Gedichten
2
Naam ___________________________________________ Klas ____________
WEDDEN DAT IK DURF ik durf te dwalen in een spookkasteel te praten met een griezelman te waden door een stormenzee te zwaaien naar een monsterdraak te slapen zonder nachtlampje alleen als papa mij een handje geeft uit Waarom mijn handen geen schoenen willen, Riet Wille, Lannoo
2
Doosje Ik bewaar in mij een houten doosje. Daar zit van alles in. Wuivende handjes om hello te zwaaien iedere keer als ik je zie. Voetstappen die van mijn huis naar het jouwe gaan. Rinkelende woordjes om te vertellen hoe blij ik met je ben. uit Een puntje krokus, 1994, Gil vander Heyden, Zwijsen
4
Mijn oe je bent mijn oe mijn zoete oe ik dek je toe en groet je en repeteer je naam oe oe mijn lieve oe uit Spiegel van de Surinaamse poĂŤzie, Corly Verlooghen, Meulenhoff
10
Mijn mama legt een hand op mijn voorhoofd mijn wang mijn rug en beweert net als een rood streepje op de thermometer: jij hebt koorts!
uit Waarom mijn handen geen schoenen willen, Riet Wille, Lannoo 13
Als opa waar kijk je naar waar denk je aan wat zit er in je hoofd opa’s hoed zit in mijn hoofd die groene met die veer als opa later dood is dan hoeft hij hem niet meer ik krijg die hoed daar denk ik aan als opa later dood is word ik een meneer
uit Jij bent de liefste, 2011, Hans en Monique Hagen, Querido 14
Toen oma
niet meer naar buiten kon, liet ze alle deuren open. Buiten kwam binnen. De postbode,
het kindje van de buren,
iemands zoon, iemands dochter. Iemand. Iets.
En het lied, de muziek die wij niet hoorden, maar zij neuriede.
Want er altijd was.
uit Liefde zat je als gegoten, Gil vander Heyden, Clavis 15