Skip to main content

Max-Nederlands 2B - Module 1 Wij begrijpen elkaar - Inkijk methode

Page 1

2B Pxermopelaafr e

MODULE 1 B-stroom

Wij begrijpen elkaar


Inhoud MODULE 1

Wij begrijpen elkaar 3

3

RE

1 Ontdek ...................................................................................................................... 1.1 Niet zo duidelijk ...............................................................................................

AA R

D

IE

KE U

2 Routeplanner ......................................................................................................... 2.1 Borden in alle kleuren en formaten ................................................................ Woordsoorten 2.2 Pictogrammen die levens redden ................................................................... Jou of jouw 2.3 Zelfgemaakt ..................................................................................................... 2.4 Mooie emoji’s .................................................................................................... Het onderwerp en de persoonsvorm 2.5 Spreken met symbolen .................................................................................... 2.6 Goed gevonden! ............................................................................................... Werkwoordstijden De verleden tijd 2.7 Roadtrip ............................................................................................................

6

6

10 14 16 20 29

35

EM

PL

3 Panorama ................................................................................................................ 44 3.1 Duidelijk! ........................................................................................................... 44

IN

KI

JK EX

4 Woordenlijst ........................................................................................................... 46

2

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar


Ontdek

1

1.1 Niet zo duidelijk 1 Bekijk per twee de borden. Veel mensen vinden ze grappig. Begrijp jij waarom? Bespreek.

RE

1

AA R

D IE

KE U

2

3

JK EX

EM

PL

4

IN

KI

5

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

3


niet opzettelijk, zonder dat je het zo bedoelt 2 Sommige borden zijn als een mopje bedoeld. Sommige zijn per ongeluk grappig. Omcirkel op de vorige pagina de nummers van de borden die als mopje bedoeld zijn. 3 Sommige borden worden grappig door de plaats waar ze hangen. Bekijk de afbeeldingen. Beantwoord de vragen.

KE U

RE

a Waar is het bord grappig en waar niet? Verbind.

JK EX

EM

PL

AA R

D IE

grappig

IN

KI

niet grappig

b Hoe komt het dat dit bord soms wel grappig is en soms niet? Vertel.

4

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar


het anders maken, veranderen 4 Op de afbeeldingen zie je enkele borden op hun gewone plaats. Die zijn dus niet grappig bedoeld. Wij gaan daar verandering in brengen. Kies een van de borden en bedenk zelf een grappige plaats waar je het zou kunnen hangen, ergens waar het bord echt niet thuishoort. Teken daarna het bord en de gekke plaats waar het hangt in het kader. 2

3

4

IN

KI

JK EX

EM

PL

AA R

D IE

KE U

RE

1

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

5


2

Routeplanner

iets vertellen wat geheim moest blijven

2.1 Borden in alle kleuren en formaten

• Stel om de beurt een ja-neevraag over hoe het bord eruitziet. Is het bord rond? Is het bord doorstreept? Staat er een mens op? De ander antwoordt énkel met ‘ja’ of ‘nee’.

RE

1 Speel per twee. Kies allebei een verkeersbord uit het raster. Verklap nog niet welk bord jij koos. Lees eerst de speluitleg.

KE U

• Probeer te ontdekken welk bord je klasgenoot koos. Doorstreep de borden die niet kunnen.

• Volg het voorbeeld. Is het bord rood?

D IE

• Wie als eerste het juiste bord vindt, heeft gewonnen.

Nee.

IN

KI

JK EX

EM

PL

AA R

Ik doorstreep alle rode borden.

6

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar


2 Verbind de borden uit de vorige oefening met de juiste betekenis.

KE U

Hier is een rotonde.

RE

Dit is het einde van de fietszone.

D IE

Drink niet van dit water.

3 Bekijk de zinnen in de vorige oefening. Noteer steeds één voorbeeld per woordsoort.

AA R

werkwoord

EM

Woordsoorten

zelfstandig naamwoord

PL

lidwoord

• De, het en een zijn lidwoorden.

JK EX

de jongen, het verhaal, een kat

• Een zelfstandig naamwoord geeft een naam aan iets of iemand: planten, dieren, voorwerpen, personen …

IN

KI

boom, kameel, zus, matroos, Anne, rots

• Een werkwoord zegt wat iets of iemand doet of wat er gebeurt. Dit kan een handeling zijn of een toestand. Bas loopt naar school. / Ik heb het koud.

• Een bijvoeglijk naamwoord geeft meer uitleg over een zelfstandig naamwoord. Het vertelt hoe het is. mooi, groot, mannelijk, papieren

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

7


4 Lees de zinnen. Welke woordsoort is onderstreept? Markeer ZN (zelfstandig naamwoord), LW (lidwoord) of WW (werkwoord). ZN – LW – WW

b Het bord zegt dat je iets niet mag doen.

ZN – LW – WW

c Het bord kom je niet zo vaak tegen.

ZN – LW – WW

d Het bord is heel groot.

ZN – LW – WW

e Op het bord staat een dier.

ZN – LW – WW

RE

a Het verkeersbord is geel.

f Er staat een verkeersbord aan de school.

KE U

ZN – LW – WW

D IE

5 Lees de zinnen. Markeer de lidwoorden roze, de zelfstandige naamwoorden geel en de werkwoorden groen. Kun je raden over welk bord het gaat? Tip: het bord kwam al voor in oefening 1. a Het verkeersbord waarschuwt bestuurders. b De auto’s moeten opletten. d Hier is een school.

AA R

c Het bord toont kinderen die oversteken.

Het bord is rond.

het ronde bord

De rand is rood.

de

rand

De borden zijn groen.

de

borden

Het bord is vuil.

het

bord

IN

KI

JK EX

EM

PL

6 Beschrijf de volgende borden. Volg het voorbeeld.

Soms moet je een -e toevoegen aan het bijvoeglijk naamwoord. een slim meisje → het slimme meisje

8

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar


7 Bekijk de afbeeldingen. Vul aan met een bijvoeglijk naamwoord dat het bord omschrijft. .

het

bord

Het bord is

.

het

bord

Het bord is

.

het

KE U

RE

Het bord is

bord

D IE

8 Lees de zinnen. Markeer de lidwoorden roze, de zelfstandige naamwoorden geel, de bijvoeglijke naamwoorden blauw en de werkwoorden groen. Kruis daarna aan om welk bord het gaat.

b De lange streep is wit.

AA R

a Het bord is blauw.

IN

KI

JK EX

EM

PL

c De korte streep heeft een rode kleur.

