Skip to main content

Labo Taal en wereld 3 - Werkboek - Thema 2 - inkijk

Page 1


Mijn werkboek is ook mijn leerboek. Ik werk en netjes.schrijf

Ik kan al heel wat lichaamsdelen en organen van mijn lichaam benoemen.

Welke lichaamsdelen en organen ken jij al? Noteer ze rond de afbeelding.

Ik kan een tekst over de spijsvertering beter begrijpen door de informatie aan te duiden op prenten. De (reis door de) voedselfabriek

Waar gaat je eten naartoe?

Je eten reist door de voedselfabriek van je lichaam: het spijsverteringsstelsel .

Onderweg verandert er veel. De reis begint in je mond en eindigt op de wc.

Waarom heb je eten nodig? En wat gebeurt er op deze geweldige, en onsmakelijke, reis door je lichaam?

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Omcirkel het lichaamsstelsel dat bij deze tekst hoort en schrijf de juiste naam erbij.

Uit Leer je lichaam kennen: een hele buik vol, Schoolsupport Uitgeverij

In de tekst wordt de spijsvertering vergeleken met een reis doorheen de voedselfabriek. Lees en los op.

- Teken een vlag bij het begin en een streep bij het einde van de reis.

- Welke tussenstops maakt het voedsel op deze reis? Kleur en schrijf de lichaamsdelen of organen van het spijsverteringsstelsel die jij al kent.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Uitbuiken

Heb je je ooit afgevraagd wat er met je eten gebeurt nadat je het hebt doorgeslikt?

Waar gaat je eten heen?

Door je keel, via de slokdarm naar je maag. Je maag is klein als hij leeg is. Maar vol met eten zwelt hij op als een ballon.

Wat gebeurt er in je maag?

Je maag, of buik, is een eersteklas voedselvermaler! Met krachtige sappen valt hij je eten aan. Dan trekt hij zijn spieren samen en vermaalt het eten tot pulp.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Vul het schema aan voor het eerste deel van de reis. Maak een schets.

mond

Uit Leer je lichaam kennen: een hele buik vol, Schoolsupport Uitgeverij

In het vorige tekstfragment wordt de maag vergeleken met voorwerpen. Lees en los op.

- Waar ligt de maag? Zet een kruisje op de prent van het lichaam.

- Met welk voorwerp wordt de maag vergeleken? Noteer de naam van het voorwerp in het kader.

- Leg de vergelijking tussen dit voorwerp en de maag uit in de tekstballon.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Je onderbuikgevoel

Je darmen borrelen gezellig in je onderbuik. Al je eten gaat ernaartoe. Waarom heb je eigenlijk darmen?

Wat zijn darmen?

Je darmen zijn een superlange tunnel die als een soort spiraal in je onderbuik zit. Er is een dun deel dat de dunne darm wordt genoemd. En een dik deel dat de dikke darm wordt genoemd.

Dunne darm

De dunne darm begint bij je maag. Deze darm breekt voedsel af en neemt het op in je lichaam. Hij is enorm lang, want voedsel afbreken kost veel tijd.

Dikke darm

De dikke darm droogt voedselafval uit en maakt er ontlasting van (ook wel poep genoemd).

Uit Leer je lichaam kennen: een hele buik vol, Schoolsupport Uitgeverij

Lees eerst de tekst op de vorige pagina.

Teken pijlen bij de prent hieronder en schrijf de juiste naam erbij. de slokdarm – de maag – de dunne darm – de dikke darm

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Maak nu een schets en een schema van de volledige reis van het voedsel doorheen ons lichaam. Teken en noteer alle lichaamsdelen en organen waar het voedsel doorheen gaat.

Ik ga op reis. Welke route moet ik nemen? start finish

de mond de anus

het spijsverteringsstelsel het lichaamsstelsel dat voor de spijsvertering zorgt onsmakelijk niet smakelijk, maar vies opzwellen groter of dikker worden eersteklas het beste vermalen tot kleine stukjes maken door te kneden, kauwen … de pulp een papje van kleine stukjes / een soort moes de onderbuik het (onderste) gedeelte van je buik superlang heel erg lang voedselafval het afval of wat nog overblijft van het voedsel ontlasting de uitwerpselen, poep

Vul de tabel aan.

