Max-Nederlands 3 Module 1 - Proefmodule - inkijk

Page 1


1.1 Ik ook!

afdelingen, soorten hetzelfde, gezamenlijk

1 We spelen bingo! Bekijk de bingokaart. Bespreek met je buur wat de verschillende categorieën betekenen. Bespreek daarna ook met de klas.

Wij hebben hetzelfde huisdier:

Wij hebben evenveel broers of zussen:

Wij hebben dezelfde hobby:

Wij hebben hetzelfde lievelingseten:

Wij hebben hetzelfde lievelingsdier:

Wij hebben dezelfde angst:

Wij hebben hetzelfde lievelingsspel:

Wij doen dezelfde sport:

Wij lusten hetzelfde gerecht niet:

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

a Wandel door de klas. Kom je iemand tegen? Stel dan enkele vragen. Zoek naar iets dat jullie gemeenschappelijk hebben. Iets gevonden? Noteer de naam van die persoon in het vakje.

b Wat heb jij gemeenschappelijk met jouw klasgenoten? Wat wist je al? Wat heb je nu net ontdekt? Vertel.

2 We spelen samen klasmemory!

Je krijgt twee kaarten van je leerkracht. Schrijf op de ene kaart je naam. Schrijf op de andere kaart een weetje over jezelf. Dat kan iets zijn uit het spel van daarnet, of misschien nog iets helemaal anders!

Let op:

– Kies iets dat bijzonder is aan jou.

Ik heb een python als huisdier.

Ik heb een kat als huisdier. (Je bent waarschijnlijk niet de enige …)

– Schrijf duidelijk en netjes.

– Vertel nog niet wat jij hebt opgeschreven.

Spelregels:

– Speel in groepjes van minstens 6 leerlingen.

– Schud de kaarten van jullie groepje goed door elkaar.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

op z’n minst, minimaal

Leg de kaarten naast elkaar op tafel, met de geschreven kant naar beneden.

– De kleinste speler begint. Hij/Zij draait een kaartje om en leest hardop voor wat erop staat. Daarna draait hij/zij nog een tweede kaartje om en leest voor.

• Er werden twee naamkaartjes of twee weetjeskaarten omgedraaid. Die kunnen niet bij elkaar passen. Draai ze terug om. De volgende speler is aan de beurt.

• Er werd één naamkaartje en één weetjeskaartje omgedraaid. De speler die de kaartjes omdraait, vertelt of hij/zij denkt of het een match is. De speler wiens naam op het naamkaartje staat, zegt of het klopt.

Geen match… Draai de kaartjes terug om. De volgende speler is aan de beurt. Een match! Je mag de kaartjes houden. Je mag nog twee kaartjes omdraaien.

3 Wat heb je deze les over je klasgenoten ontdekt? Wat wist je nog niet? Vertel.

Routeplanner

2.1 Ik mep!

QR naar ingesproken tekst

1 Lees de spelregels.

Meppen

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

QR naar instructievideo

Aantal spelers: 2 - 4 spelers

Benodigdheden: een kaartspel zonder jokers

Doel van het spel: als eerste alle kaarten bemachtigen

Het spel:

1. Schud de kaarten. Zorg dat alle jokers eruit zijn gehaald.

dingen die je nodig hebt

2. Verdeel de kaarten in gelijke stapels. Er moeten evenveel stapels als spelers zijn. De spelers mogen hun eigen kaarten en die van de andere spelers niet zien.

3. Elke speler krijgt één stapel en legt die gedekt voor zich neer.

omgedraaid, je kan de kaarten niet zien

4. Eén speler legt zijn bovenste kaart open in het midden. Daarna legt de volgende speler er een kaart bovenop. Ga door tot er twee kaarten na elkaar dezelfde waarde hebben. Dan moeten alle spelers zo snel mogelijk op de pot proberen te meppen. De speler die als eerste mept, wint de kaarten uit de pot.

5. Mept er iemand verkeerd? Dan moet die speler alle andere spelers één van zijn kaarten geven.

2 Wie is de zender en de ontvanger? Wat is de boodschap? Schrijf Z (zender), O (ontvanger) of B (boodschap).

a de spelregels

b de spelers

c de schrijver van de spelregels

3 Markeer alle dubbele punten in de tekst. Waarom worden ze hier gebruikt? In welke andere situaties kan je een dubbele punt gebruiken? Bespreek.

Dubbele punt

Een dubbele punt schrijf je:

1 voor een opsomming:

Dit zijn mijn eigenschappen: eerlijk, vriendelijk, sportief en grappig.

2 bij een omschrijving:

Hij is populair: mensen komen van overal om hem te zien.

3 als iemand iets zegt:

Jan vraagt: “Wat zijn jouw positieve eigenschappen?”

QR naar instructievideo

4

Markeer de dubbele punten in de zinnen. Waarom wordt het gebruikt? Kruis aan.

Ik maak een opsomming. Ik geef een omschrijving. Ik zeg iets.

a De jongen vraagt: “Hoe laat is het?”

b Hij heeft veel bij: boeken, een bal, een mand en een fles water.

c Als ik de lotto zou winnen, zou ik veel kopen: een nieuwe fiets, een pony en een hele berg snoep!

d Ik kom niet meer: het is al veel te laat geworden!

e Ik voel me ziek: ik heb veel hoofdpijn.

f Papa roept: “Doe die deur even dicht!”

5 Lees de zinnen met een opsomming opnieuw. Welk ander leesteken zie je in deze zinnen?

Komma’s

Een komma schrijf je:

1 tussen delen van een opsomming:

Ik heb een hond, een kat, twee konijnen en vijf goudvissen.

2 als je een pauze leest in de zin: Ik smeer een boterham, want ik heb honger.

6 Noteer de komma’s op de juiste plaats in de opsommingen.

a In een kaartspel zitten een aantal speciale kaarten: dames boeren koningen en azen.

b Ik neem een picknick mee: broodjes fruit pasta worteltjes en een stukje chocolade.

c Ik speel graag kaartspelletjes zoals meppen UNO en eenentwintigen.

d Ik heb veel hobby’s: kaarten paardrijden hardlopen lezen en gamen.

