Skip to main content

Labo Taal en wereld 2 - Handleiding - Thema 1 - inkijk

Page 1

thema 1

Handleiding


IN EM

EX

JK

KI

R

AA

PL D

IE

U

KE

RE


Themaoverzicht p.

19

50’

Begrijpend lezen: Otto gaat naar school

24

50’

Een weekje rond

29

50’

Taalwijs: Klinkers en medeklinkers

34

25’

Spreken: Ik, jij, hij of zij?!

38

25’

Schrijven: Wie, wat, waar, wanneer?

41

Twaalf maanden in een jaar

45

KE U

Memo-les 1

50’

50’

50

50’

54

5 x 25’

69

50’

73

50’

78

50’

81

50’

84

25’

Taalwijs: Tweetekenklanken en meertekenklanken

88

25’

Speurneuzen op school

91

50’

96

50’

100

5 x 25’

Begrijpend lezen: Een kist vol goud

115

50’

Architect van onze mini-school

119

50’

Luisteren: Oma aan de telefoon

125

25’

De school van Otto

129

50’

Taalwijs: Raad het woord!

133

50’

Ik vind mijn weg!

136

50’

Memo-les 3

140

50’

Vlot en vloeiend lezen

144

5 x 25’

Begrijpend lezen: Welkom in de club

159

50’

Onze school van bovenaf

161

50’

Evaluatie taalwijs

165

25’

Evaluatie luisteren

168

25’

Een zoektocht door de school

170

50’

Evaluatie begrijpend lezen

173

25’

Herhaling

175

50’

Leren leren

178

50’

Vlot en vloeiend lezen

182

5 x 25’

Differentiatie taal

195

50’

Evaluatie wereld

197

50’

Outro: Wij tonen onze school!

199

100’

Vlot en vloeiend lezen Begrijpend lezen: Een paarse juf

IE

Mijn droomklas Zullen we dat afspreken?

Vlot en vloeiend lezen

AA

Memo-les 2

R

Luisteren: Een swingende uitnodiging

D

Schrijven: Ik nodig je uit!

KI

IN Week 5 Les 32 Les 33 Les 34

RE

Intro

JK

Week 4 Les 24 Les 25 Les 26 Les 27 Les 28 Les 29 Les 30 Les 31

5 x 25’

PL

Week 3 Les 17 Les 18 Les 19 Les 20 Les 21 Les 22 Les 23

7

EM

Week 2 Les 9 Les 10 Les 11 Les 12 Les 13 Les 14 Les 15 Les 16

Vlot en vloeiend lezen

EX

Week 1 Les 1 Les 2 Les 3 Les 4 Les 5 Les 6 Les 7 Les 8

Thema 1

Themaoverzicht

1


Inleiding Kijk, dit is mijn school!

IE

KE

De leerlingen ontwikkelen hun ruimtelijk inzicht en leren: • de verschillende lokalen en belangrijke plaatsen in de school verkennen; • zelf een maquette van de school maken; • een plattegrond bestuderen en gebruiken; • deelnemen aan een zoektocht binnen de school; • de omgeving buiten de school verkennen en de ligging van de school situeren.

U

Focus op ‘aardrijkskunde’

RE

In dit thema maken de leerlingen uitgebreid kennis met hun schoolomgeving. Ze verkennen de verschillende ruimtes, leren hoe ze zich in het gebouw kunnen oriënteren en ontdekken hoe een plattegrond hen daarbij kan helpen. Door middel van een zoektocht in de school en het bouwen van een maquette krijgen ze een beter inzicht in de opbouw van hun school. Ze maken ook een eerste verkenning van de omgeving buiten de school, waarbij ze ontdekken waar de school gelegen is, in welke gemeente ze zich bevindt en hoe ze de omgeving kunnen beschrijven. Daarnaast leren ze de dagen van de week, de maanden van het jaar en de seizoenen kennen.

R

D

Daarnaast oefenen ze het benoemen van belangrijke voorwerpen in de klas. Ze leren de naam en functie van voorwerpen in hun klaslokaal omschrijven en duiden op een schets van de klas aan waar deze voorwerpen zich bevinden.

AA

Tot slot verdiepen de leerlingen zich in tijdsbegrippen: • de dagen van de week en hun volgorde • de maanden van het jaar en de bijhorende seizoenen

PL

Focus op ‘uitnodigingen’ en ‘vragen stellen’

EM

De leerlingen leren hoe ze een tekst beter kunnen begrijpen door actief vragen te stellen. Dit gebeurt zowel voor, tijdens als na het lezen. De leerlingen oefenen hierbij met de 5W1H-vragen (wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe) en leren gericht vragen formuleren die hen helpen om informatie uit een tekst te halen.

JK

EX

De tekstsoort die in dit thema centraal staat, is de persuasieve of wervende tekst. Concreet gaan de leerlingen aan de slag met uitnodigingen. Ze leren informatie halen uit geschreven en gesproken uitnodigingen, gericht vragen stellen om ontbrekende informatie te achterhalen en zelf een uitnodiging schrijven waarin ze de 5W1H-vragen beantwoorden.

IN

KI

De uitnodiging die ze schrijven, is bedoeld voor de leerlingen van het eerste leerjaar. Op het einde van het thema nodigen ze hen uit om hun klas te bezoeken. Tijdens dit bezoek tonen ze wat ze geleerd en gemaakt hebben en geven ze de jongere leerlingen een rondleiding door de school. Op deze manier helpen ze de eerstejaars om zich beter thuis te voelen op school. Focus op ‘luisteren’ In dit thema staat luisteren centraal. De leerlingen leren gericht informatie uit een audiofragment halen en leren goede vragen stellen om informatie te bekomen. Focus op ‘klinkers en medeklinkers’ In de lessen taalwijs werken de leerlingen rond klanken, letters, tweetekenklanken en meertekenklanken.

2

Thema 1

Inleiding


Praktische aandachtspunten Voor dit thema zijn er enkele voorbereidingen nodig. • Voorzie materialen om een maquette te bouwen. • Plan de zoektocht in de school op een geschikt moment. • Spreek met de leerkracht van het eerste leerjaar af wanneer de rondleiding kan plaatsvinden.

U

IN

KI

JK

EX

EM

PL

AA

R

D

IE

KE

De teksten begrijpend lezen voor dit thema komen uit de volgende boeken: • Otto gaat naar school, Yoeri Slegers, Uitgeverij De Eenhoorn • ROBO-juf, pas op!, Selma Noort, Zwijsen Uitgeverij • Een kist vol goud, Jette Schröder, Uitgeverij Ploegsma

RE

Bronnen

Thema 1

Inleiding

3


Kennismuur

UITNODIGING

dagen van de week

Waarom? VERJAARDAG

Wie?

WARRE ZATERDAG 14u00 - 17u00

Wanneer? Waar? Hoe?

maandag dinsdag woensdag donderdag vrijdag zaterdag zondag

eergisteren gisteren vandaag morgen overmorgen

U

Happy Bowl Brugge Graag een seintje 0490/11.22.23

RE

Wat?