Van maaltijd tot voedingsstof

Ik ken het verschil tussen voedingsmiddelen en voedingsstoffen. Ik weet dat voedsel drie functies heeft en kan deze benoemen als bouwstof, brandstof en beschermende stof.

een voedingsmiddel een voedingsstof

Benoem de delen van de voedingsdriehoek.

VOEDINGSDRIEHOEK

MEER

MINDER

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Zet een kruisje in de vakken die belangrijk zijn bij gezonde voeding. Leg kort uit waarom dit meerdere vakken zijn.

Deze tekst gaat over voedingsstoffen. Lees de tekst en vul het schema hieronder aan. Kies de juiste woorden.

brandstof – bouwstof – beschermende stof koolhydraten – vetten – eiwitten – vitaminen – mineralen

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Waar is eten voor?

Je lichaam heeft brandstof nodig, net als een auto. Eten geeft je energie om te bewegen en warm te blijven. En je haalt er bouwstenen uit om te groeien en gezond te blijven.

Koolhydraten

Suikerhoudend en zetmeelrijk voedsel is geweldige brandstof voor je lichaam.

Vetten

Met vet uit voedsel legt je lichaam een voorraad noodenergie aan.

Eiwitten

Het grootste deel van je lichaam is gemaakt van eiwitten. Maar je kunt ze niet allemaal zelf aanmaken. Om te groeien en gezond te blijven, moet je dus eiwitrijk voedsel eten.

koolhydraten vetten eiwitten

Wat zijn vitaminen en mineralen?

Het zijn superstoffen in het voedsel dat we eten. Voedingsmiddelen bevatten specifieke vitaminen en mineralen die verschillende delen van je lichaam helpen gezond blijven.

voedingsstof

→ energie geven

→ groeien en herstellen

→ gezond blijven

in brood, pasta, banaan ...

in vlees, melk, vis, noten ...

in olijfolie, boter, vlees ... in fruit, groenten, vis ...

in vlees, vis, noten ...

Uit Leer je lichaam kennen: een hele buik vol, Schoolsupport Uitgeverij

Ik weet dat het spijsverteringsstelsel zorgt voor het verwerken van voedsel en kan de bijbehorende lichaamsdelen en organen benoemen.

Bekijk de prent hieronder. Welk lichaamsstelsel wordt hier afgebeeld? Wat is de functie van dit stelsel?

naam:

functie:

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Noteer de lichaamsdelen op de juiste plaats bij de prent. Welke functie heeft elk lichaamsdeel? Vul de tabel aan.

lichaamsdeel functie de mond: tanden en speeksel de slokdarm de maag de lever de dunne darm de dikke darm de endeldarm de anus

Werkwoorden en werkwoordsvormen: enkelvoud en meervoud

Ik weet dat werkwoordsvormen in het enkelvoud of meervoud kunnen staan.

Zoek in elke zin het werkwoord. Markeer de werkwoordsvormen in het enkelvoud met blauw en de werkwoordsvormen in het meervoud met groen .

1. J e maag vermaalt het eten tot pulp.

2. De reis van je voedsel begint in de maag.

3. In alle voedingsmiddelen zitten andere voedingsstoffen.

4. Het lichaam verteert het voedsel via de maag.

Vul aan met een passende werkwoordsvorm in het enkelvoud of meervoud.

eten J e om te leven.

zijn Vitaminen superstoffen in het voedsel.

bevatten Voedingsmiddelen vitaminen en mineralen.

geven Eten je energie om te bewegen en te leren.

Markeer het werkwoord in de zin blauw als het enkelvoud is en groen als het meervoud is.

Vul het schema aan.

Ik . Jij

Hij, zij, het kind

Wij .