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

9


2.2 Pictogrammen die levens redden 1 Bekijk de pictogrammen. Heb je ze al eens gezien? Ze kunnen levens redden. Lees de teksten. Noteer bij elke tekst het nummer van het juiste pictogram. 2

3

4

RE

1

5

KE U

ziekte in de hersenen waarbij iemand soms de controle verliest of bewusteloos wordt

D IE

Dit bord wijst de weg naar de nooduitgang. Bij brand of gevaar moet je evacueren. Dan volg je deze borden. Zo kun je snel en veilig het gebouw verlaten. Dit staat op het hesje van een hulphond. Sommige honden helpen mensen met een ziekte of probleem zoals epilepsie, diabetes of suikerziekte angstaanvallen. De hond blaft als er een probleem is met zijn baasje. Dat kan hij ruiken. Andere honden ondersteunen mensen met een beperking. Zo is er bijvoorbeeld de blindengeleidehond. Heeft een hond deze pictogrammen op zijn hesje? Dan is de hond aan het werk. Je mag hem geen aandacht geven en niet aaien.

PL

AA R

momenten van grote paniek of angst, zelfs als er geen gevaar is

EM

Hier vind je een AED-toestel. Dat gebruik je bij een hartstilstand. Het toestel vertelt je wat je moet doen. Je plakt de elektroden op de borst van de patiënt. Daarna geeft het toestel een elektrische schok om het hart weer te doen kloppen.

iets wat elektrische stroom geeft

Dit is het pictogram van EHBO. EHBO betekent Eerste Hulp Bij Ongevallen. Je vindt er mensen of materialen die helpen bij verwondingen of ongelukken.

IN

KI

JK EX

Dit pictogram kan je achteraan op een fiets zien hangen. Het toont dat de fietser niet goed hoort. Zo weten anderen dat ze voorzichtig moeten zijn. Dit pictogram helpt om ongevallen te voorkomen.

2 Verbind de woorden uit de vorige oefening met de juiste betekenis. verlaten voorkomen evacueren

10

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

weggaan uit een gebouw of gebied omdat het daar gevaarlijk is zorgen dat iets niet gebeurt weggaan, vertrekken


3 We spelen ‘team-hints’! Speel in groepjes van vier leerlingen. Volg de stappen. Stap 1

Bedenk een teamnaam. Onze teamnaam:

Stap 2

overal hetzelfde

RE

Bij elk groepje liggen kaartjes op een stapel. Eén speler uit elk groepje neemt het bovenste kaartje. Daarop staat een universeel pictogram of bord.

KE U

De speler beeldt het pictogram uit. Hij/zij mag het kaartje niet laten zien en mag geen woorden of geluiden gebruiken.

De anderen proberen te raden welk pictogram er op het kaartje staat. Gevonden? Doorkruis het op het spelbord hieronder.

Stap 4

Het eerste groepje dat een hele rij óf een hele kolom aangekruist heeft, roept zo snel mogelijk de teamnaam. Zij zijn de winnaars van het spel.

IN

KI

JK EX

EM

PL

AA R

D IE

Stap 3

rol, doel

4 Bekijk de borden en pictogrammen uit de vorige oefening opnieuw. Let goed op de kleuren, die hebben een functie. Schrijf naast elke betekenis de juiste kleur. veiligheid:

gevaar of verbod:

informatie of verplichting:

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

11


5 Lees de teksten. Bij welk pictogram horen ze? Verbind. Oei, het brandalarm gaat af. Waar moeten we naartoe? Mag ik jou volgen?

KE U

RE

Ga je mee met de lift? Ik moet naar de tweede verdieping.

D IE

Oh nee, gsm’s zijn hier niet toegestaan! Staat jouw gsm nog aan? Ik heb de mijne al uitgezet.

AA R

6 Bekijk de onderstreepte woorden in oefening 5. Wat valt er op? Vertel.

Jou of jouw

PL

We schrijven jouw als het gaat over een bezit. In alle andere gevallen gebruiken we jou.

EM

Weet je niet zeker welke vorm je moet gebruiken? Probeer het woord dan te vervangen door ‘mij’ of ‘mijn’. Hier hoor je het verschil wel.

JK EX

Kan je het vervangen door ‘mij’? Schrijf dan ‘jou’. Kan je het vervangen door ‘mijn’? Schrijf dan ‘jouw’. Ik geef het boek aan jou/jouw. --> Ik geef het boek aan mij. --> Ik geef het boek aan jou.

IN

KI

Ik vind jou/jouw trui leuk! --> Ik vind mijn trui leuk! --> Ik vind jouw trui leuk!

12

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar


7 Markeer eerst de juiste vorm in de linkerzin (‘mij’ of ‘mijn’). Vul de rechterzin daarna aan met ‘jou’ of ‘jouw’. a Het is mij – mijn idee. Het is

idee.

b Hij heeft mij – mijn niet gezien. Hij heeft

niet gezien.

c Dit feest is speciaal voor mij – mijn. Dit feest is speciaal voor d Wat is mij – mijn favoriete vak? Wat is

RE

favoriete vak?

broer heeft bruin haar.

KE U

e Mij – Mijn broer heeft bruin haar.

.

8 Lees de zinnen. Gebruiken we hier ‘jou’ of ‘jouw’? Markeer de juiste vorm.

b Ik hou van jou – jouw.

D IE

a Staat dat verkeersbord in jou – jouw straat?

c De politieman zegt jou – jouw wanneer je mag doorrijden. d Vind jij jou – jouw klas gezellig?

AA R

e Hier mag je jou – jouw auto niet parkeren. f Dat heb ik jou – jouw toch al verteld?

IN

KI

JK EX

EM

PL

g Hoe heet jou – jouw kat?

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

13


2.3 Zelfgemaakt 1 Bekijk de video over Jaques de pauw. Beantwoord de vragen. a Jaques is een dorpsfiguur. Wat betekent dat? Kruis aan.

b De auto’s vlammen hier wel. Wat betekent dat? Kruis aan.

KE U

Er is veel verkeer. De auto’s rijden te snel. De auto’s maken veel lawaai.

RE

Jacques is het huisdier van de burgemeester van het dorp. (Bijna) iedereen in het dorp weet wie Jacques is. Jacques woont al zijn hele leven in het dorp.

D IE

c Waarom maakte Veerle een nieuw verkeersbord? Noteer de twee redenen. • •

AA R

d Waarom koos Veerle de naam ‘Jacques’? Noteer.

PL

EM

2 Iemand die zo trots is als een pauw voelt zich heel erg trots. Hoe kan je dat nog zeggen? Markeer de uitdrukkingen die hetzelfde betekenen groen. Markeer de uitdrukkingen die het tegenovergestelde betekenen roze. door de grond zakken van schaamte

JK EX

apetrots zijn

zo fier als een gieter zijn

IN

KI

het schaamrood op de wangen hebben

ergens prat op gaan

zich klein voelen

Een uitdrukking is een combinatie van woorden met een figuurlijke betekenis. Dat was de druppel die de emmer deed overlopen.

