Skip to main content

Advies 46: Vlaamse Strategie Duurzame Ontwikkeling (VSDO5), gemeenschappelijk advies met o.m. SERV

Page 1


Advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, Wetstraat 34-36, 1040 Brussel

W www.serv.be – T +32 2 209 01 11 – E info@serv.be

Adviesvraag Ontwerp van vijfde Vlaamse Strategie Duurzame Ontwikkeling (VSDO5)

Adviesvrager Matthias Diependaele - Minister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Economie, Innovatie en Industrie, Buitenlandse Zaken, Digitalisering en Facilitair Management

Ontvangst adviesvraag 5 januari 2026

Decretale opdracht SERV-decreet 7 mei 2004 art. 20 (SAR-functie)

Goedkeuring raad 16 februari 2026

Samenwerking met Minaraad die het goedkeurde op 13 februari 2026

SALV die het goedkeurde op 13 februari 2026

SARC die het goedkeurde op 13 februari 2026

VARIO die het goedkeurde op 13 februari 2026

Contactpersoon

Stijn Wouters – swouters@serv.be

Ine Baetens – ine.baetens@minaraad.be

Koen Carels – kcarels@serv.be

Bart Dierick – bart.dierick@vlaanderen.be

Veerle Linseele – veerle.linseele@vlaanderen.be

Minister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Economie, Innovatie en Industrie, Buitenlandse Zaken, Digitalisering en Facilitair Management

Martelaarsplein 19

B-1000 Brussel

Ontwerp van vijfde Vlaamse Strategie Duurzame Ontwikkeling

Mijnheer de minister-president

U vroeg op 5 januari 2026 om advies over het ontwerp van vijfde Vlaamse Strategie Duurzame Ontwikkeling (VSDO5). De SERV, Minaraad, SALV, SARC en VARIO onderschrijven voluit het belang van een duurzaamheidsbeleid dat expliciet inzet op de Sustainable Development Goals (SDG’s) en lange-termijntransities, zoals het ontwerp van VSDO5 beoogt.

De raden moeten vaststellen dat het ontwerp vandaag weinig strategische waarde heeft. De tekst bevat geen scherpe analyse van de uitdagingen, gevolgd door een duidelijk pad richting realisatie van de SDG’s. De huidige overkoepelende acties verbinden de beleidsdomeinen en stakeholders nauwelijks. Door de huidige interne administratieve totstandkoming ontbreekt het ontwerp aan draagvlak, richtinggevend vermogen en beleidsimpact.

De raden dringen erop aan om het duurzaamheidsbeleid aan te scherpen in de VSDO5 en in het reguliere beleid. Niet alleen om de SDG’s te halen, maar ook om sociaal-economische opportuniteiten te benutten en de risico’s van niet-duurzame praktijken te vermijden

De raden kunnen zich vinden in de keuze voor een missieaanpak, maar dan moet die wel écht missiegericht zijn: met duidelijke prioriteiten, concrete impactdoelen en een zichtbare koppeling met de duurzaamheidsdoelstellingen. De raden stellen zich bovendien vragen bij de selectie van de missies, hun link met de SDG’s en hun gedragenheid op het terrein De raden adviseren om samen met stakeholders de huidige voorgestelde missies te herbekijken en bijkomende missies te selecteren, zeker voor die thema’s waar de kloof met de SDG’s het grootst blijft (SDG’s 7, 11, 12, 13, 14, 15, 16 en 17).

Hoogachtend

Pieter Kerremans

Frank Beckx administrateur-generaal SERV voorzitter SERV

Jan Verheeke Lieven De Schamphelaere Secretaris Minaraad voorzitter Minaraad

Koen Carels

Loes Lysens Secretaris SALV voorzitter SALV

Bart Dierick

Annick Schramme algemeen secretaris SARC algemeen voorzitter SARC

Danielle Raspoet

Lieven Danneels directeur VARIO voorzitter VARIO

Krachtlijnen

Duurzaamheid en langetermijnbeleid richten zijn belangrijke thema’s voor de SERV, Minaraad, SALV, SARC en VARIO.

De raden staan positief tegenover de keuze van de Vlaamse Regering om het ontwerp van VSDO5 te richten op het behalen van de Sustainable Development Goals (SDG’s) in 2030 en op de lange termijn via Visie 2050. De keuze voor een vereenvoudigde rapportage draagt bij aan een betere afstemming met rapportages richting de EU en internationale organisaties en zorgt voor een administratieve vereenvoudiging voor instanties.

Toch blijft het ontwerp van VSDO5 tot dusver te veel steken in een intern administratieve logica. De focus ligt voornamelijk op rapportering en internationale vergelijking en op een beperkt aantal missies vanuit reeds lopend beleid in plaats van een grondige analyse en participatief traject om overheden en maatschappelijke stakeholders mee te trekken in een stimulerend beleid rond duurzaamheid en denken op lange termijn, zoals bedoeld in het decreet duurzame ontwikkeling Daardoor ontbreekt het aan gedragenheid, richtinggevend vermogen en beleidsimpact bij stakeholders op het terrein

De raden beklemtonen de noodzaak en ‘urgency’ om het duurzaamheidsbeleid aan te scherpen in de VSDO5 en in het reguliere beleid Te weinig inzetten op duurzaamheid brengt risico’s met zich mee voor welvaart en welzijn en zorgt ervoor dat opportuniteiten op maatschappelijk vlak gemist worden, o.a. voor productiviteit en strategische autonomie.

Een grondige analyse van de SDG-kloof en remediërende acties is nodig om systeemrisico’s en onderliggende kwetsbaarheden te identificeren en aan te pakken en om het beleid te richten op langere termijn maatschappelijke uitdagingen. De raden adviseren om de koppeling van het beleid met de duurzaamheidsdoelstellingen explicieter te maken en meer in te zetten op structurele samenwerking tussen de beleidsdomeinen.

De VSDO5 zou zich naast de internationale rapportage moeten beperken tot een beperkt aantal initiatieven die de zgn. gap-to-target verkleinen, waaronder de interbestuurlijke samenwerking met alle overheden en het leren aanpakken van transversale uitdagingen, sectoroverschrijdend werken (whole-of-government en whole-of-society approach) en het tegengaan van verkokering, als belangrijke randvoorwaarden van een succesvol duurzaamheidsbeleid (cf. VNR 2023).

De raden kunnen zich vinden in het idee van de meer actiegerichte missies tegenover de eerdere transitieprojecten, maar niet (steeds) in de keuze en inhoud van de voorgestelde missies. Ze zien nog ruimte om ze echt in te vullen vanuit missiegericht denken De missies blijven immers nog op een hoog abstractieniveau geformuleerd, met voorlopig weinig concrete doelstellingen en zonder directe link met de SDG’s.

De raden vragen daarom naar een echt participatief traject met de stakeholders om de huidige voorgestelde missies te herbekijken en bijkomende missies te selecteren, zeker voor die thema’s waar de kloof met de SDG’s het grootst blijft (cf. SDG’s 7, 11, 12, 13, 14, 15, 16 en 17 zoals blijkt het landenrapport van het Europees Semester en het Sustainable Development rapport van het Sustainable Development Solutions Network, SDSN). Ze vragen ook om meer betrokkenheid bij hun opvolging en bij de voorziene Werkplaats.