J ullie

Zij, de kinderen

Vul de zinnen aan met een passende werkwoordsvorm van één van deze werkwoorden. Gebruik elk werkwoord eenmaal.

gebeuren – zijn – (aan)vallen – hebben – verteren

1. Wat er?

2. J e maag of buik een eersteklas voedselvermaler.

3. Met krachtige sappen hij je eten aan.

4. Hij het eten.

5. Zo jij geen honger meer.

Markeer het werkwoord in de zin blauw als het enkelvoud is en groen als het meervoud is.

De cyclus compleet Les 15

Ik weet dat het spijsverteringsstelsel ook zorgt voor het afvoeren van afvalstoffen en kan de bijbehorende lichaamsdelen en organen benoemen.

Bekijk de prent hieronder. Welk lichaamsstelsel wordt hier afgebeeld? Wat is de functie van dit stelsel?

naam:

functie:

Noteer de lichaamsdelen op de juiste plaats bij de prent. Welke functie heeft elk lichaamsdeel? Vul de tabel aan.

lichaamsdeel
functie de nieren de blaas

Een kijkje onder je huid

Ik kan een tekst over het skelet beter begrijpen door de informatie voor te stellen in schema’s.

Wat houdt je bij elkaar?

Je spier- en skeletstelsel laten je lichaam bewegen en houden alles op zijn plek. Je huid vormt een beschermende buitenlaag

Dus hoe zit dat bij jou precies met die geweldige spieren, botten en je huid?

Uit Leer je lichaam kennen: onder je huid, Schoolsupport Uitgeverij

Vul het onderstaande schema in met de juiste namen en functies. 1

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Sterk, sterker, sterkst

Je spieren maken je sterk. Zonder je spieren zou je niets kunnen tillen, trekken of duwen.

Waarom trainen sporters zoveel?

Door te trainen worden je spieren groter en sterker en kunnen ze beter samentrekken

Gebruik je ze te weinig, dan worden ze kleiner en zwakker.

Vul het schema aan met gevolgen.

Teken een spier die weinig gebruikt wordt.

Hoe worden spieren groter?

Je spierweefsel wordt langer en sterker als je veel traint. En je lichaam maakt er meer van aan.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Teken een spier die veel gebruikt wordt.

Uit Leer je lichaam kennen: onder je huid, Schoolsupport Uitgeverij

Sterk, sterker, sterkst

Je spieren hebben je net geholpen om de bladzijde om te slaan. Maar hoe dan?

Wat zijn spieren?

Spieren zijn bundels van touwachtig weefsel

Ze doen maar één ding: korter worden!

Hoe kunnen spieren buigen en strekken?

Spieren kunnen alleen maar samentrekken om korter te worden. Daarom zijn het er altijd twee. Eentje om te buigen en eentje om te strekken.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Waar zitten je spieren?

Je hebt meer dan 650 spieren in je lichaam!

Dit zijn er een paar:

De spier aan de voorkant strekt het been. De spier aan de achterkant buigt het been.

Hoe beweeg je je hand?

Toen je dit boek pakte, vertelden je hersenen aan de juiste spieren dat ze moesten samentrekken en je hand bewoog. Gaaf!

De tricepsspier in je bovenarm wordt korter en laat je hand zakken.

De bicepsspier in je bovenarm wordt korter en tilt je arm op.

Uit Leer je lichaam kennen: onder je huid, Schoolsupport Uitgeverij

In welke richting beweegt de arm op deze prenten? Teken een pijl in de juiste richting. Kruis de juiste beweging aan.

Omcirkel de spier die voor deze beweging zorgt. Wordt deze spier korter of langer? Schrijf het bij de prent.

Waarmee zou je spieren kunnen vergelijken? Kruis de passende prent aan.

een rioolbuis buigen strekken buigen strekken

een bundel touwen

een spons een stapel planken

Biceps
Triceps
Schuine spieren
Borstspieren triceps biceps

Tot op het bot

Je vlees en spieren zijn vrij zacht en bestaan voor een groot deel uit water. Hoe blijf je dan staan?

