ADVIES
1. INLEIDING
1.1. Context
VARIO wil als adviesraad voor innoveren en ondernemen bijdragen tot de Vlaamse ambitie om uit te groeien tot de top van de innovatieve kennisregio’s. In zijn memorandum 2019-2024 ‘Vlucht vooruit. Bestemming top 5 kennisregio’s’ (december 2018) was de kernboodschap dan ook het belang van een overkoepelende langetermijnstrategie voor innovatie met duidelijke doelstellingen en slimme KPI’s (key performance indicators) als krachtige tools.
HetVlaamseRegeerakkoord2019-2024volgtdeaanbevelingvanVARIOomdoortestotentotdetopvan innovatieve kennisregio’s in Europa. Deze ambitie wordt de centrale toetssteen van ons innovatiebeleid. De Vlaamse Regering erkent daarbij de behoefte aan een set van strategische beleidsindicatoren om de realisatie van de ambities op te volgen en op basis waarvan ze het beleid m.b.t. wetenschap en innovatie kan sturen, vormgeven en evalueren. Dit resulteerde in een gecoördineerde adviesvraag van ministerpresident van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Buitenlandse Zaken Jan Jambon en van viceminister-presidentvandeVlaamseRegeringenVlaamsministervanEconomie,Innovatie,Werk,Sociale Economie en Landbouw Hilde Crevits (28 januari 2020) voor het opstellen van ‘transparantestrategische beleidsindicatorendieperiodiekbeschikbaarzijn,ookophetniveauvanVlaanderen’
In juli 2020 overhandigde VARIO zijn advies 13 ‘Een kwaliteitsvolle set indicatoren voor wetenschap en innovatie’9 aan beide ministers.Dit betrefteenset van een vijftigtal indicatoren die ingedeeld zijn volgens een aantal grote categorieën van doelstellingen (zie Figuur 3), en die het brede spectrum van het wetenschaps- en innovatiesysteem zo volledigmogelijk afdekken.
Hieruit werd een selectie van 20 kernindicatoren gemaakt, die weergegeven wordt in Tabel 1. Deze laten toe om structurele evoluties in het Vlaamse W&Ilandschap systematisch te volgen.
Figuur3:Bouwblokken
In opvolging hiervan vroeg Vlaams minister voor innovatie Hilde Crevits aan VARIO om in 2021 een nulmeting uit te voeren voor deze kernindicatoren. Voorliggend advies betreft een eerste invulling van de nieuwe set kernindicatoren.
9 https://www.vario.be/nl/publicaties/advies-13-een-kwaliteitsvolle-set-indicatoren-voor-wetenschap-innovatie
Tabel1:OverzichtVARIO-kernindicatorenvoorWetenschapenInnovatieperbouwblok
(1) Voldoende middelen voor W&I
(2) Talent cruciaal voor een kennismaatschappij
(3) Wetenschapen kennisalsfundamenten
VARIO-kernindicator
(4) Kennis-, innovatie-, en productievaardigheden van bedrijven
(5) Linkages tussen W&I-actoren
(6) Een open en internationaal Vlaanderen
1 GERD (Gross Expenditure on R&D; O&O-bestedingen) als %bbp X ‐ a: Aandeel GERD gefinancierd door publieke sector – 1% X ‐ b: AandeelGERD gefinancierd door private sector – 2% X X
2 Aandeel diploma’s in wiskunde, wetenschappen en technologie in het hoger onderwijs in het totaal van de diploma’s hoger onderwijs X
3 Totaal O&O-personeelper 1000 beroepsbevolking X ‐ a: O&O-personeel per sector (hoger onderwijs, publieke onderzoekscentra en bedrijven) X X
4 Gemiddelde PISA-score op lezen, wiskunde en wetenschappen van Vlaamse 15-jarigen X
5 Aandeel bevolking 25-64 jaar dat deelneemt aan opleidingen tijdens referentieperiode van 12 maanden voorafgaand aan enquête - a:teontwikkelen :Aandeelbevolking25-64jaardatdeelneemtaanopleidingen tijdens referentieperiode van 12 maanden weken voorafgaand aan enquête verfijnd naar de vormen van leren, naar de motivatie,..
6
Aandeel publicaties in de top 10%highly cited articles
a: te ontwikkelen : Aandeel publicaties in de top 10% highly cited articles; opgesplitst per domein
7 Aantal aangevraagde EPO & PCT-octrooien en toegekende USPTO-octrooien met Vlaamse uitvinder en/of aanvrager per miljoen inwoners
‐ a: Aantal aangevraagde EPO & PCT-octrooien en toegekende USPTO-octrooien met Vlaamse uitvinder en/of aanvrager per miljoen inwoners opgesplitst per sector
8 Aandeel buitenlanders in het ZAP-kader
9
10
Aandeel buitenlanders onder nieuw aangestelden binnen het ZAP-kader
Aandeel jonge ondernemingenmet hoge groeiambitie
Aandeel innoverende bedrijven
Aandeel intern innoverende kmo’s
13 Aandeel HERD privaat gefinancierd
14 AandeelGOVERD privaat gefinancierd
15 Aandeel innovatieve bedrijven die samenwerken
‐ a: Aandeel innovatieve bedrijven die samenwerken per type partners
16 Aandeel innovatieve bedrijven die internationaal samenwerken, per regio
17 Deelnametoelage EU-Kaderprogramma
‐ a: Deelnametoelage EU-Kaderprogramma in functie van bbp
‐ b: Deelnametoelage EU-Kaderprogramma in functie van aantal inwoners
‐ c: Deelnametoelage EU-Kaderprogramma per deelnemerscategorie
18 Aandeel deelnemers aan de Marie Sklodowska-Curie acties - individual fellowships-
19 Teontwikkelen : Stayrate - aandeel internationale studenten hoger onderwijs dat na afstuderen nog in het land verblijft
‐ a: Teontwikkelen : Stayrate – na 1 jaar
‐ b: Teontwikkelen : Stayrate – na 4 jaar
20
Teontwikkelen : Totaal O&O-personeel per nationaliteit in ondernemingen
1.2. Invulling kernindicatoren
Een eerste invulling van de kernindicatoren werd opgenomen in het Vlaams Indicatorenboek 202110. Dit betreft een voorstelling van de 20 kernindicatoren met, waar mogelijk, een vergelijking doorheen de tijd met andere landen.
Via voorliggend advies wordt door VARIO meer in detail ingegaan op deze eerste invulling
- Er wordt een voorstelling gegeven van de 20 kernindicatoren (zoals in het Vlaamse indicatorenboek) inclusief een toelichting;
- In VARIO-advies 1011 werden door VARIO vijf benchmarklanden en 17 benchmarkregio’s geselecteerd. Er wordt meer in detail ingegaan op de positionering van Vlaanderen tussen de benchmarklanden. Tevens, wordt er waar mogelijk een invulling gegeven voor de benchmarkregio’s.
o Landen: Denemarken, Finland, Nederland, Zweden en Zwitserland
o Regio’s: twee in Zweden, één in Finland, één in Denemarken, zeven in Zwitserland, vier in Duitsland, twee in Nederland
- Voortweekernindicatoren (ensubindicatoren) isermomenteel noggeen invullingmogelijk Voor deze indicatoren wordt kort ingegaan op wat er (al of niet) beschikbaar is en wat er eventueel mogelijk is in de toekomst.
1.3. Leeswijzer
In hoofdstuk 2 t.e.m.7 worden de verschillende kernindicatoren weergegeven per bouwblok:
- Hoofdstuk 2: Voldoende middelen voor W&I
- Hoofdstuk 3: Talent cruciaal voor eenkennismaatschappij
- Hoofdstuk 4:Wetenschap en kennis als fundamenten
- Hoofdstuk 5: Kennis-innovatie- en productievaardigheden van bedrijven
- Hoofdstuk 6: Linkages tussen W&I-actoren
- Hoofdstuk 7: Een open eninternationaal Vlaanderen.
In hoofdstuk 8 worden een aantal bevindingen en aanbevelingen geformuleerd.
10 https://www.vlaamsindicatorenboek.be/6/de-20-vario-kernindicatoren
11 Advies 10: Innovatieve benchmarklanden en -regio’s voor Vlaanderen: https://www.vario.be/nl/publicaties/advies-10-innovatieve-benchmarklandenregio%E2%80%99s-voor-vlaanderen
2. DOELSTELLING 1: VOLDOENDE MIDDELEN VOOR W&I
Toenemendeinternationaleuitdagingenendrukopheteconomischconcurrentievermogenzorgdenbegin 2000vooreengroeiendbewustzijninEuropam.b.t.hetbelangvanhetstimulerenvanO&O.Hetverhogen van de O&O-investeringen naar 3% van het bruto binnenlands product (bbp) was een sleutelelement in de Lissabonstrategie. Is de inzet van middelen voor W&I vanuit de publieke en private sector voldoende?
2.1. Indicator 1: GERD als% bbp
Vlaanderen heeft zich sinds 200312 geëngageerd om 3% van haar bbp te besteden aan onderzoek en ontwikkeling. In 2019 doorbreekt Vlaanderen voor het eerst de norm van 3% van het bbp aan onderzoek en ontwikkeling. Meer specifiek hebben alle bedrijven, overheden en kennisinstellingen in Vlaanderen in 2019 samen 3,35% van het bbp geïnvesteerd in onderzoek en ontwikkeling (Tabel 2) Deze O&O-intensiteit is gestaag toegenomen inde laatste 10 jaar.
Tabel2:TotaleintramuraleuitgavenvoorO&O(GERD)alspercentagevanhetbbp* inVlaanderen,in lopendeprijzen(2009-2019)
Bron: ECOOM (3%-nota 2009-2019, juni 2021)
Noot: * volgens ESR2010-rekeningstelsel
Opmerking:GERDissamengestelduitBERD,GOVERD,HERDgewestofgemeenschapenPNP.Hetverschiltussendegewest-ende gemeenschapscijfers voor de HERD ligt in het al dan niet meerekenen van de Vlaamse onderwijsinstellingen die gelegen zijn in hetBrusselsHoofdstedelijkGewest:deVrije UniversiteitBrussel,deBrusselse campus(sen) van KULeuven,de Erasmushogeschool Brussel, LUCA-School of Artsen Odisee (campus(sen) Brussel). Deze instellingen zijn niet opgenomen in de HERDgewest, maar wel in de HERDgemeenschap13
Vlaanderen scoort hiermee ver boven het Europese gemiddelde van 2,1% en laat Zweden met 3,4% als enige EU-land voorgaan (Figuur 4). De andere benchmarklanden Zwitserland (3,18%) (data voor 2017), Denemarken (2,96%), Finland (2,79%) en Nederland (2,16%) scoren lager dan Vlaanderen. Israël (4,93%) en Zuid-Korea (4,64%) hebben een O&O-intensiteit hoger dan Vlaanderen. We geven graag mee dat het hier nog vaak over geschatte of provisionele, voorlopige waarden gaat.
12 Innovatiepact ondertekend in maart 2003
13 ECOOM 3%-nota 2009-2019, juni 2021
Figuur4:InternationalepositioneringvanVlaandereninzakedeO&O-intensiteit(alspercentagevanhet bbp)(2019)
Israël (de)
Zuid-Korea
Zweden (e)
Vlaanderen
Japan
Oostenrijk (p)
Zwitserland*
Duitsland (e)
België
Verenigde Staten (d,e)
Denemarken (p)
Finland
China
Frankrijk (e)
Nederland (p)
Europese Unie (28) (e)
Verenigd Koninkrijk (p)
Italië (p)
Spanje (p)
Ierland (e)
*: data voor 2017
Bron Vlaanderen en België: ECOOM (3%-nota 2009-2019, juni 2021)
Bron internationaal: OECD MSTI (download 30 juni2021)
Noot: (e) geschatte waarde; (p) provisionele, voorlopige waarde; (d) definitie verschilt
InTabel3wordteenoverzichtopgenomenvandeinternationalepositioneringvanVlaanderendoorheen detijd.Zuid-Koreaishetlandmetdegrootsteprocentpuntentoename,gevolgddoorVlaanderen.Finland situeert zich aan het andere eind van het spectrum met een daling van de O&O-intensiteit van 3,73% in 2009 tot 2,79% in 2019.
Tabel3:InternationalepositioneringvanVlaandereninzakedeO&O-intensiteit(2009-2019)
Bron Vlaanderen en België: ECOOM (3%-nota 2009-2019, juni 2021)
Bron internationaal: OECD MSTI (download 30 juni2021)
Voor O&O-intensiteit is het ook mogelijk om Vlaanderen te vergelijken met andere regio’s (zie Tabel 4). WemerkenhieropdatdedoorVARIO-geselecteerdebenchmarkregio’sallemaalzeersterkscorenopdeze indicator. Terwijl Vlaanderen in 2019 de 3%-norm behaalde, observeren we dat de geselecteerde benchmarkregio’s in Denemarken, Duitsland, Finland en Zweden deze norm al in 2009 behaalden. Enkel deregio’sinNederland,waarvoormaardatabeschikbaarzijntot2012,haddendezenormnognietgehaald in 2012.
Tabel4:InterregionalepositioneringvanVlaandereninzakedeO&O-intensiteit(2009-2019)
Land Regio
Bron Vlaanderen: ECOOM (3%-nota 2009-2019, juni2021)
Bron: OECD (download 10 november 2021)
Noot: (e) geschatte waarde; (p) provisionele, voorlopige waarde; (c) confidentieel
Noot: Er is geen data beschikbaar voor de regio’s in Zwitserland
2.1.1. Indicator 1a: Aandeel GERD gefinancierd door publieke sector en gefinancierd door private sector
Conform een subdoelstelling moet de overheid 1/3 van de O&O-bestedingen voor haar rekening nemen, de bedrijven de overige 2/3. Opsplitsen van deze O&O-intensiteit volgens financieringssector (publieke of private) levert de zgn. 1%-norm, respectievelijk 2%-norm. Voor Vlaanderen observeren we dat de bedrijven in 2019 instaanvoor 2,55%endatde overheidinstaatvoor0,80%(Tabel 5).Hetaandeel private financiering overschrijdt dus de 2%-norm (dit was echter ook al het geval in 2017). De overheid behaalt de1%-normnogniet.Beideaandelennemenechtertoeoverheendetijdendeverdelingtussenhetprivate (25%) en publieke (75%) aandeel blijft min of meer gelijk doorheen de tijd.
Tabel5:O&O-intensiteit(alspercentagevanbbp)-privateversuspubliekefinanciering(2011-2019)
Bron: ECOOM (3%-nota 2009-2019, juni 2021)
In tabel 6 wordt de internationale positionering van de opdeling van de 1%- en 2%-norm (voor 2017) weergegeven.In2017hadVlaanderenmeteenO&O-intensiteitvan2,88%nognetnietde3%-normgehaald. We observeren dat de benchmarklanden Zweden, Zwitserland en Denemarken toen al de 3%-norm behaaldhadden.Vooralledriedelandenstondendebedrijvenookinvoorminimaal2%.Ookde1%-norm werd in dezelanden(zogoedals)behaald. Enkel Nederland scoorthierbeduidendlager,meteen aandeel
private financiering van 1,4% en aandeel publieke financiering van 0,78%. Een vergelijking van de 1%- en de 2%-norm voor verschillende regio’s is niet mogelijk.