Advies Inleiding

De SERV, Minaraad, SALV, SARC en VARIO werden op 5 januari 2026 om advies gevraagd over het ontwerp van vijfde Vlaamse Strategie Duurzame Ontwikkeling (VSDO5).1 De VSDO is de strategienota zoals bedoeld in het decreet van 18 juli 2008 ter bevordering van duurzame ontwikkeling.2 3

Dit decreet is de toepassing van de grondwettelijke verplichting om de doelstellingen van een duurzame ontwikkeling na te streven. Volgens het decreet hoort de Vlaamse Regering in te staan voor: (1) het beleidsdomeinoverschrijdend overleg binnen de Vlaamse overheid; (2) de betrokkenheid van en het overleg met de maatschappelijke actoren; (3) de vertaling van het Europees en het internationaal beleid inzake duurzame ontwikkeling naar het Vlaamse beleid en de gecoordineerde Vlaamse standpuntbepaling binnen Europese en internationale fora van duurzame ontwikkeling; (4) het overleg en de samenwerking met het federaal bestuursniveau en het bestuursniveau van de gemeenschappen en gewesten inzake duurzame ontwikkeling; (5) het overleg en de samenwerking met het gemeentelijk en provinciaal bestuursniveau en de ondersteuning van het gemeentelijke en provinciale beleid duurzame ontwikkeling en (6) de wetenschappelijke onderbouwing van het Vlaamse beleid duurzame ontwikkeling.Het ontwerp van VSDO5 schetst eerst de internationale, Europese, Belgische en Vlaamse context van het duurzaamheidsbeleid. Die bevat een samenvatting van de omgevingsanalyse in de bijdrage van de Vlaamse administratie aan het regeerakkoord van de Vlaamse Regering;4 de internationale context met een stand van zaken van de score en ranking van België in het kader van de Sustainable Development Goals (SDG’s) en de decretaal verplichte evaluatie van VSDO4.

Dit vult het engagement van Vlaanderen in om Agenda 2030 uit te voeren en de 17 SDG's te behalen. Daarin onderschrijven de lidstaten een aantal algemene principes zoals leaving no one behind (LNOB), het globaal, universeel en ondeelbaar karakter, de onderlinge verbanden (zgn. interlinkages) en allesomvattende natuur van de doelstellingen. Het is de agenda voor people, planet, prosperity, peace en partnership. De doelstellingen hebben hun eigen implementatiemiddelen/

1 Het ontwerp van VSDO5 werd door DKBUZA toegelicht op 13 januari 2026.

2 Vlaams Parlement (2008). Decreet ter bevordering van duurzame ontwikkeling.

3 Daarnaast werden ook de MORA, SARO, Vlaamse Raad WVG en de VLOR om advies gevraagd. Zij brachten elk afzonderlijk hun advies uit.

4 DKBUZA (2024). Bijdrage van de Vlaamse administratie aan het regeerakkoord van de Vlaamse Regering 2024-2029

instrumenten, waaronder financiering, handel, technologie-transfer, wetenschap, onderzoek, innovatie en capaciteitsopbouw.

Het ontwerp van VSDO5 werkt op twee sporen:

Een langetermijnbeleid dat zich richt op Visie 2050 en de opvolging van de SDG’s. De Vlaamse Regering bevestigt Visie 2050 als richtinggevend kader voor de lange termijn en volgt de evolutie naar de SDG’s op met interfederale indicatoren. VSDO5 stapt af van het eigen doelstellingenkader van Vizier 2030.

Een kortetermijnbeleid met negen actiegerichte missies die bijdragen aan het behalen van de doelstellingen van de SDG’s, binnen de contouren van het Vlaams regeerakkoord en gedragen zijn door de administratie 5 De missies krijgen uitvoering binnen de betrokken entiteiten. Er is overkoepelende ondersteuning (kennisdeling, lerend netwerk, begeleiding) door DKBUZA en VITO Nexus in een Werkplaats.

De raden kiezen ervoor om deze adviesvraag deels gezamenlijk te beantwoorden. De Minaraad, SALV, SARC en VARIO vullen dat gemeenschappelijk deel aan met bijkomende eigen aanbevelingen vanuit de specifieke missie en visie van elke raad.

1. Gemeenschappelijk deel

Duurzaamheid en beleid op de lange termijn richten zijn belangrijk voor de SERV, Minaraad, SALV, SARC en VARIO. De raden staan daarom positief ten opzichte van de keuze van de Vlaamse Regering om het duurzaamheidsbeleid in het ontwerp van VSDO5 te blijven richten op het behalen van de SDG’s in 2030 en op de lange termijn via Visie 2050.

De 2030 Agenda voor Duurzame Ontwikkeling is een universeel plan van aanpak dat vraagt om gecoördineerde actie van alle beleidsniveaus (multilevel-aanpak) en alle actoren. Het vraagt om het identificeren en managen van trade-offs en het zoeken en optimaliseren van synergiën. Omgekeerd garandeert de correcte uitvoering van duurzame ontwikkeling coherent en efficiënt beleid.6

Het ontwerp van VSDO5 heeft tot dusver (opnieuw) een louter administratief traject gevolgd, niettegenstaande dat art. 5 §2 van het decreet duurzame ontwikkeling bepaalt dat de Vlaamse Regering de VSDO voorbereid in overleg met de verschillende beleidsniveaus en

5 De negen missies zijn: Geïntegreerd ondersteuningskader duurzaam ondernemen voor Vlaamse kmo’s (DWEWIS); digitalisering van het Vlaamse bedrijfsleven (VLAIO); ToekomstZorg (DZORG); Naar een robuuste en toekomstgerichte bereikbaarheid via het Knooppuntmodel (DMOW); Circulaire Economie (OVAM); Local4Food (VLM, LZV); Open Ruimte Platform (VLM); Realisatie van de Vlaamse decarbonisatieagenda (VEKA); Een duurzame en inspirerende werkomgeving in de Vlaamse overheid creëren (HFB)

6 VN (2025). Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development

maatschappelijke actoren. Daardoor missen het ontwerp van VSDO5 en de missies gedragenheid, richtinggevend vermogen en beleidsimpact.

De beleidsmatige relevantie van de VSDO5 is beperkt. Een VSDO heeft de intentie om ‘het kader voor het gecoördineerd Vlaams beleid duurzame ontwikkeling te bepalen en de continuïteit ervan te verzekeren’7 , maar het ontwerp van VSDO5 beantwoordt weinig aan de bouwstenen die daarvoor o.a. door de OESO worden vooropgesteld.8

De VSDO5 bevat geen complementaire acties voor het Vlaams duurzaamheidsbeleid op de korte termijn op basis van zowel een analyse van de SDG’s voor die doelstellingen waar Vlaanderen in achterop loopt (zgn. gap-to-target analyse), als de omgevingsanalyse en de visie op de lange termijn. De focus ligt voornamelijk op rapportering en internationale vergelijking en op een beperkt aantal missies die vertrekken vanuit reeds lopend beleid.