KE

Denk aan de VRAAGWOORDEN.

het weekend

mijn school

de speelplaats

de ligging landelijk

PL

AA

de schoolpoort

R

D

IE

de plattegrond

de leraarskamer

EX

EM

het klaslokaal

de turnzaal

IN

KI

JK

de eetzaal

stedelijk

de toiletten

het secretariaat

huisnummer naam school het bureau van de directeur/ directrice

de fietsenstalling

De Zonnetuin

straat

Bloemenstraat 10

postcode

9930 Zomergem gemeente

4

Thema 1

Kennismuur


E e n ja ar

12 maanden januari

december

1

12

november

11 oktober

herfst

4

9

september

5

7

augustus

april

lente

zomer

8

bv. 15 / 09 / 2026

maart

3

winter

6

juli

mei

U

de datum

10

2

RE

4 seizoenen

KE

juni

jaar

IE

dag maand

februari

voorwerpen

AA

R

D

pictogrammen

de markeerstift

de schaar

de perforator

de scheurkalender

de nooduitgang

de ringmap

de meetlat

de verzamelplaats bij nood

de brandmeldknop

de balpen

de nietjesmachine

het EHBO-lokaal

de fietsenstalling

de lijmstift

de paperclip

trap op / af

EM het toilet

JK

EX

stop, geen doorgang

PL

naar rechts / links

IN

KI

het brandblustoestel

Thema 1

Kennismuur

5


IN EM

EX

JK

KI

R

AA

PL D

IE

U

KE

RE


25’

Doel leerlingen We oefenen letters en eenvoudige woorden.

Lesdoelen 1

RE

De leerlingen (her)kennen grafemen (korte en lange klinkers, medeklinkers, tweetekenklanken) en kunnen ze fonemisch benoemen. 2 De leerlingen lezen woorden en eenvoudige teksten. 3 De leerlingen verklaren en oefenen woorden.

KE

concordantie leesboek p. 2-3 wisbordje en stift voor elke leerling

IE

-

U

Lesmaterialen

D

Voor de les

R

In Labo lezen we elke dag. De algemene introductietekst geeft een duidelijke beschrijving van de aanpak.

AA

In de eerste twee thema’s herhalen we snel de leesstof van het eerste leerjaar. Labo kiest hier voor een technische opbouw waardoor de teksten minder aansluiten bij de thema’s van wereld. Vanaf het derde thema sluit het leesaanbod – net als in de andere leerjaren – wel aan bij wereld.

EM

PL

De eerste week houden we de klasgroep in grote mate samen en is de herhalingsles voor alle leerlingen. Eens je voldoende zicht hebt op letter- en woordkennis kun je individuele leerlingen met een hoog leesniveau (≥ AVI E4) teksten uit het verdiepingsspoor (leesspoor 3) laten lezen.

IN

KI

JK

EX

Elke les schrijven we drie woorden op het wisbordje. Tijdens het schrijven worden de klanken mee uitgesproken. Schrijven ondersteunt het leesproces. We selecteren de woorden uit de wisselrijtjes op basis van twee criteria: woorden die verklaard worden onderaan de pagina en woorden die relevant zijn voor de leesmoeilijkheid die we oefenen. Door klankvorm (fonologie), schrijfwijze (orthografie) en betekenis (semantiek) te koppelen, stimuleren we diepe verankering/automatisering.

Thema 1

Vlot en vloeiend lezen week 1

7

Vlot en vloeiend lezen week 1

Les 1.1 Een dag in de zon


Vlot en vloeiend lezen week 1

LESVERLOOP 1

Voorkennis activeren en lesdoel Vertel de leerlingen dat ze net als in het eerste leerjaar elke dag lezen. Lezen is heel belangrijk en we willen dat iedereen het goed kan. Vertel dat je deze week wil weten of ze nog goed kunnen lezen na de vakantie.

Kern

U

2

RE

Lezen is heel belangrijk en oefenen we elke dag. Vandaag oefenen we letters en eenvoudige woorden.

KE

2.1 Letter- en woordrijtjes lezen (5 minuten)

IE

Open het leesboek op pagina 2-3. Lees het eerste rijtje van boven naar beneden hardop voor. Vraag de leerlingen om in hun boek mee te wijzen. Lees dan het eerste rijtje van boven naar beneden in koor. De leerlingen wijzen bij. Laat vervolgens in duo’s fluisterend (door) het rijtje lezen. Herhaal voor alle volgende rijen.

2.2 Woorden schrijven (5 minuten)

AA

R

D

Tot slot vraag je de leerlingen alle rijtjes nog eens te lezen. Wandel rond en observeer. Geef feedback aan de leerlingen. Je kent de letters en klanken al goed! We gaan nog flink oefenen op de letters en klanken, zodat jij ze ook snel kent.

EM

PL

Dicteer een voor een de woorden: mees – moes – bos. De leerlingen schrijven de woorden op hun wisbordje en spreken gelijktijdig de klanken uit. De leerlingen kunnen naar de woorden in hun leesboek kijken (kopiëren) of zelf schrijven. Als ze klaar zijn, controleren ze of ze het juist schreven en schrijven opnieuw waar nodig. Controleer snel of alle leerlingen juist schreven. Wis de bordjes en dicteer het volgende woord. Bij de start van het schooljaar is deze manier van werken nog geen routine.

EX

2.3 Tekst (herhaald) lezen (13 minuten)

KI

JK

Voor je start met lezen, bekijk je de twee moeilijke woorden onderaan de pagina met de leestekst. Wijs er de leerlingen op dat de woorden ‘moes’ en ‘wand’ moeilijke woorden zijn. Bekijk de beelden onderaan de bladzijde. Kunnen de leerlingen met eigen woorden zeggen wat moes is? Kunnen de leerlingen een wand in de klas aanduiden?

IN

Lees de tekst een eerste keer voor. De leerlingen wijzen mee met hun vinger. Lees de tekst nogmaals in koor. De leerlingen wijzen bij. Tot slot geef je duo’s de opdracht om de tekst nog een keer samen te lezen. Ze lezen om de beurt een regel. Observeer en detecteer snel welke leerlingen vlot lezen en welke leerlingen leesvaardigheid verloren tijdens de zomervakantie. Op het einde van de week leggen de leerlingen een toets af.

3

Lesafsluiting Vertel de leerlingen dat je blij bent dat het bij de meeste leerlingen nog erg goed lukt. Vertel dat we nog de hele week oefenen en dat je dan alle leerlingen even beluistert wat goed lukt en wat minder goed lukt.

8

Thema 1

Vlot en vloeiend lezen week 1


25’

Doel leerlingen We oefenen letters en eenvoudige woorden.

Lesdoelen 1

RE

De leerlingen (her)kennen grafemen (korte en lange klinkers, medeklinkers, tweetekenklanken) en kunnen ze fonemisch benoemen. 2 De leerlingen lezen woorden en eenvoudige teksten. 3 De leerlingen verklaren en oefenen woorden.