14

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar


3 Ga op wandel door de school. Zoek vijf verschillende pictogrammen. Teken ze, noteer waar je ze vond en wat ze betekenen. Wat betekent het?

D IE

RE

Waar vond je het?

KE U

Pictogram

AA R

PL

het is er niet, maar het is wel nodig

IN

KI

JK EX

EM

4 Welk bord ontbreekt er nog op school volgens jou? Is er ergens veel lawaai? Wordt er ergens te veel getreuzeld? Denk na over hoe je de boodschap duidelijk zou kunnen maken. Vertel je idee aan je buur.

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

15


2.4 Mooie emoji’s 1 Bekijk de emoji’s. Welke emoji’s gebruik jij? In welke situatie gebruik jij ze? Kruis aan. Teken ook jouw favoriete emoji.

vaak. af en toe. (bijna) nooit.

😖

PL

vaak. af en toe. (bijna) nooit.

Ik gebruik deze emoji …

JK EX

EM

als ik boos ben. als ik geschrokken ben. als ik blij ben. als ik verdrietig ben. als ik moe ben.

KI IN

Ik gebruik deze emoji …

als ik boos ben. als ik geschrokken ben. als ik blij ben. als ik verdrietig ben. als ik moe ben.

Ik gebruik deze emoji …

16

AA R

Ik gebruik deze emoji …

als ik boos ben. als ik geschrokken ben. als ik blij ben. als ik verdrietig ben. als ik moe ben.

D IE

Ik gebruik deze emoji …

vaak. af en toe. (bijna) nooit.

Ik gebruik deze emoji …

😴

Dit is mijn favoriete emoji:

Ik gebruik deze emoji …

als ik boos ben. als ik geschrokken ben. als ik blij ben. als ik verdrietig ben. als ik moe ben.

als ik boos ben. als ik geschrokken ben. als ik blij ben. als ik verdrietig ben. als ik moe ben.

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

😙

Ik gebruik deze emoji …

als ik boos ben. als ik geschrokken ben. als ik blij ben. als ik verdrietig ben. als ik moe ben.

vaak. af en toe. (bijna) nooit.

vaak. af en toe. (bijna) nooit.

KE U

Ik gebruik deze emoji …

Ik gebruik deze emoji …

RE

🙃

Ik gebruik deze emoji …

😱


2 Bespreek de vragen over emoji’s. a Wat betekenen de emoji’s in de vorige oefening? Betekenen ze voor iedereen hetzelfde? b Wat is jouw favoriete emoji? Wanneer gebruik je die? c Gebruik je vaak emoji’s in je berichten?

RE

d In welke situaties gebruik je best geen emoji’s?

KE U

e Vind je dat emoji’s helpen om gevoelens duidelijker te maken?

3 Lees de zinnen uit de vorige oefening opnieuw. Markeer de ja-neevragen. Onderstreep de persoonsvormen in de ja-neevragen dubbel.

D IE

Weet je het nog?

AA R

Een ja-neevraag heeft als antwoord ‘ja’ of ‘nee’. Een vraagwoordvraag begint met een vraagwoord (wie, waarom, hoe ...).

Het onderwerp en de persoonsvorm

EM

PL

Het onderwerp is iemand of iets waarover de zin iets zegt. Het is het zinsdeel dat antwoord geeft op de vraag: Wie of wat + persoonsvorm? De klas speelt samen een spel. (Wie of wat speelt …?)

JK EX

De persoonsvorm is het werkwoord (= doe-woord) dat bij het onderwerp van de zin hoort. Je kan het vinden door een ja-neevraag te maken van de zin. De persoonsvorm komt dan vooraan te staan.

IN

KI

We maken een eigen pictogram. / Maken we een eigen pictogram? Verandert het onderwerp van enkelvoud naar meervoud? Dan verandert de persoonsvorm mee. Ik gebruik emoji’s. / We gebruiken emoji’s.

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

17


4 Maak een ja-neevraag van de zinnen. Onderstreep de persoonsvorm dubbel in de ja-neevragen en daarna ook in de mededelende zinnen. Volg het voorbeeld. Lotte schrijft een brief. Schrijft Lotte een brief? a Thomas en Flore zullen een boomhut bouwen.

RE

c De oude vrouw heeft door de regen gewandeld.

D IE

KE U

b De grote hond blaft luid.

5 Lees de zinnen. Is het vetgedrukte woord de persoonsvorm of niet? Kruis aan.

AA R

persoonsvorm

geen persoonsvorm

a De liefste hond van de wereld is die van mijn oma.

PL

b We willen pizza eten. c Mijn zus heet Amina.

EM

d Elke ochtend geef ik de kippen eten. e De buurman heeft gisteren een marathon gelopen.

JK EX

f Op donderdagavond moet ik naar de muziekles.

IN

KI

6 Lees de zinnen. Is het vetgedrukte deel het onderwerp of niet? Kruis aan.

a Ik geef het boek aan jou. b Hij heeft lange, zwarte haren. c ’s Avonds kijken we samen een film. d Merel en Griet stellen een vraag. e Welke emoji gebruik jij? f Jij hebt me doen schrikken.

18

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

onderwerp

geen onderwerp


7 Lees de zinnen. Wie of wat doet iets? Onderstreep het onderwerp. a Ik hou van postkaartjes sturen. b Fien en Zara moeten lachen als ze het berichtje zien. c Het lachende gezichtje is een populaire emoji. d Gebruik jij veel emoji’s in je berichten?

RE

e Een mail met te veel emoji’s vind ik onprofessioneel.

KE U

8 Lees de zinnen. Onderstreep de onderwerpen enkel. Onderstreep de persoonsvormen dubbel. Mijn moeder gebruikt graag emoji’s. Zo kreeg ik gisteren dit bericht: Ik heb chocolademousse gemaakt.

Moeders…

💩

AA R

De kommetjes staan in de koelkast!

D IE

Maar soms maakt ze vreemde keuzes.

🙄🤦

EM

💩 😪 🙇

PL

9 Wist je dat emoji’s oorspronkelijk uit Japan komen? Lees de emoji-weetjes. Beantwoord de vragen mondeling.

IN

KI

JK EX

Het woord voor ‘drol’ in het Japans begint met dezelfde klank als het woord voor ‘geluk’. Daarom is deze emoji dus eigenlijk bedoeld om iemand geluk te wensen.

In Japanse Manga-strips betekent een snottebel dat een personage slaapt of heel erg moe is. beleefdheidsregels In Japan is buigen een belangrijk onderdeel van de etiquette. Het wordt er ‘dogeza’ genoemd. Het is een teken van respect en nederigheid. Mensen buigen vaak om hun excuses aan te bieden of om een gunst te vragen. iemand vragen om iets voor jou te doen

a Welk weetje vond je het interessantst? b Heb jij ooit al eens een emoji-misser meegemaakt?