Tabel6:InternationalepositioneringvandeO&O-intensiteit(alspercentagevanbbp) -privateversus publiekefinanciering(2017)
Aandeel privaat (binnen en buitenland uitgezonderd voor de landen met een *)
Bron: Op basis van informatie van ECOOM (3%-nota 2009-2019, juni 2021)
*: Betreft enkel de private investeringen binnenland (zonder private investeringen buitenland)
Noot: Geen informatie beschikbaar voor Israël en Zuid-Korea
3. DOELSTELLING 2: TALENT CRUCIAAL VOOR EEN KENNISMAATSCHAPPIJ
Voldoendekwantiteitenrelevantekwaliteitvan'humancapital’staancentraalineenkennisregio.Hebben we voldoendekritische massa aan menselijk kapitaal met de juiste skills en vaardigheden?
3.1. Indicator 2: Aandeel diploma’s in wiskunde, wetenschappen en technologie in het hoger onderwijs
Voor de ontwikkeling van O&O-activiteiten en de absorptie ervan, en voor de totstandkoming van een kenniseconomie in ruimere zin, is een stevige basis aan gediplomeerden in wetenschap en technologie essentieel. We observeren echter dat het aandeel diploma’s wiskunde, wetenschappen en technologie in het hoger onderwijs (t.o.v. alle diploma’s hoger onderwijs in Vlaanderen) maar een beperkte toename kent in 2019 t.o.v. 2015 (Tabel 7).
Tabel7:Evolutieaandeeldiploma'swiskunde,wetenschappenentechnologieinhethogeronderwijst.o.v. allediploma'shogeronderwijsinVlaanderen(VlaamsGewest)(2015-2019)
Bron: Departement Onderwijs en Vorming, Vlaamse overheid, Statistiek Vlaanderen14 Noot: Diploma's hoger onderwijs:
- ISCED 5:HBO 5
- ISCED 6: bacherloropleidingen
- ISCED 7: masteropleidingen
- ISCED 8: doctoraten
- Opdat de ISCED fields of education in 2013 werden herzien en dat deze herziene classificatie werd geïmplementeerd vanaf de dataverzameling academiejaar 2014-2015, zijn enkel de jaren vanaf 2015 vergelijkbaar.
Een internationale positionering (voor 2018) wordt weergegeven in onderstaande Figuur 5. Duitsland is koploperindeEUwatbetrefthetaandeeldiploma’swiskunde,wetenschappenentechnologie. Deandere benchmarklanden Finland (28,1%), Zweden (26,7%) en Zwitserland (25,1%) scoren opmerkelijk hoger dan Vlaanderen (19,2%). Vlaanderen (en België met 16,6%) vormt samen met Nederland (16,6%) de ‘bodem’ van de ranking.
14 https://www.statistiekvlaanderen.be/nl/diploma%E2%80%99s-in-wiskunde-wetenschappen-en-technologische-richtingen-in-het-hoger-onderwijs
Figuur 5: Internationale positionering van Vlaanderen inzake het aandeel diploma's wiskunde, wetenschappenentechnologieinhethogeronderwijst.o.v.allediploma'shogeronderwijsinVlaanderen (2018)
Duitsland
Finland
Verenigd Koninkrijk
Zweden
Frankrijk
Zwitserland
Italië
Ierland
Denemarken
Spanje
Vlaanderen
Nederland*
België
*: data 2017
Bron: Dept. Onderwijs en Vorming, Vlaamse overheid
In Tabel 8 wordt een overzicht van deze internationale positionering doorheen de tijd meegegeven. Opmerkelijk is dat Duitsland, alhoewel het hoogste aandeel, ook een sterke daling (3,8 procentpunten) kent overheen de periode 2015-2018. Ook Spanje kent een gelijkaardige daling (3,5 procentpunten). Denemarken en Nederland kennen de sterkste toename met respectievelijk 2,6 en 1,9 procentpunten.
Tabel8:Internationalevergelijkingvanhetaandeeldiploma'swiskunde,wetenschappenentechnologie inhethogeronderwijst.o.v.allediploma'shogeronderwijsinVlaanderen(2015-2018)
Bron: Dept. Onderwijs en Vorming, Vlaamse overheid
3.2. Indicator 3: Totaal O&O-personeel per 1.000 beroepsbevolking
O&O-personeel is de drijvende kracht bijkennisontwikkeling, -verspreiding,en -toepassing. Daarom is het ook belangrijk dat het innovatie-potentieel versterkt wordt door investeringen in human capital. We observeren dat het aandeel O&O-personeel in de beroepsbevolking gestaag toegenomen is van 12,90 per 1000 beroepsbevolking tot 19,08 in 2019
Tabel9:TotaalO&O-personeelper1000vandeberoepsbevolkinginVlaanderen(VlaamsGewest)(20092019)
Totaal eigen O&O-personeel
O&O-personeel per 1000 beroepsbevolking
Bron O&O-personeel: ECOOM 3%nota 2009-2019, juni 2021
Bron beroepsbevolking: Vlaamse Arbeidsrekening o.b.v. RSZ-DMFA, RSZPPO, RSVZ, RIZIV, CBS, IGSS, OEA, SEE, RVA, IWEPS, FOD Economie - Bevolkingsstatistieken, DWH AM&SB bij de KSZ (Bewerking Steunpunt Werk)
Noot: in voltijdse equivalenten
Een internationale vergelijking wordt weergegeven in Figuur 6. Zoals bij indicator 1 geven we graag mee dat voor de andere landen het nog vaak over geschatte of provisionele, voorlopige waarden gaat. Denemarken (19,57) heeft het hoogste aandeel O&O-personeel per 1000 beroepsbevolking, op de voet gevolgd door Vlaanderen (en België). Andere benchmarklanden, Finland (18,59), Nederland (17,14), Zweden (16,57) en Zwitserland (15,44), scoren lager.
Figuur6:InternationalepositioneringvanVlaandereninzakeO&O-personeel(‰vandeberoepsbevolking) (2019)
Denemarken (e)(p)
Vlaanderen
België (e)(p)
Zuid Korea (e)
Finland (e)
Oostenrijk (d)(e)(p)
Nederland (e)(p)
Duitsland (e)
Zweden (e)
Ierland (e)
Frankrijk (e)
Zwitserland** (e)
Verenigd Koninkrijk (e)(p)
Italië (d)(e)(p)
Europese Unie (e)
Japan (d)(e)
Spanje (d)(e)(p)
China*
**: data voor 2017
Bron O&O-personeel:
‐ Vlaanderen: ECOOM 3%nota 2009-2019, juni 2021 ‐ Internationaal: OECD, MSTI (download 31 mei2021)
Bron beroepsbevolking: Vlaamse Arbeidsrekening o.b.v. RSZ-DMFA, RSZPPO, RSVZ, RIZIV, CBS, IGSS, OEA, SEE, RVA, IWEPS, FOD Economie – Bevolkingsstatistieken, DWH AM&SB bij de KSZ (Bewerking Steunpunt Werk)
Noot: de methodologie voor de berekening van de beroepsbevolking in Vlaanderen verschilt van die van de andere landen; de waarde van deze indicator is daardoor een onderschatting (d) definitie verschilt; (e) schatting; (p) provisionele, voorlopige waarde
Degrootstetoenameoverheendeperiode2013-2019situeertzichinVlaanderen(enBelgië)enItalië.Japan heeft een status quo terwijl er zich in Denemarken en Finland een (beperkte) daling voordoet (zie Tabel 10).
Tabel10:InternationalevergelijkingtotaalO&O-personeel(
Bron O&O-personeel:
‐ Vlaams: ECOOM 3%nota 2009-2019, juni 2021
‐ Internationaal: OECD, MSTI (download 31 mei 2021)
Bron beroepsbevolking: Vlaamse Arbeidsrekening o.b.v. RSZ-DMFA, RSZPPO, RSVZ, RIZIV, CBS, IGSS, OEA, SEE, RVA, IWEPS, FOD Economie - Bevolkingsstatistieken, DWH AM&SB bij de KSZ (Bewerking Steunpunt Werk)
Noot: de methodologie voor de berekening van de beroepsbevolking in Vlaanderen verschilt van die van de andere landen; de waarde van deze indicator is daardoor een onderschatting
3.2.1. Indicator 3a: O&O-personeel per sector
We observeren dat het meeste O&O-personeel actief is in de bedrijven, namelijk 65% (Figuur 7). De instellingen voor hoger onderwijs zijn een tweede belangrijke tewerkstellingsplaats voor O&O-personeel (26%) terwijl de publiekeonderzoekscentra volgen als derde (9%)
In Tabel 11 wordt een overzicht gegeven van het eigen O&O-personeel in VTE. In absolute aantallen is het O&O-personeel in alle sectoren toegenomen. Het aandeel O&O-personeel actief in bedrijven is doorheen detijdechtertoegenomenterwijlhetaandeelO&O-personeelinhethogeronderwijs(gewest-benadering) afgenomen is.
Figuur7:EigenO&O-personeel(VlaamsGewest)(inVTE)(2019)
Totaal bedrijven
Publieke onderzoekscentra
Instellingen zonder winstoogmerk
Hoger onderwijs (gewest)
Bron: O&O-personeel: ECOOM 3%nota 2009-2019, juni 2021
Tabel11:EigenO&O-personeel(inVTE)(2009-2019)
Bron: O&O-personeel: ECOOM 3%nota 2009-2019, juni 2021
3.3. Indicator 4: Gemiddelde PISA-score op lezen, wiskunde en wetenschappen van Vlaamse 15-jarigen
Zoveel mogelijk jongeren moeten voldoende bagage meekrijgen om een hogere opleiding te kunnen aangaan. Een stevige basiskennis en vaardigheden zijn hierbij van groot belang. We observeren dat de gemiddeldePISA-scoresvan15-jarigenoverdeperiode2003-2018systematischgedaaldzijn,ditzowelvoor leesvaardigheden als voor wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid (Tabel 12). De Vlaamse 15jarigenscorennogsteedsgemiddeldbetervoorwiskundigegeletterdheiddanvoorleesvaardigheid,maar de wiskundige geletterdheid gaat nog sneller achteruit.
Tabel12:PISA-scoresvan15-jarigenperdomein(VlaamsGewest)(2003-2018)
Bron: Statistiek Vlaanderen aan de hand van OECD-data https://www.statistiekvlaanderen.be/en/pisa-scores
Leesvaardigheid
In Figuur 8 wordt een internationale positionering van Vlaanderen opgenomen inzake de gemiddelde PISA-scores van 15-jaren voor lezen. We observeren dat de score voor Vlaanderen zich hier ergens ‘in het midden’ situeert. Finland en Zweden scoren beter terwijl Denemarken, Nederland en Zwitserland een slechtere score hebben.
Figuur 8: Internationale positionering inzake de gemiddelde PISA-scores van 15 -jarigen voor leesvaardigheid(2018)
Finland Singapore
Ierland
Zuid-Korea
Zweden
Verenigde Staten
Verenigd Koninkrijk
Japan
Vlaanderen
Denemarken
Duitsland
België
Frankrijk
Nederland
Oostenrijk
Zwitserland
Rusland
Italië
Israël
Bron Vlaanderen: Statistiek Vlaanderen
Bron internationaal: OECD (download 31 mei 2021)
Noot: Geen data beschikbaar voor Spanje voor 2018
InTabel13wordteenevolutiedoorheendetijdweergegeven.WeobserverendatVlaanderenhierwelbij de sterkste dalers behoort, samen met Nederland en Finland. Ook in Zweden en Zwitserland wordt een daling geobserveerd overde laatste jaren. Enkel Denemarken tekent een stijging op.
Tabel13:InternationalevergelijkinggemiddeldePISA-scoresvan15-jarigenvoorlezen(2003-2018)
Bron Vlaanderen: Statistiek Vlaanderen
Bron internationaal: OECD (download 31 mei 2021)
Wiskundige geletterdheid
In Figuur 9 wordt een internationale positionering van Vlaanderen opgenomen inzake de gemiddelde PISA-scores van 15-jaren voor wiskunde. Vlaanderen positioneert zich hier samen met Nederland, Zwitserland en Denemarken bij een aantal top Europese landen. Niet-Europese landen zoals Singapore, Japan en Zuid-Korea scoren echter beter, terwijl Vlaanderen in 2003 deze landen nog achter zich liet en aan de absolute top stond
Figuur9:InternationalepositioneringinzakedegemiddeldePISA-scoresvan15-jarigenvoorWiskunde (2018)
Singapore
Japan
Zuid-Korea
Nederland
Vlaanderen
Zwitserland
Denemarken
België
Finland
Zweden
Verenigd Koninkrijk
Duitsland
Ierland
Oostenrijk
Frankrijk
Rusland
Italië
Spanje
Verenigde
Staten
Israël
Bron Vlaanderen: Statistiek Vlaanderen
Bron internationaal: OECD (download 31 mei 2021)
In Tabel 14 wordt een internationale vergelijking doorheen de tijd toegevoegd. Ook voor wiskunde, net zoals voor lezen, situeert Vlaanderen zich tussen de sterkste dalers samen met Finland. Geen enkele van de andere benchmarklanden noteren een toename in de gemiddelde PISA-scores voor wiskunde.
Tabel14:InternationalevergelijkinggemiddeldePISA-scoresvan15-jarigenvoorwiskunde(2003-2018)
Bron Vlaanderen: Statistiek Vlaanderen
Bron internationaal: OECD (download 31 mei 2021)
Wetenschappelijke geletterdheid
In Figuur 10 wordt een internationale positionering van Vlaanderen opgenomen inzake de gemiddelde PISA-scores van 15-jaren voor wetenschappen. Singapore, Japan en Zuid-Korea nemen hier de leiding. Finland en Vlaanderen vervolledigen de top 5.
Figuur 10: Internationale positionering inzake de gemiddelde PISA-scores van 15 -jarigen voor Wetenschappen(2018)
Finland Japan Singapore
Zuid-Korea
Vlaanderen
Verenigd Koninkrijk
Nederland
Duitsland
Verenigde Staten
Zweden
België
Ierland
Zwitserland
Frankrijk
Denemarken
Oostenrijk
Spanje
Rusland
Italië
Israël
Bron Vlaanderen: Statistiek Vlaanderen
Bron internationaal: OECD (download 31 mei 2021)
InTabel15wordtdeevolutiedoorheendetijdweergegeven.FinlandenVlaanderenbehorentotdegroep van sterkste dalers in de periode 2003-2018, samen met Oostenrijk, Nederland en Zwitserland. De Verenigde Staten, Israël en Singapore noteren hier een toename.
Tabel15:InternationalevergelijkinggemiddeldePISA-scoresvan15-jarigenvoorwetenschappen(20032018)
Wetenschap
Bron Vlaanderen: Statistiek Vlaanderen
Bron internationaal: OECD (download 31 mei 2021)
3.4. Indicator 5: Aandeelbevolking25-64jaardatdeelneemtaan opleidingen tijdens referentieperiode van 12maanden voorafgaand aan de enquête
“Geenenkelewerknemervandetoekomstzalkunnenblijventerenopdekennisopgedaanopde schoolbankenenmoetlevenslangblijvenleren.Eencultuurvanlevenslanglerenzalintoenemendemate belangrijkwordendoordeveranderendejobmarkt,omwillevandesteedshogeredigitaliseringsgraaden devierdeindustriëlerevolutiediezichsteedsmeerdoorzet” (VARIO-memorandum).