Wat is je skelet?

Je skelet is een frame van sterke botten waar al het vlees en de spieren van je lichaam aan hangen. Gelukkig maar, anders zou je als een slap hoopje door het leven moeten. Je skelet heeft meer dan 200 botten!

Waarvoor dient het skelet? Noteer in een zin.

Hoe buigt je skelet?

Botten kunnen niet buigen. Ze zijn met elkaar verbonden door speciale scharnieren: je gewrichten. De meeste gewrichten kunnen maar één kant op buigen, zoals je ellebogen en knieën.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Waarmee kun je een skelet vergelijken? Omcirkel de passende beelden.

Met welk voorwerp kan je de gewrichten knie en elleboog vergelijken? Kruis aan.

Hoe bewegen de meeste gewrichten? Noteer.

Waarom kan je hand zo goed buigen?

Je hand bestaat uit 27 kleine botten. Daardoor kan hij op veel manieren bewegen. Je voeten hebben elk 26 botten. Dus meer dan de helft van al je botten zit in je handen en voeten! Reken maar uit!

Hoe zit het met je ruggengraat?

Je ruggengraat is een stapel van 33 botten. Tussen de botten zit kraakbeen . Dat is een soort zacht kussentje voor je botten en vangt alle schokken op.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Uit

Geef de botten van de hand de juiste kleur.

Kijk goed naar je eigen hand en de manier waarop je vingers plooien.

- K leur de botten van de vingers met groen - K leur de botten van de handpalm met blauw

Hoeveel botten zitten er in totaal in je handen en voeten? Vul de rekensom aan.

+ = 106 botten

Welke beelden passen best bij de ruggengraat? Kruis ze aan.

de buitenlaag de laag die aan de buitenkant zit tillen opheffen / iets vastpakken en omhoog houden trainen oefenen om beter te worden in iets samentrekken korter en dikker worden de bundel een groepje dingen die samen vastgemaakt zijn touwachtig iets dat eruitziet of voelt als een touw of koord het weefsel de kleine bouwstenen (cellen) in je lichaam die samenwerken om een deel van je lichaam te maken het frame het stevige gedeelte (binnenin) waar alles op rust het scharnier onderdeel dat ervoor zorgt dat twee dingen vastzitten zodat het open kan het kraakbeen een soort zacht kussentje tussen je botten dat de schokken opvangt

Leer je lichaam kennen: onder je huid, Schoolsupport Uitgeverij

Spieren, de kracht achter

elke stap

Ik weet waar de spieren en pezen in ons lichaam zitten en kan uitleggen waarvoor ze dienen.

DE SPIEREN

Lopen, springen, dansen: bewegen is leuk. Om te bewegen, heb je spieren nodig. Er zitten spieren in je voeten, je armen en je rug. Maar ook in je nek en je gezicht. Gelukkig maar, anders kon je niet lachen of praten!

Spieren zijn een soort elastiekjes die langs je botten lopen. Aan het uiteinde zitten ze aan de botten vast met behulp van een pees. Als de spieren bewegen, nemen ze de botten vanzelf mee. Er is dus een spier nodig voor elke richting waarin een bot kan bewegen.

Hoe vaker je een spier gebruikt, hoe sterker hij wordt. Daarom moeten sporters zo vaak oefenen: alleen zo krijgen ze supersterke spieren. Heb jij al flinke spierballen?

Fragmenten uit Willewete. Zo werkt mijn lichaam, Pierre

SPIERSTELSEL

1 2 3 4

Noteer de naam en functie van dit lichaamsstelsel.

naam:

functie:

Welke beschrijving hoort bij ‘skeletspieren’ en welke bij ‘orgaanspieren’?

Noteer op de juiste plaats in de tabel.

Deze spieren zitten vast aan de botten van het skelet met behulp van een pees.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Deze spieren zorgen voor de spijsvertering, de ademhaling, het kloppen van het hart, het stromen van het bloed …

Spieren kunnen samenwerken om een beweging uit te voeren. Hoe doen ze dat? Noteer in een zin.