7 In elke zin ontbreekt een komma. Lees de zinnen luidop voor met je buur. Waar hoor je een pauze? Schrijf daar de komma.

a Papa wil je een spelletje spelen?

b Op de doos staat een grappig vrolijk varken.

c Kom maar mee dan laat ik het je zien.

d Kinderen volg mij!

e Wacht even het regent.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

8 Je kan structuur brengen in een tekst door leestekens te gebruiken. Komma’s en dubbele punten, maar ook hoofdletters en andere leestekens helpen om een tekst beter leesbaar te maken.

Lees de zinnen. Ze hebben hoofdletters en leestekens. Toch zijn ze heel moeilijk te lezen. Hoe komt dat? Vertel.

Schuddekaarten.Zorgdatallejokerseruitzijngehaald.Verdeeldekaartenintweegelijkestapels. Despelersmogenhuneigenkaartenendievandeanderespelersnietzien.

Weet je het nog? Tussen woorden en zinnen zetten we een spatie.

9 Lees de zinnen. Schrijf ze over. Zet spaties op de juiste plaats.

a Mijnzusspeeltgraagspelletjes.

b Zehoudthetmeestvankaarten.

c Ikspeeldangraagmethaarmee!

d Mijnfavorietespelisschaken.

e Datspelenwesomsook.

Wist je dat …

Kan jij deze wrooden leezn?

Ofvindjehettochlastig?

QR naar ingesproken tekst

De laatste zin vond jij vast het moeilijkst. Dat is heel normaal! Dat komt omdat onze hersenen woorden niet letter per letter lezen. Als je veel leest, herkennen ze woorden in hun geheel. Zoals je een afbeelding ook in één keer herkent. Als er hier en daar een letter werd omgewisseld, is dat niet zo’n probleem voor je hersenen. Zinnen zonder spaties zijn wel veel moeilijker! Dan zien je hersenen niet wat bij elkaar hoort.

Lange of moeilijke woorden moet je vaak wél nog in stukjes, of letter voor letter lezen. Rioolwaterzuiveringssysteem, bijvoorbeeld.

10 Tijd over? Speel het spel!

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

2.2 Wat een woord

1 Lees de spelregels. Beantwoord de vragen.

QR naar ingesproken tekst zomaar gekozen

Aantal spelers: 3 - 4 spelers

Kwartet

Benodigdheden: een kwartetspel met kaartensets die per vier bij elkaar horen

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Doel van het spel: zoveel mogelijk kwartetten verzamelen

Het spel:

1. Verdeel de kaarten eerlijk over alle spelers. Als er enkele spelers zijn met meer kaarten dan andere, is dat niet erg. Elke speler houdt zijn kaarten in de handen en kijkt ernaar, maar toont ze niet aan de anderen.

2. Kijk naar de uitgedeelde kaarten in je hand. Heb je er al vier die bij elkaar horen? Dan heb je een volledig kwartet. Leg ze open voor je neer.

3. Om de beurt mag een speler een kaart vragen aan een andere speler: “Heb jij (kaartnaam) van (kwartetgroep)?”

Bijvoorbeeld: “Heb jij de kaart met de schattige panda van de wilde dieren?”

Let op: Je mag enkel een kaart vragen van een set waarvan je er zelf al minstens eentje in je hand hebt!

a. De andere speler heeft de kaart: hij moet de kaart geven. De vrager mag dan opnieuw een vraag stellen.

b. De andere speler heeft de kaart niet: de beurt van de vrager is voorbij. De volgende speler mag nu een vraag stellen.

4. Als alle kwartetten verzameld zijn, is het spel gedaan. De speler met de meeste kwartetten, wint.

a Met hoeveel spelers speel je het spel?

met 3 of 4 spelers

met 34 spelers maakt niet uit

b Welke zin is juist?

Alle spelers moeten met precies evenveel kaarten aan het spel beginnen. Het is niet erg als niet alle spelers evenveel kaarten hebben aan het begin van het spel. Je moet de kaarten willekeurig verdelen. De ene speler mag je er bijvoorbeeld 3 geven, en een andere speler 8.

c Hoeveel kaarten horen bij elkaar in één set?

3

4

Dat is in elk spel anders.

2 Lees de spelregels. Zet ze in de juiste volgorde. Nummer van 1 tot 4.

Vraag een kaart aan een andere speler. Als hij de gevraagde kaart heeft, krijg je hem.

Verdeel de kaarten.

Tel hoeveel verzamelde kwartetten je hebt. De speler met de meeste kwartetten, wint!

Kijk bij het begin of je al meteen een volledig kwartet hebt.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Woordsoorten

De, het en een zijn lidwoorden de jongen, het verhaal, een kat

Een zelfstandig naamwoord geeft een naam aan iets of iemand: planten, dieren, voorwerpen, personen … boom, kameel, zus, matroos, Anne, rots

Een bijvoeglijk naamwoord geeft meer uitleg over een zelfstandig naamwoord. Het vertelt hoe het is.

mooi, groot, mannelijk, papieren

Een werkwoord zegt wat iets of iemand doet of wat er gebeurt. Dit kan een handeling zijn of een toestand.

Bas loopt naar school. / Ik heb het koud.

3 Lees de tekst opnieuw. Markeer drie lidwoorden roze, drie zelfstandige naamwoorden geel, drie bijvoeglijke naamwoorden blauw en drie werkwoorden groen.