In 2020 nam 21,1% van de inwoners van het Vlaamse Gewest tussen 25 en 64 jaar deel aan een opleiding tijdens de laatste 12 maanden voorgaande aan de bevraging. Dit aandeel fluctueerde licht de laatste tien jaar, met een kleine piek van 23% in 2019 en eenlager aandeel van 20,7% in 2012, 2013 en 2015.
Tabel16:Aandeelbevolking25-64jaardatdeelneemtaanopleidingentijdensreferentieperiodevan12 maandenvoorafgaandaanenquête(VlaamsGewest)(2010-2020)
Bron: Statistiek Vlaanderen - Levenslang leren (opleidingsdeelname)
Bron: EAK Statbel, bewerkingen Steunpunt Werk en Statistiek Vlaanderen
Noot: de gegevens zijn schattingen gebaseerd op een enquête. Daardoor moet rekening gehouden worden met een onzekerheidsmarge. Breuk in de tijdreeks tussen 2016 en 2017.
Deze indicator is momenteel (nog) niet internationaal vergelijkbaar. De Enquête voor Arbeidskrachten (EAK) (Belgische versie van de Labor Force Survey die in andere EU-landen uitgevoerd wordt) bevraagt deze indicator evenals deze voor een referentieperiode van 4 weken voorafgaand aan de enquête al een tijdje. De Labor Force Survey (LSF), uitgevoerd in andere Europese landen, onderzocht tot nu toe echter enkel de deelname aan opleidingen tijdens referentieperiode van 4 weken voorafgaand aan de enquête. In de volgende editie van de LFS in 2022 zullen beide vragen (referentieperiode van 4 weken en 12 maanden) opgenomen worden zodat vanaf dan een internationale vergelijking mogelijk zal zijn.
Box1:EAK/LFS–AES–PIAAC
De EAK/LFS is een gereguleerde enquête die in alle landen van de Europese Unie wordt afgenomen15 . Het voordeel ervan - in vergelijking met de Adult Education Survey (AES) en Programme for the International Assessment of Adult Competencies (PIAAC), twee andere databronnen die gebruikt worden voor indicatorenm.b.t. levenslangleren - is het groot aantal respondenten en de hoge afname frequentie. “ThefiguresbytheLFSareprobablythemostreliableinastatisticalsense,asithasa relativelylargesamplesize(about10timesaslargeastheAESandPIAACsamples)andasitreports relativelyhighresponserates(asparticipationisoftencompulsory).”16,17 De EAK/LFS is een bredere surveybijdeberoepsbevolkingterwijl deAESenPIAAC zichspecifiek richtop opleidingen. Eenbredere surveykanmogelijksdezelf-selectiebiasvan(antwoordenvan)deelnemersaanopleidingenreduceren. Een nadeel van de LFS is de mindere graad van detail en context informatie dan bij de AESen PIAAC.
3.4.1. Additionele indicator: bevolking 25-64 jaar dat deelneemt aan opleidingen tijdens referentieperiode van 4 weken voorafgaand aan de enquête
Een referentieperiode van 12 maand werd geselecteerd omdat die toelaat een zo breed en omvangrijk mogelijk beeldtekrijgenoplevenslangleren.Dezelangerereferentieperiodemaakthetmogelijk ommeer (en verschillende) leeractiviteiten te meten. Een referentieperiode van 4 weken kan echter ook een indicatie geven van de intensiteiten van het volgen van opleidingen. We geven hieronder nog graag de cijfers weer voor het aandeel van de bevolking dat aan een opleiding deelgenomen heeft tijdens een referentieperiode van 4 weken voorafgaan aan de enquête (Tabel 17). Het aandeel ligt lager bij de deelname aan een opleiding in de laatste 4 weken (ongeveer 8%) t.o.v. de deelname in de laatste 12
15 https://www.statistiekvlaanderen.be/nl/KSMD-137-levenslang-leren
16 Jeroen Lavrijsen & Ides Nicaise (2015) PATTERNS IN LIFE-LONG LEARNING PARTICIPATION A descriptive analysis using the LFS, the AES and PIAAC Steunpunt Studie en schoolloopbanen. https://steunpuntssl.be/Publicaties/Publicaties_docs/ssl-2014.19-1-1-1-patterns-in-life-long-learning-participation
17 Deelname is in België verplicht.
maanden (ongeveer 21%, zie Tabel 16). Beide indicatoren fluctueren lichtjes doorheen de tijd. Over de periode 2010-2020 observeren we een daling van 0,7 procentpunten.
Tabel17:Aandeelbevolking25-64jaardatdeelneemtaanopleidingentijdensreferentieperiodevan4 wekenvoorafgaandaanenquête(VlaamsGewest)(2010-2020)
Bron: Statistiek Vlaanderen - Levenslang leren (opleidingsdeelname)
Bron: EAK Statbel, bewerkingen Steunpunt Werk en Statistiek Vlaanderen
Noot: de gegevens zijn schattingen gebaseerd op een enquête. Daardoor moet rekening gehouden worden met een onzekerheidsmarge. Breuk in de tijdreeks tussen 2016 en 2017.
In Figuur 11 wordt een internationale vergelijking weergegeven van deelname aan een opleiding tijdens de laatste 4 weken voorafgaand aan de enquête. We merken hier op dat de benchmarklanden Zweden (28,6%), Finland (27,3%), Denemarken (20%) en Nederland (18,8%) allemaal hoog scoren. Vlaanderen (7,7%) scoort hier samen met Italië (7,7%) en Duitsland (8%) laag.
Figuur 11: Internationale positionering van Vlaanderen inzake de deelname aan opleiding tijdens referentieperiodevan4wekenvoorafgaandaanenquête(2020)
Zweden
Finland
Denemarken
Nederland
Frankrijk
Oostenrijk
Spanje
Ierland
Europese Unie (27)
Duitsland
Italië
Vlaanderen
België
Bron: Statistiek Vlaanderen - Levenslang leren (opleidingsdeelname)
Bron: EAK Statbel, bewerkingen Steunpunt Werk en Statistiek Vlaanderen
Noot: de gegevens zijn schattingen gebaseerd op een enquête. Daardoor moet rekening gehouden worden met een onzekerheidsmarge. Breuk in de tijdreeks tussen 2016 en 2017.
3.4.2. Indicator 5a: te ontwikkelen – aandeel bevolking 25-64 jaar dat deelneemt aan opleidingen tijdens referentieperiode van 12 maanden voorafgaand aan de enquête verfijnd naar de vormen van leren, naar de motivatie enz.
Voorgaande twee indicatoren met betrekking tot levenslang leren zijn echter nog altijd eng. Er is geen zicht op de verschillende vormen van leren, de incentives, de barrières,… wat de ontwikkelingen op het terrein weergeeft. De AES en PIAAC-vragenlijst laten toe om hier wat meer inzicht in te krijgen. De eigenschappenvandevragenlijsten(cfr.Box1)makenhetechterminderopportuunomdezeoptenemen in de VARIO-kernindicatoren.
Er werden voorstellen gedaan om de EAK-enquête, waarop de VARIO-kernindicator is gebaseerd, uit te breiden naar de motivatie, een meer uitgebreide meting van formeel versus informeel leren, en naar de leerintenties. Het is momenteel onduidelijk of dezevoorstellen opgenomen zullen worden in de volgende editie van de EAK.
4. DOELSTELLING 3: WETENSCHAP EN KENNIS ALS FUNDAMENTEN
Cruciaal in een kenniseconomie, is kenniscreatie. Innovatie en ondernemerschap kunnen maar gedijen wanneer er een voedingsbodem van kennis aanwezig is. Is ons onderzoek voldoende excellent en dynamisch?
4.1. Indicator 6: Aandeel publicaties in de top 10% highly cited articles
Het in kaart brengen van citaties is een bibliometrisch middel bij uitstek om de impact van publicaties te meten. Citaties zijn primair een belangrijke vorm van de mate waarin gebruik gemaakt wordt van wetenschappelijke informatie in het kader van gedocumenteerde wetenschappelijke communicatie. Ze weerspiegelen de acceptatie en de erkenning van gepubliceerde onderzoeksresultaten door de wetenschappelijke gemeenschap. Ze zijn onrechtstreeks ook een maat voor de kwaliteit/excellentie van het onderzoek. Het aandeel Vlaamse publicaties in de top 10 highly cited articles wordt weergegeven in Tabel 18. We observeren hier een lichte fluctuatie overheen de jaren.
Tabel18:AandeelVlaamsepublicatiesindetop10%highlycitedarticles(VlaamsGewest)(2008-2018)
Bron: Regional Innovation Scoreboard (2021)
Figuur12:Internationalevergelijkingvanhetaandeelpublicatiesindetop10%highlycitedarticles
Zwitserland
Verenigd Koninkrijk
Denemarken
Vlaanderen
Verenigde
Ierland
China
Italië
Oostenrijk
Duitsland
Europese Unie (27)
Israël
Spanje
Frankrijk
Zuid Korea
Bron: European Innovation Scoreboard (2021) en Regional Innovation Scoreboard (2021)
Een internationale vergelijking (zie bovenstaande Figuur 12) toont ons dat Nederland, Zwitserland, het Verenigd Koninkrijk en Denemarken hoger scoren dan Vlaanderen. Zweden en Finland volgen snel na Vlaanderen. Resultaten in Tabel 19 illustreren dat bij de meeste landen er lichte fluctuaties zijn doorheen de tijd.
Tabel19:Internationalevergelijkingaandeelpublicatiesindetop10%highlycitedarticles(2011-2018)
Bron: European Innovation Scoreboard (2021) en Regional Innovation Scoreboard (2021)
Box2:Citatie-performantieklassen(CSS)
In Vlaanderen wordt in het kader van o.a. de BOF-sleutel en evaluaties van SOC’s, Vlerick… gebruik gemaakt van de citatie-performantieklassen. De indeling van de ‘mate van citatie’ wordt gemaakt op basis vaneendrempelwaarde;eengewichtaandehandvangemiddelde citaties. Dezemethode wordt ‘Characteristic Scores and Scales’ (CSS) genoemd Er worden vier citatie-performatieklassen gebruikt:
- CCS1: Weinig-niet geciteerd
- CCS2:Matig geciteerd
- CCS3: Opmerkelijk geciteerd
- CCS4: Uitzonderlijk geciteerd
InhetVlaamsIndicatorenboek2021eninonderstaandefiguurwordendezecitatie-performantieklassen voor Vlaanderen en een aantal andere EU-landen weergegeven.
Het aandeel opmerkelijk geciteerde (CCS3) en uitzonderlijk geciteerde (CCS4) publicaties ligt het hoogst in Nederland (CCS3 = 10,2% ; CCS4 = 5,2%) en Denemarken (CCS3 = 10,3%; CCS4 = 5,1%). Daarna volgt Vlaanderen met CCS3 9,5% en CCS4 4,9%.
Figuur13:Verdelingovercitatie-performantieklassen(CSS)
Bron: Vlaams Indicatorenboek 2021, figuur 6 https://www.vlaamsindicatorenboek.be/4.1.4/citatie-impact
In onderstaande tabel 20 wordt Vlaanderen vergeleken met een aantal benchmarkregio’s. Vlaanderen situeertzichhier‘inhetmidden’.DrieZwitserseregio’s,éénNederlandse,éénDeenseenéénZweedseregio scoren beter dan Vlaanderen. We merken op dat de score van de andere benchmarkregio’s ook lichtjes fluctueert doorheen de tijd.
Tabel20:Interregionalevergelijkingaandeelpublicatiesindetop10%highlycitedarticles(2011-2018)
Bron: Regional Innovation Scoreboard (2021)
4.1.1. Indicator 6a: te ontwikkelen– aandeel publicaties in de top 10% highly cited articles opgesplitst per domein
Deze indicator is momenteel niet beschikbaar.
4.2. Indicator 7: Aantal aangevraagde EPO & PCT-octrooien en toegekende USPTOoctrooien met Vlaamse uitvinder en/of aanvrager per miljoen inwoners
Octrooien zijn een gevestigde indicator voor de inventieve, technologische output van de geleverde onderzoeksinspanningen van bedrijven/kennisinstellingen. Octrooi-gebaseerde indicatoren bieden een inzicht in het proces van technologische vooruitgang. Daarbij kunnen ze gebruikt worden om een zicht te krijgen op de mate van innovatie binnen een organisatie, een regio, een land… (zie ook Vlaams Indicatorenboek)18 .
We observeren een licht stijgende trend van het aantal EPO-aanvragen met Vlaamse uitvinder en/of aanvragersinds2009(M.b.t.dePCT-octrooiaanvragenmetVlaamseuitvinderen/ofaanvragerobserveren we eveneens een licht stijgende trend over de periode 2009-2014
Tabel21). Voor de cijfers na 2017 dient men rekening te houden met de EPO-publicatiepraktijk waarbij octrooiaanvragen pas 18maanden nadeaanvraagvanhetoctrooibekendgemaakt worden.Ditverklaart de daling in aantallen die zich manifesteert in 2018 en vooral in 201919
Het aantal toegekende USPTO-octrooien kent ook een toename tussen 2009 en 2014, gevolgd door een lichte daling. Deze lichtedaling is te verklaren door de lange duur van de USPTO-toekenningsprocedure.
M.b.t.dePCT-octrooiaanvragenmetVlaamseuitvinderen/ofaanvragerobserverenweeveneenseenlicht stijgende trend over de periode 2009-201420
Tabel 21: Aantal aangevraagde EPO-octrooien, aantal toegekende USPTO-octrooien en aantal aangevraagdePCT-octrooienmetVlaamseuitvinderen/ofaanvragerpermiljoeninwoners(2009-2019)
Bron: ECOOM
Noot: Vanwege vertragingseffecten omwille van de publicatietermijn bij EPO-octrooien en de toekenningstermijn bij USPTOoctrooien zijn de cijfers na 2016 nog niet volledig
Alswe vergelijkenmetdebenchmarklandendan observerenwedatzowel Zwitserland,Zweden, Finland, Nederland als Denemarken hoger scoren dan Vlaanderen m.b.t. de drie patent-indicatoren (Figuur 14). OostenrijkscoorttevenshogerdanVlaanderen.WeverwijzenhiergraagnaarhetVlaamsindicatorenboek 2021 voor meer duiding.