Spieren zitten overal in ons lichaam! Welke spieren zie je hier aan het werk?

Winters, Uitgeverij Clavis

Ik weet dat het skelet bestaat uit botten. Ik ken de functies van het skelet.

HET GERAAMTE

De botten zijn de basis van je lichaam. Botten zijn heel sterk en stevig. Ze houden ons lichaam overeind. Zonder botten zouden we in elkaar zakken, als een hoopje drilpudding. Een lichaam heeft wel 200 verschillende botten. Samen vormen ze het skelet of geraamte.

Je rug bestaat uit ruggenwervels. Dat zijn schijfjes bot. Die zijn op elkaar gestapeld, maar kunnen toch bewegen.

Sommige botten zijn heel klein. Bijvoorbeeld de minibotjes in je pink! Andere botten zijn juist heel groot . Denk maar aan de botten in je armen en benen.

SKELETSTELSEL

Fragmenten uit Willewete. Zo werkt mijn lichaam, Pierre Winters, Uitgeverij Clavis

Noteer de naam en functie van dit lichaamsstelsel.

naam:

functie:-

Welke functie hebben deze delen van het skelet? Vul aan. de schedel de ruggenwervels 1 2 3

Waaruit bestaat een skelet?

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Ik kan een bijvoeglijk naamwoord herkennen.

Markeer het bijvoeglijk naamwoord in de woordgroepen. de dikke darm

een droge mond een rood hart

mijn ongelooflijke lichaam de rimpelige hersenen

2 3 4

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Vul aan met een passend bijvoeglijk naamwoord. een darm het verstand een huid de tanden de spieren

Markeer de bijvoeglijk naamwoorden met groen en de zelfstandige naamwoorden met blauw.

lichaam breed groot skelet rijke voedingsstof buikgevoel spijsvertering vieze goede

Markeer het bijvoeglijk naamwoord in de zinnen.

1. Ik heb vaak grote honger.

2. Er zitten sterke spieren in mijn armen, benen en rug.

3. Ik heb al flinke spierballen.

4. We eten best gezonde voeding.

5. Je darmen zijn een superlange tunnel.

aanvallen

Er zijn nog te veel mensen die iemand aanvallen omdat ze een andere huidskleur hebben.

afbreken

De dunne darm breekt voedsel af

het bloed

Anna heeft een zakdoek nodig, want er komt bloed uit haar neus.

het bloedvat

Het bloed stroomt door je bloedvaten overal naartoe.

de brandweer

Papa belde de brandweer voor een brand bij de buren.

de ademhaling

Je ademhaling versnelt wanneer je sport.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

concentreren

Kato kan zich niet concentreren in de les door al het lawaai.

de blaas

In je blaas wordt je plas of urine bewaard tot je naar het toilet gaat.

de bloedsomloop

De bloedsomloop is het stromen van je bloed door je lichaam.

de botten of beenderen

Je skelet heeft meer dan 200 botten!

de bundel

Oom Johan heeft een bundel planken nodig om een boomhut te bouwen.

de darmen

Je darmen helpen het eten verteren in je lichaam.

dienen voor

Waar dient een wekker voor ?

Om op tijd wakker te worden natuurlijk!

de dikke darm

De dikke darm droogt voedselafval uit en maakt er ontlasting van (ook wel poep genoemd).