4 Noteer de woorden in de juiste kolom.

kwartet – tonen – speler – schattige – het – vragen – wint – de – kaart – een – uitgedeelde – wilde lidwoord zelfstandig naamwoord bijvoeglijk naamwoord werkwoord

5 Lees de zinnen. Markeer alle lidwoorden roze, alle zelfstandige naamwoorden geel, alle bijvoeglijke naamwoorden blauw en alle werkwoorden groen.

a Verdeel de kaarten aan de verschillende deelnemers.

b Heb jij goede kaarten?

c Dan heb je een volledig kwartet.

d Leg het volledige kwartet op de tafel.

e Vraag een nieuwe kaart.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

6 Bekijk de afbeelding. Noteer drie zelfstandige naamwoorden met het juiste lidwoord (de of het), drie bijvoeglijke naamwoorden en drie werkwoorden die passen bij de afbeelding.

zelfstandige naamwoordenbijvoeglijke naamwoorden werkwoorden

7 Speel het kwartetspel. Hoeveel kwartetten kan jij verzamelen?

2.3 Meer dan één(tje)

1 Lees de zinnen. Markeer de zelfstandige naamwoorden geel. Noteer de letter van de zin bij de juiste afbeelding.

a Het aapje lacht.

b De aapjes lachen.

c De eekhoorns springen.

d De eekhoorn springt.

e Duiken de eenden?

f Duikt de eend?

g De hond zwemt.

h De honden zwemmen.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

2 Wat gebeurt er met de persoonsvorm als de zin van enkelvoud naar meervoud verandert? Bespreek.

Het meervoud

Als je meer dan één van iets hebt, dan moet het woord in het meervoud staan.

Bij de meeste woorden voeg je en of s toe. boek – boeken, jongen – jongens

Let op! Bij woorden met een korte klinker moet je de medeklinker verdubbelen. vlag – vlaggen

Als een woord eindigt op ­i, ­a, ­o, ­u, ­y dan maak je het meervoud met ’s auto – auto’s, baby – baby’s

Sommige meervouden eindigen op eren kind – kinderen

Let op! Soms veranderen er letters als je het meervoud vormt. roos – rozen, druif – druiven

3 Zet het zelfstandig naamwoord om naar het meervoud. Vergeet het lidwoord niet.

a de panda

b de schoen

c het paard

d de pony

e de tafel

f het spelletje

g de puppy

h het kussen

i de cavia

4 Markeer het juiste werkwoord in de zin.

a De kinderen belt – bellen naar hun ouders.

b De hond blaft – blaffen luid.

c Wij leest – lezen de krant.

d Mijn beste vriend houdt – houden van gezelschapspelletjes.

e Op de doos staat – staan een afbeelding van een kasteel.

5 Markeer alle zelfstandige naamwoorden geel. Schrijf alle zinnen over en zet de zelfstandige naamwoorden om naar het meervoud. Tip: let op verenkelen en verdubbelen.

a De jongen spreekt.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

b Het broertje leest een boek.

c De fles is leeg.

d Het spelletje is tof.

e De okapi en de orka leven niet samen.

f Het meisje heef t geen kaart.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

6 Lees de zinnen uit oefening 1. Bij welke zin lees je een verkleinwoord? Noteer het dier.

Verkleinwoorden

Een verkleinwoord kan je maken door de uitgang -je, -(e)tje of -pje of -kje aan een woord toe te voegen.

schaap + je = schaapje tafel + tje = tafeltje film + pje = filmpje

Let op! Bij een woord op -ing, valt de -g weg en voeg je -kje toe. ketting + kje = kettinkje

Soms moet je ook het lidwoord veranderen. de man --> het mannetje

7 Noteer de verkleinwoorden op de juiste plaats in de tabel.

paardje – droompje – konijntje – kettinkje – ringetje – vriendje – beertje – koninkje –raampje

8 Zet het zelfstandig naamwoord om naar het verkleinwoord. Vergeet het lidwoord niet.

a de schoen -->

b het paard

c de tafel

d het spel

e het kussen

f de kaart

g de pion

9 Markeer alle zelfstandige naamwoorden geel. Schrijf alle zinnen over en zet alle zelfstandige naamwoorden om naar het verkleinwoord.

Tip: let op verenkelen en verdubbelen.

a De kip eet een noot.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

b De jongen vaart met de boot.

c De koning zingt een lied.

d De arm van mijn broer is gebroken.

2.4 Zo speel je!

1 Werk in groepjes van drie of vier leerlingen. Elk groepje leest de spelregels van een kaartspel. Omcirkel het nummer van het spel dat je zal spelen.

1 eenentwintigen

Benodigdheden:

een kaartspel zonder jokers

Doel van het spel: zo dicht mogelijk bij 21 punten komen, zonder erover te gaan

Voorbereiding:

Schud de kaarten. Kies één speler als deler. Hij/Zij deelt aan elke speler twee kaarten uit.

De spelers houden de kaarten in hun hand en tonen ze niet aan de medespelers.

Het spel:

1. Elke speler speelt om de beurt.

2. De eerste speler telt de waarde van zijn kaarten op, maar verklapt die niet aan de andere spelers.

aas = 1 of 11 punten (je mag zelf kiezen wat het beste uitkomt)

boer, dame of heer = 10 punten

alle andere kaarten = hun getalwaarde

3. De speler beslist of hij nog een kaart wil, of dat hij stopt.

4. Vanaf dat je 17 punten hebt, mag je stoppen. Onthoud je puntenaantal.

5. Heb je precies 21 punten? Dan moet je stoppen. Verklap nog niet dat je 21 punten hebt.

6. Heb je meer dan 21 punten? Dan heb je verloren.

Benodigdheden: een kaartspel zonder jokers

Doel van het spel: als eerste al je kaarten kwijtspelen

Voorbereiding:

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

7. Als alle spelers gestopt zijn, toont iedereen zijn kaarten. Wie het dichtst bij 21 punten scoort, wint.

De winnaar wordt de nieuwe deler.

kwijtraken, verliezen

Schud de kaarten. Elke speler krijgt 7 kaarten in zijn hand. Hij mag ze niet tonen aan de andere spelers.

De rest wordt op een gedekte trekstapel gelegd. Eén kaart wordt open op tafel gelegd.

Het spel:

1. Om de beurt legt elke speler een kaart af met hetzelfde symbool als de bovenste kaart van de stapel, of met dezelfde waarde (bv. een klaver op een klaver, of een heer op een heer).

2. Speciale kaarten:

2: de volgende speler moet twee kaarten trekken.

