
Intro Les 1 Mijn werkboek is ook mijn leerboek. Ik werk en netjes.schrijf
Wat weet je over de herfst? Vul samen het woordweb aan.

Ik kan een woordweb maken met dingen die ik weet over de herfst.
![]()

Intro Les 1 Mijn werkboek is ook mijn leerboek. Ik werk en netjes.schrijf
Wat weet je over de herfst? Vul samen het woordweb aan.

Ik kan een woordweb maken met dingen die ik weet over de herfst.
de herfst

Als de herfst komt
Ik kan informatie vinden in een tekst over de herfst.
Wat gebeurt er volgens jou in de herfst? Vul de titel aan.

Als de herfst komt, dan



De herfst is het seizoen van regen, wind en storm. De zon schijnt minder.
Wat is het doel van de schrijver van deze tekst? Kruis aan.
2 de rijp dun laagje ijs op gras, bladeren of ramen
een sprookje vertellen over de herfst informatie geven over de herfst zeggen wat je in de herfst kunt doen



In de herfst laten de bomen hun vruchten vallen.
Eikels en kastanjes vallen uit de bomen.

De blaadjes kleuren geel, bruin, rood en oranje.
Ze dwarrelen op de grond.
Bespreek met je buur. 3
Welke kleuren krijgen de bladeren van de bomen in de herfst?
Kleur de bladeren in de juiste volgorde van de tekst.

Dwarrelen ziet er nog een beetje anders uit dan vallen.
4 de vrucht wat aan een boom of plant groeit, zoals appels, bessen en noten
Wat is het verschil tussen dwarrelende en vallende blaadjes?
de eikel een vrucht van de eik
de kastanje een vrucht van de kastanjeboom

VOORZICHTIG
Veel paddenstoelen zijn giftig. Daarom mag je een paddenstoel NOOIT aanraken. En al helemaal niet plukken!


In de tekst staat een rood kader met daarin VOORZICHTIG. Wat bedoelt de schrijver hiermee?
De schrijver wil een verhaal vertellen. 5 de vliegenzwam een rode paddenstoel met witte stippen giftig gevaarlijk om te eten of aan te raken
De schrijver wil ons laten lachen.
De schrijver wil ons waarschuwen.
seizoenen
Ik ken de vier seizoenen en ik weet hoe de natuur eruitziet in elk seizoen.
Elk jaar heeft vier seizoenen: lente, zomer, herfst en winter.
In de zomer zijn de dagen lang, in de winter kort.
Ook het weer is anders.
Elk seizoen duurt drie maanden.

Hoeveel seizoenen zijn er in een jaar?

Hoeveel maanden duurt één seizoen?

Welk seizoen is het nu? Omcirkel op de afbeelding. 1 2 3 oktober november






Vul de juiste seizoenen in. Noteer ook de juiste begindatum als dag – maand – jaartal.
Het is nu
Dit seizoen begint op - -
Na dit seizoen komt de .
Dat seizoen begint op - - .
Daarna komt de
Dat seizoen begint op - - .
Dan komt de .
Dat seizoen begint op - -
Na dit seizoen zijn we terug bij de


In de herfst valt de herfstvakantie. Zoek op de klaskalander wanneer het dit jaar herfstvakantie is.
Vul de begindatum en de einddatum in. Noteer de datum als dag – maand – jaartal:



Je ziet hieronder een boom verdeeld in vier vakken.
Teken en kleur de bladeren van de boom in de juiste kleuren van elk seizoen.
lichtgroene blaadjes en roze bloesems
donkergroene blaadjes

de winter
geen blaadjes
de herfst
oranje, gele, bruine en rode blaadjes
Zelfstandig naamwoord en lidwoord
Ik kan een zelfstandig naamwoord en een lidwoord herkennen.

Markeer de zelfstandige naamwoorden met geel en hun lidwoord met groen .
een boom dwarrelen het blad bruin de vlieg de weerman de kruisspin waaien een regenjas regenen

Schrijf de zelfstandige naamwoorden in de juiste kolom. de egel – de eikel – de juf – de worm – de struik – de schoen – het kind – de trui persoon dier plant ding

Vul de tabel aan met deze woorden. de spar – de laars – een wandelaar – de spin
Antwoord op de vragen met twee zelfstandige naamwoorden. Schrijf er ook het juiste lidwoord (de of het) bij.
Welk dier zie je soms in het bos?
Welke plant zie je soms in het bos?
Schrijf drie zelfstandige naamwoorden die te maken hebben met de herfst. Schrijf er ook het juiste lidwoord (de of het) bij.

Vul aan.



Wat gebeurt er in de herfst?

Wie is de zender? Wie heeft het filmpje gemaakt?
Wie is de ontvanger? Voor wie is het filmpje bedoeld?
Ik kan informatie halen uit een filmpje over de herfst.

Vul de zinnen aan.
In de herfst worden de dagen steeds een beetje
Het wordt steeds een beetje vroeger .
Welke kleren zijn volgens de spreker aangepast aan de herfst? Omcirkel.





Wat bedoelt de spreker met ‘schoenen die tegen een stootje kunnen’? Kruis aan.
Dat je tegen die schoenen moet kunnen stoten.
Dat die schoenen snel verslijten als je ze gebruikt.
Dat die schoenen niet snel verslijten als je ze gebruikt.
In welke maand begint de herfst? Kleur groen .
In welke maand eindigt de herfst? Kleur rood.
januari februari maart april mei juni juli augustusseptember oktober novemberdecember

Met wat heeft Halloween te maken volgens het filmpje? Omcirkel de juiste antwoorden. 1 2 3 4 5 6 spoken snoepjes heksen vampieren griezelfiguren zwarte katten pompoenen vleermuizen
Tover je mee?
Ik kan uitleggen waarom de herfst een seizoen van verandering is voor plant, dier, mens en weer.
Vul de namen van de seizoenen in. Kleur het bolletje bij de twee seizoenen waarin alles verandert.


Het is al lang donker en koud. Het bos slaapt. Veel bomen zijn kaal. De dieren slapen of zijn rustig.
De dagen worden langer. Het wordt warmer. Bomen krijgen blaadjes en bloemen bloeien. De dieren vliegen en lopen terug rond.
De dagen worden korter. Het wordt frisser en slechter weer. De bomen verliezen hun blaadjes. De dieren gaan schuilen.

Het is warm. Het blijft nu al lang licht. Ik zie en hoor veel dieren rondom mij. De bomen kleuren groen. De bijtjes vliegen tussen de bloemen.
Teken in het eerste hokje wat je ziet veranderen in de herfst. Teken in het hokje ernaast wat het dan wordt in de winter.
zomer winter



herfst









Herfst is een seizoen waarin alles verandert: voor dieren en planten, maar ook voor mensen. Knip de foto’s uit en kleef ze op de juiste plaats.















kruis
Mijn naam is kruisspin. Hoe ik aan mijn naam kom?
Op mijn dik lijf staat een kruis.
poot
Tel je mee?
Één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht!
Op elke poot staat wat haar.
lijf
Op mijn lijf zit haar.
Met dat haar voel ik.
Ik kan de juiste informatie vinden in een tekst over spinnen.

En als ik groei, komt mijn vel los. Mijn oud vel gaat eraf. Er komt een nieuw vel.
De oogjes zijn heel klein. Ook al heb ik 8 oogjes,





Kan een spin goed zien? Kruis aan. ja nee
Hoe weet je dat? Markeer in de tekst.


Bij de kruisspin komt gif uit de kaak. Heb jij ook een kaak? Bespreek met je buur.
Juist of fout? Omcirkel.
De kruisspin ... komt uit een ei. juist/fout legt meer dan 200 eieren. juist/fout is groen als hij net geboren is. juist/fout

Welke insecten lust de spin graag?
Ken jij nog andere insecten? Bespreek met je buur.

het lijf lichaam de kaak bot waar tanden in zitten de mot klein, grijs vlindertje het insect een klein dier met zes poten


Uit Lees je slim - Een dier in de tuin, Liesbeth Van Bogaert en Joris Thys, Uitgeverij De Eenhoorn

Waar komt de draad voor het web uit?
Waar dient het web voor?


Hoe weet de spin of het een insect heeft gevangen?
9 de prooi een dier dat opgegeten wordt door een ander dier het gif een stof waar je ziek van wordt of dood van gaat

Hoe vangt een spin zijn prooi? Nummer de stappen in de juiste volgorde.
De spin wacht in een hoek van zijn web.
Het lijf van de vlieg wordt zacht.
De vlieg zit vast in het web.
De spin spuit gif in de vlieg.
De spin kruipt naar de vlieg.
De spin zuigt de vlieg op.
Ik kan een informatiekaart aanvullen over de kruisspin.
Wat weet je allemaal over de kruisspin? Noteer in het schema.

Vul de informatiekaart van de kruisspin in.


Informatiekaart: de kruisspin
Woonplaats:
Wie ben ik?
Kleur:
Aantal ogen:
Aantal poten:
Voedsel: Speciale weetjes: Zo zie ik eruit:
Dit valt op aan mij:
Ik kan zelfstandige naamwoorden herkennen.
Ik kan woorden indelen volgens enkelvoud en meervoud.

Markeer de juiste zelfstandige naamwoorden in de zinnen. Lees de opdrachten goed!
- Markeer de zelfstandige naamwoorden die een dier aanduiden.
1. In het bos zagen we herten.
2. Lore zag in het bos een prachtige spin.
- Markeer de zelfstandige naamwoorden die een persoon aanduiden.
3. Ik kreeg een steek van de wesp en moest naar de dokter.
4. De kinderen vonden veel bladeren in het bos.
- Markeer de zelfstandige naamwoorden die een plant aanduiden.
5. We vonden veel noten tijdens de wandeling.
6. Een eikenboom kan erg groot worden.
- Markeer de zelfstandige naamwoorden die een ding aanduiden.
7. Terwijl we wandelen mag ik het fototoestel gebruiken.
8. Om droog te blijven draag ik een regenjas.
Lees de zinnen opnieuw. Omcirkel alle lidwoorden.


Noteer de woorden in de juiste kolom. de pet – een spin – de bessen – de slakken – de struiken – het bos – de jassen – een wolk

Ik ken de lichaamsdelen en de levensloop van insecten. Ik ken verschillen tussen een insect en een spin.

Bekijk de foto van de mier. Schrijf het juiste woord bij elk lichaamsdeel. het borststuk – het achterlijf – de kop – de antenne

Vul in. Hoeveel poten heeft een mier?


2 3 4 1
Mieren bouwen grote nesten waarin duizenden mieren kunnen leven. Ze helpen allemaal om het nest te bewaken of om voedsel te verzamelen. Omcirkel het juiste antwoord.
Mieren eten alles wat ze vinden. Het zijn dus: planteneters – vleeseters – alleseters
Wistje dat?

Insecten, zoals mieren, hebben zes poten. Spinnen hebben er altijd acht. Spinnen zijn dus geen insecten.
Insecten hebben drie segmenten: kop, borststuk en achterlijf. Spinnen hebben er slechts twee.
Welke insecten ken je nog?



Kijk goed naar de levensloop van de mier. De zinnen staan door elkaar. Schrijf het juiste getal voor elke zin.
Nadat de larve gegroeid is, verandert ze in een pop.
Uit de pop kruipt een volwassen mier.
De mierenkoningin legt eitjes in het nest.
Uit elk eitje komt een larve.

Wistje dat?


De enige mier die eitjes kan leggen is de mierenkoningin. Zij is veel groter dan de andere mieren en heeft ook vleugels. Zo kan ze naar een andere plek vliegen om een nieuw nest te beginnen.
Vergelijk het insect met wat je al weet over de spin. Vul in en omcirkel het juiste antwoord.





aantal poten


Wistje dat?


het insect de spin
vleugels meestal - nooitmeestal - nooit
antennes ja - nee ja - nee
aantal segmenten
Insecten zijn het lievelingseten van spinnen. Ze vangen de beestjes in een groot web en eten ze daarna op.

Delen van een paddenstoel
Ik kan de delen van een paddenstoel benoemen. Ik ken de levenscyclus van een paddenstoel. Ik kan een sporenonderzoek doen.

Schrijf de delen van de paddenstoel bij de prent. de hoed – de steel – het vruchtlichaam – de ring – de zwamvlok – de schimmeldraad



Uit de hoed van een paddenstoel vallen ‘sporen’. Dat zijn heel kleine deeltjes. Uit de sporen groeien schimmeldraden onder de grond. Al die draden samen vormen een zwamvlok. Uit de zwamvlok kan weer een nieuwe paddenstoel groeien. de sporen de paddenstoel de zwamvlok de schimmeldraad



Sporen vallen uit buisjes of plaatjes. Kijk en kruis de juiste soort aan.


Schimmels zijn heel nuttig voor ons. Wist je dat de blauwe stukjes in sommige kazen schimmeldraden zijn? Of dat we schimmels nodig hebben om brood en gebakjes luchtig te maken?
buisjes plaatjes buisjes plaatjes





het achterlijf het afval de biotoop de bloesem

het borststuk




het buisje






het blad de dennenappel

























het nest de okkernoot/walnoot de paraplu



















tak de vacht de vlieg




het vruchtlichaam de vleermuis de vleugel

vochtig

het voedsel de vos de vrucht



het web de winterslaap de woonplaats de wortel het zaad





het zintuig het zoogdier de zwamvlok
Les 3 De seizoenen
Les 7 Tover je mee?
6 -8 Ik ken de vier seizoenen.
Ik ken de begindatum en einddatum van de seizoenen.
Ik weet hoe de natuur eruitziet in elk seizoen.
11-12 Ik kan zeggen wat er in elk seizoen verandert.
Les 15 Insecten
Les 18 Wie woont waar?
Wat groeit daar?
Les 20 Delen van een boom
Les 22 Vleermuizen, eng of niet?
Les 25 Delen van een paddenstoel
Les 28 Opruimen in de herfst
17-18 Ik kan de lichaamsdelen van insecten benoemen.
Ik ken verschillen tussen een insect en een spin.
Ik ken de levensloop van een mier.
21-23 Ik kan dieren en planten benoemen uit de biotoop ‘stad’.
Ik kan dieren en planten benoemen uit de biotoop ‘bos’.
Ik kan dieren en planten benoemen uit de biotoop ‘grasland’.
24 -25 Ik kan delen van loofbomen en naaldbomen benoemen.
Ik ken het verschil tussen loofbomen en naaldbomen.
Ik kan vruchten van loofbomen en naaldbomen benoemen.
28 Ik weet dat een vleermuis een zoogdier is.
Ik kan lichaamsdelen van een vleermuis benoemen.
Ik kan uitleggen waarom een vleermuis een winterslaap houdt.
31 Ik kan delen van een paddenstoel benoemen.
Ik ken de levenscyclus van een paddenstoel.
32-33 Ik kan afval aan de juiste vuilnisbak verbinden.
Ik weet waarvoor PMD en GFT staan.
Ik kan dingen benoemen die je kunt hergebruiken.
Maak nu je oefentoets op Kabas.
- Zeg de vier seizoenen in de juiste volgorde op.
- Kijk naar een foto en noem het juiste seizoen.
- Oefen met kaartjes. Lees het seizoen, zeg de datum. Lees de datum, zeg het seizoen.
- Werk per twee. Zeg een seizoen. Stel een vraag. Wat wil je weten over het weer, de bomen en planten, de dieren? Bijvoorbeeld: het is winter. Welk weer wordt het? Of: het is zomer. Hoe zien de bomen eruit?
- Wijs een foto aan. Zeg in welk seizoen dit hoort. Welk seizoen komt ervoor? Vertel wat verandert.
- Vertel voor elk seizoen: wat draag ik? Hoe is het weer? Wat zie ik in de natuur? Oefen met deze zin: het is herfst. Ik draag een regenjas. Het weer is nat. Ik zie de blaadjes dwarrelen.
- Wijs de lichaamsdelen van een mier aan. Benoem. Controleer.
- Zoek een foto van een ander insect. Benoem de lichaamsdelen die je kent. Hoe weet je zeker dat het een insect is? Vertel.
- Som vier verschillen op tussen een insect en een spin.
- Kijk naar de foto’s op pagina 18. Vertel stap voor stap het leven van de mier aan iemand.
- Benoem enkele planten en dieren en vertel waar ze kunnen voorkomen: in de stad, het bos, of het grasland.
- Wijs de delen van de loofboom en de naaldboom aan. Benoem. Controleer.
- Som een verschil op tussen een loofboom en een naaldboom.
- Kijk naar de vruchten op pagina 24 en 25. Dek het antwoord af. Benoem de vruchten uit je hoofd.
- Waarom is een vleermuis een zoogdier? Vertel.
- Wijs de lichaamsdelen van de vleermuis aan. Benoem. Controleer.
- Werk per twee. Vertel om de beurt iets wat je weet over de winterslaap van de vleermuis.
- Wijs de delen van de paddenstoel aan. Benoem. Controleer.
- Werk per twee. Iemand zegt een deel van de paddenstoel. De ander wijst aan.
- Kijk naar de prent op pagina 31 bij ‘Wist je dat?’. Vertel stap voor stap hoe een paddenstoel groeit. Eerst …. Dan …. Daarna …. Zo groeit een nieuwe paddenstoel.
- Kijk om je heen. Bedenk een voorbeeld voor elke vuilnisbak. Wat hoort in …?
- Wat betekent PMD? Benoem waar elke letter voor staat.
- Wat betekent GFT? Benoem waar elke letter voor staat.
- Werk per twee. Iemand noemt een voorwerp dat je weggooit na gebruik. De ander noemt een gelijkaardig voorwerp dat je kunt hergebruiken.

Les 4 Zelfstandig naamwoord en lidwoordwerkboek p. 9
Ik kan een zelfstandig naamwoord herkennen.
Ik kan een lidwoord herkennen.
Les 14 E nkelvoud en meervoud
Ik kan zelfstandige naamwoorden herkennen.
Ik kan woorden indelen volgens enkelvoud en meervoud.

Oefen Taalwijs verder met Kai.

Bekijk je Memoboekje op p. 35. Maak oefening 2 en 3 in het werkboek opnieuw.
Bekijk je Memoboekje op p. 35. Noem de drie verschillende lidwoorden op.
werkboek p. 16
Bekijk je Memoboekje op p. 35. Bedenk zelf extra woorden die bij de opdrachten van oefening 1 passen.
Bekijk je Memoboekje op p. 39. Werk per twee. Iemand zegt een zelfstandig naamwoord. De ander zegt of het woord enkelvoud of meervoud is.
Les 21 E xperimenteren met woordenschatwerkboek p. 26-27
Ik kan een mindmap over de herfst aanvullen met woorden en groepen.
Les 2 Als de herfst komt
Ik kan informatie vinden in een tekst over de herfst.
Dek de woorden af en maak de oefening in je werkboek opnieuw.
werkboek p. 3-5
Lees de tekst eerst aandachtig door. Beantwoord dan pas de vragen.
Les 9 De spin werkboek p. 13-14
Ik kan de juiste informatie vinden in een tekst over spinnen.
Lees de tekst blokje per blokje. Beantwoord de vragen die bij ieder blokje horen.
Les 17 Eekhoorn in de stad werkboek p. 19-20
Ik kan de structuur van een informatieve tekst over de eekhoorn herkennen.
Kijk goed naar de titel en tussentitels om de juiste informatie te vinden.
Les 24 De paddenstoel werkboek p. 29-30
Ik kan informatie vinden in een tekst over paddenstoelen.

Les 13 Waar griezel jij van?
Ik kan luid en duidelijk spreken zodat de luisteraar me goed verstaat.
Les 19 Welk dier ben ik?
Ik kan duidelijke woorden gebruiken bij het spreken.
Denk eerst na over wat je al weet over het onderwerp. Lees pas nadien de tekst.
Oefen het verschil tussen fluisteren, normaal praten en luid spreken. Werk per twee. Iemand zegt een situatie (bv. in de klas, op de speelplaats, thuis ...). De ander kiest de juiste stem.
Denk goed na over de juiste naam. Zeg niet: ‘het dier’ of ‘de plant’, maar wel ‘de eekhoorn’ of ‘de kastanje’.
Eerste editie - Bestelnummer 65 1000 870 (werkboek 2 van 7)
ISBN 978 90 4865 467 3 - KB D/2026/0147/182 - NUR 191/192
Thema YPCA/YPMP-YPJH - Afbeeldingen Adobe Stock
Verantwoordelijke uitgever die Keure, Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge
RPR 0405 108 325 – © Copyright die Keure, Brugge
9 789048654673