18 Vlaams Indicatorenboek (2019); https://www.vlaamsindicatorenboek.be/4.3/de-vlaamse-technologiepositie-analyse-aan-de-hand-van-octrooien
19 De data voor de analyse betreft de data voor octrooiaanvragen gepubliceerd tot december 2019.
20 ECOOM gebruikt de (OECD) REGPAT databank (PATSTAT, herfst 2020).
Figuur14:InternationalepositioneringvanVlaandereninzakehetaantalaangevraagdeEPO-octrooien, aantaltoegekendeUSPTO-octrooienenaantalaangevraagdePCT-octrooienmetVlaamseuitvinderen/of aanvragerpermiljoeninwoners(2016)
Aangevraagde EPO-octrooien
Bron: ECOOM, KU Leuven
Toegekende USPTO-octrooien
Aangevraagde PCT-octrooien
Noot: Vanwege vertragingseffecten omwille van de publicatietermijn bij EPO-octrooien en de toekenningstermijn bij USPTOoctrooien zijn de cijfers na 2016 nog niet volledig
Tabel22:InternationalevergelijkingEPO-octrooiaanvragenpermiljoeninwonersnaaroriginevanuitvinderen/ofaanvrager
Bron: ECOOM, KU Leuven
Noot: Vanwege vertragingseffecten omwille van de publicatietermijn bij EPO-octrooien en de toekenningstermijn bij USPTO-octrooien zijn de cijfers na 2016 nog niet volledig
Tabel23:InternationalevergelijkingUSPTO-octrooitoekenningenpermiljoeninwonersnaaroriginevanuitvinderen/of aanvrager
Bron: ECOOM, KU Leuven
Noot: Vanwege vertragingseffecten omwille van de publicatietermijn bij EPO-octrooien en de toekenningstermijn bij USPTO-octrooien zijn de cijfers na 2016 nog niet volledig
Tabel24:InternationalevergelijkingPCT-octrooiaanvragenpermiljoeninwonersnaaroriginevanuitvinderen/ofaanvrager
Bron: ECOOM, KU Leuven
In onderstaande tabel wordt de regionale weergave opgenomen voor het aandeel aangevraagde EPOoctrooien. We observeren hier dat Vlaanderen samen met Utrecht de laagste score opneemt tussen de benchmarkregio’s.
Als we de absolute aantallen aangevraagde EPO octrooien bekijken dan merken we dat Vlaanderen zich ergens in het midden positioneert21
Tabel25:AantalaangevraagdeEPOoctrooienmeteenregionaleuitvinderen/ofaanvragerpermiljoen inwoners
Bron: ECOOM, KU Leuven
4.2.1. Naar een meer ‘kwalitatieve’ indicator?
In VARIO-advies 13 ‘Een kwaliteitsvolle set indicatoren voor W&I’ werd reeds aangehaald dat het louter tellen van patentaanvragen en/of toekenningen niet altijd een goed zicht geeft op de impact van een patent. Daarom wordt voorgesteld om in de toekomst, gelijkaardig aan de publicatie-impact ook het aandeel Vlaamse patenten in de top 10% highly cited patents te monitoren. Deze indicator is momenteel nog niet beschikbaar.
21 Vlaanderen betreft een NUTS 1 gebied terwijl de andere benchmarkregio’s NUTS 2 gebieden zijn.
Box3:Patentcitaties
Hetloutertellenvanpatentaanvragenen/oftoekenningengeeftechternietaltijdeengoedzichtopde impact van een patent en volstaat dus nietde om innovatieoutput in kaart te brengen. Een patentaanvraagleidtimmersnietaltijdtoteenpatenttoekenning,eenpatentkanbv.teruggetrokken wordennaeenpaarjaarofkanook‘ontheshelf’blijvenliggen….Hetisdaaromgoedomdaarnaastte kijkennaardematewaarindeontwikkeldetechnologierelevantisinhetkadervanfollow-up(technologisch)onderzoekenontwikkelingen.Naasthettellenvanpatenten(volume) is het ook mogelijkomtekijkennaardecitatiesinpatentennaaranderepatenten;inwelke(daaropvolgende) patentenwordteenverwijzingopgenomennaarhetrespectievelijkepatent.(forwardcitations).Deze indicatorkanbv.aangevenofeenbepaaldepatentaanvragereenleiderisineendomein.
INDICATOR21–teontwikkelen:AandeelVlaamsepatentenintop10%highlycitedpatents
INDICATOR21a–teontwikkelen:AandeelVlaamsepatentenintop10%highlycitedpatentsopgesplitst perdomein
Erzijnechternogeenaantalparametersdieverdergespecificeerdmoetenwordenzoalshettijdsvenster (3of5jaar),hetpatentsysteem,deaanpakm.b.t.zelfcitaties,degeografischedekking….
Eenbelangrijkeopmerkingbijdezeindicatorisookdatersterkeverschillentussensectoren/disciplines kunnenoptreden.Zozalineenkleinniche-segmenteenpatentwaarschijnlijknietveelcitatiesgenieten.
Bovendienzijnbepaaldesectorenookmindergebaatmetoctrooierenomdatdetechnologietesnel evolueertenhetoctrooisysteemnietkanvolgen.
Bron: Extract uit VARIO-advies13 ‘Een kwaliteitsvolle set indicatoren voor W&I’
4.2.2. Indicator 7a: Aantal aangevraagde EPO-octrooien met Vlaamse uitvinder en/of aanvrager per miljoen inwoners opgesplitst per sector
In onderstaande Figuur 15 wordt een opsplitsing weergeven van het aantal EPO-octrooiaanvragen met Vlaamseuitvinderen/ofaanvragerpermiljoeninwonerspersector.Debedrijvennemeneenaandeelvan 81% voor zich en de universiteiten 13%.
Figuur15:AandeelaangevraagdeEPO-octrooienmeteenVlaamseaanvrager(2016),persector
Bedrijf
Overheid; non-profit
Ziekenhuis
Individu
Universiteit
Onbekend
Bron: ECOOM, KU Leuven
Noot: Vanwege vertragingseffecten omwille van de publicatietermijn bij EPO-octrooien en de toekenningstermijn bij USPTOoctrooien zijn de cijfers na 2016 nog niet volledig
4.3. Indicator 8: Aandeel buitenlanders in het ZAP-kader
Het aandeel internationale doctoraatsstudenten en postdoctorale onderzoekers aan de Vlaamse universiteiten is reeds sterk toegenomen, wat vooral de internationale openheid van het Vlaamse onderzoekssysteem weerspiegelt. Deze sterke internationalisering lijkt zich echter nog niet in dezelfde sterke mate door te trekken onder het ZAP-korps (docent, hoofddocent, (gewoon) hoogleraar) van de universiteiten (zie Figuur 16). Het aandeel ZAP kader met EU-nationaliteit (buiten België) neemt maar gestaag toe van 5,9% in 2010 tot 9,9% in 2020. Vooral het aandeel en de toename van het ZAP kader met niet-EU-nationaliteit is zeer beperkt; van 0,8% in 2010 tot 1,9% in 2020. In 2020 had dus ongeveer 11,8% van het ZAP-kader een buitenlandse nationaliteit.
Figuur16:AandeelbuitenlandersinhetZAP-kadervanVlaamseuniversiteiten
Bron: VLIR-personeelsstatistieken
Noot: De cijfers betreffen het statuut ZAP in strikte zin; omvat tenure track docent, docent, hoofddocent, hoogleraar, (buiten)gewoon hoogleraar
Het ander ZAP wordt niet meegenomen (o.a. gastprofessor, gepensioneerd ZAP-lid die als bezoldigd emeritus verder werkt ten laste van de werkingsuitkeringen, hoofdbibliothecaris).
Deze indicator is momenteel niet internationaal te vergelijken (er is geen informatie beschikbaar via bv. Eurostat of OECD).
4.3.1. Exploratieve benchmarkoefening
We hebben voor de specifieke benchmarklanden (Nederland, Zweden, Denemarken, Zwitserland en Nederland) geïnformeerdof er informatie voor deze indicator beschikbaar is.
Hieronder geven we kort de informatie weer die verzameld werd. We merken op dat door een verschil in classificatie van het professor-statuut het niet mogelijk is om de cijfers van verschillende landen met
elkaartevergelijken.Omdittedoenmoeteenmeergedetailleerdonderzoekplaatsvinden.Onderstaande gegevens moeten met voorzichtigheid geïnterpreteerd worden.
Voor Denemarken is dergelijke informatie niet beschikbaar. Voor Zwitserland is deze informatie beschikbaar maar werd de data niet tijdig bekomen.
Finland22
In onderstaande Figuur 17 wordt een overzicht gegeven van de ’level 4-staf’ aan Finse universiteiten per nationaliteit Dit betreft professoren, onderzoeksdirecteurs en ‘academy research fellows’. Het aandeel level 4-staf met Finse nationaliteit neemt gestaag af over de periode 2010-2020 van 94,6% tot 90,6%. Voornamelijk het aandeel level 4-staf met Europese nationaliteit aan Finse universiteiten is toegenomen; van 3,7% in 2010 tot 7,3% in 2020. Het aandeel level 4-staf met niet-Europese nationaliteit neemt toe van 1,7% tot 2,1%.
Figuur17:OnderwijsenonderzoeksstafaanFinseuniversiteiten–level4-pernationaliteit
Niet-Europees
Europees
Finse nationaliteit
Bron: Education Statistics Finland23 Noot: Level4 betreft professors,Research director, Academy research Fellow. Dit betreft geen part-time lecturers and university lecturers (level3)
22 https://vipunen.fi/en-gb/university/Pages/Henkil%C3%B6st%C3%B6.aspx
23 Excel Web Access - /en-gb/Reports/Yliopistojen opetus- ja tutkimushenkilökunta - tutkijanuravaihe_en.xlsb (vipunen.fi)
Nederland24
Het personeel aan de Nederlandse universiteiten wordt steeds internationaler. Dit geldt ook voor de universitaire (hoofd)docenten en hoogleraren. De sterkste toename wordt geobserveerd bij de universitairedocenten, namelijk van14%in 2005tot 43%in2020.Ook bijdeuniversitairehoofddocenten is een sterke internationalisering aan de gang met een toename in het aandeel buitenlandse universitair hoofddocenten van 9%in2005 tot31%in 2020.Bijde Hooglerarendoet zicheen(kleinere) toename voor van 12,2% in 2005 tot 21,5% in 2020.
Tabel26:Percentagebuitenlands(wetenschappelijk)personeelnaarfunctiecategorie(vte)
Bron: VSNU/WOPI, bewerking Rathenau Instituut25
Noot: Exclusief HOOP-gebied gezondheid26
Legende:
- UD = Universitair docent in dienst bij de universiteit, Assistant Professor/Lecturer/Researcher (tenured staff)
- UHD = Universitair hoofddocent in dienst bij de universiteit, Associate Professor/Senior lecturer/senior researcher (tenured staff)
- HGL = Hoogleraar (professor) in dienst bij de universiteit
24 Academische carrière van wetenschappers Rathenau Instituut
25 https://www.rathenau.nl/nl/wetenschap-cijfers/wetenschappers/personeel-aan-de-universiteiten-en-umcs/academische-carriere-van
26 In de loop van de jaren is van bijna alle academische ziekenhuizen het personeelvan de medische faculteiten overgegaan van de universiteit als werkgever naar het academische ziekenhuis ofwel het Universitair Medisch Centrum. Het HOOP-gebied gezondheid laat om die reden een inconsistent beeld zien van universitair personeel, met name het vergelijking van jaren. Om die reden werd het HOOP-gebied niet mee opgenomen in de data en grafieken.
https://www.rathenau.nl/nl/wetenschap-cijfers/wetenschappers/personeel-aan-de-universiteiten-en-umcs/academische-carriere-van
Zweden27
In onderstaande tabel wordt een buitenlandse achtergrond gedefinieerd als ofwel in het buitenland geborenofwel in Zwedengeborenmaarmet tweeoudersdie inhet buitenland geboren zijn.Het aandeel personeel met een buitenlandse achtergrond verschilt per categorie van tewerkstelling. Specifiek voor ‘professorer’ (equivalent aan ‘full professor’ in andere landen) betreft het aandeel met buitenlandse nationaliteit 28% en voor ‘lektorer’ (‘senior lecturers’) betreft dit 27%. De categorie ‘meriteringsanställningar’ bevat een positie voor een beperkte tijd voor onderzoekers met een doctoraat (‘timelimitedemploymentsforthosewhohaveaPhD’).Meerspecifiekbetrefthetdevolgendecategorieën:
- Postdokterer (postdoctoral appointment);
- Forskarassistenter(postdoctoral research fellows – non-tenure track assistant professors)28
- Biträdande lektorer (associate seniorlecturer) –tenure track assistant professors)
Tabel27:Percentagewerknemersmetonderzoeks-enonderwijstakenmeteenbuitenlandsenationaliteit, involtijdseequivalenten(naarcategorievantewerkstellingengeslacht)
Bron: https://scb.se/contentassets/0a9d33648fcc46e687972e241eaff5c6/uf0202_2019a01_sm_uf23sm2001.pdf figuur 30
Noot: Personen die geen informatie over hun achtergrond voorzien zijn buiten beschouwing gelaten voor deze berekeningen.
4.4. Indicator 9: Aandeel buitenlanders onder nieuw aangestelden binnen het ZAPkader
Uit Figuur 16 konden we reeds afleiden dat het aandeel ZAP-kader met niet-Belgische nationaliteit maar gestaagtoeneemtdoorheendetijd.Ommeerinzichttekrijgenindeze‘flow’werdmeerindetail gekeken naar de nieuw aangestelden binnen het ZAP-kader.
In Tabel 28 worden de ‘nieuw’ aangestelden binnen het ZAP-kader opgenomen die voor het eerst ZAP waren aan een Vlaamse universiteit binnen de afgebakende periode30. Dit kan via doorstroom uit een andere niet-ZAP positie of door instroom van buiten uit (externe aanstelling). Het betreft enkel personen die voor het eerst ZAP werden in Vlaanderen, dus één persoon zal niet in verschillende tijdsperiodes meegerekend worden. We merken een stijging van het aantal ZAP-nieuwe aanstellingen met EUnationaliteit van 13,3% in de periode 2010-2013 tot 17,6% in de periode 2013–2016. Evenals bij indicator 8 zien we hier maar een beperkte toename bij de nieuw aangestelde ZAP-leden van buiten de EU.
27 https://scb.se/publikation/40961
28 De forskarassistenter worden langzaamaan vervangen door biträdande lektorer.
29 Zie ook https://academicpositions.com/career-advice/swedish-academic-job-titles-explained
30 Er werd gekozen om een tijdsvenster van 4 jaar toe te passen. Dit om fluctuaties beperkt te houden en de anonimiteit te bewaren. De data wordt om de 2 jaar geüpdatet
Tabel28:AandeelnieuwaangesteldenbinnenhetZAP-kadervanVlaamseuniversiteitenpernationaliteit
Bron: ECOOM, UGent
Noot:De'nieuwaangesteldenbinnenhetZAP-kader'omvattendepersonendievoorheteerstZAPwarenbinnendeafgebakende periode
Het is tevensmogelijk omtekijken naar de nieuw aangestelden en nieuwe aanstellingen binnen het ZAPkader(Tabel29).Eenpersoondiebv.eennieuweaanstellingkrijgtbinnenhetZAPindeperiode2010-2013 en dan verder ‘doorgroeit’ naar een andere positie binnen het ZAP-kader (bv.in de periode 2013-2016)zal in dit geval dubbel voorkomen in de cijfers. We merken hier dan ook nog een groter aandeel ZAP-leden met Belgische nationaliteit op in vergelijking met de puur nieuwe aangestelden in Tabel 29
Tabel 29:Aandeelnieuwaangesteldenennieuweaanstellingenbinnenhet ZAP-kadervan Vlaamse universiteitenpernationaliteit
Bron: ECOOM, UGent
Noot:De'nieuwaangesteldenennieuweaanstellingenbinnenhetZAP-kader'omvattendepersonendievoorheteerstZAPwaren of een nieuwe aanstelling binnen het ZAP kregen binnen de afgebakende periode
4.4.1. Indicator 9a: Aandeel buitenlanders onder nieuw aangestelden binnen het ZAPkader, per statuut
Tevens is het mogelijk om de opdeling per ZAP-statuut meer in detail te bekijken (zie Tabel 30 en Tabel 31). We geven hier graag mee dat de aantallen voor bepaalde categorieën zeer beperkt zijn (bv. bij de categorie andere nationaliteiten). Daarom lijkt het ons minder opportuun om hier een vergelijking doorheen de jaren mee op te nemen.