7: de volgende speler moet een beurt overslaan.

10: de volgende speler moet een kaart trekken.

aas: de speler die de kaart legt, mag van symbool veranderen.

3. Wie als eerste al zijn kaarten kwijt is, wint.

De winnaar wordt de nieuwe deler.

3 rijtjeskaarten

Benodigdheden: een kaartspel zonder jokers

Doel van het spel: als eerste al je kaarten kwijtspelen

Voorbereiding:

Schud de kaarten. Geef elke speler zeven kaarten en leg één kaart open op tafel.

Het spel:

1. De spelers leggen om de beurt een kaart die één hoger of één lager is dan de kaart in het midden. Bijvoorbeeld: er ligt een 8. Je mag een 7 of een 9 leggen.

2. Kun je geen kaart leggen? Trek er dan een van de trekstapel. Als je die meteen kan leggen, mag dat. Anders is je beurt voorbij.

Op een aas kan je een 2 of een heer leggen.

Op een heer kan je een dame of een aas leggen.

3. Wie als eerste al zijn kaarten kan leggen, wint. 4 om ter hoogst

Benodigdheden: een kaartspel zonder jokers

Doel van het spel: zoveel mogelijk kaarten verzamelen

Voorbereiding:

Schud de kaarten. Elke speler krijgt drie kaarten. Hij mag ze zelf bekijken, maar toont ze niet aan de andere spelers.

De overige kaarten worden in een gedekte trekstapel op tafel gelegd.

Het spel:

1. De jongste speler begint. Hij legt een van zijn kaarten open op tafel. Daarna legt de volgende speler er een kaart bij. Ga met de klok mee.

2. De speler met de hoogste kaart wint alle kaarten van die ronde. Hij legt ze naast zich neer. Deze kaarten doen niet meer mee in het spel.

3. Elke speler neemt een kaart van de trekstapel, zodat ze er opnieuw drie in de hand hebben.

4. De winnaar van de vorige ronde legt als eerste een kaart.

5. Als de twee hoogste kaarten dezelfde waarde hebben, spelen die twee spelers opnieuw een kaart. De hoogste kaart, wint.

Ga door tot alle kaarten gespeeld zijn. De speler met de meeste gewonnen kaarten is de winnaar.

2 Zoek twee zelfstandige naamwoorden en twee werkwoorden in jouw spelregels. Noteer.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

a zelfstandige naamwoorden:

b werkwoorden:

3 Speel het spel samen met je groepje een paar keer. Zorg dat je goed weet hoe het werkt. Jij moet dadelijk het spel gaan uitleggen aan je medeleerlingen.

4 Oefen eerst samen met je groepje. Zorg dat je zeker een antwoord geeft op deze vragen:

Hoe heet het spel?

Wat heb je nodig?

Wat is het doel van het spel? Hoe weet je wie er wint?

Hoe zet je het spel klaar?

Wat moet je allemaal doen? Gebruik signaalwoorden.

Zijn er speciale regels?

Heb je tips voor nieuwe spelers?

Weet je het nog? Signaalwoorden zijn woorden die verbanden duidelijk maken tussen zinnen en alinea’s.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

5 Vorm een nieuw groepje van drie of vier leerlingen. Zorg dat je medespelers elk een ander spel speelden in de eerste ronde. Leg je spel uit aan de andere spelers. Let op je taal: spreek luid, duidelijk en verzorgd.

6 Hoe ging jouw speluitleg? Hoe ging de speluitleg van een medeleerling?

Beoordeel en kruis aan.

Ik …

zei de naam van het spel. zei wat je nodig hebt. zei het doel van het spel. zei hoe je het spel klaarzet. zei hoe je het spel speelt. gaf tips. sprak luid en duidelijk. sprak verzorgd.

Mijn medeleerling … zei de naam van het spel. zei wat je nodig hebt. zei het doel van het spel. zei hoe je het spel klaarzet. zei hoe je het spel speelt. gaf tips.

sprak luid en duidelijk. sprak verzorgd.

2.5 Beste kijkers, …

1 Bekijk de video. Beantwoord de vragen.

a Hoe heet het spel?

Unbox

Kwistet Fun Facts

b Welk materiaal heb je nodig voor het spel? Noteer drie dingen. ­

c Hoe duidelijk vond jij het filmpje? Kleur de balk. Vertel wat je goed vond en wat niet. ����

d Fun Facts is een coöperatief spel. Wat betekent dat?

Je speelt niet tegen elkaar. Je wint samen of je verliest samen.

Je mag niet met elkaar overleggen.

Er is één verliezer, de rest wint allemaal samen.

2 Zet de spelregels in de juiste volgorde. Nummer van 1 tot 5.

Schrijf je antwoord op de achterkant van je pijl.

Schud eerst de kaarten goed door elkaar en maak een stapel. Geef iedereen een pijl en een stift.

Draai ten slotte de kaartjes om en bepaal de score. Begin onderaan, bij de laagste score en schuif telkens een plaats op. Haal de kaartjes die niet kloppen, ertussenuit.

Eén speler neemt vervolgens de bovenste vraag van de stapel en leest voor.

Elke speler probeert in te schatten welk antwoord de anderen gegeven hebben. Een voor een probeert elke speler zijn kaartje zo op de juiste plek op tafel te leggen. Als alle kaarten op tafel liggen, mag de eerste speler zijn kaartje nog eens van plaats verwisselen. De andere spelers mogen niets meer veranderen. schatten, beoordelen

3 Lees de vragen. Markeer de werkwoorden.

a Hoeveel jaar van je leven geef jij op om meteen miljonair te worden?

b Hoeveel push­ups kan jij doen?

c Hoeveel keer per maand vergeet jij je gsm thuis?

d Hoeveel minuten duurde je laatste treinrit?

e Hoeveel keer per week zeg jij ‘sorry’?

f Hoeveel keer per week zing jij onder de douche?