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

de dunne darm

De dunne darm breekt voedsel af.

het elastiek

Het elastiek is heel rekbaar.

het eiwit

Om gezond te blijven, moet je voedsel met veel eiwitten eten.

de endeldarm

In de endeldarm wordt je ontlasting even bewaard.

de functie

De botten hebben de functie om ons lichaam overeind te houden.

het gewricht

Je botten zijn met elkaar verbonden door je gewrichten

het hart

Je hart klopt in je borstkas.

de huid

Het is belangrijk om je huid goed in te smeren tegen de zon.

de hersenen

Je hersenen regelen hoe je je voelt.

het koolhydraat

Koolhydraten geven je lichaam energie zodat je kunt leren en bewegen.

krachtig

Met krachtige sappen valt je maag je eten aan.

het lichaam

Draag goed zorg voor je lichaam als je gezond wil blijven.

de maag

De reis van je voedsel begint in de maag.

de mineralen

Voeding met vitamines en mineralen zorgt ervoor dat je lichaam gezond blijft.

de nieren

De nieren halen afvalstoffen uit je bloed.

de lever

De lever is een belangrijk orgaan dat bv. je bloed schoonmaakt.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

de omgeving

Met je ogen kun je zien wat er in de omgeving gebeurt.

de longen

Diep inademen vult de longen met frisse lucht.

de melanine

Melanine bepaalt welke huidskleur je hebt.

neutraal

Wanneer je neutraal bent, toon je geen gevoel of emotie.

de noodcentrale

Bij een ernstig ongeval moet je meteen bellen naar de noodcentrale

het orgaan

De huid is het grootste orgaan van het lichaam.

de pees

Je spieren zitten aan je botten vast met behulp van een pees.

de reactie

De hersenen zorgen voor een reactie op wat je bijvoorbeeld voelt.

de ruggengraat

Je ruggengraat is een stapel van 33 botten.

de slokdarm

Je eten gaat van je keel naar je maag via de slokdarm .

de spiraal

Die krul in je haar is precies een spiraal die steeds rondjes maakt.

de politie

De politie was net op tijd om de dief te stoppen.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

stromen

Het bloed blijft als een rivier door je lichaam stromen

de rolstoel

Opa zit in een rolstoel omdat hij niet meer kan stappen.

het skelet

Het skelet bestaat uit allemaal botten die je lichaam recht houden.

de spijsvertering

Je voedsel wordt verwerkt dankzij de spijsvertering.

de stapel

Mijn broer heeft een stapel boeken die bijna even hoog is als het plafond.

de supercomputer

Er zit een supercomputer in je hoofd! Het zijn je hersenen.

het toestel

Een hoorapparaat is een toestel om beter te kunnen horen.

vasthechten

De pezen zitten goed vastgehecht aan het bot.

vitaminen

Vitaminen zijn superstoffen in het voedsel.

de tussenstop

Tijdens een lange rit is een tussenstop nodig om even te rusten.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

de waarneming

Een waarneming is iets dat je opmerkt met je zintuigen.

vetten

In eten zoals boter, noten en olie zitten veel vetten

de voedingsstof

Je krijgt voedingsstoffen binnen via je eten.

de walnoot

Je moet een walnoot eerst kraken voor je het kan opeten. de zenuw

Een zenuw is een soort ‘draadje’ dat berichten doorgeeft tussen je hersenen en de rest van je lichaam.

de ziekenwagen

Als je een ziekenwagen nodig hebt, bel je zo snel mogelijk naar 112.

het zenuwstelsel

Dankzij het zenuwstelsel kunnen je hersenen vertellen wat je moet doen zoals bewegen of voelen.

het zintuig

Dankzij je vijf zintuigen ontdek je wat er om je heen gebeurt.

Toetswijzer Wereld

Les 3 Samen sterk 7-8 Ik kan de belangrijkste delen van een lichaamsstelsel aanwijzen en benoemen.

Ik kan zeggen tot welk lichaamsstelsel een orgaan of lichaamsdeel hoort.

Les 7 Gezond verstand 12-14 Ik kan vertellen dat de hersenen mijn lichaam sturen.

Ik kan de vijf zintuigen benoemen.

Ik kan bij elk zintuig het juiste lichaamsdeel benoemen.

Les 10 Van maaltijd tot voedingsstof 20-21 Ik kan uitleggen wat een voedingsstof is.

Ik kan uitleggen wat een voedingsmiddel is.

Ik kan de drie functies van voedsel benoemen.