De VSDO5 is niet richtinggevend voor het beleid rond duurzaamheid en op lange termijn, omdat er geen samenhang is met andere en vaak concretere horizontale en sectorale beleidsplannen en doelstellingenkaders

De raden zien de nood om het duurzaamheidsbeleid aan te scherpen in de VSDO5 en het regulier beleid.9 De toetsing van het engagement van Vlaanderen om Agenda 2030 uit te voeren toont dat Vlaanderen en België niet op schema zijn om zoals beloofd de SDG’s te behalen (SDG’s 7, 11, 13, 14, 15, 16 en 17), hoewel er op sommige SDG’s weldegelijk vooruitgang wordt geboekt (SDG’s 1, 3, 4, 5, 7, 8, 10) 10 11

7 Vlaams Parlement (2008). Decreet van 18 juli ter bevordering van duurzame ontwikkeling

8 Zie OESO (2019). Policy Coherence for Sustainable Development 2019: Empowering People and Ensuring Inclusiveness and Equality

De OESO kijkt naar het institutionele (de manier waarop de organisatie wordt aangepast om duurzame ontwikkeling toe te passen, het normatieve (de manier waarop duurzame ontwikkeling wordt geïmplementeerd in beleid en wetgeving) en het discursieve (de manier waarop duurzame ontwikkeling vermeld wordt in beleidsteksten). Het institutionele gaat over: (1) politiek leiderschap, (2) langetermijnstrategie en planning, (3) beleidsintegratie, (4) beleidscoördinatie, (5) multi-level aanpak, (6) het betrekken van belanghebbenden, (7) beleidseffecten, (8) opvolging (monitoring), rapportering en evaluatie. Het normatieve betreft: (1) integratie en interactie tussen doelstellingen, (2) het transformatieve karakter, (3) onderzoek, (4) capaciteitsopbouw (levenslang leren/ onderwijs) (5) instrumenten, (6) het ondersteunen van belanghebbenden. Het discursieve bevat: (1) interne communicatie via beleidsdocumenten, (2) externe communicatie naar de belanghebbenden, (3) externe communicatie via een VNR.

9 Zie ook de audit en de aanbevelingen van het Rekenhof over de implementatie, opvolging en rapportering van de SDG’s door de overheden in België uit 2020, het opvolgingsverslag uit 2024 en de aanbevelingen van de OESO uit 2020 bij de doorlichting van het Vlaamse duurzame ontwikkelingsbeleid uit 2020

10 Europese Commissie (2025). 2025 Country Report – Belgium

SDSN (2025). Sustainable Development Report 2025

11 SDG 1: Geen honger; SDG 2: Geen Armoede; SDG 3: Goede gezondheid en welzijn; SDG 4: Kwaliteitsonderwijs; SDG 5: Gendergelijkheid; SDG 6: Schoon water en sanitair; SDG 7: Betaalbare en duurzame energie; SDG 8: Waardig werk en economische groei; SDG 9: Industrie, innovatie en infrastructuur; SDG 10; Ongelijkheid verminderen; SDG 11: Duurzame steden en gemeenschappen; SDG 12: Verantwoorde consumptie en prodcutie; SDG 13: Klimaatactie; SDG 14: Leven in het water; SDG 15: Leven op het land; SDG 16: Vrede, justitie en sterke publieke diensten; SDG 17: Partnerschap om doelstellingen te bereiken.

Een grondige analyse van de SDG’s is een extra instrument om systeemrisico’s en onderliggende kwetsbaarheden te identificeren en aan te pakken en om het beleid richting langere termijn maatschappelijke uitdagingen bij te sturen.12 Die vandaag niet aanpakken brengt risico’s met zich mee op sociaal-economisch vlak. Er worden ook kansen gemist door duurzaamheid niet structureel mee te nemen Voorbeelden daarvan zijn er op het vlak van productiviteit en strategische autonomie (cf. duurzaamheid in de brede betekenis van de SDG’s komt nauwelijks aan bod in de Vlaamse Versnelling).13 Die aanscherping kan door:

• de koppeling van het beleid met de duurzaamheidsdoelstellingen explicieter te maken. Dat zorgt ervoor dat ze meer richtinggevend zijn voor het Vlaamse beleid en niet louter voor rapportering en internationale vergelijking.

• de afstand tot de doelstellingen te meten op basis van de monitoring (cf. infra) en acties te formuleren om de vooruitgang te versnellen.

• meer in te zetten op structurele horizontale samenwerking tussen de beleidsdomeinen (beleidscoördinatie).

• duurzaamheid nog meer mee te nemen in het reguliere beleid, in lijn met de Impact Assessments op Europees niveau.14

Het ontwerp van VSDO5 behoudt Visie 2050 als langetermijnkompas, maar die is weinig gekend en gedragen. Zo’n langetermijnkompas kan enkel werken indien opeenvolgende regeringen hun beleidsprioriteiten daarin kunnen inpassen, het kompas relevant houden ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen, acties op de korte termijn erop afgestemd worden, erover gecommuniceerd wordt binnen en buiten de overheid en de beleidsdomeinen er effectief gebruik van maken. Dit was niet het geval met Visie 2050 in de voorgaande legislatuur en blijkt ook niet in de huidige legislatuur uit het gebruik ervan in beleidsdocumenten.

Visie 2050 is geen dynamisch instrument dat aan de hand van een analyse van de SDG’s, de opgebouwde capaciteit rond toekomstdenken in de Vlaamse administratie en maatschappelijke betrokkenheid kan inspelen op maatschappelijke, technologische en geopolitieke evoluties, richtinggevend is voor het beleid in Vlaanderen en voor de sectorale toekomstvisies. Nochtans is strategisch denken over de (gewenste) toekomst steeds belangrijker, nu meervoudige crisissen elkaar in steeds sneller tempo opvolgen en strategische autonomie belangrijker is dan ooit.15 De raden missen deze ‘sense of urgency’ en de mogelijkheid om flexibel in te zetten op maatschappelijke evoluties in de VSDO5.

12 Zie ook SERV (2024). Advies Europa is binnenland.

Zie ook OESO (2020). Systemic Thinking for Policy Making, dat ingaat op het belang van systeemdenken in beleidswerk om te kunnen omgaan met systeemrisico's op een geïntegreerde manier.

13 Vlaamse Regering (2025). Vlaamse productiviteits- en competitiviteitsagenda (Vlaamse Versnelling).

14 Zie ook de Better Regulation Toolbox van de Europese Commissie. Europese Commissie (2025). Better regulation toolbox

15 Zie World Economic Forum (2025). Global Risks Report 2026

De raden vragen om de voorbereiding van ‘Wat na 2030’ vanuit Vlaanderen richting het VNniveau mee te nemen in de VSDO5. De voorbereiding voor de invulling van de SDG’s na het aflopen van de 2030 Agenda voor duurzame ontwikkeling lopen al en zullen met de SDG Summit in 2027 in een stroomversnelling komen.16 Ook vanuit Europa valt te verwachten dat de voortgang ten opzichte van duurzaamheidsdoelstellingen zal blijven meegenomen worden (cf. opvolging van de SDG’s in het Europees Semester).

De raden ondersteunen de mogelijkheid om een Voluntary National Review (VNR) in te dienen bij de VN. Een derde Voluntary National Review kan een instrument zijn om de invulling van ‘Wat na 2030’ mee vorm te geven. Zoals opgemerkt in het gezamenlijk advies van milieu- en sociaal-economische adviesraden over de tweede VNR, is het belangrijk om tijdig aan een nieuwe VNR te beginnen, participatie met maatschappelijke stakeholders te voorzien en terug te koppelen over de meegenomen input in de VNR. Interbestuurlijke samenwerking is eveneens een belangrijke succesvoorwaarde, zowel tussen de federale en regionale overheden in de Interministeriële Conferentie Duurzame Ontwikkeling (IMCDO) als met het lokale bestuursniveau en de lokale actoren. Zoals het ontwerp van VSDO5 aangeeft hebben de lokale overheden een groot aandeel in de duurzaamheidsinspanningen.17 Daarnaast is het belangrijk om, in lijn met de instructies voor de opmaak van een VNR, aan te geven voor welke doelstellingen onvoldoende vooruitgang is geboekt en welke extra maatregelen zullen genomen worden om het tekort aan te pakken. Volgens de raden ligt er een belangrijke rol voor Vlaanderen als voorzitter van de IMCDO in 2026 om die voorbereiding tijdig en op een goede manier aan te vatten.

