wilde maken aan de economische crisis. Leg je antwoord uit. i
5 Kies één woord dat niet bij de andere drie woorden past. Leg je keuze uit. t 2