Ik kan uitleggen wat een bouwstof, brandstof en beschermende stof doen.

Les 12 Een bron van energie 22Ik kan vertellen dat het spijsverteringsstelsel voedsel verwerkt.

Ik kan de delen van het spijsverteringsstelsel benoemen.

Les 15 De cyclus compleet

Les 18 S pieren, de kracht achter elke stap

Les 20 Het skelet, een intern meesterwerk

Les 23 Gewrichten, de scharnieren van ons lichaam

Les 26 Van binnenuit bekeken

Les 29 Volg je hart, want dat klopt!

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Ik kan de weg van het voedsel in de juiste volgorde opzeggen.

24 Ik kan vertellen dat het lichaam ook afvalstoffen afvoert.

Ik kan de delen benoemen die afvalstoffen afvoeren.

30 Ik kan spieren en pezen op een tekening aanwijzen.

Ik kan vertellen waarvoor spieren dienen.

Ik kan vertellen waarvoor pezen dienen.

31 Ik kan vertellen dat mijn skelet uit botten bestaat.

Ik kan de functies van het skelet benoemen.

34 Ik kan vertellen dat gewrichten deel zijn van het skelet. Ik kan vertellen dat gewrichten zorgen dat ik kan bewegen.

39 Ik kan vertellen waarvoor het ademhalingsstelsel dient.

Ik kan vertellen waarom de longen belangrijk zijn.

Ik kan vertellen wat het bloed in mijn lichaam doet.

40-43 Ik kan gelijkenissen tussen mensen benoemen.

Ik kan verschillen tussen mensen benoemen.

Ik herken wanneer verschillen fijn zijn.

Ik herken wanneer verschillen voor verdriet of uitsluiting zorgen.

Maak nu je oefentoets op Kabas.

TIP OM TE LEREN

- K ijk naar een tekening van een lichaamsstelsel. Wijs elk deel aan. Zeg de naam hardop.

- Werk per twee. Iemand noemt een lichaamsdeel of orgaan. De ander zegt dan: ‘Dit hoort bij het … stelsel.’

- Leg uit: mijn hersenen sturen mijn lichaam. Geef ook een voorbeeld.

- Oefen hardop: zien, horen, ruiken, proeven, voelen. Wijs je ogen, oren, neus, tong en huid aan terwijl je oefent.

- Oefen het verschil: een voedingsmiddel is wat je eet of drinkt, een voedingsstof zit in je eten. Geef van elk een voorbeeld.

- Leer de drie woorden met de letter B goed: bouwstof, brandstof, beschermende stof. Oefen met korte zinnen: een bouwstof bouwt mijn lichaam op, brandstof geeft energie, een beschermende stof houdt me gezond.

- K ijk naar een tekening van het stelsel. Wijs elk deel aan en zeg de naam hardop.

- Volg met je vinger de weg van het voedsel. Zeg de delen in de juiste volgorde.

- Oefen met deze vraag: wat doet je lichaam met afvalstoffen? Leg in je eigen woorden uit.

- Leg uit: je lichaam kan niet alle voedsel bewaren. Hoe lost je lichaam dit op?

- K ijk daarna naar een tekening. Benoem de delen hardop die helpen om afvalstoffen af te voeren.

- K ijk naar een tekening. Wijs spieren en pezen aan.

- Waarvoor gebruik je spieren? Geef ook vier voorbeelden van bewegingen.

- Waarvoor dienen pezen? Leg uit.

- Waarvoor dient een skelet? Geef twee functies.

- Wat hebben spieren, pezen en botten met elkaar te maken? Vertel.

- K ijk naar een tekening van een skelet. Benoem enkele botten.

- Waarom heb je gewrichten in je lichaam? Leg uit met eigen woorden.

- Wijs een gewricht aan op je lichaam. Benoem.

- B eweeg je arm. Welk gewricht heb je nodig?

- B eweeg je been. Welk gewricht heb je nodig?

- Oefen met deze zinnen:

• Met mijn ademhalingsstelsel kan ik … .