Tabel30:AandeelnieuwaangesteldenbinnenhetZAP-kadervanVlaamseuniversiteitenpernationaliteit (2013-2016)
Instroom
Personen die voor het eerst docent waren.
Personen die voor het eerst hoofddocent waren.
Personen die voor het eerst hoogleraar waren.
Personen die voor het eerst gewoon hoogleraar waren.
Bron: ECOOM, UGent
Tabel 31:AandeelnieuwaangesteldenennieuweaanstellingenbinnenhetZAP-kader van Vlaamse universiteitenpernationaliteit(2013-2016)
Instroom en doorstroom
Personen die voor het eerst docent waren.
Personen die voor het eerst hoofddocent waren.
Personen die voor het eerst hoogleraar waren.
Personen die voor het eerst gewoon hoogleraar waren.
Bron: ECOOM, UGent
4.4.2. Exploratieve benchmarkoefening
Deze indicator is niet standaard internationaal te vergelijken (er zijn geen data beschikbaar via bv. Eurostat of OECD).
Evenals voor indicator 8 hebben we specifiek voor de benchmarklanden (Nederland, Zweden, Denemarken, Zwitserland en Finland) geïnformeerd of het mogelijk is om dergelijk infor te bekomen In Denemarken worden de nieuwe aanstellingen aan de universiteit in detail gemonitord.
Denemarken31
In onderstaande Tabel 32 wordt een overzicht gegeven van de aanwerving van onderzoekers met een buitenlandse nationaliteit. Van het totaal van professor-, lektor- en adjunktniveau hebben 50% een buitenlandse nationaliteit. Op het professorniveau betreft dit 28%, op het lektorniveau 38% en op het adjunktniveau betreft dit 60%. De verschillende niveaus sluiten niet één-op-één aan met deze voor Vlaanderen, dus een directe vergelijking is niet mogelijk.
- ‘Adjunktniveau’:
o Dit is equivalent aan ‘Assistant professor’ (in Verenigde Staten). Ze hebben een contract vanbeperkteduur.Hetkaneentenuretrackpositiebetreffenofniet.Dezepositieszijnhet
31 https://ufm.dk/forskning-og-innovation/statistik-og-analyser/forskere-ved-universiteterne/forskerrekruttering-pa-universiteterne-2016-2018.pdf
eerste‘echte’niveau indeacademischeloopbaanmetdecombinatievanonderzoekenop onderzoek-gebaseerd onderwijs.
o Post Docs. Post docs worden op hetzelfde niveau gezet als ‘assistant professors’ (dit werd echter recent gewijzigd maar is in onderstaande data nog niet toegepast).
- ‘Lektorniveau’
o Dit is equivalent aan ‘Associate Professor’ (in de Verenigde Staten). Ze kunnen deel uitmaken van de faculteit maar hun salaris kan ook van externe financiering komen.
o Senior onderzoekers. In 2007 werden veel van de onderzoeksinstellingen van de overheid samengevoegd met de universiteiten. De onderzoekers aan deze instellingen hadden andere academische categorieën dan de universiteiten. De senior onderzoekers werden gedefinieerd als gelijkwaardig aan universitaire ‘Associate professors’.
‘Professorniveau:
o Dit is equivalent aan ‘full professor’ (in de Verenigde Staten).
o Klinische professoren: het betreft hoogleraren aan de universiteit die verbonden zijn met het klinisch onderzoek, de opleiding en de behandeling in de universitaire ziekenhuizen.
o Professorenmetspecifiekeverplichtingenbetreffentijdelijkeprofessorenmeteenspecfieke taak. Ze hebben wel een professor beoordeling en ze worden gezien als normale professoren.
Tabel32:Percentageaanwervingenindefunctiesvanhoogleraar,universitair,hoofddocentenassistenthoogleraarin2016-2018waarbijdemedewerkereenbuitenlandsenationaliteithad,perfunctieniveau
Bron:https://ufm.dk/forskning-og-innovation/statistik-og-analyser/forskere-ved-universiteterne/forskerrekruttering-pauniversiteterne-2016-2018.pdf figuur 3.37. De informatie werd opgemaakt door het Deense Ministerie van Hoger Onderwijs en Wetenschappen en is gebaseerd op verslagen van universiteiten.
4.4.3. Naar een meer kwalitatieve indicator?
Een excellent en performant onderzoekssysteem zal bijdragen tot de aantrekkingskracht voor internationale onderzoekers op hoog niveau. De aanwezigheid van internationaal toptalent aan onze instellingenkanopzijnbeurtdeexcellentieendeaantrekkelijkheidervannogverhogen.Indicatoren8en 9gevenmeerinformatieweeroverhetaandeelbuitenlandersinhetZAP-kaderendeinstroomvanaantal buitenlanders in het ZAP-kader. De indicator omvat echter geen maatstaf voor de kwaliteit van het ZAPkader. Resultaten van een onderzoek rond internationale mobiliteit van onderzoekers en hun impact (Veugelers and Baltensperger, 2019)32 tonen het belang aan van internationale mobiliteit voor excellent
32 Veugelers, R., Baltensperger, M. Europe – The Global Centre for Excellent Research, Study for the Committee on Industry, Research and Energy, Policy Department of Economic, Scientific and Quality of Life Policies, European Parliament, Luxembourg, 2019 – pp.28-30.
onderzoek. De citatie-impact van ‘inward-mobile’ onderzoekers is groter dan die van onderzoekers die niet mobiel zijn (‘stayers’).
Een databank met publicaties en citaties alleen maakt het niet mogelijk om dit te onderzoeken aangezien enkel de affiliatie van een onderzoeker opgenomen is en niet de nationaliteit. Het is dus nodig om de VLIR/ECOOM UGent database te koppelen aan een publicatie databank om dergelijke meer gedetailleerde onderzoeksvraag te beantwoorden
5. DOELSTELLING 4: KENNIS-, INNOVATIE- EN PRODUCTIEVAARDIGHEDEN
VAN BEDRIJVEN
Gelet op het toenemende belang van innovatie voor de competitiviteit van de Vlaamse bedrijven, blijft het stimuleren van innovatie in Vlaamse bedrijven een belangrijk aandachtspunt. Hebben we voldoende ambitieus ondernemerschap en innovatiekracht?
5.1. Indicator 10: Aandeel jonge ondernemingen met hoge groeiambitie
De meeste jobs worden door een beperkt aantal snelgroeiende bedrijven gecreëerd, terwijl bij de grote meerderheid van de ondernemingen de werkgelegenheid stabiel blijft (VARIO-advies 4)33. Hoge groeibedrijven zijn bovendien cruciaal voor een levendige en dynamische economie. In 2019 gaf 8% van de jonge ondernemers (maximaal 3 jaar) aan binnen de 5 jaar 10 of meer werknemers tewerk te stellen én 50%of meer te groeien qua tewerkstelling. Dit betreft een kleine toename t.o.v. 2016.
Tabel33:Aandeelvandejongeondernemersdieverwachtbinnende5jaar10ofmeerwerknemerstewerk testellenén50%ofmeerverwachttegroeienquatewerkstelling
Bron: Steunpunt Economie en Ondernemen. Financiering van jonge ondernemingen in Vlaanderen
Dezeindicatorismomenteelnietinternationaalvergelijkbaar.Erzijnweleenaantalinternationaleindexen m.b.t. entrepreneurship.
Box4:Entrepreneurshipindexen
- Global Entrepreneurship index34 (GEI). Deze index bevat een pijler (12) ‘high growth’: “Highgrowth isacombinedmeasureofpercentageofhigh-growthbusinessthatintendtoemployatleast10 peopleandplantogrowmorethan50percentinfiveyears(gazellevariable)withbusinessstrategy sophistication (business strategy variable) and venture capital financing possibility (venture capital)”. Dit betreft echter enkel een geaggregeerde variabele waarbij we geen informatie hebben over de drie aparte bouwblokken.
- Regional Entrepreneurship and Development index (REDI)35. Deze index bevat een pijler ‘high growth’: “PercentageoftheTotalEarlyentrepreneursbusinesseshavinghighjobexpectations average(over10moreemployeesand50%in5years)”. De Vlaamse definiëring van de indicator werd afgestemd op deze indicator. De REDI is echter maar beschikbaar t.e.m.2013.
- GlobalEntrepreneurshipMonitor(GEM)36.Dezeindexbevateenpijler‘BusinessGrowth’:“Jobgrowth expectations–totalearly-stageentrepreneursexpectingtoemployanadditional0,1-5,or6ormore peopleinfiveyears’time(all%ofadultsaged18-64)”. Deze definiëring gaat dus breder dan de Vlaamse definiëring.
33 VARIO-advies 4 ‘innovatieve hoge groeibedrijven met impact (2018); https://www.vario.be/nl/publicaties/advies-4-innovatieve-hoge-groeibedrijven-met-impact
34 https://thegedi.org/wp-content/uploads/2021/02/2019_GEI-2019_final_v2.pdf
35 REDI: The Regional Entrepreneurship and Development Index - Measuring regional entrepreneurship - Regional Policy - European Commission (europa.eu)
36 https://www.gemconsortium.org/report/gem-20202021-global-report
In onderstaande tabel wordt een overzicht gemaakt van informatie die verzameld wordt in de GEM. Om internationale vergelijkbaarheid op te bouwen én de historische vergelijkbaarheid te behouden van de Vlaamse cijfers zou hetmogelijk zijnomdehuidigevraagstelling voor Vlaanderen (inbeperktemate)aan tepassen.Indeenquêtem.b.t.definancieringvanjongeondernemingeninVlaanderenwordtmomenteel geïnformeerdbijjongeondernemingenofzeplannenombinnendevijfjaar10ofmeerwerknemerstewerk te stellen én 50% of meer te groeien qua tewerkstelling. Dit is equivalent met puntje 4 in onderstaande tabel. Door ook puntje 1 t.e.m. 3 te bevragen zou het mogelijk zijn om historische cijfers te blijven vergelijken en internationale vergelijkbaarheid op te bouwen.
Tabel34:OverzichtvraagstellingGlobalEntrepreneurshipMonitor
1) Total early-stage entrepreneurs expecting to employ an additional 0 people in five years’ time
2) Total early-stage entrepreneurs expecting to employ an additional 1-5 people in five years’ time
3) Total early-stage entrepreneurs expecting to employ an additional 6-9 people in five years’ time
4) Total early-stage entrepreneurs expecting to employ an additional 10 ormore people in five years’ time
5.2. Indicator 11: Aandeel innoverende bedrijven
Historisch vergelijkbaar voor Vlaanderen
International vergelijkbaar
International vergelijkbaar
International vergelijkbaar
Om Vlaanderen tot een dynamische en innovatieve topregio te maken en te houden, is het nodig dat de omzetting van kennis in producten en diensten vlot verloopt en de innovatiekracht van de Vlaamse ondernemingenvoldoendesterkis.EenhogereinnovatiekrachtvandeVlaamseeconomiebewerkstelligen is dus een belangrijk streefdoel. Het aandeel innoverende bedrijven is doorheen de tijd gestaag toegenomen;van61%indeperiode2006-2008tot70%indeperiode2016-2018.90%vandegrotebedrijven hebben een product en/of bedrijfsprocesinnovatie versus 69% van de kmo’s. In de hightech sectoren is het aandeel innoverende bedrijven hoger (83%) dan in de lowtech sectoren (67%)
De internationale vergelijking in Figuur 18 toont ons dat Vlaanderen hier bij de top behoort. De benchmarkregio’s Zwitserland en Nederland scoren hier beduidend lager (50%).
Tabel 35: Aandeel innoverende bedrijven in Vlaanderen (% bedrijven die een product en/of bedrijfsprocesinnovatiehebben)
Bron: ECOOM, KU Leuven
Noot: Resultaten geëxtrapoleerd naar de totale doelpopulatie op basis van weging
Noot: Breed gedefinieerde bedrijfsprocesinnovatie omvat het oude concept van meer technologisch-georiënteerde procesinnovatie evenals organisatorische en marketinginnovatie
Figuur18:Internationalepositioneringm.b.t.hetaandeelinnoverendebedrijven(2016-2018)
Vlaanderen
Duitsland
België
Italië
Zweden
Oostenrijk
Finland
Denemarken
Frankrijk
Europese Unie (27)
Zwitserland
Nederland (d)
Ierland
Spanje
0,0% 10,0% 20,0% 30,0% 40,0% 50,0%
Bron Vlaanderen: ECOOM, KU Leuven
Bron internationaal: Eurostat (download 6 juli 2021)
Noot: (d) definitie verschilt
37 Kmo’s betreffen ondernemingen met met minder dan 250 werknemers. Grote bedrijven betreffen ondernemingen met meer dan 250 werknemers.
38 Hightech betreft ondernemingen met nace-code 20-21, 26-30, 59-63 en 71-72.
39 Industrie betreft ondernemingen met nace-code 01-33 en 35-43;diensten betreft ondernemingen met nace-code 45-47, 49-99.
5.3. Indicator 12: Aandeel intern innoverende kmo’s
HetVlaamseondernemerslandschapbestaatvooreengrootdeeluitkmo’s.EenpijnpuntvoorVlaanderen, is de lage absorptiecapaciteit van Vlaamse ondernemingen, vooral dan van kmo’s40. Om van Vlaanderen een top kennis- en innovatie regio te maken is het dus heel belangrijk om ook de kmo’s mee in het innovatiebad te trekken.
Zo’n 53% van de Vlaamse kmo’s innoveren intern (Tabel 36). Deze indicator is niet meer vergelijkbaar doorheen de tijd door een wijziging in de vraagstelling in de CIS 2019. Sinds CIS 2019 werd de set intern innoverende ondernemingen ruimer genomen: het gaat nog steeds om ‘interne activiteiten’ in de zin van ‘ontwikkeling door de onderneming zelf of door de onderneming samen met andere ondernemingen of instellingen’ maar het innovatieproces is ruimer gezien. Het innovatieproces omvat nu zowel productinnovatie als de ruimer gedefinieerde bedrijfsprocesinnovatie; met daarin dus ook vervat organisatorische en marketinginnovatie
Tabel36:Aandeelinterninnoverendekmo's(als%vanhetaantalkmo'sindeindustrie-endienstensector)
Bron Vlaanderen: ECOOM, KU Leuven
Deze indicator is recent ook niet meer internationaal vergelijkbaar. Voorheen werd deze indicator mee opgenomenindeRegionalInnovationScoreboard/EuropeanInnovationScoreboards.Ditissindsdeeditie 2021 niet meer het geval.