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

4 Bekijk de zinnen uit de vorige oefening opnieuw. In welke tijd staan de werkwoorden? Eéntje is anders. Omcirkel.

Werkwoordstijden

De tijd van een werkwoord vertelt je wanneer iets gebeurt.

Verleden tijd = Wat vroeger gebeurde. --> Ik draaide

Tegenwoordige tijd = Wat nu gebeurt. --> Ik draai

Toekomende tijd = Wat nog gaat gebeuren. --> Ik zal draaien.

5 Lees de zinnen. Kruis aan in welke tijd ze staan. verleden tijd (vroeger) tegenwoordige tijd (nu) toekomende tijd (later)

a Hoeveel keer verhuisde jij al?

b Hoeveel keer per week heb jij de slappe lach?

c Hoeveel kinderen zal jij later hebben?

d Hoe vaak stond jij al op een podium?

e Hoeveel minuten per week sport jij?

f Hoeveel boeken las je het afgelopen jaar?

g Hoeveel landen zal jij ooit bezoeken?

h Hoeveel uur per dag ben jij online?

De tegenwoordige tijd (nu)

Heden = Wat nu gebeurt.

Je neemt de stam (ik­vorm) van het werkwoord en voegt de uitgang toe. helpen --> hij helpt

De uitgang die je moet gebruiken, hangt af van het onderwerp.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

vorm regel

ik maak stam

jij maakt stam + t

hij maakt stam + t

zij maakt stam + t

wij maken stam + en

jullie maken stam + en

zij maken stam + en

Bij werkwoorden waarbij de stam eindigt op d, kan je het werkwoord vervangen door een werkwoord zonder d. Zo kan je weten of je d of dt moet schrijven. rijden --> werken hij werkt --> hij rijdt

Let op! Deze zijn speciaal en moet je uit het hoofd leren. zijn --> ik ben hebben --> ik heb --> jij bent --> jij hebt --> hij/zij is --> hij/zij heeft --> wij/jullie/zij zijn --> wij/jullie/zij hebben

6 Vul het schema aan.

infinitief stam stam + t stam + en vertellen ik

dromen ik

wij spelen ik

vinden ik

bieden ik hij wij

Weet je het nog? Enkel als de stam eindigt op een d, moet je soms dt schrijven.

7 Lees de zin. Schrijf je stam, stam + t of stam + en? Markeer. Vul daarna de juiste vorm van het werkwoord in.

zoekenstam

Mijn oom zijn bril. stam + t stam + en stam

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

De leerlingen het juiste lokaal. stam + t stam + en stam

Ik mijn huiswerk. stam + t stam + en betalenstam

De klanten hun aankoop. stam + t stam + en stam

Ik met de kaart. stam + t stam + en stam

Hij aan de kassa. stam + t stam + en schuddenstam

Ik de kaarten. stam + t stam + en stam

Wij de kaarten. stam + t stam + en stam

De man de kaarten. stam + t stam + en dragenstam

De kinderen een zware doos. stam + t stam + en stam

Mijn moeder een groene jurk. stam + t

stam + en stam

jij soms een das? stam + t

stam + en

8 We spelen zelf het spel Fun Facts! Maak groepjes van vier of vijf leerlingen. Gebruik de vragen uit oefening 5 om het spel te spelen. Noteer je antwoord op de vraag telkens op een blaadje papier. Op de andere zijde noteer je je naam.

Leg het papiertje met je naam naar boven gericht op tafel.

Voorbereiding:

Knip 8 papiertjes die ongeveer even groot zijn als de vakjes op de volgende pagina. Schrijf op elk papiertje je naam.

Hoe speel je?

1. Eén speler leest een vraag voor uit oefening 5.

2. Elke speler neemt een papiertje met zijn of haar naam erop, en schrijft op de achterzijde het antwoord.

3. De speler die de vraag heeft voorgelezen, legt zijn naam op een van de vakjes. Denk je dat je een hoog antwoord hebt? Leg je kaartje dan in een van de hoogste vakjes (lichte vakjes).

4. Elke speler legt om de beurt zijn kaartje op het veld.

5. Als elk kaartje er ligt, mag de eerste speler zijn kaartje nog ergens anders leggen. De andere spelers komen niet meer aan de beurt.

6. Draai alle kaartjes om. Kijk naar de cijfers die erop staan. Begin bij het onderste kaartje in het donkerste veld. Ga telkens een vakje hoger. De waardes op de kaartjes moeten ook steeds stijgen. De kaartjes die niet kloppen, haal je weg.

7. Tel het aantal kaartjes die nog op het veld blijven liggen. Dat is jullie score voor deze ronde. Noteer.

8. Ga zo door tot alle vragen beantwoord zijn. Wat is jullie totale score?

score 1 = score 2 = score 3 = score 4 =

score 5 = score 6 = score 7 = score 8 =

totaal =

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

2.6 Even pauze nemen

1 Lees de stellingen. Ben jij het ermee eens of niet? Kleur de balk in. Bespreek daarna met je buur.

a Ik speel graag gezelschapspelletjes.

helemaal niet akkoord helemaal akkoord

b Ik kan tegen mijn verlies.

helemaal niet akkoord helemaal akkoord

c Als ik een spel speel, lees ik graag eerst zelf de spelregels.

helemaal niet akkoord helemaal akkoord

d Ik speel om te winnen.

helemaal niet akkoord helemaal akkoord

e Ik speel altijd eerlijk.

helemaal niet akkoord helemaal akkoord

f Ik speel het liefst in een team.

helemaal niet akkoord

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

helemaal akkoord

2 Neem een pionnetje. Leg je pion op de plaats die past bij jouw mening. Waarom heb je hem daar gezet? Vertel.

3 Maak de zinnen af. Kleur de delen van de zin die bij elkaar horen in dezelfde kleur. 1 2 3

Ik speel niet vaak spelletjes,omdat ik vind ze wel leuk.

Mijn zus werd boos, maar mijn broer het bord klaarzette. Ik las de spelregels, terwijl ze niet goed tegen haar verlies kan.