De raden appreciëren het vereenvoudigde monitoringsysteem. Daardoor zal er een meer gestroomlijnde rapportage zijn van de Vlaamse overheid richting de EU en internationale organisaties. Dat zorgt ook voor minder administratieve lasten voor instanties en lokale overheden. De raden vragen wel:

• dat de werkgroep van het ISS (Interfederaal Instituut voor de Statistiek) de 33 nog niet ontwikkelde indicatoren uitwerkt (van de 116 indicatoren in totaal).

• te zorgen voor een uitsplitsing op regionaal niveau van de 70 indicatoren waar dit nog niet gebeurd is (van de 116 indicatoren in totaal) om op die manier voor Vlaanderen meer relevante duurzaamheidsrapporten op te stellen om het beleid bij te sturen

• Jaarlijks over de voortgang te rapporteren, aangezien de VSDO5 niet als horizontaal plan in de BBT’s wordt meegenomen.18

De raden staan op zich positief tegenover een beperkte actielijst in plaats van een oplijsting van het brede duurzaamheidsbeleid binnen de Vlaamse overheid in de VSDO5 zelf. De VSDO5 zou zich best beperken tot een aantal overkoepelende initiatieven die focussen op:

16 IISD (2025). Beyond 2030: Advancing Social Development, UN80 Initiative, 2027 GSDR.

17 SERV, Minaraad et al. (2023). Advies Voluntary National Review 2023

18 Vlaamse Regering (2025). Rapportering over een selectie van horizontale plannen via de BBT in de legislatuur 20252029

• de SDG’s waar Vlaanderen onvoldoende snel evolueert richting de vooropgestelde doelstellingen (op basis van een zgn. gap-to-target analyse).19

• het leren aanpakken van transversale uitdagingen, sectoroverschrijdend werken (whole-ofgovernment en whole-of-society approach) en het tegengaan van verkokering, als belangrijke randvoorwaarden van een succesvol duurzaamheidsbeleid (cf. VNR 2023) 20

• de interbestuurlijke samenwerking met de lokale besturen en federale overheid

• het structureel kunnen meenemen van duurzaamheid in het reguliere beleid als doorvertaling van het regeerakkoord (cf. supra).

• communicatie over de positieve (evolutie van) duurzaamheidsscores, om zo het draagvlak en de motivatie voor verdere verduurzaming te vergroten.

Een structurele samenwerking met de stakeholders bij die overkoepelende initiatieven is noodzakelijk voor maatschappelijk draagvlak en zorgt ervoor dat er rekening wordt gehouden met de uitdagingen op het terrein en de reële socio-economische impact.

Het is positief dat het ontwerp van VSDO5 wil inzetten op interbestuurlijke samenwerking met de federale, regionale en lokale overheden, maar de concrete invulling daarvan blijft onvermeld. Een multi-level aanpak is een belangrijke succesfactor in duurzaamheidsbeleid, o.a. om synergiën te vinden. De concrete invulling daarvan blijft onvermeld, waardoor het onduidelijk is wat de Vlaamse prioriteiten zijn en hoe de Vlaamse Regering de samenwerking met de andere beleidsniveaus ziet

De actiegerichte missies kunnen volgens de raden bijdragen aan sectoroverschrijdend leren werken. De meer vraaggestuurde ondersteuning en begeleiding op maat via de voorziene Werkplaats kan zorgen voor een versnelde implementatie en verankering in het regulier beleid.

De raden stellen zich vragen bij de selectie van de missies, hun link met de SDG’s en hun gedragenheid op het terrein. Een bredere betrokkenheid van en cocreatie met maatschappelijke stakeholders bij de opmaak van de missies had kunnen bijdragen aan scherpere doelstellingen, een sterkere verankering in de praktijk en een groter maatschappelijk draagvlak.

De raden dringen erop aan om bij de verdere uitwerking van de missies de link met de SDG’s expliciet te maken en ze ook echt in te vullen vanuit het missiegerichte denken zoals dit door de Europese Commissie en de OESO wordt ingevuld en door de SERV in het kader van missiegericht innovatiebeleid.21 Dit betekent o.a. de missies concreet (scope, doelstellingen, tijdslijn enz.) maken, het lopende beleid en beleidsdomeinen overstijgen, en zorgen voor een brede maatschappelijke gedragenheid en sterke betrokkenheid van maatschappelijke stakeholders.

19 Naar aanleiding van de tweede VNR heeft DKBUZA een rapport besteld bij KPMG voor de gap-to-target analyse: ’Ondersteuning van de opmaak van een duurzaamheidsrapport (Voluntary National Review) voor Vlaanderen.’

20 FIDO (2023). Voluntary National Review (VNR) 2023

21 Zie SERV (2022). Advies missiegericht innovatiebeleid met optimale quadruple helix betrokkenheid

De raden zien in de verdere uitwerking van de missies en in de Werkplaats een noodzaak om de betrokkenheid van de stakeholders te vergroten en aan de slag te gaan met de meest recente wetenschappelijke inzichten met betrekking tot participatie.

De raden vragen de monitoring van de missies te verduidelijken en de monitoring en rapportage niet te beperken tot de gekozen missies in VSDO5, maar te zorgen voor een globale oefening. Ook hier is betrokkenheid van stakeholders essentieel. De voorziene bijsturing na twee jaar is volgens de raden een opportuniteit om samen met de maatschappelijke stakeholders het aantal missies uit te breiden naar SDG’s waar bijkomende actie nodig is en om het aantal betrokken doelgroepen te verbreden (bv. sociale ondernemingen)

2. Minaraad

De Minaraad wil voornamelijk twee punten in de verf zetten. Ten eerste dient de VSDO5 ingezet te worden als een manier om coherent, efficiënt, systemisch, structureel en toekomstgericht beleid te voeren. Ten tweede zet Vlaanderen onvoldoende structureel in op de doelstellingen waar we slecht op scoren (cf. SDG’s 7, 11, 12, 13, 14, 15, 16 en 17 zoals blijkt het landenrapport van het Europees Semester en het SDSN-rapport), in het bijzonder de milieudoelstellingen.22

De Minaraad stelt voor om het Vlaamse duurzame ontwikkelingsbeleid af te stemmen op de wettelijke verplichtingen van het Vlaams decreet ter bevordering van duurzame ontwikkeling en het te gebruiken voor coherente, toekomstgerichte beleidsvoering. De VSDO5 beantwoordt weinig aan de bouwstenen die daarvoor o.a. door de OESO worden vooropgesteld.

Duurzaamheidsbeleid vereist een institutioneel, een normatief en een discursief kader. In 2019 publiceerde de OESO het rapport Policy Coherence for Sustainable Development 2019: Empowering People and Ensuring Inclusiveness and Equality.23 Daarin worden de bouwstenen uitgelegd die nodig zijn voor een coherent, efficiënt, toekomstgericht beleid. Het gaat daarin om het institutionele kader (de manier waarop de organisatie wordt aangepast om duurzame ontwikkeling toe te passen), het normatieve kader (de manier waarop duurzame ontwikkeling wordt geïmplementeerd in beleid en wetgeving) en het discursieve kader (de manier waarop duurzame ontwikkeling vermeld wordt in beleidsteksten):

• Wat betreft het nodige institutionele kader, gaat het om: (1) politiek leiderschap, (2) langetermijnstrategie en planning, (3) beleidscoördinatie (inclusief synergiën en trade-offs), (4) multi-level aanpak, (5) het betrekken van belanghebbenden, (6) opvolging (monitoring), rapportering en evaluatie.