40 ‘Soete II’-rapport: Expertgroep voorde doorlichting van het Vlaams innovatie-instrumentarium (april 2012)
6. DOELSTELLING 5: LINKAGES TUSSEN W&I-ACTOREN
Hetinnovatie-ecosysteemvormteencomplexgeheelwaarininternationale,collaboratieve,openinnovatie modellenenkennismarkteneenbelangrijkeplaatsopnemen.ZijndeverschillendeW&I-actorenvoldoende met elkaar geconnecteerd?
6.1. Indicator 13: HERD privaat gefinancierd
Via contractonderzoek en wetenschappelijke dienstverlening is er een toenemende interactie tussen de kennisinstellingen en bedrijven. Om dergelijke samenwerking in kaart te brengen, kan gekeken worden naar het aandeel van de uitgaven voor O&O uitgevoerd door instellingen van hoger onderwijs. In Tabel 37 wordt een overzicht weergegeven van de financiering van de HERD (Higher Education Expenditures on R&D – hoger onderwijs dat zowel de universiteit, als onderzoeksinstellingen verbonden aan universiteiten en hogescholen omvat). Het aandeel private financiering van de HERD fluctueert lichtjes doorheen de tijd met een aandeel van 16,3% in 2009 tot 15,1% in 2019.
Tabel37:AandeelpubliekeenprivatefinancieringvanHERDgew(2009-2019)
Bron: ECOOM (3%-nota 2009-2019, juni 2021) en Vlaams indicatorenboek
OnderstaandefiguurgeefteeninternationalevergelijkingweervanhetaandeelfinancieringvandeHERD door private (binnenlandse) bedrijven voor 2018. We observeren dat Vlaanderen hier hoog scoort en al de benchmarklanden achter zich laat. Enkel China scoort met 26,6% aandeel financiering van de HERD door private binnenlandse bedrijven hoger. Zoals bij voorgaande indicatoren geven we graag mee dat voor de andere landen het nog vaak over geschatte of provisionele, voorlopige waarden gaat.
In onderstaande grafiek wordt de waarde voor 2017mee opgenomenvoorVlaanderen,dit om consistent te zijn met andere landen waarvoor voor 2018 geen data beschikbaar is (België, Zwitserland, Zweden, Denemarken en Oostenrijk). Een gebruik van de waarde voor 2019 zou voor Vlaanderen geen invloed hebben op de positie in de ranking.
Figuur 19:InternationalepositioneringinzakedefinancieringvandeHERDgewdoor(binnenlandse) bedrijven(2018)
China
Vlaanderen*
Zuid-Korea
Duitsland (d)
België*
Zwitserland*
Nederland
Europese Unie (e)
Israël (e)
Italië (e)
Spanje
Verenigde Staten…
Oostenrijk*
Verenigd…
Ierland
Zweden*
Japan (b)
Finland
Frankrijk (p)
Denemarken* (p)
*: Data voor 2017
Bron:
Vlaanderen: Vlaams indicatorenboek 2021
Internationaal: OECD MSTI (download 14 juli 2021)
Noot: (e) geschatte waarde; (p) provisionele, voorlopige waarde; (d) definitie verschilt
6.1.1. Naar een meer kwalitatieve indicator?
Het aandeel HERD privaat gefinancierd betreft een ‘input-indicator’. Het zou goed zijn om ook een meer ‘output-gerichte indicator’ met focus op kennistransfer te monitoren. De doorstroom van getrainde onderzoekers – doctoraatshouders - naar de Vlaamse bedrijven is bijvoorbeeld een belangrijke schakel voor kennistransfer. In VARIO-advies 13 werd indicator 26 ‘aandeel doctoraatshouders tewerkgesteld in deondernemingssector’naarvoorgeschoven.Dedatavoordezeindicatorbestaatmomenteelechternog niet
6.2. Indicator 14: GOVERD privaat gefinancierd
Naast het aandeel private financiering van de HERD kunnen we ook kijken naar het aandeel private financiering van de GOVERD (Government expenditures on R&D – overheden; i.e; de publieke onderzoekscentra41) om de interactie via contractonderzoek, dienstverlening en dergelijke in kaart te brengen. Dit aandeel is lichtjes toegenomen in 2019 (47,5%) t.o.v. 2009 (44,8%) (Tabel 38)
Tabel38:AandeelpubliekeenprivatefinancieringvanGOVERD(2009-2019)
Bron: ECOOM (3%-nota 2009-2019, juni 2021) en Vlaams indicatorenboek
Eeninternationalepositioneringwordtweergegeveninonderstaandefiguur.Vlaanderensitueertzichhier ‘inhetmidden’tussendebenchmarklanden;Nederland(9,2%)enFinland(7,8%)hebbeneenhogeraandeel private financiering van de overheidsuitgaven in R&D en Zweden (6,8%), Zwitserland (3,9%) en Denemarken(3,9%)eenlageraandeel.Zoalsbijindicator13gevenwegraagmeedatvoordeanderelanden het nog vaak over geschatte of provisionele, voorlopige waarden gaat.
41 Depubliekeonderzoekscentraomvattendeviergroteonderzoekscentra(SOC’s),deVlaamsewetenschappelijkeinstellingengelegeninhetVlaamsGewest,defederale onderzoeksinstellingen die in het Vlaams Gewest gelegen zijn en de lokale onderzoeksinstellingen die aan de provincie gelinkt zijn. Meer detail in bijlage 1 van de 3%nota. https://www.ecoom.be/assets/336
Figuur20:InternationalepositioneringvanVlaandereninzakedefinancieringvandeGOVERDdoor (binnenlandse)bedrijven(2018)
Duitsland (d)
Nederland (d)
Oostenrijk*
Frankrijk (p)
Finland
Europese Unie (e)
Vlaanderen*
Spanje
Zweden*
België*
China
Zwitserland* (d)
Denemarken* (p)
Italië
Zuid-Korea
Ierland
Verenigd…
Japan
Israël (d)
Verenigde Staten…
*: Data voor 2017
Bron:
Vlaanderen: Vlaams indicatorenboek 2021
Internationaal: OECD MSTI (14/07/2021)
Noot: (e) geschatte waarde; (p) provisionele, voorlopige waarde; (d) definitie verschilt
6.2.1. Naar een meer kwalitatieve indicator?
Deze indicator, aandeel GOVERD privaat gefinancierd, betreft tevens een ‘input-indicator’. Ook hier zou het interessant zijn om meer output/resultaat te monitoren. In VARIO-advies 13 werd reeds het belang van kennistransfer via commercialisatie aangehaald. Het aantal nieuw opgerichte spin-offs is hier een mogelijkheid. Inhet advies werdhet volgende aangehaald: ‘Hetloutertellenvanhetaantalspin-offsgaat
echtervoorbijaandekwaliteit,meentVARIOinzijnadvies6‘Waardecreatiedoorsamenwerking’42.Wat zegtditbv.overdegroeivandiestart-upsofhunambitie?OfoverdeimpactophetVlaamseweefsel?
In datzelfde VARIO-advies wordt opgemerktdathetbelangrijkisomdeloutere‘count’-indicatorenaan tevullenmetmeerkwaliteitreflecterendeinformatie.VARIOsteltdanookvoordebestaandeindicatoren teverfijnenennaasthettellenvandenieuwopgerichtespin-offs,systematischdatateverzamelenop eengeaggregeerdniveaurondbv.hetaantalspin-offsdat‘overleeft’navijfjaar,degroeibv.qua werkgelegenheid,… ’ Concreet betekent dit dat een indicator ontwikkeld moet worden aan de hand van kwaliteits-reflecterende data m.b.t. spinoffs van kennisinstellingen.
6.3. Indicator 15: Aandeel innovatieve bedrijven die samenwerken
Meer ondernemerschap en samenwerking zijn sleutelelementen voor een betere doorstroom van wetenschap naar mogelijke commerciële of non-for-profit toepassingen. Succesvol ondernemen is in toenemende mate afhankelijk van de capaciteit van een onderneming tot externe samenwerking. Netwerkendienendezevoorwaardentecreërenominnovatieenmeervalorisatietestimuleren.Door de kennisexplosie en de stijgende complexiteit van innovatietrajecten hebben de individuele spelers ook niet altijd de nodige competenties/kennis in huis.
Zo’n41%vandeinnovatievebedrijveninVlaanderenwerktsamenvoorinnovatieen/of O&O-activiteiten. Dit aandeel is opmerkelijk hoger bij grote bedrijven (73%) dan bijkmo’s (39%). Ook innovatieve bedrijven in de high tech sectoren (52%) werken frequenter samen voor innovatie en/of O&O-activiteiten dan innovatieve bedrijven inde low tech sectoren (37%).
Wegens een wijziging in de (volgorde van) vraagstelling tussen de CIS 2019 en de voorgaande CIS is het niet opportuun om doorheen de tijd te vergelijken43
Tabel39:Aandeelinnovatievebedrijvendiesamenwerkenvoorinnovatieen/ofO&O-activiteiten(t.o.v. totaalaantalinnovatievebedrijven)
Bron: ECOOM, KU Leuven
42 VARIO-advies 6 ‘Waardecreatie door samenwerking’ (2019); https://www.vario.be/nl/publicaties/advies-6-waardecreatie-door-samenwerking
43 Devragenm.b.t.samenwerkingindevroegereCIShebbenenkelbetrekkingoptechnologischeinnovatie.IndeCIS2019heeftdevraagm.b.t.samenwerkingbetrekking op alle soorten innovatie; op technologische innovatie maar ook op (vroegere concepten) organisatorische innovatie en marketinginnovatie. De oude concepten van organisatorische innovatie en marketing innovatie zitten vanaf de CIS 2019 vervat in het bredere concept van bedrijfsprocesinnovatie.
In onderstaande Figuur 21 wordt de internationale positionering weergegeven. We observeren hier dat Vlaanderen met 41% van de innovatieve bedrijven die samenwerken voor O&O&I-activiteiten bij de top van een aantal Europese landen hoort. Enkel Ierland (48,8%) en Finland (47,3%) gaan Vlaanderen voor. Benchmarklanden Denemarken (25,8%) en Zweden (24,8) hebben een veel kleiner aandeel.
Figuur21:Internationalepositioneringvanhetaandeelinnovatievebedrijvendiesamenwerkenvoor innovatieen/ofO&O-activiteiten
Ierland
Finland
België
Vlaanderen
Nederland (d)
Frankrijk
Oostenrijk
Europese Unie
Denemarken
Spanje
Zweden
Duitsland
Italië
Bron Vlaanderen: ECOOM, KU Leuven
Bron internationaal: Eurostat (download 15 oktober 2021)
Noot: er is geen informatie beschikbaar voor Zwitserland
6.3.1. Indicator 15a aandeel innovatieve bedrijven die samenwerken per type partners
De innovatieve bedrijven die samenwerken voor innovatie en/of O&O-activiteiten werken het vaakst samen met leveranciers (25%), consultants, commerciële laboratoria/onderzoeksinstellingen (23%) en ondernemingen binnen de eigen groep (20%). 15% werkt samen met universiteiten of hogescholen en 9% met overheids- of publieke onderzoeksinstellingen. De samenwerking is het laagst met andere ondernemingen (7%), concurrenten (5%), klantenuit de openbare sector (3%) en non-profit organisaties.
Tabel40:Aandeelinnovatievebedrijvendiesamenwerking,pertypepartner
Bron: ECOOM, KU Leuven
Noot: * = Dit betreft ondernemingen buiten de eigen groep
Noot: Meerdere antwoordopties zijn mogelijk
In onderstaande Tabel 41 wordt een internationale vergelijking gegeven van het aandeel innovatieve bedrijven dat samenwerkt per type partners (meerdere antwoordopties zijn mogelijk):
Tabel41:Internationalevergelijkingaandeelinnovatievebedrijvendiesamenwerken,pertypepartner
Ondernemingen
binnen de eigen groep
Consultants, commerciële laboratoria/ onderzoek
Leveranciers
Klanten uit de private sector
Concurrenten, andere ondernemingen uit dezelfde sector
Andere ondernemingen (buiten de groep)
Universiteiten of hogescholen
Overheidsof publieke onderzoeksinstellingen
Bron: Vlaanderen: ECOOM, KU Leuven
Bron internationaal: Eurostat (download 15 oktober 2021)
Noot: (d) definitie verschilt ; (c) confidentiële informatie
Noot: Meerdere antwoordopties zijn mogelijk
7. DOELSTELLING 6: EEN OPEN EN INTERNATIONAAL VLAANDEREN
Om zijn positie als kennisregio te kunnen waarborgen moet Vlaanderen zich internationaal profileren. Problemen en maatschappelijke uitdagingen, maar ook oplossingen, ideeën en kennis, kennen geen grenzen. Is Vlaanderen voldoende aanwezig op de internationale scène en voldoende internationaal performant?
7.1. Indicator 16: aandeel innovatieve bedrijven die internationaal samenwerken
Naast samenwerking met lokale partners (indicator 15) is ook samenwerking met internationale partners heel belangrijk. De nodige competenties en kennis zijn niet altijd beschikbaar in onze eigen (kleine) regio en dan is internationale samenwerking noodzakelijk.
In indicator 15 (Tabel 40) werd al aangehaald dat 41% van de innovatieve bedrijven samenwerkt voor O&O-eninnovatie-activiteiten.Hetgrootsteaandeelvandeinnovatievebedrijven(35%)werktsamenmet partners in België, 22% werkt samen met partners uit de EU en slechts 10% werkt samen met partners buiten de EU (Tabel 42)
Tabel 42: Aandeel innovatieve bedrijven die internationaal samenwerken voor O&O- en innovatieactiviteiten,perregio(2016-2018)
Bron: ECOOM, KU Leuven
Noot: Meerdere antwoordopties zijn mogelijk
InTabel43wordteeninternationalepositioneringopgenomen.WemerkenopdatinIerland,Denemarken en Zweden opvallend meer innovatieve bedrijven samenwerken voor O&O&I-activiteiten met actoren buiten EU/EFTA dan voor de andere EU-landen en Vlaanderen .
Tabel 43: Internationale positionering van het aandeel innovatieve bedrijven die internationaal samenwerkenvoorO&O-eninnovatieactiviteiten,perregio(2016-2018)
Bron: Vlaanderen: ECOOM, KU Leuven
Bron internationaal: Eurostat (download 15 oktober 2021)
Noot: (d) definitie verschilt ; Noot: Meerdere antwoordopties zijn mogelijk
7.2. Indicator 17: Deelnametoelage EU-kaderprogramma “AlsVlaanderenopdeinternationaleonderzoekscèneietstebetekenenheeft,betekentditeenmaximale vertegenwoordiging van onderzoeksgroepen en bedrijven in internationale en Europese onderzoeksprogramma’s”(VRWI-advies197) Niettegenstaandehetfeitdatde‘return’voorVlaanderenvan Europese financieringsprogramma’s op vandaag positief is, blijkt de drempel naar Europese financiering vaak nog te hoog voor kennisinstellingen maar vooral voor bedrijven en zeker de kmo’s, en kan Vlaanderen haar ambities hoog zetten (VARIO-memorandum 2019-2024).