KE

concordantie leesboek p. 4-5 wisbordje en stift voor elke leerling

IE

-

U

Lesmaterialen

D

Voor de les

R

In Labo lezen we elke dag. De algemene introductietekst geeft een duidelijke beschrijving van de aanpak.

AA

In de eerste twee thema’s herhalen we snel de leesstof van het eerste leerjaar. Labo kiest hier voor een technische opbouw waardoor de teksten minder aansluiten bij de thema’s van wereld. Vanaf het derde thema sluit het leesaanbod – net als in de andere leerjaren – wel aan bij wereld.

EM

PL

De eerste week houden we de klasgroep in grote mate samen en is de herhalingsles voor alle leerlingen. Eens je voldoende zicht hebt op letter- en woordkennis kun je individuele leerlingen met een hoog leesniveau (≥ AVI E4) teksten uit het verdiepingsspoor (leesspoor 3) laten lezen.

IN

KI

JK

EX

Elke les schrijven we drie woorden op het wisbordje. Tijdens het schrijven worden de klanken mee uitgesproken. Schrijven ondersteunt het leesproces. We selecteren de woorden uit de wisselrijtjes op basis van twee criteria: woorden die verklaard worden onderaan de pagina en woorden die relevant zijn voor de leesmoeilijkheid die we oefenen. Door klankvorm (fonologie), schrijfwijze (orthografie) en betekenis (semantiek) te koppelen, stimuleren we diepe verankering/automatisering.

Thema 1

Vlot en vloeiend lezen week 1

9

Vlot en vloeiend lezen week 1

Les 1.2 De schooltas


Vlot en vloeiend lezen week 1

LESVERLOOP 1

Voorkennis activeren en lesdoel Vraag de leerlingen welke letters/klanken ze gisteren geoefend hebben. Kennen ze een alfabetliedje? Zing het nog een keer.

2

RE

Lezen is heel belangrijk en oefenen we elke dag. Vandaag oefenen we letters en eenvoudige woorden.

Kern

U

2.1 Letter- en woordrijtjes lezen (5 minuten)

IE

KE

Open het leesboek op pagina 4-5. Lees het eerste rijtje van boven naar beneden hardop voor. Vraag de leerlingen om in hun boek mee te wijzen. Lees dan het eerste rijtje van boven naar beneden in koor. De leerlingen wijzen bij. Laat vervolgens in duo’s fluisterend (door) het rijtje lezen. Herhaal voor alle volgende rijen.

AA

2.2 Woorden schrijven (5 minuten)

R

D

Tot slot vraag je de leerlingen alle rijtjes nog eens te lezen. Wandel rond en observeer. Geef feedback aan de leerlingen. Je kent de letters en klanken al goed! We gaan nog flink oefenen op de letters en klanken, zodat jij ze ook snel kent.

EM

PL

Dicteer een voor een de woorden: bon – zeef – kies. De leerlingen schrijven de woorden op hun wisbordje en spreken gelijktijdig de klanken uit. De leerlingen kunnen naar de woorden in hun leesboek kijken (kopiëren) of zelf schrijven. Als ze klaar zijn, controleren ze of ze het juist schreven en schrijven opnieuw waar nodig. Controleer snel of alle leerlingen juist schreven. Wis de bordjes en dicteer het volgende woord. Bij de start van het schooljaar is deze manier van werken nog geen routine.

2.3 Tekst (herhaald) lezen (13 minuten)

JK

EX

Voor je start met lezen, bekijk je de twee moeilijke woorden onderaan de pagina met de leestekst. Wijs er de leerlingen op dat de woorden ‘bon’ en ‘zeef’ moeilijke woorden zijn. Bekijk de beelden onderaan de bladzijde. Kunnen de leerlingen met eigen woorden een betekenis of voorbeelden geven bij deze woorden?

IN

KI

Lees de tekst een eerste keer voor. De leerlingen wijzen mee met hun vinger. Lees de tekst nogmaals in koor. De leerlingen wijzen bij. Tot slot geef je duo’s de opdracht om de tekst nog een keer samen te lezen. Ze lezen om de beurt een rol. Nadien wisselen de leerlingen van rol. Observeer en detecteer snel welke leerlingen vlot lezen en welke leerlingen leesvaardigheid verloren tijdens de zomervakantie. Op het einde van de week leggen de leerlingen een toets af.

3

Lesafsluiting Vraag de leerlingen op welke schoolspullen zij fier zijn: hun lat, hun balpen …

10

Thema 1

Vlot en vloeiend lezen week 1


25’

Doel leerlingen We oefenen hoofdletters, eenvoudige woorden en woorden zoals ‘ja’.

Lesdoelen 1

U

RE

De leerlingen (her)kennen grafemen (korte en lange klinkers, medeklinkers, tweetekenklanken) en kunnen ze fonemisch benoemen. 2 De leerlingen (her)kennen hoofdletters. 3 De leerlingen lezen woorden en eenvoudige teksten. 4 De leerlingen verklaren en oefenen woorden.

concordantie leesboek p. 6-7 wisbordje en stift voor elke leerling

IE

-

KE

Lesmaterialen

D

Voor de les

AA

R

In Labo lezen we elke dag. De algemene introductietekst geeft een duidelijke beschrijving van de aanpak.

PL

In de eerste twee thema’s herhalen we snel de leesstof van het eerste leerjaar. Labo kiest hier voor een technische opbouw waardoor de teksten minder aansluiten bij de thema’s van wereld. Vanaf het derde thema sluit het leesaanbod – net als in de andere leerjaren – wel aan bij wereld.

EM

De eerste week houden we de klasgroep in grote mate samen en is de herhalingsles voor alle leerlingen. Eens je voldoende zicht hebt op letter- en woordkennis kun je individuele leerlingen met een hoog leesniveau (≥ AVI E4) teksten uit het verdiepingsspoor (leesspoor 3) laten lezen.

IN

KI

JK

EX

Elke les schrijven we drie woorden op het wisbordje. Tijdens het schrijven worden de klanken mee uitgesproken. Schrijven ondersteunt het leesproces. We selecteren de woorden uit de wisselrijtjes op basis van twee criteria: woorden die verklaard worden onderaan de pagina en woorden die relevant zijn voor de leesmoeilijkheid die we oefenen. Door klankvorm (fonologie), schrijfwijze (orthografie) en betekenis (semantiek) te koppelen, stimuleren we diepe verankering/automatisering.

Thema 1

Vlot en vloeiend lezen week 1

11

Vlot en vloeiend lezen week 1

Les 1.3 Lief dagboek


Vlot en vloeiend lezen week 1

LESVERLOOP 1

Voorkennis activeren en lesdoel In het eerste leerjaar leerden we nog andere letters lezen. Deze speciale letters gebruiken we als eerste letter van onze naam. Weten we welke letters dat zijn? (hoofdletters) Weet je nog wanneer die in een tekst staan? (een naam van iemand, eerste woord van een zin)

RE

Vertel dat we vandaag de hoofdletters herhalen. Zing nog een keer het alfabetlied.

2

KE

U

Lezen is heel belangrijk en oefenen we elke dag. Vandaag oefenen we hoofletters, eenvoudige woorden en woorden zoals ‘ja’ die achteraan lang klinken, maar kort geschreven worden.

Kern

IE

2.1 Letter- en woordrijtjes lezen (5 minuten)

R

D

Open het leesboek op pagina 6-7. Lees het eerste rijtje van boven naar beneden hardop voor. Vraag de leerlingen om in hun boek mee te wijzen. Lees dan het eerste rijtje van boven naar beneden in koor. De leerlingen wijzen bij. Laat vervolgens in duo’s fluisterend (door) het rijtje lezen. Herhaal voor alle volgende rijen.

PL

AA

Tot slot vraag je de leerlingen alle rijtjes nog eens te lezen. Wandel rond en observeer. Geef feedback aan de leerlingen. Je kent de letters en klanken al goed! We gaan nog flink oefenen op de letters en klanken, zodat jij ze ook snel kent.

2.2 Woorden schrijven (5 minuten)

EX

EM

Dicteer een voor een de woorden: bui – ja – doe. De leerlingen schrijven de woorden op hun wisbordje en spreken gelijktijdig de klanken uit. De leerlingen kunnen naar de woorden in hun leesboek kijken (kopiëren) of zelf schrijven. Als ze klaar zijn, controleren ze of ze het juist schreven en schrijven opnieuw waar nodig. Controleer snel of alle leerlingen juist schreven. Wis de bordjes en dicteer het volgende woord. Bij de start van het schooljaar is deze manier van werken nog geen routine.

JK

2.3 Tekst (herhaald) lezen (13 minuten)

IN

KI

Voor je start met lezen, bekijk je de twee moeilijke woorden onderaan de pagina met de leestekst. Wijs er de leerlingen op dat de woorden ‘dagboek’ en ‘bui’ moeilijke woorden zijn. Bekijk de beelden onderaan de bladzijde. Kunnen de leerlingen met eigen woorden een betekenis of voorbeelden geven bij deze woorden? Kunnen ze de woorden met hun verschillende betekenissen gebruiken? bv. De bui maakte alles nat. Juf is in een slechte bui vandaag. Lees de tekst een eerste keer voor. De leerlingen wijzen mee met hun vinger. Lees de tekst nogmaals in koor. De leerlingen wijzen bij. Tot slot geef je duo’s de opdracht om de tekst nog een keer samen te lezen.

12

Thema 1

Vlot en vloeiend lezen week 1


Vlot en vloeiend lezen week 1

Ze lezen om de beurt een zin. Nadien wisselen de leerlingen. Ze lezen de zinnen die ze nog niet lazen. Observeer en detecteer snel welke leerlingen vlot lezen en welke leerlingen leesvaardigheid verloren tijdens de zomervakantie. Op het einde van de week leggen de leerlingen een toets af.

Lesafsluiting

RE

3

IN

KI

JK

EX

EM

PL

AA

R

D

IE

KE

U

Vraag de leerlingen waar zij aan denken als ze de slaap niet kunnen vatten. Vraag de leerlingen wie er een dagboek heeft. Wat schrijven of tekenen ze in hun dagboek?

Thema 1

Vlot en vloeiend lezen week 1

13


25’

Doel leerlingen We oefenen hoofdletters en eenvoudige woorden met oo, uu, eu, oe, aai, ooi, au, ou, ei, ij, ie.

Lesdoelen

RE

2 3 4 5

De leerlingen (her)kennen grafemen (korte en lange klinkers, medeklinkers, tweetekenklanken) en kunnen ze fonemisch benoemen. De leerlingen (her)kennen hoofdletters. De leerlingen lezen woorden en eenvoudige teksten. De leerlingen verklaren en oefenen woorden. De leerlingen ervaren meertaligheid als een talent en beseffen dat Nederlands de leer- en verbindingstaal is op school.

U

1

KE

Vlot en vloeiend lezen week 1

Les 1.4 Leer me jouw taal

Lesmaterialen

IE

concordantie leesboek p. 8-9 wisbordje en stift voor elke leerling

D

-

R

Voor de les

AA

In Labo lezen we elke dag. De algemene introductietekst geeft een duidelijke beschrijving van de aanpak.

PL

In de eerste twee thema’s herhalen we snel de leesstof van het eerste leerjaar. Labo kiest hier voor een technische opbouw waardoor de teksten minder aansluiten bij de thema’s van wereld. Vanaf het derde thema sluit het leesaanbod – net als in de andere leerjaren – wel aan bij wereld.

EM

De eerste week houden we de klasgroep in grote mate samen en is de herhalingsles voor alle leerlingen. Eens je voldoende zicht hebt op letter- en woordkennis kun je individuele leerlingen met een hoog leesniveau (≥ AVI E4) teksten uit het verdiepingsspoor (leesspoor 3) laten lezen.

IN

KI

JK

EX

Elke les schrijven we drie woorden op het wisbordje. Tijdens het schrijven worden de klanken mee uitgesproken. Schrijven ondersteunt het leesproces. We selecteren de woorden uit de wisselrijtjes op basis van twee criteria: woorden die verklaard worden onderaan de pagina en woorden die relevant zijn voor de leesmoeilijkheid die we oefenen. Door klankvorm (fonologie), schrijfwijze (orthografie) en betekenis (semantiek) te koppelen, stimuleren we diepe verankering/automatisering.

14

Thema 1

Vlot en vloeiend lezen week 1


1

Voorkennis activeren en lesdoel Welke speciale letters oefenden we in de vorige les? (hoofdletters) Vandaag oefenen we de hoofdletters nog een keer. We oefenen ook op klanken die twee tekens/ letters hebben.

RE

Kennen de leerlingen zulke klanken? Geef enkele voorbeelden en noteer op het bord. Ik zeg ‘oe’ … dat klinkt als één klank. Ik schrijf ‘oe’ dat zijn twee tekens/letters. Ik zeg ‘ij’ … dat klinkt als één klank. Ik schrijf ‘ij’ dat zijn twee tekens/letters.

2

KE

U

Lezen is heel belangrijk en oefenen we elke dag. Vandaag oefenen we hoofletters, eenvoudige woorden en woorden waarbij meer letters één klank maken.

Kern

IE

2.1 Letter- en woordrijtjes lezen (5 minuten)

AA

R

D

Open het leesboek op pagina 8-9. Lees het eerste rijtje van boven naar beneden hardop voor. Vraag de leerlingen om in hun boek mee te wijzen. Lees dan het eerste rijtje van boven naar beneden in koor. De leerlingen wijzen bij. Laat vervolgens in duo’s fluisterend (door) het rijtje lezen. Herhaal voor alle volgende rijen.

PL

Tot slot vraag je de leerlingen alle rijtjes nog eens te lezen. Wandel rond en observeer. Geef feedback aan de leerlingen. Je kent de letters en klanken al goed! We gaan nog flink oefenen op de letters en klanken, zodat jij ze ook snel kent.

EM

2.2 Woorden schrijven (5 minuten)

JK

EX

Dicteer een voor een de woorden: duur – deur – dier. De leerlingen schrijven de woorden op hun wisbordje en spreken gelijktijdig de klanken uit. De leerlingen kunnen naar de woorden in hun leesboek kijken (kopiëren) of zelf schrijven. Als ze klaar zijn, controleren ze of ze het juist schreven en schrijven opnieuw waar nodig. Controleer snel of alle leerlingen juist schreven. Wis de bordjes en dicteer het volgende woord. Bij de start van het schooljaar is deze manier van werken nog geen routine.

2.3 Tekst (herhaald) lezen (13 minuten)

IN

KI

Voor je start met lezen, bekijk je de twee moeilijke woorden onderaan de pagina met de leestekst. Wijs er de leerlingen op dat de woorden ‘dauw’ en ‘door’ moeilijke woorden zijn. Bekijk de verklaring en het beeld onderaan de bladzijde. Kunnen de leerlingen met eigen woorden een betekenis of voorbeelden geven bij deze woorden? Kunnen ze de woorden met hun verschillende betekenissen gebruiken? bv. Ik kijk door het venster. Loop door! De gymles gaat niet door, want juf is er niet. Lees de tekst een eerste keer voor. De leerlingen wijzen mee met hun vinger. Lees de tekst nogmaals in koor. De leerlingen wijzen bij. Tot slot geef je duo’s de opdracht om de tekst nog een keer samen te lezen. Ze lezen om de beurt een rol. Nadien wisselen de leerlingen van rol.

Thema 1

Vlot en vloeiend lezen week 1

15

Vlot en vloeiend lezen week 1

LESVERLOOP


Vlot en vloeiend lezen week 1

Observeer en detecteer snel welke leerlingen vlot lezen en welke leerlingen leesvaardigheid verloren tijdens de zomervakantie. Op het einde van de week leggen de leerlingen een toets af.

3

Lesafsluiting

IN

KI

JK

EX

EM

PL

AA

R

D

IE

KE

U

Vertel dat goed Nederlands lezen en spreken ook belangrijk is voor school.

RE

Wie spreekt er thuis een andere taal dan het Nederlands? Welke taal is het moeilijkste? Vertel de leerlingen dat veel talen spreken, goed is. Je kunt met veel mensen praten.

16

Thema 1

Vlot en vloeiend lezen week 1


25’

Doel leerlingen We oefenen letters en eenvoudige woorden met sch, ng, nk, eeuw, ieuw, ch, cht.

Lesdoelen 1

U

RE

De leerlingen (her)kennen grafemen (korte en lange klinkers, medeklinkers, tweetekenklanken) en kunnen ze fonemisch benoemen. 2 De leerlingen (her)kennen hoofdletters. 3 De leerlingen lezen woorden en eenvoudige teksten. 4 De leerlingen verklaren en oefenen woorden.

IE

concordantie leesboek p. 2-11 kopieerblad 1: lettertoets na week 1 wisbordje en stift voor elke leerling

D

-

KE

Lesmaterialen

Voor de les

AA

R

In Labo lezen we elke dag. De algemene introductietekst geeft een duidelijke beschrijving van de aanpak.

PL

In de eerste twee thema’s herhalen we snel de leesstof van het eerste leerjaar. Labo kiest hier voor een technische opbouw waardoor de teksten minder aansluiten bij de thema’s van wereld. Vanaf het derde thema sluit het leesaanbod – net als in de andere leerjaren – wel aan bij wereld.

EM

De eerste week houden we de klasgroep in grote mate samen en is de herhalingsles voor alle leerlingen. Eens je voldoende zicht hebt op letter- en woordkennis kun je individuele leerlingen met een hoog leesniveau (≥ AVI E4) teksten uit het verdiepingsspoor (leesspoor 3) laten lezen.

KI

JK

EX

Elke les schrijven we drie woorden op het wisbordje. Tijdens het schrijven worden de klanken mee uitgesproken. Schrijven ondersteunt het leesproces. We selecteren de woorden uit de wisselrijtjes op basis van twee criteria: woorden die verklaard worden onderaan de pagina en woorden die relevant zijn voor de leesmoeilijkheid die we oefenen. Door klankvorm (fonologie), schrijfwijze (orthografie) en betekenis (semantiek) te koppelen, stimuleren we diepe verankering/automatisering.

IN

Op het einde van de eerste week brengen we de letterkennis van de leerlingen in beeld. Leerlingen die de letters onvoldoende kennen, worden vanaf de tweede lesweek intensief ondersteund via het programma ‘Labo letters oefenen’.

Thema 1

Vlot en vloeiend lezen week 1

17

Vlot en vloeiend lezen week 1

Les 1.5 Herhaling en lettertoets


Vlot en vloeiend lezen week 1

LESVERLOOP 1

Voorkennis activeren en lesdoel Vraag de leerlingen of ze klanken kennen die geschreven worden met meer tekens/letters? Laat enkele klanken uit de vorige les verwoorden en noteer ze op het bord.

RE

Vandaag leren we nog andere klanken die met meer letters geschreven zijn.

Kern

KE

2

U

Vertel dat je vandaag ook leerlingen bij jou roept om te lezen voor juf/meester (gebruik bij voorkeur het woord toets of test niet). Zo weet je hoe je iedereen vanaf volgende week zo goed mogelijk kunt helpen.

2.1 Letter- en woordrijtjes lezen (5 minuten)

D

IE

Open het leesboek op pagina 10-11. Voor je start met lezen, sta je stil bij twee moeilijke woorden. Wijs er de leerlingen op dat de woorden ’scheur’ en ‘bank’ moeilijke woorden zijn. Bekijk de beelden onderaan de bladzijde. Kunnen de leerlingen met eigen woorden een betekenis of voorbeelden geven bij deze woorden?

PL

AA

R

Lees het eerste rijtje van boven naar beneden hardop voor. Vraag de leerlingen om in hun boek mee te wijzen. Lees dan het eerste rijtje van boven naar beneden in koor. De leerlingen wijzen bij. Laat vervolgens in duo’s fluisterend (door) het rijtje lezen. Herhaal voor alle volgende rijen.

EM

Tot slot vraag je de leerlingen alle rijtjes nog eens te lezen. Wandel rond en observeer. Geef feedback aan de leerlingen. Je kent de letters en klanken al goed! We gaan nog flink oefenen op de letters en klanken, zodat jij ze ook snel kent.

2.2 Woorden schrijven (5 minuten)

KI

JK

EX

Dicteer een voor een de woorden: scheur – schaal – bank. De leerlingen schrijven de woorden op hun wisbordje en spreken gelijktijdig de klanken uit. De leerlingen kunnen naar de woorden in hun leesboek kijken (kopiëren) of zelf schrijven. Als ze klaar zijn, controleren ze of ze het juist schreven en schrijven opnieuw waar nodig. Controleer snel of alle leerlingen juist schreven. Wis de bordjes en dicteer het volgende woord. Bij de start van het schooljaar is deze manier van werken nog geen routine.

IN

2.3 Tekst (herhaald) lezen en afname lettertoets (13 minuten) Geef de leerlingen de opdracht om alleen of in duo’s teksten uit de vorige lessen terug te lezen. Ze mogen zelf kiezen welke teksten ze lezen. Vertel dat jij ondertussen leerlingen vraagt om bij jou te komen lezen. Neem de lettertoets af bij de leerlingen waarvan je twijfelt of ze de letters kennen. Gebruik hiervoor kopieerblad 1. Observeer en detecteer snel welke leerlingen vlot lezen en welke leerlingen leesvaardigheid verloren tijdens de zomervakantie.

3 Lesafsluiting

Welke tekst vinden de leerlingen de leukste? Waarom?

18

Thema 1

Vlot en vloeiend lezen week 1


Les 1

Intro 50’

Lesdoelen 1 De leerlingen kunnen hun voorkennis over de klas- en schoolomgeving verwoorden. 2 De leerlingen kunnen hun voorkennis rond het thema ‘mijn school’ klassikaal in een woordweb noteren. 3 De leerlingen maken kennis met Otto, het hoofdpersonage van een boek.

Lesmaterialen

de ruimte de school het secretariaat de speelplaats het toilet de turnzaal de uitnodiging vandaag

PL

AA

de groep de ingang kennismaken de klas het lokaal het pictogram de refter de route

ver/veraf de verdieping het voorwerp de week het woordweb

EM

het brandblusapparaat de brief de dag de datum dicht/dichtbij de droom de eetzaal het geheim

R

Woordenschat in deze les (richtinggevend)

IE

KE

U

RE

concordantie werkboek p. 2 bijlage 1: brief Otto - leraar bijlage 2: opdrachtkaartjes kopieerblad 2: uitnodiging Otto video 1: intro-video audio 1: dagen van de week leesboek Thema 1 doos of koffer waarin het leesboek past foto’s van pictogrammen/voorwerpen op school

D

-

Leerlijn

EX

Wat ging vooraf? Wat is de voorkennis? Dit is het eerste thema van de methode Labo Taal & Wereld.

IN

KI

JK

De meeste leerlingen zaten vorig jaar ook op deze school. Indien je vorig jaar al met Labo werkte, werden deze leerlingen – toen ze in het eerste leerjaar zaten – uitgenodigd door de leerlingen van het tweede leerjaar voor een rondleiding op school. In deze les brengen ze hun voorkennis over de indeling, schoolwerking en -afspraken onder woorden.

Wat volgt? Het woordweb dat de leerlingen in deze les opbouwen, kan doorheen het thema in heel wat lessen aangevuld worden met nieuwe begrippen die de leerlingen verwerven. In deze les maken de leerlingen kort kennis met Otto. In les 2 lezen ze een verhaal over Otto.

Thema 1

Les 1

19


Voor de les Binnen dit thema gaan we veelvuldig aan de slag met kalenders en tijdsbegrippen zoals vandaag, morgen, overmorgen, gisteren en eergisteren. Om de dagen van de week voldoende in te oefenen, voorzien we onderaan de eerste pagina van elke les twee kaders. In het kader links noteren de leerlingen de dag. In het kader rechts noteren ze de datum. Hanteer hierbij de notatiewijze die jullie als school afspreken, bv. 01/09/2026 of 1 september.

U

RE

Plan deze les bij voorkeur op de eerste schooldag. Voorzie een mooie koffer of een leuke doos waarin het leesboek van Thema 1 past. Maak voor elke leerling een uitnodiging aan de hand van kopieerblad 2 waarop je de naam van de leerling schrijft. De uitnodigingen leg je doorheen de klas voordat de leerlingen binnenkomen. Voorzie ook enkele foto’s van pictogrammen of voorwerpen die je op school vindt.

IN

KI

JK

EX

EM

PL

AA

R

D

IE

KE

Voor anderstalige en taalarme leerlingen is er een intro-video beschikbaar (video 1). In deze video maken ze kennis met de belangrijkste concepten van het thema. Bekijk de video vooraf met deze leerlingen, of laat ze de video op voorhand thuis bekijken.

20

Thema 1

Les 1


LESVERLOOP 1

Voorkennis activeren en lesdoel

RE

Vertel aan de leerlingen dat je deze ochtend aangenaam verrast was toen je de klas binnenkwam. Er lag een brief op je bureau van Otto. Wie Otto juist is, weet je ook niet, maar je zag al snel dat er meer briefjes in de klas waren. Voor elke leerling van de klas is er eentje (kopieerblad 2). Waarom staat op iedere brief de naam van een leerling? (Je schrijft iemands naam als je die persoonlijk wil bereiken.) Zullen we samen eens kijken wat er verder nog op de brief staat? Je leest de brief voor en laat de leerlingen hardop meelezen.

KE

U

De leerlingen ontdekken dat iedereen dezelfde uitnodiging heeft gekregen. Enkel de naam voor wie de uitnodiging bedoeld is, verschilt. Elke leerling wordt persoonlijk uitgenodigd door Otto om samen spelletjes te spelen.

IE

Vertel dat er op jouw bureau nog een brief ligt en dat er een vreemde koffer/doos staat. Lees de brief op bijlage 1 voor.

R

D

Vertel dat er bij de brief enkele kaartjes met opdrachten zitten. Aan de hand van die opdrachten kom je te weten wat de leerlingen al weten over jou, elkaar, de klas en de school. Die voorkennis gaan jullie nadien opschrijven in een woordweb.

2

Kern

PL

2.1 Instructie: woordweb + datum

AA

Vandaag maken we een woordweb met dingen die we al weten over onze school.

EM

Wie weet er wat een woordweb is? Hoe ziet een woordweb eruit? Een woordweb is een schema of een soort tekening die helpt om onze gedachten en kennis te noteren en ordenen. In het midden staat een woord of onderwerp, en daaromheen schrijf je alle woorden die ermee te maken hebben.

JK

EX

Vertel dat jullie zo meteen eerst de opdrachten gaan uitvoeren die Otto voor jullie heeft bedacht. Die opdrachten zullen de leerlingen helpen om hun kennis over elkaar, de klas en de school te activeren, op te halen en uit te breiden. Nadien kunnen ze het woordweb in het werkboek aanvullen.

IN

KI

Laat ze kort het werkboek op pagina 2 bekijken zodat ze hier een visuele voorstelling van hebben. Wijs de leerlingen op de kaders onderaan de pagina. Vertel dat ze deze kaders in iedere les zullen tegenkomen en invullen. Wie weet nog wat de tekeningen onderaan de pagina betekenen? Wat zouden we daar moeten invullen? (de dag) Laat de leerlingen de juiste dag noteren en de bijhorende prent omcirkelen. Je kunt eventueel het versje van de dagen van de week laten horen (audio 1), of hardop voorlezen. Maandag zwaai ik naar de maan. Dinsdag komt een dikke dino aan. Woensdag is van woef waf hond. Donderdag gaat de donder rond. Vrijdag mag mijn vriendje komen. Zaterdag zaag ik honderd bomen. Zondag lig ik in de zon. En de week is om. Thema 1

Les 1

21


In het andere kader, rechts op de pagina, noteren de leerling de datum. Kijk hiervoor op de scheurkalender en spreek af welke notatiewijze jullie hanteren (1 september 2026, 01-09-2026, 01/09/2026, jaartal weglaten). - Welke maand is het? Wie weet er welk cijfer we kunnen gebruiken voor september? - De hoeveelste dag van de maand is het? - Welk jaar is het? - In welke volgorde moeten we deze getallen nu noteren? (dag - maand - jaar)

RE

2.2 Begeleide inoefening: doe je mee?

KE

U

De leerlingen verzamelen in een grote kring midden in de klas, net zoals er in hun uitnodiging stond. Je neemt de opdrachtkaartjes van bijlage 2 en leest ze één voor één voor. Controleer of de leerlingen de woorden begrijpen en geef woordverklaringen waar nodig (bv. ruimte, lokaal, secretariaat, route).

D

IE

Kies een gepaste werkwijze voor jouw klas. Ofwel verspreid je de verschillende opdrachten over het klaslokaal en laat je ze door de leerlingen in kleine groepjes uitvoeren. Elke leerling komt dan per opdracht minstens één keer aan de beurt. Per opdracht voorzie je een tweetal minuten. Ofwel laat je de opdrachten klassikaal uitvoeren in de kring. Hierbij duid je telkens een andere leerling aan om de opdracht uit te voeren.

R

Het kaartje van de laatste opdracht houd je nog even bij. Deze opdracht wordt klassikaal uitgevoerd, zodat het woordweb met de hele klas wordt opgebouwd.

PL

AA

Bij een van de opdrachten toon je enkele foto’s van pictogrammen of voorwerpen die je op school vindt. - Wie weet waar dit pictogram hangt of waar je dit voorwerp vindt? Op welke verdieping, in welk lokaal … - Wat betekent het of waarvoor wordt het gebruikt?

EM

2.3 Begeleide inoefening: woordweb aanvullen

EX

De leerlingen gaan terug op hun plaats zitten. Vertel dat er nog één kaartje bij de brief zat. Lees het voor aan de hele klasgroep. Wat weten we al over onze klas en onze school? Welke ruimtes, voorwerpen, mensen … zijn er in een klas of school?

KI

JK

Neem het werkboek er terug bij en bekijk samen het woordweb. - Wie weet nog hoe deze tekening heet? (een woordweb) - Waarvoor gebruiken we een woordweb? (om onze voorkennis rond een woord of onderwerp netjes te noteren)

IN

Vul het woordweb klassikaal aan. Laat de leerlingen zelf woorden aanreiken waar ze aan denken bij ‘mijn school’. In deze fase peil je naar de voorkennis en woordenschat van de leerlingen over het thema. In latere lessen kan het woordweb verder worden aangevuld, naarmate hun kennis en woordenschat over het thema rijker wordt. Maak zelf ook een schriftelijke neerslag van het woordweb op het (digitaal) bord, zodat je hier in de volgende lessen naar kunt teruggrijpen. Wijs de leerlingen even op het tekstje in de bol bovenaan de pagina. Op het einde van het thema zullen de leerlingen hun werkboek moeten gebruiken om te studeren voor de toets. Daarom is het belangrijk dat ze verzorgd werken en net schrijven. Na de laatste les in het werkboek moeten ze zichzelf op dit punt evalueren.

22

Thema 1

Les 1


3

Lesafsluiting Feliciteer de leerlingen omdat ze de opdrachten samen zo goed hebben uitgevoerd. Nu is het tijd om samen met hen te kijken naar wat er in de koffer/doos zit. Ontdek samen het leesboek van dit thema. Blader even in het boek en laat hier en daar een leuke prent zien. Toon ook enkele prenten van Otto, die we in de volgende les nog wat beter zullen leren kennen (leesboek p. 79-86). Op het einde van iedere les herhaal je ook het lesdoel.

RE

We maakten in deze les een woordweb over onze school. Wat weten we al over onze school?

IN

KI

JK

EX

EM

PL

AA

R

D

IE

KE

U

Laat het woordweb nog eens samenvatten door enkele leerlingen.

Thema 1

Les 1

23


Les 2

Otto gaat naar school 50’

Lesdoelen 1 De leerlingen kunnen zich oriënteren op een tekst. 2 De leerlingen kunnen gericht informatie zoeken over de hoofdpersoon, personages en gebeurtenissen in een verhaal. 3 De leerlingen kunnen vragen met de 5W1H-vraagwoorden beantwoorden.

U

concordantie werkboek p. 3-5 afbeelding 1: cover Otto gaat naar school wisbordje en stift voor elke leerling

KE

-

RE

Lesmaterialen

Woordenschat in deze les (richtinggevend)

IE

schreeuwen speciaal de speelplaats de spullen streng sussen

vragen wrijven zenuwachtig

D

het potlood de puntenslijper rinkelen de schooldag het schooljaar de schoolpoort

R

de juf het kleurpotlood het lawaai de meester de pen de pennenzak

AA

bang de boekentas de drukte de etui favoriet de gum

Leerlijn

PL

Wat ging vooraf? Wat is de voorkennis?

EM

De leerlingen maakten in de vorige les reeds kennis met Otto. Otto start net als hen het schooljaar in een nieuwe klas, met een nieuwe juf.

EX

In deze eerste les begrijpend lezen van het thema neem je als leerkracht het voortouw. Door hardop denkend voor te doen en duidelijk te verwoorden hoe jij als ervaren lezer aan de slag gaat met een tekst, welke vragen je jezelf stelt, waar je op let, wat je verwacht … toon je de leerlingen welke strategieën en denkprocessen er zich tijdens het lezen in je hoofd afspelen. Je geeft de leerlingen een voorbeeld waaraan ze zich kunnen spiegelen.

KI

JK

Als leesstrategie hanteren we in dit thema ‘vragen stellen’. Geef dit duidelijk aan door tijdens de leesbeurten vragen als wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe te integreren. Op deze manier bewaar je ook de focus van de leerlingen op de inhoud van de tekst.

Wat volgt?

IN

In deze les ga je als leerkracht nog vooral zelf aan de slag met de tekst. In de tweede leesles zullen de leerlingen meer betrokken worden en in de derde leesles laat je hen nog meer zelfstandig aan de slag gaan, ook al blijf je als leerkracht nog sturen. Ten slotte gaan de leerlingen in de laatste leesles volledig zelfstandig aan de slag en passen ze de geleerde leesstrategie toe op een nieuwe tekst.

Voor de les Bij elke leestekst uit de lessen begrijpend lezen is een ingelezen versie beschikbaar. Deze kan ingezet worden als pre-teachmoment voor leerlingen die nog moeite hebben met technisch lezen. Daarnaast kan de audio ook tijdens de les gebruikt worden. Terwijl de leerling luistert, kan hij of zij de tekst volgen en bijwijzen in het werkboek. De ingelezen versies van de leesteksten zijn te vinden op Kabas.