• Wat betreft het normatieve kader, gaat het om: (1) de integratie in beleidsteksten, inclusief het transformatieve karakter, (2) onderzoek, (3) capaciteitsopbouw (levenslang leren/ onderwijs), (4) instrumenten, (5) het ondersteunen van belanghebbenden.

• Wat betreft het discursieve kader, gaat het om: (1) interne communicatie via beleidsdocumenten, (2) externe communicatie naar de belanghebbenden, (3) externe communicatie via het Voluntary National Report (VNR).

22 Europese Commissie (2025). 2025 Country Report – Belgium. SDSN (2025). Sustainable Development Report 2025

23 OESO (2019). Policy Coherence for Sustainable Development 2019: Empowering People and Ensuring Inclusiveness and Equality

Maak coherent langetermijnbeleid en toekomstdenken een politieke prioriteit. Het onzekere en ongekend snel veranderende geopolitieke landschap vraagt een strategische visie op toekomstige behoeften op een systemische wijze. Het Voorzitterscollege is vanuit haar link naar de politieke beleidsmakers het best geplaatst om dit op te volgen.24

De Minaraad verwelkomt het behoud van Visie 2050 als langetermijnkompas. De Minaraad vraagt daarbij om Visie 2050 actief te communiceren binnen de verschillende overheidsentiteiten en om het daadwerkelijk te gebruiken zoals het is bedoeld, als kompas voor langetermijn-, middellange termijn- en kortetermijnbeleid. Gebruik strategic foresight (toekomstdenken) om op gestructureerde manier een inschatting te maken van de complexe uitdagingen.25

Nood aan systematische opvolging van de SDG’s. Duurzaamheid duikt veelvuldig op in het regeerakkoord en beleidsnota’s. In die zin wordt duurzaamheid geïntegreerd (beleidsintegratie) binnen beleid. Er is echter ook nood aan alineëring tussen woord en daad. Dit betekent concreet dat de doelstellingen opgevolgd moeten worden en er bijkomende acties moeten geformuleerd worden waar we de doelstellingen niet halen (gap-to-target). De SDG’s moeten gekend zijn binnen de administratie en ze moeten een afgewogen en gedragen doorwerking kennen in beleidsbeslissingen en budgetteringen. Er is momenteel geen systematische opvolging van de SDG’s of van toepasselijkheid van de SDG’s binnen de verschillende beleidsvelden.

Zet extra in op de SDG’s waarvoor we zwak scoren. Het SDG-rapport van het Federaal Planbureau concludeert dat er dringend een trendbreuk nodig is om alle SDG’s tegen 2030 te realiseren en dat het hele beleid de SDG’s als leidraad moet gebruiken om de enorme milieu-, sociale en economische uitdagingen aan te pakken.26 België in het algemeen en Vlaanderen in het bijzonder scoren het zwakst op de milieu-SDG’s. Volgens de rapporten van Eurostat, het Europees Semester en het SDSN, is er extra inspanning nodig voor SDG 7 – Betaalbare en duurzame energie, SDG 11 – Duurzame steden en gemeenschappen, SDG 12 – Verantwoorde consumptie en productie, SDG 13 – Klimaatactie, SDG 14 – Leven in water, SDG 15 – Leven op het land, SDG 16 – Vrede, justitie en sterke publieke diensten en SDG 17 – Partnerschap om doelstellingen te bereiken.27 Daarnaast is er een daling merkbaar voor SDG 6 – Schoon water en sanitair.

De VSDO5 dient gebruikt te worden als strategisch document om richting te geven aan het overkoepelende beleid. De Minaraad benadrukt de vraag uit het gemeenschappelijk advies om de missies uit te breiden naar SDG’s waar bijkomende actie nodig is en voegt daaraan toe de vraag om prioriteit te geven aan de SDG’s waar Vlaanderen het verst verwijderd is van de doelstelling.

24 Zie p. 104 van het rapport van DKBUZA besteld bij KPMG voor de gap-to-target analyse: ’Ondersteuning van de opmaak van een duurzaamheidsrapport (Voluntary National Review) voor Vlaanderen.’

25 Zowel de OESO als de Europese Unie werken hiermee.

26 FPB (2024). De SDG’s tegen 2030 realiseren: de tijd dringt - Federaal rapport inzake duurzame ontwikkeling 2024.

27 Eurostat (2025). Sustainable Development in the European Union – Monitoring Report on Progress Towards the SDGs in an EU Context – 2025 Edition.

Europese Commissie (2025). 2025 Country Report – Belgium

SDSN (2025). Sustainable Development Report 2025

Daarbij dient gekeken worden naar mogelijke synergiën en trade-offs en moet men rekening houden met planetaire grenzen en het sociale fundament.

Breng de SDG’s systematisch in rekening bij de beleidsvorming. De Minaraad vraagt om vanuit systeemdenken, systematisch de SDG’s in overweging te nemen bij het voeren van beleid en om prioritair in te zetten op de SDG’s waar Vlaanderen het verst verwijderd is van de doelstelling (gap-to-target). Een goed voorbeeld is de aanpak van de Europese Commissie, die de SDG’s systematisch in overweging neemt bij het formuleren van nieuwe wetgevende- en beleidsvoorstellen.28 Voor een coherent en gecoördineerd beleid (beleidscoördinatie) is het belangrijk om exante na te gaan of wetgevende- en beleidsinitiatieven een positief (synergie) of een negatief effect kunnen hebben op een ander beleidsveld en om een bewuste afweging te maken (trade-offs). Een goede aanpak is de dubbele materialiteitsanalyse:29 de Minaraad stelt voor om systematisch af te wegen welke potentiële impact nieuwe voorstellen hebben op de SDG’s en omgekeerd (dubbele materialiteit) en om af te stemmen tussen de beleidsvelden.

Houd rekening met ‘spill-over-effecten’. Daarnaast is het belangrijk dat de Vlaamse Regering een beleid ontwerpt om rekening te houden met internationale spill over effecten. Behoedzaam omgaan met spill-over-effecten sluit aan bij het Europese streven naar open strategische autonomie, waarin de EU inzet op het verminderen van kwetsbaarheden en het versterken van veerkrachtige toeleveringsketens. De recente Spillover Index toont evenwel aan dat België ongunstig scoort, hetgeen wijst op een aanzienlijke ecologische en sociale voetafdruk op landen buiten de EU, en afhankelijkheid hiervan, via consumptie en waardeketens.30

Geef de nodige aandacht aan technologieoverdracht. In overeenstemming met de verbintenis die Vlaanderen heeft aangegaan in de 2030 Agenda, verdient technologie transfer bijzondere aandacht. De politieke verklaring van de SDG top van 2023 benadrukt de urgentie van het dichten van de kloof op het vlak van wetenschap, technologie en innovatie, en het versnellen van de overdracht van milieuvriendelijke technologieën naar ontwikkelingslanden onder gunstige voorwaarden. Het in de Agenda ingestelde Technology Facilitation Mechanism vormt hierbij een instrument voor het versterken van partnerschappen en het bevorderen van de toegang tot duurzame, betaalbare en open technologieën.