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

19


2.5 Spreken met symbolen

IN

KI

JK EX

EM

PL

AA R

D IE

KE U

RE

1 Lees het stripverhaal. Beantwoord de vragen.

© ROBA, J., & VERRON, L., BOLLIE EN BILLIE 33 HET SPOOR BIJSTER, DUPUIS 2016, 27.

a Waarom sluipen de drie personages stiekem naar beneden? Vertel. b Wat betekenen deze symbolen in het stripverhaal? Kruis aan. De personages vinden iets grappig. De personages zijn geschrokken. De personages zijn bang.

20

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar


IN

KI

JK EX

EM

PL

AA R

D IE

KE U

RE

2 Bekijk de strip. In welke tekstballon horen de symbolen? Noteer het cijfer in de juiste tekstballon.

© ROBA, J., & BASTIDE, J., BOLLIE EN BILLIE 35 SYMFONIE IN BILLIE GROOT, DUPUIS 2018, 3.

1

2

3

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

21


3 Ga in strips op zoek naar symbolen. Welke symbolen vind je? Wat betekenen ze volgens jou? Vertel.

Wist je dat …

RE

Met symbolen kan er in stripverhalen gecommuniceerd worden zonder woorden. De symbolen worden vaak gebruikt om gevoelens uit te drukken (woede, verliefdheid …).

2

PL

AA R

D IE

1

KE U

4 Bekijk de symbolen in de striptekeningen. Door welke zin kan je ze vervangen? Kruis aan.

© NYS, J., JOMMEKE 122 HET BOHEEMS SCHOMMELPAARD, STANDAARD UITGEVERIJ 2014, 26

© NYS, J., JOMMEKE 186 DE PRUIK VAN ANATOOL, STANDAARD UITGEVERIJ 2015, 43.

EM

Ik ben moe. Wat is er aan de hand? Ik heb zin in deze dag!

4

IN

KI

JK EX

3

Hé, wat doe je nu? Niks aan de hand! Ga opzij!

© NYS, J., JOMMEKE 186 DE PRUIK VAN ANATOOL, STANDAARD UITGEVERIJ 2015, 6.

Let maar niet op mij! Ga opzij! Ik heb zin in deze dag!

22

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

© NYS, J., JOMMEKE 172 FIFI IN DE KNOEI, STANDAARD UITGEVERIJ 2014, 11.

Ik heb het warm. Wat ga ik vandaag doen? Wat gebeurt er daar?


IN

KI

JK EX

EM

PL

AA R

D IE

KE U

RE

5 Lees het stripverhaal. Beantwoord de vragen.

© NYS, J., ALLE BELEVENISSEN VAN JOMMEKE, 35 GEKKE GRAPPEN, STANDAARD UITGEVERIJ 2020, 203.

a Waarom zegt de man aan het begin van het stripverhaal: “Dat is geen vrouwenwerk!”? Heeft hij gelijk? Hoe loopt het verhaal af? Vertel.

Een stereotype is een overdreven beeld van iemand of een groep mensen. Dit kan een humoristisch effect hebben. Let wel op! Stereotypen kunnen tot vooroordelen leiden. Dat zijn ideeën die je over iemand of over een groep mensen hebt, zonder te weten of het klopt.

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

23


b Omcirkel de sterren in het stripverhaal. Wat betekenen ze? Kruis aan. Het personage heeft pijn.

Het personage is in de war.

6 Deze symbolen komen vaak voor in stripverhalen. Wat betekenen ze? Noteer de letter op de juiste plaats in de tabel. a Er klinkt muziek.

2

b Iemand is verliefd of vindt iets heel leuk.

3

c Iemand heeft een idee.

4

d Iemand is duizelig.

5

e Iemand is boos.

6

f Iemand schrikt.

KE U

D IE

2

3

4

5

6

AA R

1

RE

1

EM

2

KI

JK EX

1

PL

7 Bekijk de stukjes uit het stripverhaal. Door welk symbool kan je de tekst in deze tekstballonnen vervangen? Kruis aan.

4

IN

3

© NYS, J., JOMMEKE 202 DE PANDA VAN WANDA, STANDAARD UITGEVERIJ 2015, 19-21, 33.

24

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar


D IE

KE U

RE

8 Bekijk het stripverhaal. Vul daarna het lege stripverhaal aan met symbolen.

© NYS, J., JOMMEKE 202 DE PANDA VAN WANDA, STANDAARD UITGEVERIJ 2015, 4.

IN

KI

JK EX

EM

PL

AA R

9 Sommige symbolen betekenen (ongeveer) hetzelfde. Welke symbolen geven aan dat iemand schrikt? Kleur ze groen. Welke symbolen geven aan dat iemand boos is? Kleur ze rood.

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

25


boos

leuk

rustig

lelijk

vervelend

blij

mooi

saai zenuwachtig

KE U

boeiend

RE

10 Verbind de tegenstellingen.

Een tegenstelling is een woordpaar waarbij het ene woord het omgekeerde betekent van het andere woord.

D IE

goed – slecht warm – koud

AA R

11 Soms kunnen we tegenstellingen maken door ‘on(t)-’ voor het woord te schrijven. Lees de woorden en noteer hun tegenstellingen. Volg het voorbeeld. onbekend

a gelukkig

EM

b spannend

PL

bekend

d koppelen

e gepland

f eerlijk

KI

JK EX

c mogelijk

IN 26

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar


12 Bekijk per twee de afbeeldingen. Ze bevatten heel wat symbolen. Als jullie de strip zouden voorlezen, hoe zouden jullie deze symbolen dan verklanken? Vervang de symbolen door geluiden of tekst. Volg het voorbeeld. Welk gevoel past bij de man?

KE U

Wat kan je zeggen? Auw!

RE

Hij is boos. Hij is verdrietig. ✗ Hij heeft pijn.

Welk gevoel past bij de mensen in de bus?

a

D IE

Ze hebben pijn. Ze zijn geschrokken. Ze zijn boos.

AA R

Wat kan je zeggen?

Welk gevoel past bij de vrouw?

JK EX

EM

PL

b

IN

KI

c

Ze is teleurgesteld. Ze is in de war. Ze is bang.

Wat kan je zeggen?

Welk gevoel past bij de man met de pet? Hij heeft pijn. Hij is bang. Hij is verdrietig. Wat kan je zeggen?

© LEEMANS, H., F.C. DE KAMPIOENEN 92 DE PAKJESOORLOG, STANDAARD UITGEVERIJ 2017, 1-2.