• Met mijn spieren kan ik … .

• Met mijn spijsverteringsstelsel kan ik … .

• Met mijn zenuwstelsel kan ik … .

• Door mijn bloedvatenstelsel kan ik … .

• Met mijn zintuigen kan ik … .

- Wat doen je longen als je ademt? Leg in eigen woorden uit.

- Waar zorgt het bloed in je lichaam voor? Leg uit. Gebruik zeker het woord voedingsstoffen.

- Vergelijk twee mensen. Noem wat hetzelfde is. Noem wat verschillend is. Denk aan uiterlijk, leeftijd, talent, wat iemand graag doet.

- Vertel over een ruzie. Wat was het probleem? Waarom kwamen jullie niet overeen? Wat was het verschil? Hoe loste je het op?

Toetswijzer Taal

Oefen Taalwijs verder met Kai.

Les 4 Werkwoorden en werkwoordsvormenwerkboek p. 9

Ik kan werkwoorden en werkwoordsvormen herkennen.

Bekijk je Memoboekje op p. 45. Lees alles nog eens goed na.

Les 14 Werkwoorden en werkwoordsvormen: enkelvoud en meervoud werkboek p. 23

Ik weet dat werkwoordsvormen in het enkelvoud of meervoud kunnen staan.

INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE

Bekijk je Memoboekje op p. 24. Lees alles nog eens goed na.

Les 21 B ijvoeglijk naamwoord werkboek p. 32

Ik kan een bijvoeglijk naamwoord herkennen.Bekijk je Memoboekje op p. 44. Maak oefening 2 in het werkboek opnieuw.

Les 2 Houd je hoofd erbij!

Ik kan een tekst over de hersenen beter begrijpen door nieuwe informatie te vergelijken met iets dat ik al ken.

werkboek p. 3-6

Maak bij elk stukje tekst een vergelijking. Gebruik de woorden ‘dat lijkt op’. Bijvoorbeeld: De hersenen sturen je lichaam aan. Dat lijkt op een baas die opdrachten geeft.

Les 9 De (reis door de) voedselfabriekwerkboek p. 15-19

Ik kan een tekst over de spijsvertering beter begrijpen door de informatie aan te duiden op de prenten.

Les 17 Een kijkje onder je huid

Ik kan een tekst over het skelet beter begrijpen door de informatie voor te stellen in schema’s.

Les 25 Adem in, adem uit

Ik kan teksten over de ademhaling en bloedsomloop beter begrijpen door de informatie te visualiseren.

Les 5 Let op, er is een noodgeval!

Ik kan belangrijke informatie van een noodoproep tekenen en opschrijven. Ik kan vertellen welke informatie ontbreekt.

Les 13 S kibidi 112

Ik kan in een gespeelde noodsituatie een noodoproep doen en daarbij alle belangrijke informatie vertellen.

Wijs tijdens het lezen steeds op de prent waar de tekst over gaat en volg de weg van het eten met je vinger.

werkboek p. 25-29

Maak eerst een schema in je kladschrift als je niet zeker bent.

werkboek p. 35-38

Sluit je ogen en probeer je voor te stellen hoe lucht en bloed door je lichaam bewegen, alsof je een filmpje in je hoofd maakt.

werkboek p. 10

Denk goed na welke belangrijke informatie je moet vertellen bij een noodoproep. Denk aan de vraagwoorden: wie is er in nood, wat is er gebeurd, waar is het gebeurd, welke hulpdienst is er nodig?

Spreek luid en duidelijk als je tegen iemand praat.

Eerste editie - Bestelnummer 65 1000 880 (werkboek 2 van 7)

ISBN 978 90 4865 477 2 - KB D/2026/0147/123 - NUR 191/192

Thema YPCA/YPMP-YPJH - Afbeeldingen Adobe Stock

Illustrator Luc Sauviller

Verantwoordelijke uitgever die Keure, Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge

RPR 0405 108 325 – © Copyright die Keure, Brugge

9 789048654772

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook