Leesffeest Lees est Leesfeest
6+
Groeit mee met het leesniveau van KLAS 1 Lees-, doe- en zoekpret voor de beginnende lezer Heidi Walleghem Daniëlle Roothooft
3
blauw betekent: extra moeilijk, voor de snelle lezer.
samen lezen
van mol en beer f e i r b n ee joepie! ik neem een tas mee naar de klas. in de tas is een beest waar ik dol op ben. ra-ra, welk beest is het? het is klein . het is bruin , met een bek in het geel
.
weet je het al? zeg het maar! weet je het niet? kijk dan hier. kus! beer maak een zin.
2
de beer
rolt
met de bek.
de kat
eet
op de mat.
de kip
kust
de man.
mam
pikt
een peer.
m
u
s
mus
te
je me
n a m e d n e mus
mus is op een tak. het is een tak met een bes.
mus: mmm! ik lust een bes. een man neemt de tak beet. de man tikt op de tak. de bes rolt op het mos. man: ik eet de bes op. mus: nee, man. ik eet de bes op. mus pikt in de bes. man: at mus de bes op? ik neem mus mee in een net. ik bak mus in de pan. wat past?
1 2 3 4
en nu?
mus is in het net. de man neemt een pan. mus pikt in het net. mus is los.
3
kleurplaat
-
4
ma beer met een rok lam met een pop mee een bok met een bal kip met een pet op pa beer met een jas mol met een bel om de nek mus met een tak in de bek
ha-ha en
ra-ra
ho-ho-ho nel: jan: nel:
mijn kat is weg! zet het in de krant dat is dom, jan. mijn kat leest niet.
.
ha-ha-h
a
an doet haar pen in de vis-kom. o nee! waar-om doe je dat? zegt ma. ik wil een inkt-vis , zegt an.
a r a r wie is rap in huis
: een haas of een slak
?
een slak. die heeft haar huis op haar rug. waar-om is een vis slim? een vis zwemt 5
in een school
.
de put in het bos tok de kip is in het bos. in het bos is het top! tok pikt in een tak. tok pikt in het mos. o … op het mos is een mmm! tok de kip lust een de rent. de rent het bos in. - ik pak je, ! ik eet je op!
in het bos is een put. de rent in de put. en tok? tok de kip rent de put in. - pas op, , ik kom! ik kom in de put. de is rap. de rent het bos in.
6
. .
tok de kip loopt in het bos. in het bos is het heel leuk. tok pikt in een tak. tok pikt in het mos. o … ze ziet een spin op het mos. mmm! tok de kip lust een spin. de spin ziet tok en rent weg. ze rent het bos in. - ik haal je in, spin. ik pak je en ik eet je op.
in het bos is een put. de spin rent de put in. en wat doet tok de kip? tok rent ook de put in. - pas maar op, spin! ik ben ook al in de put. maar de spin is rap. ze rent het bos in.
- ik kom het bos in, - nee, tok. de put is smal. te smal.
o nee. in de put is het nat. nat en kil. beer is in het bos. beer rolt op het mos. - beer! kom, beer! til me op! lukt het, beer? - nee, tok. ik pak een tak. neem de tak, tok. 1 … 2 … 3. ik til je op.
!
- ik ren ook het bos in, spin! - nee, tok. de put is te smal. je kan niet weg.
o nee. in de put is het nat en kil. beer is in het bos. beer rolt op het mos. - help, beer! til me op. lukt het, beer? - het lukt niet, tok. ik haal een tak in het bos. neem de tak, tok. 1 … 2 … 3. ik til je op.
7
wat past?
1
4
mmm!
2
3
5
6
eet een peer, vos. in het bos is een beek.
1 vos is in het bos. vos lust een vis. sus de vis is in de beek. let op, vos pakt je!
8
v
i
s
vis
wat past?
v
1 2 3 4 5 6
een vos in de val. het vat is vol. een vis met een vin. de veer valt op de mat. ik vul het vat. de vos op het vat.
rijm maar!
1 2 3 4 5 6
veer vol vat vin vel vak 9
eek! een vos! een vos in het bos!
ha-ha. je rilt, mus. het is een mop, mus. een mop van rat.
de
koe-koek. ik eet je op, mus.
rat is op het mos met de kop van een vos. mus rilt van de vos. mus laat het spek los.
en nu, rat? nu is er een vos.
pas op, rat! er is een vos in het bos.
nee, beer. ik ben de vos.
mus is boos op rat. met mol en beer zet mus een val op voor rat. 10
het spek valt op het mos. wat een lol voor rat. het spek is nu van rat.
rrrr… ik lust wel een rat!
nu rilt rat van de vos. rat rent het bos in. en het spek is voor mus!
vos rat rilt van de vos. rat rent het bos in. mus neemt het er is veel te veel. - neem en rat? neemt rat nee!
. . , mol en beer.
?
- eet in het bos, rat. en pas op voor de vos!
rat rilt van de vos. rat rent het bos in. mus neemt het spek. mus is fier op mol en beer. - neem ook wat van het spek, zegt mus. het is te veel voor een mus. en rat? is er spek voor rat? nee! geen spek voor de bek van rat. - eet maar in het bos, rat. en pas op voor de vos!
ha-ha!
11
knor kijk je mee in het hok van pam en puk?
o, kijk!
de buik van pam is dik. word je ma-ma, pam? ja. en puk pa-pa.
12
melk van ma-ma pam. mmm! help je me, beer?
puk telt: één big, nog een big … puk telt er wel tien.
ja, ik help je, pam. kom, big roos.
wat past?
kom, poes sam!
mam met een poes. de man roept mam. de poes likt de man. een poes met een bol wol. een man roept de poes.
wat past?
u
oe
i
k.
m.g
sp . n
v.s
m.s
v.s
p
oe
s
poes
13
ros de poes 2
1
ros de poes is in het bos. op het mos is een bal. is de bal van ros? nee, de bal is van poes jet.
ik roep jet. je bal is in het bos, jet! kom en rol de bal.
3
komt jet? nee. 4
nu roep ik tom. kom, tom. rol de bal. ik pak de bal.
5
is tom nu in het bos? nee. poes ros is sip.
rijm maar!
14
1
2
3
poes ros is in het …
poes tom is in de …
poes jet is in …
kleurplaat i e w e d in
ik ben hoog. ik loer naar de rat.
de valk
de mug
ik zoem als een bij.
zzzz… ik zoem op een bloem. de mus de bij ik rust op de rug van de koe.
top! op een paal in de zon.
de vlieg de rat
de koe ik maal het gras.
ik moet rap weg. o … veel volk!
de pier
o jee! een mol! de mol 15
op en neer - boe! boe! het is loes de koe. - kan ik op de wip
- ja. kom, loes! je kan op de wip lukt het, loes? - ja, rat. ik ben er al. mus is op. ik ben neer. ik moet op. mus moet neer. kan het, rat? - nee, loes. je bent te .
16
- boe! boe! zegt koe loes. kan ik op de wip, rat? ?
.
- ja. kom maar, loes! je kan op de wip. lukt dat voor je? - ja, rat. ik ben al op de wip. mus gaat om-hoog. ik ga om-laag. maar ik wil om-hoog. waar-om lukt dat niet? - je bent te zwaar, loes.
- kom mee, kip en poes. kom vos, lam en ram. kom op de wip . let nu op, loes. de wip tilt je op.
- kom mee, kip en poes. neem vos, lam en ram mee. klim op de wip. voel je het, loes? nu ga je om-hoog.
-
-
kan ik nu neer, rat? nee, loes. boe! het moet! roept loes. ik los het op, loes, roept mus. ik kom naar je toe. ik neem kip, vos, lam, ram en poes mee. - ja, het lukt! roept loes. ik ben er!
kan ik nu om-laag, rat? nee, loes. boe, ik wil om-laag! roept loes. ik los het op, loes, roept mus. ik kom naar je toe. ik neem kip, vos, lam, ram en poes mee. - ja, het lukt! roept loes. ik ga om-laag!
17
wat past?
1 2 3 4 5
het hek de heer de haas de haak het hok
6 7 8 9 10
het raam de haan de paal de raap de maan
zoek 2 maal de naam van een beest met h.
boshaasbeklamtopboekhaanpas
18
h
aa
n
haan
er
een sms kip
haas
ku! ku! ben je al op, kip? haan
je rent veel te rap, haas. mus
an
bes
beer
ik haal een koek, beer. mol
je leest al! mam
ik kom naar je toe, koe bes. kom je naar het hek? boer sep
19
ken je de huis-mus? pet
ik ben tip. ik ben een huis ik heb een bruin mijn bek is geel
– mus. kleed. .
ik heet pat. ik ben de man van tip. ik heb een pet op. de pet is grijs .
tip en pat
een bad in het zand
.
pat en tip
een noot, een bes, een vet-bol.
aar
raar maar w
ik heet kas. ik ben een mens. maar ik ben ook een huis • ik ben niet vaak op weg • ik ben veel in huis . • 20
ik
mijn huis
.
– mus: .
jip en jaap jip de kip is in het hok. jip is moe. jaap de haan is op het hek.
jip de kip rust in haar hok. jip is moe. jaap de haan zit op het hek.
jaap
jip de kip. jip met een j, net als de j van jaap.
jaap
jan van de maan loert naar jaap. - kom op, jaap, kus jip! - ja, jan van de maan, roept jaap. de haan loopt het hok in. - wat is er, jaap? is er een vos, jaap? - nee, jip, ik neem je mee naar het hek.
jan van de maan loert naar jaap. - doe wat, jaap, kus jip! - ja, jan van de maan, roept jaap. de haan loopt het hok in. - wat is er, jaap? is er een vos bij het hek? - nee, jip, ik neem je mee naar het hek.
van je, jip! - ik jaap kust jip. en jip kust jaap. - top! roept jan van de maan. top met een p van jip en jaap.
van je, jip! - ik jaap kust jip op de bek. en jip zoent jaap ook. - top! roept jan van de maan. top met een p van jip en jaap.
jip de kip. jip met een j, net als de j van jaap.
21
samen lezen
speel met 2. neem een . je buur neemt een werp de . lees wat past bij de . i
o
oe
a
aa
u
speel
.
werp de nog een keer. lees wat past bij de . k
n
s
p
zoek een woord met
en met
in de
lees het woord. lees je
?
het vak.
is het vak al lees je hoe-veel 22
v h l t
in ik is ip
.
? werp nog één keer.
? het is aan je buur. en
tel je? wie meest
, wint.
je mee? i
v h l t
o
in ik is ip
r k t b
aa
h j b m
aak aap aas aan
a
m v t j
oe
p b r t
oes oek oep oen
ok on op os
ap an ak as u
p k b h
uk un us up 23
samen lezen
s e o p l smu leg klaar: • bord
• kaas
• plank
• ei
• mes
• brood
• wortel
• bies-look
• komkommer
• radijs
• sla
hoe maak je de poes? 1
snij de kaas.
6
maak oor en neus.
24
2
leg de kaas op het brood.
7
maak oog en mond met kaas.
3
4
was de groenten.
leg sla op de kaas.
snij de schijf in vier.
8
9
10
maak een snor.
maak een snoer.
maak een bloem.
5