Nood aan afstemming en samenwerking tussen overheden. Ook de coördinatie met andere overheden is belangrijk om op gecoördineerde wijze de SDG’s te behalen (multi-level aanpak). De Minaraad stelt vast dat de nationale strategie duurzame ontwikkeling geen opvolging heeft gekend na 2020. Het Vlaams voorzitterschap van de IMCDO is een opportuniteit om het behalen van de SDG’s beter af te stemmen met de federale overheid, de andere regionale overheden en lokale overheden.

28 Zie hoofdstuk 19 van de Better Regulation Toolbox van de Europese Commissie. Europese Commissie (2025). Better regulation toolbox.

29 De dubbele materialiteitsanalyse is onderdeel van de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD).

30 Zie de berekening van de Spillover Index SDSN (2025). Spillover Score

Stel samenwerking met stakeholders centraal. Volgens de evaluatie van VSDO4 kwam de samenwerking met diverse stakeholders, zoals de private sector, kennisinstellingen en het middenveld, centraal te staan in de transitieprioriteiten. De Minaraad vraagt om bij de uitvoering van de VSDO5 verder in te zetten op het systematisch betrekken van belanghebbenden van bij het begin. De Minaraad vraagt verder om de 2030 Agenda principes van LNOB en reaching the furthest behind first te hanteren bij het maken van beleid

Zet in op (de doorwerking van) onderzoek en monitoring. De Minaraad stelt vast dat er op regelmatige basis gemonitord wordt op verschillende manieren: opvolging van de indicatoren door het Federaal Planbureau, het OESO-rapport over de Vlaamse implementatie van de SDG’s, het gap-to-target-rapport in het kader van de tweede VNR, de rapporten van het Rekenhof enz. De doorwerking van deze monitoring, evaluatie en rapportering blijft echter uit. De Minaraad vraagt om de conclusies van deze rapporten ter harte te nemen bij het uitvoeren van de VSDO5.

De wetenschappelijke onderbouwing van het Vlaamse beleid duurzame ontwikkeling is onderdeel van het Vlaams decreet ter bevordering van duurzame ontwikkeling. De VSDO5 verwijst echter niet naar onderzoek in kader van het duurzame-ontwikkelingsbeleid. De Minaraad benadrukt het belang van structureel onderzoek naar de efficiënte aanpak van complexe maatschappelijke uitdagingen met het oog op toekomstige generaties.

Zet in op de ondersteunende factoren onderwijs, financiering en communicatie. SDG 4 (Onderwijs) is niet enkel een doelstelling op zich, maar ook een instrument dat de ander SDG’s ondersteunt. Bij ‘onderwijs’ gaat het over educatie voor duurzame ontwikkeling (EDO), milieuzorg op school (MOS), levenslang leren31 en capaciteitsopbouw bij alle betrokkenen, inclusief externe partners, via kennisoverdracht. De Minaraad vraagt blijvend aandacht voor capaciteitsopbouw en kennisoverdracht om alle betrokkenen klaar te maken voor een sterk veranderende toekomst.

Het budget dat nodig is voor de financiering van de missies wordt, binnen de toegekende kredieten, geïmputeerd op de werkingsmiddelen van de betrokken beleidsdomeinen. De Minaraad vraagt om verder de budgetten te ‘oormerken’ in de BBT, zodat meer duidelijkheid ontstaat over welke middelen worden voorzien voor welke SDG en om middelen te voorzien voor systemische veranderingen.

De VSDO5 wil gebruik maken van de bestaande communicatiekanalen gericht op impact en visibiliteit. Sinds de goedkeuring van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen, heeft de Vlaamse overheid de communicatie hoofdzakelijk overgelaten aan lokale overheden. De Minaraad erkent dat lokale overheden het nauwst betrokken zijn bij de burger en daardoor bij uitstek een rol kunnen spelen bij de communicatie naar belanghebbenden. De Minaraad vraagt om lokale overheden blijvend en structureel te ondersteunen om deze rol op te nemen

31 JRC (2022). GreenComp – The European Sustainability Competence Framework

3. SALV

Het duurzaamheidsbeleid met betrekking tot landbouw kan vormgegeven worden door het SALV-toetsingskader voor duurzame verandering in de landbouw te hanteren. De SALV verwacht dat dit toetsingskader doorwerking kent in de voor landbouw relevante missies van VSDO5. Dit toetsingskader bevat vier onderdelen voor duurzame verandering in de landbouw en kan dienen als kompas om beleidsmaatregelen tegen af te wegen, namelijk: het socio-economisch fundament, de voedselsysteembenadering, het ecologisch fundament en het beleidsfundament. Het oogpunt daarbij is een duurzame verandering in de landbouwsector bewerkstelligen die als systeem volhoudbaar is en het welbevinden in de sector verbetert.

De SALV is in de voorbije jaren aan de slag gegaan om deze duurzame ontwikkelingsaanpak voor te stellen aan het beleid. De stappen hiernaar waren:

• In 2017 formuleerde de adviesraad 5 grote uitdagingen voor een duurzame toekomst voor de Vlaamse land- en tuinbouw, op vraag van de Commissie Landbouw, Visserij en Plattelandsbeleid van het Vlaams Parlement: 1/ hoe kunnen we zo veel mogelijk land- en tuinbouwers behouden en laten instappen? (landbouw en economie), 2/ hoe kunnen landbouwbedrijven optimaal functioneren binnen de Vlaamse multifunctionele open ruimte? (landbouw en ruimte), 3/ hoe kunnen we de milieu-, klimaat- en natuurimpact van de landbouw binnen de milieugebruiksruimte houden? (landbouw en milieu/klimaat), 4/ hoe realiseren we een maatschappelijk gedragen landbouw in Vlaanderen? (landbouw en maatschappelijk draagvlak), 5/ hoe omgaan met en klaar zijn voor veranderingen? (landbouw en veranderingen) 32

32 SALV (2017). Verkennende nota: Uitdagingen voor een duurzame toekomst voor de landbouw in Vlaanderen

• In 2018 werkte Andrew Enow in kader van een VDAB-BIO-stage op basis van FAO-rapporten een kader uit rond klimaatslimme landbouw met aandacht voor de verhouding tussen klimaatmitigatie, -adaptatie en het landbouwinkomen.33

• De adviesraad gaf eind 2022 vorm aan een visienota 34 Met de visienota biedt de SALV een algemene leidraad met gedragen perspectieven, handvaten en invalshoeken aan de beleidsmakers die de komende jaren willen bouwen aan een integraal duurzamere toekomst voor de landbouw in Vlaanderen. De per uitdaging aangeduide kansen zijn strategisch richtinggevend voor het toekomstig landbouw- en voedselbeleid. Als opstap naar de concretisering van deze visienota organiseerde de SALV diverse toekomstdialogen, telkens rond een aspect uit de Visienota.35

Om een duurzaam visserijbeleid uit te werken, gaf de SALV prioriteiten op korte/middellange termijn aan met het oog op doorwerking hiervan op lange termijn. De uitrol van precisievisserij met het oog op de verdere verduurzaming van visserijbeheer en visserijactiviteit en een visserij-inclusieve ruimtelijke planning op zee vormen hierbij voorname elementen. De prioriteitennota van de SALV kan dan ook als kompas gebruikt worden om het visserijbeleid verder vorm te geven.36

De SALV vraagt om – vanuit zijn toetsingskader voor duurzame verandering in de landbouw en de geformuleerde visserijprioriteiten – oog te hebben voor een bredere regionale benadering in de uitwerking van de missie ‘Local4Food’. De adviesraad vraagt hierbij voldoende aansluiting bij de Vlaamse voedselstrategie in het algemeen en voedseldeal ‘lokaal voedselbeleid: voedselstrategieën op lokaal, regionaal en provinciaal niveau’ in het bijzonder.37 In samenwerking met stakeholders wil deze deal immers streven naar een betere beleidscoherentie tussen lokale, provinciale en regionale niveaus én tussen verschillende beleidssectoren richting een duurzaam voedselsysteem. Voldoende oog voor de bredere Europese consumentenmarkt als kernregio waarop de gehele Vlaamse agrovoedingssector is afgestemd, is daarbij aangewezen in het licht van externe uitdagingen die op het voedselsysteem inwerken (denk onder meer aan klimaatverandering, geopolitieke instabiliteit …) en SDG 2-doelstelling ‘zero hunger’.

33 SALV (2018). Achtergrondnota: Klimaat Slimme Landbouw in Vlaanderen

34 SALV (2022). Visienota: Een duurzame toekomst voor landbouw in Vlaanderen: van uitdagingen naar kansen.

35 SALV (2026). SALV-Toekomstwerking.

36 SALV (2024). Advies Prioriteitennota Visserij 2024-2029

37 Agentschap Landbouw & Zeevisserij (2026). Voedseldeals

4. SARC

4.1 Algemeen

De SARC ondersteunt de ambitie van de Vlaamse Regering om via VSDO5 in te zetten op een toekomstbestendig Vlaanderen en ziet de sectoren Cultuur, Jeugd, Sport en Media als onmisbare partner om dit te verwezenlijken. Ook omdat de noodzaak om op duurzame ontwikkeling in te zetten duidelijk gevoeld wordt in zijn sectoren.

In het vorige advies van de SARC38 over de vierde Vlaamse Strategie Duurzame Ontwikkeling (VSDO4) stelde de raad vast dat er weinig of geen concrete doelstellingen waren opgenomen in de nota voor de onderscheiden sectoren Cultuur, Jeugd, Sport of Media. De SARC wees ook op de intrinsieke waarde en de niet onaanzienlijke bijdrage van deze sectoren aan een duurzame samenleving. De raad zag die nota toen bijgevolg als een gemiste kans.

Ondanks deze commentaar is er ook in VDSO5 geen enkele aandacht voor en beperkte betrokkenheid van deze sectoren. De SARC kan dus enkel betreuren dat er geen rekening werd gehouden met de aanbevelingen uit zijn vorige advies. Hoewel het positief is dat het ontwerp van VSDO5 benadrukt dat de actiegerichte missies verschillende entiteiten betreffen en transversaal en beleidsthema-overschrijdend zijn, ziet de SARC deze elementen momenteel nog niet genoeg tot uiting komen en ziet de SARC het betrekken van de administraties en het middenveld uit de beleidsdomeinen Cultuur, Jeugd, Sport en Media als minimale vereiste.

Naast de algemene opmerking dat de missies concreter kunnen worden gemaakt, ziet de SARC in het ontwerp van VSDO5 ook nog te weinig argumentatie voor de keuze van de negen missies. Allicht is daardoor de overkoepelende strategie rond deze missies voor de SARC momenteel niet voldoende duidelijk.

De SARC ziet aanzienlijke kansen om bestaande initiatieven en beleid rond duurzame ontwikkeling binnen zijn sectoren beter te erkennen en te versterken door ze expliciet te koppelen aan de huidige en (eventuele) toekomstige missies van VSDO5. Het ontwerp van VSDO5 geeft aan dat er twee jaar na de start een evaluatiemoment van bestaande en (eventuele) nieuwe missies plaatsvindt. De SARC adviseert om ten minste bij deze evaluatie de sectoren Cultuur, Jeugd, Sport en Media te betrekken.

38 SARC (2021) Advies over de Vlaamse Strategie Duurzame Ontwikkeling (VSDO4)

4.2 Aanvullende suggesties vanuit de sectorraden

In het kader van de post-2030 agenda werkt UNESCO, met brede ministeriële en intergouvernementele steun, aan de verankering van cultuur als volwaardig en afzonderlijk doel in een volgende generatie SDG’s. 39 De SARC heeft de Vlaamse UNESCO Commissie (VUC) hierover geconsulteerd. De VUC adviseert in VSDO5 cultuur te positioneren als hefboom voor meerdere bestaande SDG’s. Cultuur draagt namelijk rechtstreeks bij aan prioritaire maatschappelijke uitdagingen die in VSDO5 worden benoemd, zoals sociale cohesie, welzijn, democratische weerbaarheid, inclusieve participatie en veerkrachtige gemeenschappen. De SARC beveelt aan om in het verdere werk rond VSDO5 deze suggestie mee te nemen.

Net als de Minaraad is de SARC verwonderd dat VSDO5 nergens refereert aan SDG4 (Kwaliteitsonderwijs). Nochtans legt ook de OESO, zoals boven aangehaald, hier eveneens de nadruk op. De SARC denkt dan vooral aan de indicator ‘Onvoldoende leesvaardigheid’ (i28), temeer daar de Vlaamse Regering leesbevordering als een belangrijke doelstelling heeft vooropgesteld en er ook met name de cultuursector bij heeft betrokken, meer bepaald in de beheersovereenkomst van Literatuur Vlaanderen.40 De SARC meent dat deze betrokkenheid van het culturele veld bij het wegwerken van de ‘onvoldoende leesvaardigheid’ in het kader van de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen als een good practice kan worden beschouwd en als dusdanig een plaats verdient in VSDO5.

Ook andere sectoren die op het snijpunt van verschillende domeinen werken, zoals het sociaalcultureel werk, verdienen een structurele plaats. Sociaal-culturele organisaties zijn werkzaam op het snijpunt tussen sectoren, zeker ook rond duurzaamheidsthema’s: gezondheid, welzijn, milieu, mobiliteit, diversiteit en inclusie. Ze beschikken daardoor over een grote potentie binnen het sectoroverschrijdend werken. Een grote kracht van het sociaal-cultureel werk ligt in het vermogen om mensen te betrekken, ruimte te creëren voor dialoog en hen actief te laten bijdragen aan maatschappelijke verandering via verbeelding en experiment. Het is belangrijk om bestaande initiatieven en organisaties die hierop inzetten te blijven ondersteunen, en de SARC betreurt dan ook dat de werking van zo’n initiatief als Pulse Transitienetwerk vzw wordt stopgezet41 Sporten en bewegen kan eveneens in al zijn verschillende vormen en in samenwerking met verschillende andere beleidsdomeinen (zoals o.a. Welzijn en Volksgezondheid; Cultuur, Jeugd en Media; Onderwijs en Vorming; Mobiliteit en Openbare Werken; en Omgeving) een substantiële bijdrage leveren aan verschillende SDG’s 42 En hoewel aanvullend onderzoek hierover nodig is, is het ook duidelijk dat het inzetten op deze doelstellingen essentieel is om in de toekomst te kunnen blijven sporten en bewegen, door bijvoorbeeld de problematiek rond extreme

39 Zie UNESCO (2025). MONDIACULT 2025: Towards culture as a stand-alone goal.

40 Vlaamse Regering (2025). Beheersovereenkomst Literatuur Vlaanderen 2026-2030.

41 Gennez, C. (2025). Beleids- en begrotingstoelichting Cultuur Begroting 2026

42 Zie bv. bijdragen aan 3. Goede gezondheid en welzijn; 8. Waardig werk en economische groei; 13. Klimaatactie; 15. Leven op het land; 17. Partnerschappen om doelstellingen te bereiken, via voorbeelden zoals de Green Deal Sportdomeinen of Kompas Duurzaamheid Sport

weersomstandigheden en (indoor) luchtkwaliteit.43 Het betrekken van het beleidsdomein Sport bij de totstandkoming van dit transversale strategische plan is dan ook zowel een belangrijke kans als een noodzaak.