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

27


13 Bekijk per drie het stripverhaal op p. 23 opnieuw. Welk gevoel zit er in elke tekening? Bespreek. Lees daarna het stripverhaal samen voor. Spreek af wie welke rol zal spelen. Maak duidelijk hoe iedereen zich voelt.

IN

KI

JK EX

EM

PL

AA R

D IE

KE U

RE

14 Hou je van een uitdaging? Probeer dan hetzelfde voor dit stripverhaal. Gebruik dit keer geen woorden, maar enkel geluiden.

© COLLIN, R., & AH-KOON, D., MINIONS 1 BANANA, DUPUIS 2015, 23.

28

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar


2.6 Goed gevonden!

kritiek geven op een plagerige manier

1 Lees het artikel. Beantwoord de vragen.

Hilarische stickers van Ward (25) die NMBS op de korrel nemen, gaan wereld rond: “Maar ik wil hen zeker niet belachelijk maken” Frank Poosen

RE

heel grappige

KE U

Treinreizigers die zich afvragen wie de grapjas is die in de coupés stickers treinwagons plakt met boodschappen als ‘rijstwafels niet toegelaten’: het is Ward Rombaut (25) uit Brugge.

ik ben verrast

Zo’n drie jaar geleden begon Ward grappige stickers te ontwerpen terwijl hij op de trein zat. “Ik spoor regelmatig van Brugge naar Vilvoorde. Tijdens die lange rit begon ik te fantaseren. Zo ben ik op het idee van de stickers gekomen.” De boodschappen op de stickers zijn vaak hilarisch.

AA R

iets bedenken, je fantasie gebruiken

D IE

Op sociale media – Instagram en Tiktok – zijn de stickeravonturen van Ward Rombaut (Wardrombaut.xyz) een groot succes. Ze werden al 15 miljoen keer bekeken over heel de wereld. “Ik sta er zelf van te kijken”, zegt de maker. “Ik had nooit verwacht dat het zo’n succes zou worden.”

EM

Stoppen met grappen zit er niet meteen in, zegt Rombaut. “Zolang niemand er aanstoot aan neemt, zal ik doorgaan. Ik zit vaak en lang in de trein. Die stickers bedenken helpt me de tijd te doden. Het is gewoon leuk, toch?”

de tijd sneller te laten gaan

IN

KI

© WARDROMBAUT.XYZ

JK EX

zich erdoor beledigd voelt

PL

“Ik heb ook een hele reeks verbodsstickers gemaakt die ik in het station van Vilvoorde heb gehangen, ‘verboden te stofzuigen’ bijvoorbeeld, of ‘geen scheten laten’”.

NAAR: HET NIEUWSBLAD, 2024

a Wie is de zender van dit artikel? Kruis aan. de NMBS

Ward Rombaut

Frank Poosen

b Wat weet je over Ward Rombaut? Vertel. c Vind je de stickers grappig of niet? Vertel waarom. MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

29


2 Herlees de vragen bij het artikel in de vorige oefening. Beantwoord de vragen. a Onderstreep de persoonsvormen in de vragen dubbel. b In welke tijd staan de werkwoorden? Kruis aan. verleden tijd

tegenwoordige tijd

toekomende tijd

RE

Werkwoordstijden

=

wat vroeger gebeurde.

• Tegenwoordige tijd

=

wat nu gebeurt.

• Toekomende tijd

=

wat nog gaat gebeuren.

-->

Ik draaide.

-->

Ik draai.

-->

Ik zal draaien.

D IE

• Verleden tijd

KE U

De tijd van een werkwoord vertelt je wanneer iets gebeurt.

AA R

3 Lees de zinnen. Markeer de werkwoorden. In welke tijd staan ze? Kruis aan. verleden tijd (vroeger)

tegenwoordige tijd (nu)

toekomende tijd (later)

PL

a De stickers zullen de wereld rondgaan. b Hij fantaseerde op de trein.

EM

c Ik zal doorgaan.

d Het is leuk, toch?

JK EX

e Ik wil hen niet belachelijk maken.

KI

4 Lees de zin uit het artikel. Beantwoord de vragen.

IN

Zo’n drie jaar geleden begon Ward grappige stickers te ontwerpen terwijl hij op de trein zat. a Onderstreep de tijdsaanduiding aan het begin van de zin. Wanneer gebeurt het? Vertel. b Herken je de gemarkeerde werkwoorden? Noteer de infinitief. begon:

30

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

zat:


De verleden tijd Verleden = wat vroeger gebeurde.

De uitgang die je moet gebruiken, hangt af van het onderwerp. vorm

regel ik droomde

stam + te / de

jij maakte

jij droomde

stam + te / de

hij maakte

hij droomde

stam + te / de

zij maakte

zij droomde

stam + te / de

wij maakten

wij droomden

stam + ten / den

jullie maakten

jullie droomden

stam + ten / den

zij maakten

zij droomden

stam + ten / den

AA R

D IE

KE U

ik maakte

RE

Werkwoorden zonder klankverandering Je neemt de stam (ik-vorm) van het werkwoord en voegt de uitgang toe. spelen --> ik speelde

PL

Tip: stam (ik-vorm) eindigt op t, k, f, s, ch of p --> + te(n) stam eindigt niet op t, k, f, s, ch of p --> + de(n) maken – ik maak – ik maakte dromen – ik droom – ik droomde

JK EX

EM

Werkwoorden met klankverandering Sommige werkwoorden veranderen van klank in de verleden tijd. Deze werkwoorden moet je uit het hoofd leren. Hieronder zie je een aantal voorbeelden.

IN

KI

zijn hebben gaan zeggen helpen nemen

--> --> --> --> --> -->

ik was ik had ik ging ik zei ik hielp ik nam

wij waren wij hadden wij gingen wij zeiden wij hielpen wij namen

5 Markeer de laatste letter van de stam. Vul dan het werkwoord aan in de verleden tijd. Volg het voorbeeld. ik hoorde a Ward vertel

c de reizigers deel

b jullie stop

d jij verbeter

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

31


6 Vul de tabel aan. Volg het voorbeeld. infinitief (volledige vorm)

stam (ik-vorm)

verleden tijd (vroeger)

draaien

draai

hij draaide

d blaffen e rennen f leiden

jij

jullie

de hond

de paarden

RE

c zetten

de jongen

KE U

b maken

D IE

a stappen

de gids

AA R

PL

Als de stam van het werkwoord op t of d eindigt, dan schrijf je in de verleden tijd tt of dd bij werkwoorden zonder klankverandering.

EM

groeten – groet – hij groette landen – land – het vliegtuig landde

JK EX

7 Vul de zinnen aan in de verleden tijd. Let op: dit zijn allemaal werkwoorden met klankverandering.

KI

a nemen

De jongen

IN

b helpen

32

je vorige week mee?

c zijn

Jullie

d hebben

Ik

e zeggen

De leerkracht

f gaan

Gisteren

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

een stuk fruit.

heel creatief. een goed idee. niets. we naar school.


8 Vul de tabel aan. Zet de zinnen om van enkelvoud naar meervoud, en omgekeerd. enkelvoud

meervoud

Het meisje vertelde een grap.

Ik was beleefd.

RE

Jullie gingen met de fiets.

KE U

De leerlingen tekenden graag.

De tuinman snoeit de boom. De tuinman snoeide de boom.

D IE

9 Lees de zinnen. Onderstreep de persoonsvorm dubbel. Zet het werkwoord daarna in de verleden tijd. Volg het voorbeeld.

AA R

a Het vliegtuig landt om half acht.

PL

b De brandweermannen helpen haar.

EM

c Droom jij van een reis naar Griekenland?

JK EX

d Mijn zussen kleden zich graag sportief.

IN

KI

10 Herinner je je het artikel over de stickers nog? In deze tekst lees je hoe Ward op het idee gekomen zou kunnen zijn. Vat de tekst mondeling samen in één zin. Gisteren zat ik op de trein. Het was heel druk. Naast mij zat een mama met een kleuter. De kleine jongen kroop bij zijn mama op schoot. Zo had hij toch nog een plekje. Alle andere mensen stonden recht. Voor hen was er geen plaats. En toen bedacht ik deze sticker: © WARDROMBAUT.XYZ

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

33


11 Schrijf nu een gelijkaardige tekst voor een van deze stickers. Stel je voor … Jij zit op de trein. Je ziet/ruikt/merkt iets. Wat gebeurt er? Wat vind je daarvan? Volg de stappen. Kies een sticker. Kruis aan.

Stap 2

EM

PL

AA R

D IE

KE U

RE

Stap 1

Denk eerst na over deze vragen.

JK EX

• Wat zei of deed iemand in de trein? • Waarom was dat vervelend/grappig? Wat voelde je daarbij?

IN

KI

Stap 3

Schrijf er een korte tekst over in de verleden tijd, zoals in oefening 10.

34

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar


2.7 Roadtrip 1 Lees de woorden. Markeer de lidwoorden roze, de zelfstandige naamwoorden geel en de werkwoorden groen.

7

snor – buurman – de – scheren – klas – het – lachen – een – lied – oppassen –

2 Schrijf de vetgedrukte woorden in de juiste kolom.

7

lidwoord

werkwoord

3 Deze woorden kunnen een zelfstandig naamwoord (zn) en een werkwoord (ww) zijn. Maak twee zinnen waarbij de woorden telkens anders gebruikt worden. Markeer daarna in jouw zinnen de lidwoorden roze, de zelfstandige naamwoorden geel en de werkwoorden groen.

KI

7

JK EX

EM

PL

AA R

zelfstandig naamwoord

D IE

KE U

a Heb jij ooit al een brandblusser nodig gehad? b Ik hoop van niet! c Gebruik brandblussers alleen in noodsituaties. d Er komt poeder of schuim uit. e Het zorgt ervoor dat het vuur zich niet kan verspreiden.

RE

vrienden – gebruiken – auto – bibliotheek

IN

a fiets zn: ww:

b planten zn: ww:

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

35


c antwoord zn: ww:

RE

7

4 Lees de woordgroepen. Markeer de lidwoorden roze, de zelfstandige naamwoorden geel, de bijvoeglijke naamwoorden blauw en de werkwoorden groen.

KE U

a de grappige meisjes b een huisdier adopteren c een duur cadeau d willen gaan zwemmen

D IE

e planten water geven

5 Schrijf de vetgedrukte woorden in de juiste kolom.

AA R

a In het gezellige asiel zat een pluizige kat me aan te kijken. b De oude hond kwispelde zo enthousiast dat zijn hele kont meedanste. c We gingen op bezoek in het dierenasiel en kwamen buiten met een koppige hamster. d Mijn eigenwijze poes denkt dat ze de baas is. e Ons konijn is verslaafd aan wortels.

PL

7

IN

KI

JK EX

EM

zelfstandig naamwoord

36

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

bijvoeglijk naamwoord

werkwoord


6 Bekijk het stripverhaal. Markeer de lidwoorden roze, de zelfstandige naamwoorden geel, de bijvoeglijke naamwoorden blauw en de werkwoorden groen. Let op: er zijn ook woorden die je niet moet markeren.

AA R

D IE

KE U

RE

7

PL

© ROBA, J., & BASTIDE, J., BOLLIE EN BILLIE 35 SYMFONIE IN BILLIE GROOT, DAGRAUD 2018, 21.

7 Lees de zinnen. Vul aan met ‘jou’ of ‘jouw’.

EM

12

Het is

b Hoe gaat het met mij?

Hoe gaat het met

c De jas is van mij.

De jas is van

JK EX

a Het is mijn schoen.

IN

KI

d Mijn beste vriend heet Jonas.

schoen. ? . beste vriend heet Jonas.

e Lars houdt van mij.

Lars houdt van

f Dat is mijn tekening.

Dat is

. tekening.

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

37


8 Vul de zinnen aan met ‘jou’ of ‘jouw’. a Hoe oud is

broer?

b Is die rugzak van Alex of van c Wat vindt

? vader van dat idee?

d Wat is e Geeft Mina

soms een knuffel?

f De mooiste vis is die van

12

.

9 Schrijf twee zinnen met ‘jou’ en drie zinnen met ‘jouw’.

D IE

a jou

AA R

b jouw

PL

EM

10 Lees de vragen. De persoonsvormen zijn dubbel onderstreept. Is het een ja-neevraag of niet? Kruis aan.

JK EX

17

a Is het een warme dag?

IN

KI

b Wanneer begint de herfst? c Welk geluid maakt een ezel? d Graaft de mol een gang? e Hoe laat is het? f Ligt de zebra in de zon?

38

RE

lievelingsvak op school?

KE U

12

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

ja-neevraag

geen ja-neevraag


11 Zet de woorden in de juiste volgorde om een goede ja-neevraag te maken. Denk aan het leesteken. Onderstreep daarna ook de persoonsvorm dubbel in de elke vraag.

17

a koala’s – in – Afrika – leven

RE

b morgen – vakantie – dag – hebben – een – we

c leuk – lezen – vinden – meeste – kinderen – de

KE U

D IE

d jullie – opdracht – af – de – hebben – helemaal – al

12 Lees de zinnen. Vul de vraag aan die je moet stellen om het onderwerp te vinden. Onderstreep daarna het onderwerp in elke zin. Volg het voorbeeld.

AA R

17

PL

Ze gaat naar school. Wie of wat gaat naar school?

a Stella en Louis luisteren graag naar muziek. ?

EM

→ Wie of wat

b Ik geef mijn zus een boek cadeau. → Wie of wat

JK EX

?

c Die doos weegt zo zwaar! → Wie of wat

KI

?

IN

d Wanneer breng je de kinderen naar de speeltuin? → Wie of wat

?

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

39


17

13 Lees de zinnen. Is het vetgedrukte deel het onderwerp of niet? Kruis aan. onderwerp

geen onderwerp

a Heb jij een huisdier? b Mijn kat is grijs. c Ze eet graag yoghurt. d Mijn broertje aait de kat heel graag.

RE

e Chocolade is giftig voor katten.

17

KE U

f Wist je dat?

14 Lees de zinnen. Onderstreep de onderwerpen enkel. Onderstreep de persoonsvormen dubbel. a Ik heb vandaag niet ontbeten.

D IE

b In die film over bosdieren speelt de vos de hoofdrol.

c Mijn broer en mijn zus kunnen heel goed zwemmen. d Vorig jaar zijn we naar Italië geweest.

AA R

e De scoutsleider zei dat we meteen moeten vertrekken. f De bomen in de straat zijn al veel gegroeid.

15 Bekijk de vetgedrukte werkwoorden. Wanneer gebeurt het? Kruis aan.

PL

30

EM

a We rijden met de fiets. verleden (vroeger)

heden (nu)

toekomst (later)

heden (nu)

toekomst (later)

JK EX

b Ze gaven elkaar een hand. verleden (vroeger)

KI

c Jullie zullen hem ontmoeten.

IN

verleden (vroeger)

heden (nu)

toekomst (later)

heden (nu)

toekomst (later)

d Ik slaap op mijn buik. verleden (vroeger)

e Papa zal even naar de winkel gaan. verleden (vroeger)

heden (nu)

toekomst (later)

heden (nu)

toekomst (later)

f De kinderen zwaaiden. verleden (vroeger)

40

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar


16 Lees de zinnen. Markeer telkens alle delen van de werkwoorden. In welke tijd staan ze? Kruis aan.

30

verleden tijd (vroeger)

tegenwoordige tijd (nu)

toekomende tijd (later)

a De prinses danst graag. b Daar springt een krekel. c De leerkracht was te laat.

RE

d Zal jij een cadeau kopen?

KE U

e Ik verloor het spel. f De verpleegster zal jou wel verzorgen!

17 Lees de tekst. Markeer de werkwoorden in de verleden tijd groen, in de tegenwoordige tijd geel en in de toekomende tijd blauw.

D IE

30

Een meisje wandelt door het park. De zon schijnt tussen de bomen.

AA R

Gisteren liep ze hier ook. Toen regende het de hele middag. Gelukkig is het vandaag mooi weer. Het meisje glimlacht naar een hond. Hij rende daarnet nog door het gras. Hij blaft en kwispelt met zijn staart.

PL

Straks zal het meisje op een bank zitten. Daar zal ze haar boek lezen. 18 Lees de werkwoorden in de verleden tijd. Noteer ze op de juiste plaats in de tabel. Er is één werkwoord met klankverandering. Markeer die rij.

EM

31

JK EX

klopten – namen – gebruikte – droomde – pendelden – droomden – nam – gebruikten – klopte – pendelde

IN

KI

infinitief

gebruiken pendelen nemen kloppen dromen

stam + te/de

stam + ten/den

ik

zij

de man

jullie

jij

wij

hij

de jongens

Alice

wij

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

41


19 Markeer eerst de werkwoorden met klankverandering. Vul daarna de zinnen aan in de verleden tijd. a voelen

Ik

me moe na de lange reis.

b nemen

We

onze boekentas.

c hebben

jullie veel plezier op het feest?

d zeggen

Hij

e groeien

De bloemen

f twijfelen

Mijn ouders

31

of het plan zou werken.

een heerlijke taart voor mijn

20 Beantwoord de vragen. Gebruik de verleden tijd. Volg het voorbeeld.

AA R

Speel je vandaag gitaar? Nee, gisteren speelde ik gitaar.

Nee, gisteren

PL

a Fiets je vandaag naar oma?

EM

b Luistert papa vandaag naar muziek? Nee, gisteren

JK EX

c Ben je vandaag ziek? Nee, gisteren

KI

d Gaan jullie vandaag naar de sportles?

IN

Nee, gisteren

42

KE U

g bakken Papa verjaardag.

snel.

RE

vorige week dat hij zou komen.

D IE

31

e Heeft Lien vandaag een toets? Nee, gisteren

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar


21 Lees de zinnen. Kruis de juiste betekenis van het onderstreepte woord aan. a Kun je verklappen waar we naartoe gaan? beslissen

vertellen

te weten komen

b Die nieuwe komedie is hilarisch! heel luid

heel grappig

c Mijn vriend stuurde per ongeluk een berichtje naar Janne. elke week

niet opzettelijk

d Er ontbrak één puzzelstukje. het lag verstopt

het was er niet

D IE

het bleef over, het was te veel

KE U

onverwachts

RE

heel verdrietig

22 Vul de zinnen aan met het juiste woord uit de lijst.

PL

a Ik kan urenlang

AA R

een gunst vragen – hilarisch – fantaseren – voorkomen – zo trots als een pauw zijn

over avonturen in verre landen.

vast

EM

b Wauw! Dat heb je fantastisch gedaan. Je ouders .

JK EX

c Mag ik jou

? Kun je me helpen verhuizen?

d Het filmpje van de dansende hond was echt

!

e Een fietshelm kan ernstige verwondingen

KI

.

IN

23 Vul de zinnen aan met het juiste woord. Je krijgt de eerste letter cadeau. a Tijdens het interview wilde de acteur niets v het einde van de film. Dat was geheim. b De school besloot alle leerlingen te e werd ontdekt. c Liefde is een u voorkomt. d Oh nee! Zij heeft p

over toen er rook

gevoel dat overal ter wereld haar sleutels thuis laten liggen. MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

43


3

Panorama

3.1 Duidelijk!

In deze module zag je heel veel borden en pictogrammen. Nu is het aan jou om er zelf een te ontwerpen. Is er op school of in jouw omgeving een bord of pictogram dat niet zo duidelijk is? Of ontbreekt er ergens een? Trek een foto van de plaats en eventueel van het bord of pictogram dat je wil vervangen. Je kan ook een tekening maken.

Stap 2

Ga jij een bord/pictogram vervangen of iets nieuws maken? Kruis aan. Vul ook de zinnen aan.

EM

PL

AA R

D IE

KE U

RE

Stap 1

Ik wil een bord of pictogram vervangen.