44 EFTA betreft Liechtenstein, Noorwegen, IJsland en Zwitserland. In de Vlaamse CIS2019 wordt in de vraag verwezen naar Europa (en niet EU/EFTA)
7.2.1. Indicator 17a: Deelnametoelage EU-Kaderprogramma in functie van bbp
M.b.t.dedeelnametoelagevanhetEU-kaderprogrammainfunctievanbbpstaanVlaanderenenBelgiëaan de top. Benchmarklanden Finland en Nederland volgen op de voet. Grote (voormalige) EU-landen zoals Duitsland, Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk scoren hier relatief laag.
Figuur22:InternationalepositioneringvanVlaandereninzakededeelnametoelage(duizendeuro)m.b.t. Horizon2020infunctievanhetbbp(inmiljardeuro)
België
Vlaanderen
Finland
Nederland
Denemarken
Spanje
Zweden
Oostenrijk
Zwitserland
Ierland
Verenigd Koninkrijk
Italië
Frankrijk
Duitsland
Deelnametoelage (duizend euro) in functie van het bbp (miljard euro)
Bron: Departement Economie,Wetenschap en Innovatie, Vlaamse overheid
Selectie uit Horizon 2020: er werd gebruik gemaakt van de tussentijdse versie van 1/1/2014 tot 8/10/2020, waarbij op dat moment ongeveer 82%van het totale voorzien deelnamebudget is toegekend
7.2.2. Indicator 17b: Deelnametoelage EU-Kaderprogramma in functie van aantal inwoners
Als we kijken naar de deelnametoelage in functie van het aantal inwoners dan vormen Denemarken, Nederland en Finland de top 3, gevolgd door Vlaanderen (en België) en Zwitserland. Hier scoren grotere (voormalige) EU-landen zoals Italië, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Spanje eveneens laag.
Figuur23:InternationalepositioneringvanVlaandereninzakededeelnametoelagem.b.t.Horizon2020in functievanhetaantalinwoners
Denemarken
Nederland
Finland
Vlaanderen
België
Zwitserland
Ierland
Zweden
Oostenrijk
Spanje
Duitsland
Verenigd Koninkrijk
Frankrijk
Italië
Deelnametoelage in functie van het aantal inwoners
Bron: Departement Economie,Wetenschap en Innovatie, Vlaamse overheid
Selectie uit Horizon 2020: er werd gebruik gemaakt van de tussentijdse versie van 1/1/2014 tot 8/10/2020, waarbij op dat moment ongeveer 82%van het totale voorzien deelnamebudget is toegekend
7.2.3. Indicator 17c: Deelnametoelage EU-Kaderprogramma per deelnemerscategorie
Een opdeling van de deelnametoelage van het EU-kaderprogramma per deelnemerscategorie wordt weergegeveninFiguur24.43,8%vandedeelnametoelagevanVlaanderengaatnaarinstellingenvanhoger onderwijs en 28,9% naar onderzoekscentra. Bedrijven nemen een aandeel van 21,7% voor hun rekening. Enkele observaties:
- In Zwitserland (61,9%), Denemarken (57,7%), Zweden (55,4%) en Nederland (48,6%) is het aandeel van de hoger onderwijs instellingen ook het grootst en hoger dan dit van Vlaanderen (43,8%). In Finland is het aandeel voor de hoger onderwijs instellingen ook het grootst (33,4%) maar lager dan dit van Vlaanderen (43,8%)
- In Frankrijk (44,1%), Spanje (36,4%) en Duitsland (33,8%) is het aandeel van de onderzoeksinstellingen hoger dan 30%. VoorVlaanderen bedraagt dit aandeel 28,9%.
- In Italië (37,6%), Frankrijk (35,7%), Spanje (35,3%) en Oostenrijk (33,2%) nemen de private ondernemingeneengrotereaandeelin(>30%)danindeanderelanden.VoorVlaanderenbedraagt dit aandeel 21,7%.
Figuur 24: Internationale positionering van het aandeel hoger onderwijsinstellingen, onderzoeksinstellingen,bedrijvenen'andere'indedeelnametoelagem.b.t.Horizon2020
Verenigd Koninkrijk
Zwitserland
Bron: Departement Economie,Wetenschap en Innovatie, Vlaamse overheid
Selectie uit Horizon 2020: er werd gebruik gemaakt van de tussentijdse versie van 1/1/2014 tot 8/10/2020, waarbij op dat moment ongeveer 82%van het totale voorzien deelnamebudget is toegekend
Noot:
- HES: Higher Education Services - PRC: Private for profit - REC: Research centres - OTH: others (public, international organisations…)
7.3. Indicator 18: Aandeel deelnemers aan de Marie Sklodowska-Curie actiesindividual fellowships
De Marie Skłodowska-Curie-acties bieden uitstekende en innovatieve onderzoeksopleidingen en aantrekkelijke mogelijkheden voor loopbaan- en kennisuitwisseling door middel van internationale en intersectorale mobiliteit van onderzoekers om hen optimaal voor te bereiden op de huidige en toekomstige maatschappelijke uitdagingen.
Indicator 18 is een nieuwe indicator die ontwikkeld werd in lijn met een ‘slimme analyse’ dat het departement EWI uitgevoerd heeft op de deelnames aan het EU-kaderprogramma. Het aandeel Marie Sklodowska-Curie individual fellowships (toekenningen in de periode 2014-2020) t.o.v. het gemiddeld aantal onderzoekers(per10000) betreft163(Tabel44) WehebbeninVlaanderendusgemiddeld163Marie Sklodowska-Curie individual fellows per10.000 onderzoekers.
Tabel44:AandeeldeelnemersaandeMarieSklodowska-Curieacties- individualfellows- aanVlaamse instellingen
Aantal 'individual fellowships' aan Vlaamse instellingen
245
Gemiddelde aantal onderzoekers 15042
Aandeel individuel fellowships 163
Bron: Departement Economie,Wetenschap en Innovatie, Vlaamse overheid
Selectie uit Horizon 2020: er werd gebruik gemaakt van de tussentijdse versie van CORDA van 1/1/2014 tot 8/10/2020, waarbij op dat moment ongeveer 82%van het totale voorzien deelnamebudget is toegekend
Noot: Het aantal onderzoekersbetreft de onderzoekers in instellingen van hoger onderwijs en overheid. Voor Vlaanderen betreft het een gemiddelde voor de jaren 2015, 2017 en 2019
In onderstaande Figuur 25 wordt de internationale vergelijking weergegeven. Denemarken neemt de leiding in deze ranking met 248 Marie Sklodowska-Curie individual fellowships per 10.000 onderzoekers, gevolgd door Nederland (197) en Zwitserland (173). Zweden (99) en Finland (59) scoren hier lager dan Vlaanderen evenals een aantal grote EU-landen Duitsland (41), Frankrijk (76), Italië (79) en Spanje (113).
Figuur25:InternationalepositioneringvanhetaandeeldeelnemersaandeMarieSklodowska-Curieacties -individualfellows(per10.000onderzoekers)
Denemarken
Nederland
Zwitserland
Ierland
Vlaanderen
Verenigd Koninkrijk
België
Spanje
Zweden
Oostenrijk
Italië
Frankrijk
Finland
Duitsland
Bron: Departement Economie,Wetenschap en Innovatie, Vlaamse overheid
Selectie uit Horizon 2020: er werd gebruik gemaakt van de tussentijdse versie van CORDA van 1/1/2014 tot 8/10/2020, waarbij op dat moment ongeveer 82%van het totale voorzien deelnamebudget is toegekend
Noot: Het aantal onderzoekersbetreft de onderzoekers in instellingen van hoger onderwijs en overheid. Er wordt een gemiddelde genomen over de periode 2014-2019. Voor Vlaanderen betreft het een gemiddelde over de jaren 2015, 2017 en 2019
7.4. Indicator 19: Te ontwikkelen – Stayrate – aandeel internationale studenten hoger onderwijs datna afstuderen nog in het land verblijft
7.4.1. indicator 19a: Te ontwikkelen – Stayrate – aandeel internationale studenten hoger onderwijs dat 1 jaar na afstuderen nogin het land verblijft
7.4.2. indicator 19b: Te ontwikkelen – Stayrate – aandeel internationale studenten hoger onderwijs dat 4 jaar na afstuderen nogin het land verblijft
VARIO wees in het verleden al op het feit dat we niet weten hoe groot het percentage is van ‘internationale top studenten’ (inclusief doctorandi en postdocs) dat na hun studies in Vlaanderen (tijdelijk) blijft wonen en werken (de zgn. stayrate) en duidde op de nood aan systematische registratie en monitoring.
Deze indicator is momenteel niet beschikbaar. In 2020 werd er een studie uitgevoerd ‘De economische effecten van internationalisering in het hoger onderwijs’ door K. De Witte, M. Soncin, S. Vansteenkiste en L.SelsinopdrachtvandeVlaamseUniversiteitenenHogescholenRaad(VLUHR)endeVlaamseAdviesraad
voor Innoveren en Ondernemen (VARIO). De resultaten van de studie gaven interessante inzichten in het topic maar geven ook een aantal databeperkingen weer.
‘Weobservereneenhogeblijfkans,die1jaarnahetafstuderengelijkisaan52,8%vandeafgestudeerde internationalestudenten.ZoalsweergegeveninFiguur26blijftongeveer45,9%vandeinternationale studenten2tot5jaarinVlaanderen,37,2%blijft6tot10jaar,29,4%blijfttussende11en20jaar,terwijl ongeveer22,3%vandeinternationalestudentennoglangerblijft.’(De Witte et al. 2020).
Figuur26:GeschatteblijfkansvaninternationalestudenteninVlaanderen
Bron: De Witte et al. (2020) ‘De economische effecten van internationalisering in het hoger onderwijs’ – eindrapport
Dit betreft het percentage internationale studenten hoger onderwijs dat na hun afstuderen nog in het land verblijft over het totale aantal internationale studenten.
‐ Teller: Internationale studenten hoger onderwijs (bachelor, masteren doctoraatsstudenten).
• Die na afstuderen 1 jaar blijft
• Die na afstuderen 4 jaar blijft
‐ Noemer:Totaal aantal internationalestudenten(bachelor,masterendoctoraatsstudenten–ISCED 6,7 en 8))
Daarbij wordt door De Witte et al. 2020 gebruik gemaakt van de volgende databronnen:
‐ Blijfkans één jaar na afstuderen: Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid (KSZ)
‐ Blijfkans vier jaar na afstuderen: Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid (KSZ) en database on immigrants (DIOC)45 (OECD)
45 http://www.oecd.org/els/mig/dioc.htm
Met betrekking tot de robuustheid van deze data formuleren we graag de onderstaande bevindingen:
‐ Deze cijfers voor Vlaanderen werden maar éénmalig verzameld in de context van het VARIOVLUHR-onderzoeksproject.
‐ Deze cijfers zijn niet internationaal vergelijkbaar. De methodologieën die toegepast worden in verschillende landen is niet gelijk (zie ook De Witte et al. 2020).
o ‘EenrecenteNederlandsestudierapporteerteenblijfkansvariërendvan36%tot42% gemetenvijfjaarnahetafstuderen(Nuffic,2017)Specifiekvoordoctoraatsstudentenstelt Nederlandsonderzoekeenblijfkansna10jaarvastvan32% ’ (Centraal Planbureau, 2015).
o De cijfers variëren tussen 3%en 64% voor het Verenigd Koninkrijk (Weisser, 2016).
‐ Betrouwbaarheid:
o De blijfkans na 4 jaar wordt berekend op basis van de DIOC (OECD) – database on migration. Aan de hand van deze database wordt een proxy gemaakt voor de verblijfsduur van internationale studenten, onder de assumptie dat de gemiddelde verblijfsduur van hoogopgeleide immigranten in het verleden het gedrag van afgestudeerde studenten in de toekomst weerspiegelt. Deze DIOC bevat dus informatie over het hoogste onderwijs bereikt door een individu (migrant) maar bevat dus geen informatie over wie in Vlaanderen gestudeerd heeft en wie niet.
7.5. Indicator 20: Te ontwikkelen – aandeel internationaal O&O-personeel in ondernemingen
AlsinternationalestudenteninVlaanderenblijven(cfrindicator19),zalditresulterenineengroteraandeel buitenlanders actief in zowel de academische als de bedrijfswereld. Over het aandeel buitenlanders tewerkgesteld aan de universiteiten is al redelijk wat informatie beschikbaar. Bij indicator 9 en 10 wordt specifiek ingegaan op hetaandeel buitenlanders binnen het ZAP-kader.
Over het aandeel buitenlanders tewerkgesteld in ondernemingen, zeker specifiek in een O&O-functie is er minder robuuste informatie beschikbaar. Veel internationale bedrijven stellen ook internationale onderzoekers tewerk. Dit is echter vaak in een deeltijdse functie, waarbij ze een deel in een Vlaamse vestiging werken en een deel in een buitenlandse vestiging. De aflijning van functies en activiteiten blijkt hier echter veel moeilijker te zijn dan in de academische wereld.
Voor het totaal O&O-personeel in ondernemingen per nationaliteit is momenteel geen data beschikbaar We hebben hierbij twee pistes onderzocht (1) via de O&O-vragenlijst of (2) via de fiscale maatregel ‘vrijstelling doorstoringbedrijfsvoorheffing voor onderzoekers’.
1) O&O-vragenlijst(georganiseerddoorECOOMvoorVlaanderen,BelspovoorhetBrusselsHoofdstedelijk Gewest en Service Public de Wallonie (SPW) voor het Waals Gewest)
In de O&O-survey 2016 (met referentieperiode 2014-2015) werd geïnformeerd naar het aandeel onderzoekers en O&O-managers in de onderneming verdeeld over verschillende nationaliteiten; i.e. Belgische staatsburgers, Europese en niet-Europese (zie Box 5). Deze vraag wordt echter niet recurrent opgenomenindeO&O-vragenlijstenenisdusmomenteelniettemonitorenovertijd.Deredenenwaarom deze vraagniet recurrent opgenomen is in de O&O-vragenlijsten zijn:
- DitbetreftgeenverplichteinformatiediemoetaangeleverdwordenaanEurostat(terwijlditvoor bepaalde andere indicatoren wel het geval is)
- Het aantal vragen gerelateerd aan O&O-personeel is reeds uitgebreid. Er zijn reeds voorafgaande aanonderstaandevraaginBox5eenhelereeksvragendieheelbelangrijkzijnvoorhetaanleveren van internationaal vergelijkbare statistieken (aan Eurostat). Bij iedere subvraag daalt (mogelijks) telkens de nauwkeurigheid van de antwoorden.
- Het nauwkeurig invullen van een vraag m.b.t. de nationaliteiten van de Onderzoekers en O&Omanagers door ondernemingen is ook niet voor de hand liggend aangezien personeelsgegevens met info over diploma en nationaliteit doorgaans niet onmiddellijk beschikbaar zijn.