Een voegwoord is een verbindingswoord dat woorden of zinnen aan elkaar koppelt. Voorbeelden van voegwoorden zijn omdat, terwijl, als en maar.

QR naar instructievideo

4 Lees de zinnen. Markeer telkens het voegwoord.

a Ik wacht niet meer, want het is al veel te laat.

b We moeten vertrekken, dus ruim ik het spel snel op.

c Ze heef t het al weggestopt, terwijl ik er nog niet klaar mee was!

d Ik dacht dat ik te laat zou komen, maar dat bleek gelukkig niet het geval!

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

5 Fien speelde het spel ‘Fun Facts’. Ze schreef wat ze ervan vond. Lees de tekst en markeer de voegwoorden.

Ik kende het spel nog niet, maar het werd me aangeraden door een vriend. Toen ik de doos opendeed, vielen me meteen de mooie kleurtjes op. Eerst snapte ik er niets van, dus las ik de spelregels. Niet makkelijk, maar gelukkig bestaan er ook van die handige filmpjes online!

Ik zette alles al klaar, terwijl ik naar de video keek. Ik vond het een supertof spel, omdat je moet samenwerken! Ik vind het niet leuk om tegen elkaar te spelen. Zeker niet als mijn zus meedoet, want zij speelt altijd vals …

6 Bekijk de voegwoorden die je markeerde. Welk leesteken gaat eraan vooraf?

Komma’s (vervolg)

Een komma schrijf je:

1 tussen delen van een opsomming: Ik heb een hond, een kat, twee konijnen en vijf goudvissen.

2 als je een pauze leest in de zin: Ik smeer een boterham, want ik heb honger.

3 voor de meeste voegwoorden: Mijn mama maakt het eten, terwijl ik een boek lees.

7 Lees de zinnen met je buur. Waar een komma staat, neem je een korte pauze. Welke zin is juist? Kruis aan.

a Ik heb, honger dus ga ik naar de bakker.

Ik heb honger, dus ga ik naar de bakker.

Ik heb honger dus, ga ik naar de bakker.

Ik heb honger dus ga ik naar, de bakker.

b Ik ga, naar huis want het begint te regenen.

Ik ga naar, huis want het begint te regenen.

Ik ga naar huis, want het begint te regenen.

Ik ga naar huis want het begint, te regenen.

c Ik, doe elke dag voetbal behalve op maandag. Ik doe elke, dag voetbal behalve op maandag. Ik doe elke dag, voetbal behalve op maandag. Ik doe elke dag voetbal, behalve op maandag.

8 Lees de zinnen luidop voor met je buur. Schrijf een komma waar je een pauze leest.

a Je mag niet meer meespelen tenzij je sorry zegt.

b Ik vind gezelschapspelletjes leuk zolang ik win!

c Jens speelt niet mee omdat hij moe is.

d Ik wil niet meer meedoen omdat jij vorige keer razend werd.

e Ik wil nog met je spelen als je je aan de regels houdt.

9 Voeg de twee zinnen samen met een voegwoord. Gebruik een komma op de juiste plaats. Volg het voorbeeld.

Voorbeeld: Ik zie niets. Het is donker. Ik zie niets, want het is donker.

a Ik doe niet mee. Het spel is saai.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

b Het spel is moeilijk. Ik begrijp het als ik de spelregels lees.

c Ik wil niet meedoen. Zij wel.

2.7 Hoe moet het?

1 Lees de twee versies van de spelregels van UNO. Beantwoord de vragen.

Versie 1

Versie 2

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

a Welke versie vind je het duidelijkst? Waarom? Vertel.

b Bekijk de tweede versie van de spelregels of neem de spelregels van een spel uit de klas. Welke informatie vind je terug? Kruis aan.

het aantal spelers hoe je het spel klaarzet waarom het spel leuk is hoe je het spel kan winnen

waarom de bedenker van het spel het gemaakt heeft hoe je het spel speelt

2 Spelregels moeten alle belangrijke informatie bevatten om een spel goed te kunnen spelen, maar mogen ook niet te uitgebreid zijn. Dan kan het zorgen voor verwarring, of hebben de spelers geen zin om het te lezen.

Lees de zinnen. Welke informatie moet zeker in de spelregels staan? Wat zijn overbodige details? Kruis aan.

belangrijke informatie overbodig detail

a Voor 2 tot 6 spelers vanaf 14 jaar.

b Inhoud: een spelbord, 120 kaarten, 2 dobbelstenen.

c De kaarten zijn gedrukt op glanzend papier.

d De tekenaar haalde zijn inspiratie uit zijn lievelingsfilm.

e Wie als eerste 100 punten haalt, wint.

3 Kies een spel dat jij goed kent, of bekijk de video. Schrijf de spelregels op van jouw gekozen spel.

Titel:

Benodigdheden:

Aantal spelers:

Doel van het spel:

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Het spel:

4 Bespreek met je buur. Toon en vertel jouw spelregels.

QR naar video

1 Markeer de dubbele punten in de zinnen. Waarom wordt het gebruikt? Kruis aan.

Ik maak een opsomming. Ik geef een omschrijving. Ik zeg iets.

a Line en Bas bakken taart: hun moeder is jarig.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

b De dokter schreef deze medicatie voor: een pijnstiller, een verdovende zalf en een siroopje.

c De namen van de kinderen beginnen met dezelfde letter: Lotte, Lore en Linus.

d Fred zegt: “Wat een weertje!”

2 In elke zin ontbreekt een dubbele punt. Noteer het op de juiste plaats.

a De ontbijtmand bevat twee croissants, beleg, verse broodjes en sinaasappelsap.

b Morris riep “Wat zeg je?”

c De dierenarts gaf zijn diagnose de kameel was verkouden.

d De jongen vraagt “Wie komt er nog?”

3 Vul de ontbrekende dubbele punten aan.

Fie start de dag altijd op dezelfde manier ze wast zich, kleedt zich aan en maakt het ontbijt. Daarna leest ze haar favoriete krant De Morgen. Dan gaat de telefoon. Het is haar oudere zus, Mia. Mia heeft groot nieuws ze gaat trouwen! Fie gilt blij “Wat een fantastisch nieuws!”

4 Noteer de spaties op de juiste plaats.

a driekonijntjes

b hetfeestvoorhaarverjaardag

c deleerkrachtspringt

d Opvrijdaggaanwenaarhetpark.

e Dekoningkomtopbezoekinhetwinkelcentrum.

f Werkjijgraagmetdecomputer?

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

5 Schrijf de zinnen over. Noteer spaties, hoofdletters en leestekens op de juiste plaats.

mijnoudersgingenvanmorgenopbezoekbijmijngrootmoederzijligtinhetziekenhuiszewasvor igeweekgevallentoenbrakzehaarheupwemaaktenonsgrotezorgenzouzeooitnogkunnenstap pendedokterweethetzekerhetkomtwelweergoedmethaar.

6 Noteer de woorden in de juiste kolom.

het – vertellen – groen – de – goochelaar – boek – gooien – verlegen – een – zingen –verrassing – houten lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord werkwoord

7 Lees de zinnen. Markeer de lidwoorden roze, de bijvoeglijke naamwoorden blauw, de zelfstandige naamwoorden geel en de werkwoorden groen.

a De grijze ezels maken lawaai.

b Leest de man een spannend boek?

c In de drukke stad wonen veel mensen.

d De verliefde jongen gaat naar de bioscoop met het blonde meisje.

8 Noteer telkens een bijvoeglijk naamwoord, een zelfstandig naamwoord en een werkwoord met de gevraagde beginletter.

bijvoeglijk naamwoordzelfstandig naamwoordwerkwoord p s r v l 9 Vul de tabel aan.

enkelvoud meervoud

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

een hond

een

veel

veel cavia’s een schaap

veel

een

veel maskers een konijn

veel

een veel brieven

een tekening de doos het verhaal de puppy’s de verdachten de spelletjes

de pinda

de dobbelsteen

De boze man roept luid.

De kikker kwaakt.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

De opa heef t een paraplu.

De kinderen gooien met de ballen.

De straten zijn donker.

De meisjes houden van hun panda’s.

10 Markeer de juiste uitgang van het verkleinwoord.

een koning ­kje of ­tje

een vriend ­pje of ­je

een vraag ­kje of ­je

een bloem ­pje of ­tje

11 Markeer alle zelfstandige naamwoorden. Schijf telkens het verkleinwoord.

verkleinwoord

een verkoopster

een cadeau

een trouwring

een halsketting

Het kind wacht op haar moeder.

De man schreef een lange brief.

In onze klas zitten veel jongens.

een klein

een klein

een klein

een klein

12 Lees de zinnen. In welke tijd staan ze? Kruis aan.

verleden tijd (vroeger)

tegenwoordige tijd (nu) toekomende tijd (later)

a De man zegt niets.

b Ze kwam binnen.

c Ik zal het lied zingen.

d Hij zocht zijn portefeuille.

e Hij wacht op me.

13 Markeer de werkwoorden. Kruis aan in welke tijd ze staan.

verleden tijd (vroeger)

tegenwoordige tijd (nu) toekomende tijd (later)

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

a Ik geraakte helemaal in de war toen je dat zei!

b De man gooide een stok in het water.

c De kinderen zullen morgen langskomen.

d Ik neem een beslissing.

e Hij antwoordde niet op de vraag.

14 Markeer telkens de juiste vorm van het werkwoord.

a Gisteren belt – belden – zal bellen – belde – bellen Joris naar zijn oom.

b Morgen kocht – zal kopen – koopt – kopen – kochten hij een nieuwe auto.

c Vroeger zal maken – maakten – maakt – maken – maakte hij alles zelf!

d Wachtte – Wachten – Wacht – Zal wachten – Gewacht hij gisteren ook?

e Vandaag at – zal eten – eten – eet wij bij mijn grootouders.

15 Vul de tabel aan in de tegenwoordige tijd.

infinitief stam stam + t stam + en

bellen ik hij belt wij

voelen ik voel hij wij

staren ik hij wij staren

spreken ik spreek hij wij

vinden ik hij vindt wij

worden ik hij wij worden

16 Noteer de juiste vorm van het werkwoord. Gebruik de tegenwoordige tijd.

a geven Hij haar een brief.

b lezen Wij de spelregels grondig.

c leiden Op zondag ik een groep door het bos.

d strijden Het meisje om de winst.

e vertrouwen Ik hem niet.

f bouwen Het doel van het spel is dat je een stad .

17 Maak een goede zin met de verschillende zinsdelen. Vervoeg het werkwoord in de tegenwoordige tijd.

1 schudden – De man – de kaarten – grondig ­

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

2 voorspellen – wie wint – Ik ­

3 Het meisje – wat er op de kaarten staat – te raden – proberen.

4 jij – Redden – je medespelers ­ ?

18 Markeer de komma’s in de zinnen. Duid alle zinnen aan met een opsomming.

De jongen zegt dat hij nog nooit kamelen, zebra’s of pinguïns in het echt gezien heeft.

Mijn moeder gaat naar de muziekschool, omdat ze graag gitaar wil leren spelen.

Kippen, paarden, koeien, varkens: we hebben ze allemaal bij ons op de boerderij.

Wie kan het snelst lopen: Floris, Yasmine, Marco of Leontien?

Ik wist het antwoord op die vraag, want mijn broer had het er vanmorgen over!

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

19 Markeer de komma en onderstreep het voegwoord.

a Ik geraak niet op school, omdat mijn fiets stuk is.

b Op donderdag heb ik geen tijd, maar wel op vrijdag.

c Het regent, daarom ga ik met de auto.

d Ik doe de af was, terwijl mama de tafel kuist.

20 In welke zinnen staat de komma op de juiste plaats? Kruis aan.

a Soms, ga ik wel maar soms niet.

Soms ga ik wel, maar soms niet.

Soms ga ik wel maar soms, niet.

b Ik ga eerst, naar de winkel omdat ik honger heb.

Ik ga eerst naar de, winkel omdat ik honger heb.

Ik ga eerst naar de winkel, omdat ik honger heb.

21 Schrijf de komma’s op de juiste plaats.

a Mijn vader spreekt vijf talen: Turks Russisch Engels Frans en Nederlands.

b Stephanie heeft al veel Afrikaanse landen bezocht: Marokko Senegal Zuid­

Afrika Kenia en Zimbabwe.

c Onze buurman heeft drie paarden vijf honden twee katten zes konijnen en drie cavia’s.

22 Onderstreep het voegwoord. Schrijf de komma op de juiste plaats.

a Ik wilde naar buiten maar het regende.

b Ook al had hij er geen zin in toch kwam hij naar het feest.

c Ik heb hem niet gesproken omdat ik haast had.

d Ik heb veel werk want die taak moet morgen klaar zijn.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

23 Schrijf drie zinnen met een opsomming.

24 Schrijf een zin met het gevraagde voegwoord. Schrijf de komma op de juiste plaats.

a omdat

b maar c want

Panorama

3.1 Speel je mee?

We maken een gameplay­video! Volg het stappenplan.

Stap 1 Verdeel de klasgroep in groepjes van drie of vier.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

beter worden in iets

Stap 2 Kies een eenvoudig spel uit de klas, of breng er zelf eentje mee van thuis.

Stap 3 Speel het spel met je groep. Zorg dat iedereen de regels goed begrijpt.

Stap 4 Schrijf de spelregels in het kader hieronder.

Naam van het spel:

Benodigdheden:

Aantal spelers:

Doel van het spel:

Het spel:

Stap 5 Maak een gameplay­video:

– Toon en vertel wat je nodig hebt.

– Toon en vertel hoe je het spel klaarzet.

– Toon en vertel wat het doel van het spel is.

– Toon en vertel hoe je het spel speelt.

– Toon en vertel hoe het spel eindigt.

Stap 6 Speel elkaars spel. Gebruik de gameplay­video om het spel onder de knie te krijgen.

Woordenlijst

Woordenschat

de benodigdheden De leerkracht zette alle benodigdheden voor de knutselles klaar. zaken die je nodig hebt

de categorie De boeken in de bibliotheek staan in verschillende categorieën. de afdeling, soort gemeenschappelijk De twee middelbare scholen hebben een gemeenschappelijk speelplein. hetzelfde, gezamenlijk inschatten Ik kan niet goed inschatten hoelang de taak zal duren. schatten, beoordelen kwijtspelen Ik hoop dat ik mijn sleutel niet weer zal kwijtspelen, anders kan ik niet binnen. kwijtraken, verliezen

minstens Je moet minstens acht glazen water per dag drinken. op zijn minst, minimaal onder de knie krijgen Het was moeilijk om piano te leren spelen, maar na veel oefenen kreeg ik het onder de knie

overbodig

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

beter worden in iets

De uitleg was overbodig, omdat iedereen het al begreep. onnodig willekeurig

Ze trok willekeurig een kaart uit de stapel.zomaar gekozen

Schooltaalwoorden

beantwoord

bekijk

Ze beantwoordde de vraag van de leerkracht. geef het antwoord

We bekijken een video in de les. kijk naar bespreek Ik bespreek met mijn buur hoe we de opdracht aanpakken. praat erover kruis aan

markeer

Ik kruiste aan welke hobby’s ik leuk vind.zet een kruisje in het vakje

Ik markeerde de belangrijkste woorden in de tekst in het geel. kleur met je markeerstift

noteer Ik noteer het juiste antwoord bij de vraag.schrijf omcirkel Ze omcirkelde het juiste antwoord.teken een cirkeltje rond onderstreep Ik onderstreep de belangrijke woorden in de tekst. trek een streep onder vertel Ik mocht aan de klas vertellen wat ik in het weekend gedaan had. zeg het aan de klas volg We volgden de leerkracht nauwkeurig bij de uitvoering van de proef. doe zoals vul aan Ik vulde de zin aan met het juiste woord.schrijf wat ontbreekt vul in Op het invullijntje vul ik het woord in dat ontbreekt. schrijf op het lijntje

zet om We zetten de werkwoorden om naar de verleden tijd. verander

Colofon

Ik kan

het onderwerp, de hoofdgedachte en relevante informatie uit prescriptieve teksten halen. dubbele punten correct gebruiken in een zin. komma’s correct gebruiken in een zin. spaties op de juiste plaats in een zin zetten. de verschillende woordsoorten herkennen en benoemen. verkleinwoorden en meervouden herkennen en vormen. werkwoorden in de verleden tijd, de tegenwoordige tijd en de toekomende tijd herkennen. werkwoorden in de tegenwoordige tijd herkennen en gebruiken. komma’s voor voegwoorden correct gebruiken. duidelijke spelregels beschrijven.

Wil je meer weten over deze methode

Nederlands?

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Auteur Anne­Marie Debloudts

Eerste editie

ISBN 978 90 4865 272 3 ­ KB D/2026/0147/016

Surf naar max-nederlands.diekeure.be

Bestelnummer 90 850 0202 (module 1 van 6) ­ NUR 117 ­ Thema YPCA

Verantwoordelijke uitgever die Keure, Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge

RPR 0405 108 325 ­ © Copyright by die Keure, Brugge

Heb je vragen of wens je een presentatie op school?

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No parts of this book may be reproduced in any form by print, photoprint, microfilm or any other means without written permission from the publisher. De uitgever heeft naar best vermogen getracht de publicatierechten volgens de wettelijke bepalingen te regelen. Zij die niettemin menen nog aanspraken te kunnen doen gelden, kunnen dat aan de uitgever kenbaar maken.

Contacteer jouw educatief adviseur.

Die Keure wil het milieu beschermen. Daarom kiezen wij bewust voor papier dat het keurmerk van de Forest Stewardship Council ) draagt. Dit product is gemaakt van materiaal afkomstig uit goed beheerde, FSC gecertificeerde bossen en andere gecontroleerde bronnen.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.