JK EX

Het hangt op deze plaats:

IN

KI

Dit is de boodschap:

De tekst of de afbeelding is onduidelijk omdat: Ik kan het duidelijker maken door:

44

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar


Ik wil een nieuw bord of pictogram maken. Het zal op deze plaats hangen: Er ontbreekt een bord op deze plaats omdat:

RE

Dit wordt de boodschap:

Ik kan het duidelijk maken door:

Teken hier hoe je bord of pictogram eruit zal zien.

D IE

Stap 3

KE U

JK EX

EM

PL

AA R

• Zorg ervoor dat het meteen duidelijk is wat het bord of pictogram betekent. Het mag niet te druk zijn. • Gebruik symbolen en/of enkele woorden, geen zinnen.

Stel jouw bord of pictogram voor aan de klas. Beschrijf het en overloop de keuzes die je gemaakt hebt (kleuren, symbolen, woorden …). Overtuig je klasgenoten ervan dat jouw bord of pictogram belangrijk is.

Stap 5

Evalueer jezelf. Hoe is de opdracht verlopen?

IN

KI

Stap 4

Dit ging goed: Hier zal ik volgende keer extra op letten:

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

45


4

Woordenlijst Het kind is zo trots als een pauw op zijn tekening.

heel trots zijn

een gunst vragen

Ik wilde mijn buurman een gunst vragen: om mijn planten water te geven tijdens mijn reis.

iemand vragen om iets voor jou te doen

evacueren

De gemeente besloot de camping te evacueren door de storm.

weggaan uit een gebouw of gebied omdat het daar gevaarlijk is

fantaseren

Ik hou ervan om te fantaseren dat ik een superheld ben.

iets bedenken, je fantasie gebruiken

hilarisch

Zijn mop was hilarisch en deed ons heel hard lachen.

heel grappig

ontbreken

Kunt u het formulier volledig invullen? Er ontbreken nog enkele belangrijke gegevens.

het is er niet, maar het is wel nodig

per ongeluk

Ik heb per ongeluk het glas water laten vallen.

niet opzettelijk, zonder dat je het zo bedoelt

universeel

Lachen is universeel: mensen over de hele wereld doen het.

overal hetzelfde

verklappen

Ik mag niet verklappen welk cadeautje je zal krijgen op je verjaardag.

iets vertellen wat geheim moest blijven

De laatste bezoekers verlieten het museum vlak voor sluitingstijd.

weggaan, vertrekken

Beweging en een gezonde voeding kunnen gezondheidsproblemen helpen voorkomen.

zorgen dat iets niet gebeurt

KE U

D IE

IN

KI

voorkomen

46

AA R

EM

JK EX

verlaten

RE

zo trots als een pauw zijn

PL

Woordenschat

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar


Schooltaalwoorden Ze beantwoordde de vraag van de leerkracht.

geef het antwoord

bedenk

We moesten een eigen verhaal bedenken voor de schrijfopdracht.

verzin

bekijk

We bekijken een video in de les.

kijk naar

beschrijf

De leerkracht vroeg ons om de prent te beschrijven.

vertel wat je ziet

bespreek

Ik bespreek met mijn buur hoe we de opdracht aanpakken.

praat erover

doorstreep

Ik doorstreep het foute antwoord.

trek een streep door

kruis aan

Ik kruiste aan welke hobby's ik leuk vind.

zet een kruisje in het vakje

markeer

Ik markeerde de belangrijkste woorden in de tekst geel.

kleur met je markeerstift

noteer

Ik noteer het juiste antwoord bij de vraag.

schrijf

omcirkel

Ze omcirkelde het juiste antwoord.

teken een cirkeltje rond

onderstreep

Hij onderstreept belangrijke woorden trek een streep onder in de tekst.

verbind

Ik verbind de twee woorden met een lijn.

trek een lijntje

Ik mocht aan de klas vertellen wat ik in het weekend gedaan had.

zeg het aan de klas

Ik verving het woord door een synoniem.

gebruik in de plaats

KE U

D IE

AA R

PL EM

vertel

JK EX

vervang door

RE

beantwoord

volg

We volgden de leerkracht nauwkeurig doe zoals bij de uitvoering van de proef.

vul aan

Ik vulde de zin aan met het juiste woord.

IN

KI

schrijf wat ontbreekt

MODULE 1 Wij begrijpen elkaar

47


Ik kan

schrijven

luisteren

handeling

AA R

kijken

spreken

woordenschat onthouden

PL

gesprek

uitbreiding

IN

KI

JK EX

EM

lezen

D IE

KE U

RE

de belangrijkste informatie uit een tekst halen. lidwoorden, zelfstandige naamwoorden en werkwoorden herkennen en gebruiken. de betekenis van pictogrammen begrijpen op basis van hun kleur. ‘jou’ en ‘jouw’ correct gebruiken in een zin. het onderwerp en de persoonsvorm herkennen en benoemen. de betekenis van symbolen in een tekst begrijpen. werkwoorden in de verleden tijd, de tegenwoordige tijd en de toekomende tijd herkennen. werkwoorden in de verleden tijd herkennen en gebruiken. de woorden uit de woordenlijst gebruiken. een pictogram of bord aanpassen of ontwerpen, zodat iedereen het begrijpt. bijvoeglijke naamwoorden herkennen en gebruiken.

Colofon

Wil je meer weten over deze methode Foto’s Adobe Stock Bij de totstandkoming van dit lesmateriaal is gebruikgemaakt van Nederlands?

Auteur Anne-Marie Debloudts Eerste editie generatieve AI-tools ter ondersteuning van redactie en formulering. Alle Surf naar max-nederlands.diekeure.be ISBN 978 90 4865 466 6 - KB D/2027/0147/005 inhoud is redactioneel gecontroleerd en gevalideerd. Bestelnummer 90 850 0211 (module 1 van 8) Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande NUR 117 - Thema YPCK21 schriftelijke toestemming van de uitgever. De uitgever heeft naar best vermogen Verantwoordelijke uitgever die Keure, Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge getracht de publicatierechten volgens de wettelijke bepalingen te regelen. Zij die RPR 0405 108 325 - © Copyright by die Keure, Brugge niettemin menen nog aanspraken te kunnen doen gelden, kunnen dat aan de uitgever

Heb je vragen of wens je een presentatie op school? Contacteer jouw educatief kenbaaradviseur. maken.

Die Keure wil het milieu beschermen. Daarom kiezen wij bewust voor papier dat het keurmerk van de Forest Stewardship Council® (FSC®) draagt. Dit product is gemaakt van materiaal afkomstig uit goed beheerde, FSC®-gecertificeerde bossen en andere gecontroleerde bronnen.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Max-Nederlands 2B - Module 1 Wij begrijpen elkaar - Inkijk methode by die Keure - Issuu