- De O&O-vragenlijst is geen verplichte vragenlijst. Daarom wordt gestreefd om de vragenlijst zo beperkt mogelijk te houden om de kans op een hoge response rate niet negatief te beïnvloeden.
Box5:ExtractuitO&O-vragenlijst2016
2) Fiscale maatregel: Vrijstelling doorstorting bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers (Belspo)
In België kunnen bedrijven in bepaalde gevallen een vrijstelling van doorstorting bedrijfsheffing voor onderzoekers aanvragen46. Dit betreft een federale fiscale maatregel. Werkgevers uit de privé sector en kennisinstellingenwordenvrijgesteldom80%47 vandeverschuldigdebedrijfsvoorheffingopdelonenvan onderzoekers met een bepaald master en doctoraatsdiploma die zij tewerkstellen door te storten aan de fiscus Deze maatregel is tevens mogelijk bij bepaalde bachelordiploma’s maar het totale bedrag van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers met een bachelorsdiploma is beperkttot25%vanhettotalebedragvan devrijstellingvanstortingvandebedrijfsvoorheffingvoorde onderzoekers meteenkwalificerend diploma van doctor ofmaster (voor uitzonderingen en meer infozie Box 6).
46 https://www.vlaio.be/nl/subsidies-financiering/subsidiedatabank/vrijstelling-doorstorting-bedrijfsvoorheffing-voor
47 80% pro rata de O&O-activiteiten
Dezemaatregel heeft betrekkingop bepaalde bachelor,masterendoctoraatsdiploma’s in specifieke ‘fields of science’48:
- Doctoraatsdiploma’s in de Vlaamse Gemeenschap: exacte wetenschappen, toegepaste wetenschappen, (dier)geneeskunde, farmaceutische wetenschappen, burgerlijk ingenieurs, industriële wetenschappen, biotechniek, architectuur en productontwikkeling.
- Masterdiploma'sin de Vlaamse Gemeenschap: exacte wetenschappen, toegepaste wetenschappen, (dier)geneeskunde, farmaceutische wetenschappen, burgerlijk ingenieurs, industriële wetenschappen, biotechniek, architectuur en productontwikkeling.
- Bachelor diploma's in deVlaamse Gemeenschap:
o Academische bachelors: deze dienen behaald te zijn in één van de studiegebieden zoals bepaald voor masterdiploma’s (of gelijkwaardig).
o Professionelebachelordiploma's:biotechniek,gezondheidszorg,nautischewetenschappen; industriële wetenschappen en technologie; (toegepaste informatica) en productontwikkeling (zie ook onderstaande Box 6).
Box6:Toelichtingvooronderzoekersmetbachelordiplomaenwijzigingenvanaf1/1/2020
Vanaf 1 januari 2020 kunnen ondernemingen, die de vrijstelling van storting van bedrijfsvoorheffing toepassen voor onderzoekers die tewerkgesteld zijn in onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of –programma’s en die een kwalificerend doctor- of masterdiploma hebben, eenzelfde vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing ten belope van 80% van die bedrijfsvoorheffing toepassen voor onderzoekersmeteenbachelorsdiplomaindestudiegebiedenbiotechniek,gezondheidszorg,industriële wetenschappen en technologie, nautische wetenschappen, productontwikkeling en informatica. (Vanaf 1 januari 2018 tot 31 december2019 was deze vrijstelling voor de bachelors beperkt tot 40%).
Het totale bedrag van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers met een bachelorsdiploma is beperkt tot 25% van het totale bedrag van de vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing voor de onderzoekers met een kwalificerend diploma van doctor of master. Dit percentage wordt verdubbeld voor de kleine vennootschappen (artikel 15 §§ 1 tot 6 Wetboek van vennootschappen). Deze beperking is niet veranderd op 1 januari 2020.
Bron: Belspo
Bedrijven die hiervoor in aanmerking willen komen hebben een aanmeldingsplicht bij Belspo. Tevens kunnen bedrijven advies vragen bij Belspo. Belspo heeft een databank met informatie over de onderzoekers (die zijn tewerkgesteld in onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of -programma’s) en hun diploma. De informatie over de diploma’s (field of science, universiteit enz.) is momenteel wel niet gestandaardiseerd in dedatabank en dus niet op grote schaal bruikbaar.
Het gebruik van deze informatie m.b.t. de vrijstelling van doorstorting voor onderzoekers als proxy voor het aandeel O&O-personeel in ondernemingen heeft een aantal beperkingen:
- Het is niet mogelijk om het totale O&O-personeel te kennen maar enkel een selectie van O&Opersoneel met een bepaald diploma in een bepaalde field of science.
48 De lijsten met kwalificeerbare bachelor- en masteropleidingen kunnen geraadpleegd worden op http://www.belspo.be/belspo/fiscal/fisc_dipl_nl.stm
- Tevens is er mogelijks een bias omdat niet alle ondernemingen die in aanmerking komen voor de maatregel ook degelijk gebruik maken van de maatregel. De bekendheid vandezemaatregel isde laatste jaren serieus toegenomen en er is het vermoeden dat dit aandeel ondernemingen maar beperkt is. Er wordt vastgesteld dat kleinere ondernemingen vaak een beroep doen op belastingconsultants voor de aanmelding. Gezien de bijkomende kosten die dit met zich meebrengt, zou dit ertoekunnenleidendatkleineondernemingenminder geneigd zijn gebruik te maken van de fiscale voordelen. Tevens is er het vermoeden dat (strenge) controles en de complexiteit van de fiscale wetgeving er soms voor zorgen dat (kleinere) ondernemingen geen beroep doen op deze maatregel.
- Tevens bevat deze database geen informatie over de nationaliteit van de onderzoekers. Om daar meer inzicht in te hebben zou de database m.b.t. de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers gekoppeld moeten worden aan de RSZ-databank. Aan de hand van het rijksregisternummer zou dan de nationaliteit van de onderzoekers gekoppeld kunnen worden aan het O&O-personeel waarvoor een vrijstelling van doorstoring van bedrijfsvoorheffing bekomen wordt.
o Een opmerking hierbij is dat nationaliteit niet altijd een volledig beeld geeft. Sommige mensenhebbeneendubbelenationaliteit,ofanderemenseneenbuitenlandsenationaliteit maar een permanent verblijf in België.
- Daarnaast is er voor de maatregel vrijstelling doorstoring bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers momenteel geen informatie overvoor welk gewest dit van toepassing is.
o Dit zou ‘eenvoudig’ kunnen bekeken worden aan de hand van de btw-nummers en de domiciliëring van het hoofdkantoor.
o In België gebeurt het echter dat ondernemingen hun hoofdkantoor in Brussel hebben terwijl belangrijke O&O-activiteiten in Vlaanderen (of Wallonië) plaatsvinden. Een andere, complexere, aanpak zou kunnen zijn om de informatie (BTW-nummers) van de databank met informatie over de vrijstelling van bedrijfsvoorheffing te koppelen aan de resultaten van de O&O-vragenlijst. In de context van deze O&O-vragenlijst wordt meer informatie verzameldoverwaardehoofdO&O-activiteitenbinneneenondernemingplaatsvinden.De indeling volgens regio op basis van waar de belangrijkste O&O-activiteiten plaatsvinden lijkt ons meer opportuun aangezien we specifiek het O&O-personeel (en hun nationaliteit) willen bekijken.
Van het diplomaniveau kan worden afgeweken voor "Young Innovative Companies" (YIC) en voor bedrijven die op projectbasis samenwerken met universiteiten en andere erkende wetenschappelijke instellingen (zie onderstaande Box 7).
Box 7:Overzichtuitzonderingenopdediploma-vereistenbijdemaatregelvrijstellingdoorstorting bedrijfsvoorheffingvooronderzoekers
1) Bij samenwerkingen tussen bedrijven en universiteiten of onderzoeksorganisaties kan de vrijstellingsmaatregel ook worden toegepast op O&O-personeel (tewerkgesteld in het samenwerkingsverband bij het bedrijf) dat niet over de diplomakwalificatie beschikt, maar deze kwalificatie door ervaringverworven heeft (minimum een bachelordiploma).
2) VoorYIC-bedrijvenkandeverminderingvandoorstortingvandebedrijfsvoorheffing(80%)behalve op de kenniswerkers met de kwalificerende diploma's ook worden toegepast op het technisch/ ondersteunend personeel (administratieve en commerciële functies zijn uitgesloten).
Voor YIC-bedrijven kunnen naast onderzoekers ook onderzoekstechnici en projectbeheerders inzake onderzoek en ontwikkeling van de maatregel genieten, met uitsluiting van het administratief en commercieelpersoneel.Binnenhetkadervandeverminderingvandoorstortingvanbedrijfsvoorheffing is het YIC-statuut enkel interessant voor onderzoekers zonder kwalificerend masterdiploma, FOD Financiën controleert (bepaalt) of een bedrijf voldoet aan de voorwaarden.
- Onderzoekstechnicizijnpersonendieinnauwesamenwerkingwerkenmetdeonderzoekersom de noodzakelijke technische ondersteuning te leveren bij onderzoeks- en ontwikkelingswerk. Dezedirectemedewerkersvandewetenschappersofingenieursmoeteneenwetenschappelijke oftechnischevertrouwdheidhebbendieerkendwordtdoordeactiviteitssector,doordiploma’s of door professionele verworvenheden en ze moeten rechtstreeks toegewezen zijn aan onderzoekstaken.
- Projectbeheerders inzake onderzoek en ontwikkeling zijn personen die de leiding hebben over organisatie,coördinatieenplanningvanhetprojectzowelopadministratief,juridisch,financieel als technologisch vlak
Een YIC dient te voldoen aan de voorwaarden van een kleine vennootschap zoals gedefinieerd in art. 15 §1 van het Wetboek Vennootschappen; m.n.mageen YIC niet meer dan één van de volgende criteria overschrijden:
• een jaargemiddelde van 50 personeelsleden;
• een jaaromzet - exclusief BTW - van 7.300.000 Euro;
• een balanstotaal van 3.650.000 Euro.
Bovendien dient een YIC:
• minder dan 10 jaar te bestaan, voorafgaand aan 1 januari van het referentiejaar,
• niet opgericht te zijn in het kader van een concentratie, herstructurering, uitbreiding van een vroegere activiteit of een overname van dergelijke activiteiten,
• minstens 15% van de totale kosten van het voorgaande belastbaar tijdperk is aangewend voor onderzoek en ontwikkeling.
De YIC dient aan deze vereisten te voldoen aan het einde van het vorige belastbaar tijdperk, voorafgaand aan het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk de bezoldigingen zijn uitbetaald.
Bron: Belspo
8. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Op basis van de invulling van de VARIO-kernindicatoren kunnen we een aantal observaties doen (zie onderstaande Figuur 27):
Figuur27:OverzichtsfiguurVARIO-kernindicatoren
Noot: indicatoren in grijs (15, 16, 17 en 18) kunnen niet vergeleken worden doorheen de tijd
- Voor het aandeel innovatieve bedrijven, GERD als percentage van BBP en het O&O-personeel (als aandeel van de totale beroepsbevolking) observeren we doorheen de tijd een positieve evolutie. Voor deze indicatoren bevinden we ons vandaag bij de top van de EU.
- Voor het aandeel HERD privaat gefinancierd en de top 10%-publicaties observeren we geen grote toename doorheen de tijd. We behoorden in het verleden al tot de Europese top en dit is nog altijd het geval.
- Voor de indicatoren m.b.t. levenslang leren en STEM scoren scoort Vlaanderen niet goed en observeren we geen verbetering overheen de tijd.
- Voor de PISA-score scoort Vlaanderen nog altijd gemiddeld. Het is echter wel zorgwekkend dat Vlaanderen tot de groep van sterkste dalers behoort.
- Daarnaastzijnerook eenaantal indicatorendiewenognietdoorheendetijdkunnenobserveren maar waar we wel een internationale vergelijking kunnen uitvoeren. Voor de Vlaamse deelname
aanhetEuropesekaderprogramma(inditgeval Horizon2020),MarieSklodowska-Curieindividual fellows,en(internationale)samenwerkingvandebedrijvenscoortVlaanderengoed.Eriswel nog marge voor verbetering.
VARIO wil hier ook nog eens aanhalen dat indicatoren beperkingen hebben en dat het belangrijk is om indicatoren in de juiste context te plaatsen. VARIO herhaalt graag dat het belangrijk is om voldoende te investeren in de ontwikkeling van (nieuwe) indicatoren. Er moet tijdig ingespeeld worden op nieuwe evoluties (zie ook VARIO-advies 13 ‘Een kwaliteitsvolle set indicatoren voor wetenschap en innovatie’)
Aanbeveling: Hou rekening met beperkingen van indicatoren en plaats ze in een context
VARIO wil graag wijzen op delimieten en de beperkingen van het gebruik van indicatoren.
Ondanks de inspanningen van VARIO om de complexe W&I-realiteit genuanceerd in kaart te brengen, en hiervoorzorobuustmogelijkeindicatorenvoortestellen,zijndezeindicatorenslechtseen‘snapshot’van de realiteit. Er wordt geen causale relatie aangetoond tussen een beleidsmaatregel en een bepaald resultaat Indicatoren zijn ‘pointers’; een ‘zwart-wit’ weergave van een complexe realiteit, waarbij voldoende rekening moet worden gehouden met de context. Het is dan ook belangrijk om deze indicatorenset aan te vullen met (meer kwalitatieve) impactanalyses.
Het negeren van de context kan leiden tot ongenuanceerde en foutieve conclusies, waarschuwt VARIO Correcteinterpretatievanindicatorenvereistvoldoendeachtergrondkennisenomzichtigheid.Wevragen dus de nodige voorzichtigheid bij het gebruik en de interpretatie van de voorgestelde indicatoren. Zeker bij benchmarken en het vergelijken van rankings speelt dit een zeer belangrijke rol.
Aanbeveling: Investeer voldoende in de verdere ontwikkeling van monitoring-tools
Deuitwerkingvandenieuwesetvanindicatoren(in2020)liettoeomvoorstellenteformulerenoverwat weidealiterzoudenmoetenmetenomeenoptimaalbeeldtekrijgenvandeVlaamseperformantieophet vlak van W&I. De oefening legt dus ook hiaten bloot op het vlak van indicatorontwikkelingzelf:voor een aantal geïdentificeerde beleidsaspecten bestaan nog geen indicatoren en is dataverzamelingen/of verder ontwikkelwerk nodig. VARIO vraagt om voldoende te investeren in de ontwikkeling van (nieuwe) indicatoren. Er moet tijdig ingespeeld worden op nieuwe evoluties. VARIO beseft dat zoiets niet ‘van vandaagopmorgenkangerealiseerdworden’,dathiervaakgrondigstudiewerkaanvoorafdienttegaan en hiervoor ook in de nodige capaciteit moet worden voorzien. Daarnaast moet ook rekening worden gehouden met andere mogelijke hinderpalen, die de uitwerking kunnen vertragen, zoals de privacywetgevingentechnischeproblemenbijkoppelenvanbestaandedatabanken.Invoorliggendadvies worden reeds eerste verkennende stappen genomen voor een aantal indicatoren.

Danielle Raspoet Directeur
Lieven Danneels Voorzitter