De SARC identificeert diverse aanknopingspunten met SDG’s en doelstellingen uit het regeerakkoord,44 die in overweging genomen kunnen worden bij een eventuele uitbreiding van de missies tijdens het evaluatiemoment na twee jaar. Kijkend naar de bestaande negen missies in het ontwerp VSDO5 ziet de SARC alvast het beleidsdomein Sport als belangrijke partner bij het uitwerken van missie ‘Open Ruimte Platform (VLM)’. Het beweegvriendelijker maken van de publieke ruimte is al een doelstelling binnen de Beleidsnota Sport en is een belangrijke pijler voor het versterken van het algemeen welzijn in de publieke ruimte via een bijdrage aan de fysieke, mentale en sociale gezondheid en een gezond leefmilieu 45 Daarnaast kan deze ruimte die wordt gebruikt om te sporten en bewegen (bv. sportdomeinen in hun verschillende vormen) ook zelf een waardevolle bijdrage leveren door bv. onderdeel te zijn van een beleid rond duurzaam waterbeheer (bufferen, ontharden …) en biodiversiteit (sportdomeinen als stapstenen in groen-blauwe-netwerken) 46

43 Schneider, S., & Mücke, H.-G. (2024). Sport and climate change – How will climate change affect sport? German Journal of Exercise and Sport Research, 54, pp. 12-20.

44 Bv. doelstellingen uit het Vlaams Regeerakkoord over een groene omgeving (p. 69), mentaal welzijn (p. 123), preventieve gezondheidszorg (p. 195) en gelijke kansen (p. 167). Vlaamse Regering (2024). Vlaams Regeerakkoord 2024-2029.

45 Rauws, R., & Noordzij, J. M., Mulier Instituut, RIVM, Kenniscentrum Sport & Bewegen, Fontys Hogeschool, Vital Cities, HOWEST (2023). Argumenten voor een beweegvriendelijke omgeving

46 Sport Vlaanderen et al. (2024). Green Deal Sportdomeinen – Eindrapport 2021-2024

5. VARIO

Veel van de VARIO-adviezen bevatten elementen die van belang zijn voor de VSDO5. We sommen hieronder enkele van de meest relevante aanbevelingen daaruit op, met nadruk op aspecten die nog niet in het gemeenschappelijke deel aan bod zijn gekomen of die VARIO extra in de verf wil zetten.

• In de VSDO5 herkent VARIO zijn pleidooi om de maatschappelijke uitdagingen, of de SDG’s, ook als opportuniteiten te zien voor ondernemers, de centrale boodschap van het VARIOadvies 20 met die titel.47

• VARIO wil benadrukken dat economische doelstellingen ook een deel zijn van de SDG’s. In lijn met de huidige tijdsgeest, wil VARIO in de VSDO5 graag lezen dat inzetten op andere aspecten van duurzaamheid niet ten koste mag gaan van onze economische competitiviteit. Duurzaam moet ook financieel duurzaam betekenen.

• VARIO staat achter (het formaliseren van) een geïntegreerd ondersteuningskader voor duurzaam ondernemen voor Vlaamse kmo’s, een initiatief gedragen door ambtenaren over beleidsdomeinen heen.48 Ook de digitalisering van het Vlaamse bedrijfsleven is volgens VARIO onmiskenbaar belangrijk. In beide gevallen beantwoorden de huidige totstandkoming en omschrijving, net zoals voor de andere voorgestelde missies, echter niet aan de kenmerken van een missie zoals die ook in de ontwerptekst voor de VSDO5 zelf zijn omschreven. VARIO stelt zich dan ook de vraag of de geselecteerde initiatieven de beste keuzes van missies voor Vlaanderen zijn.

• In zijn jongste advies over ‘strategische domeinen’, 49 een advies op vraag van minister-president Diependaele dat past binnen de Vlaamse Versnelling, stipte VARIO transitienoden aan als deel van het kader om domeinen te kiezen. De prioritaire transities/maatschappelijke uitdagingen voor Vlaanderen moeten dan wel aangeduid en afgelijnd zijn. Met het verlaten van de transitieaanpak uit Visie 2050 en de missies die ervoor in de plaats komen, is dat in het ontwerp van de VSDO5 onvoldoende het geval. Een gelijkaardige opmerking is te maken voor al bestaande initiatieven, zoals de speerpuntclusters, die verondersteld worden bij te dragen aan maatschappelijke uitdagingen, initieel de transitiedomeinen uit Visie 2050. Wat zijn de maatschappelijke prioriteiten waar zij zich voortaan naar zullen moeten richten? Zijn dat toch nog steeds de transitieprioriteiten uit Visie 2050, aangezien Visie 2050 het algemene kader blijft? In de Vlaamse Versnelling wordt echter verwezen naar een drievoudige transitie: de digitale, de energetische en de geopolitieke. Als dat de nieuwe transitieprioriteiten zijn voor de huidige Vlaamse Regering, dan moet dat ook zo in de VSDO5 worden aangegeven.

47 VARIO (2021). De SDG’s – opportuniteiten voor Vlaamse ondernemingen.

48 Zie bijvoorbeeld VARIO (2025). Naar een gelijk speelveld voor alle ondernemingsvormen i.f.v. meer maatschappelijke impact

49 VARIO (2026). Strategische keuzes voor Vlaanderen.

• VARIO-advies 3550 is helemaal gewijd aan het bestuurskader nodig voor systeemverandering of -transities via innovatiebeleid. Centraal daarin is dat voor het slagen van transities een combinatie nodig is van bottom up ontstane ideeën en top down leiderschap, respectievelijk de experimenteerruimte en de beleidscyclus uit het governance model in het advies, omdat enkel zo innovatie de noodzakelijke opschaling kan krijgen.

• VARIO stelt vast dat het internationale perspectief in de VSDO5 grotendeels ontbreekt. In zijn advies 21 bij de ontwerp VSDO451 formuleerde VARIO al een gelijkaardige bedenking. Wat is de impact van Vlaanderen op de SDG’s elders in de wereld? Hoe kunnen innovaties uit Vlaanderen bijvoorbeeld lage- en middeninkomenslanden helpen om hun doelstellingen te halen? Dat is een aspect dat ook in een gepland advies van VARIO over samenwerking met Afrika aan bod zal komen.

• Bottom up verwijst naar het betrekken van burgers, maatschappelijke stakeholders, vaak in de vorm van het maatschappelijk middenveld. VARIO is voorstander om deze term ruim in te vullen, zoals in zijn advies 17 en bijbehorend achtergrondrapport.52 De term verwijst er ook naar nieuwere burgerinitiatieven die zich op andere en meer autonome manieren organiseren dan het klassieke middenveld, die soms tijdelijk zijn en die vaak meer afstand bewaren tot overheden.

50 VARIO (2024). Transformatiegericht Innovatiebeleid: een bestuurskader voor de Vlaamse Overheid.

51 VARIO (2021). Ontwerp vierde Vlaamse Strategie Duurzame Ontwikkeling

52 VARIO (2020). Burgers betrekken bij het wetenschaps- en innovatiebeleid

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Advies 46: Vlaamse Strategie Duurzame Ontwikkeling (VSDO5), gemeenschappelijk advies met o.m. SERV by VARIO - Issuu