24

Thema 1

Les 2


LESVERLOOP 1

Voorkennis activeren en lesdoel Houd een kort klasgesprek om de voorkennis van de leerlingen te activeren. Toon het woordweb dat in de intro-les werd opgebouwd op het bord. Laat de leerlingen vertellen wat er staat.

U

RE

Bespreek klassikaal hoe spannend de eerste dag van een nieuw schooljaar voor veel leerlingen is. - Wat voelde je de avond voor je weer naar school moest? - Waar had je zin in? - Wat was er minder leuk aan terug naar school gaan? - Wie bracht jou naar school de eerste dag?

D

IE

KE

Laat de cover van het boek ‘Otto gaat naar school’ zien (afbeelding 1). Dit is Otto, die klaar is om de eerste dag van het nieuwe schooljaar naar school te vertrekken. Heeft hij er zin in, denk je? Waarom wel of waarom niet? Iedere leerling schrijft één woord uit het woordweb op zijn/haar wisbordje, waarvan hij/zij denkt dat het ook wel bij Otto past. Wie vindt dat er geen enkel woord bij Otto past, mag een ander woord verzinnen en opschrijven. In de lesafsluiting, na het lezen van de tekst, gaan we deze woorden opnieuw bekijken.

AA

R

Vertel dat we vandaag een verhaal over Otto zullen lezen. Om het verhaal goed te begrijpen, gaan we vragen bij de tekst moeten beantwoorden. Vandaag leren we in een verhaal het antwoord zoeken op vragen met wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe.

Kern

PL

2

EM

2.1 Instructie: tekststructuur verkennen + eerste leesbeurt

JK

EX

De leerlingen nemen hun werkboek op pagina 3. Bekijk samen de tekst en ga hardop denkend aan de slag: door hardop te denken, toon je de leerlingen hoe je te werk gaat als je een nieuwe tekst wilt lezen. Vertel de leerlingen dat jullie samen enkele fragmentjes zullen lezen uit het boek ‘Otto gaat naar school’. Vertel dat je tijdens het lezen veel hardop zult denken en veel zult voordoen. Verduidelijk dat je zo een voorbeeld geeft aan de leerlingen, zodat zij die dingen zelf leren doen.

IN

KI

Voor ik echt begin te lezen, kijk ik eerst aandachtig naar de tekst. Ik zie dat de schrijver de tekst in stukjes heeft verdeeld. Hij wilt waarschijnlijk dat we de tekst in stukjes verkennen. Ik ben benieuwd wat we in elk stukje zullen vinden. Ik stel vragen in mijn hoofd om te ontdekken waarover elk stukje gaat. Deze vragen beginnen vaak met wie, wat, waar, wanneer, waarom of hoe. Zo vraag ik me bijvoorbeeld af over wie het verhaal zal gaan, waar het verhaal zich afspeelt en wat er allemaal gaat gebeuren. Ik stel vragen voor ik begin te lezen, maar ook tijdens en na het lezen van een stukje. Ik zie ook dat er naast en onder elk stukje tekst vragen staan. Die zullen we straks samen beantwoorden. Verder zie ik ook vette woordjes in de tekst. Dat zien er moeilijke woorden uit. In het oranje kader kan ik lezen wat ze betekenen. Zo kan ik de tekst nog beter begrijpen.

Vertel dat je de tekst een eerste keer gaat voorlezen. De leerlingen wijzen mee in hun werkboek. Let hierbij op dat je langzaam genoeg leest, zodat alle leerlingen goed kunnen volgen. Tijdens het lezen stop je regelmatig en stel je hardop denkend enkele vragen om de aandacht van de leerlingen bij de tekst te houden.

Thema 1

Les 2

25


We lezen stukje per stukje en proberen de tekst goed te begrijpen. Luister maar goed … juf/meester doet voor. Ik lees het eerste stukje en stel vragen bij de tekst. Mijn vragen beginnen met de woorden wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe. Schrijf die zes woorden ook op het bord. Door vragen aan de tekst te stellen, begrijp ik die beter.

U

RE

Lees het fragment op pagina 3. Sta dan even stil bij wat je gelezen hebt en stel jezelf enkele vragen. Bijvoorbeeld: Ik vraag me af wanneer het verhaal zich afspeelt. Ik lees dat Otto veel nieuwe spullen heeft gekregen. Een nieuwe boekentas. Een nieuwe etui. Mmm, wat zou dat zijn? Dat woordje staat vet, dus ik kan opzoeken wat het betekent! Etui is een ander woord voor pennenzak. Zo veel nieuwe spullen? Dan is het waarschijnlijk de eerste schooldag! Aan het begin van een nieuw schooljaar krijg je soms nieuwe schoolspullen.

D

IE

KE

Controleer het begrip van de leerlingen na dit eerste tekstblok. - Wat doet juf/meester om de tekst beter te begrijpen? (vragen met wie, wat … stellen en beantwoorden) - Het is een speciale dag voor Otto. Wie kan me in eigen woorden uitleggen wat ‘speciaal’ is? En ‘favoriet’? - Wat kun je doen als je een woord niet goed begrijpt? (opzoeken in het oranje kader, vragen aan juf/meester)

AA

R

Lees vervolgens het eerste fragment op pagina 4. Ga opnieuw hardop denkend aan de slag. Bijvoorbeeld: Otto kent de school al, maar zijn nieuwe klas nog niet. Ik vraag me af in welk leerjaar Otto dan zit. Oh ja, dat hebben we in de vorige les gelezen! Otto schreef in zijn brief dat hij naar het tweede leerjaar gaat, net als ons. Wie zou zijn nieuwe juf zijn?

PL

Oei, Otto zucht. Ik vraag me af hoe hij zich voelt? Ik denk dat hij bang is. Of zenuwachtig. Hij weet niet hoe zijn nieuwe klas eruit zal zien. Of waar hij mag zitten. Dat maakt hem onzeker.

EX

EM

We zijn al heel wat te weten gekomen. Wie helpt me even samenvatten? We stellen vragen met wie, wat, waar, wanneer … om het verhaal beter te begrijpen. Noteer de vraagwoorden op het bord. - Over wie gaat het verhaal? (Otto) - Waar speelt het verhaal zich af? (aan de schoolpoort) - Wanneer speelt het verhaal zich af? (op de eerste schooldag)

IN

KI

JK

Ga verder met het tweede fragment op pagina 4. Ook hier stel je jezelf hardop denkend enkele vragen. Bijvoorbeeld: Gelukkig, Otto is niet alleen. Zijn papa en mama zijn bij hem. Zij proberen hem gerust te stellen. Mama wrijft over zijn oren. Dat geeft een fijn gevoel. Wat doet papa ook alweer? Hij sust Otto. Dat woord moet ik even opzoeken in het oranje kader. Ah, sussen betekent iemand rustig proberen maken. Wat kun je nog zeggen of doen om iemand te sussen? Een knuffel geven, iets liefs zeggen of over leuke dingen praten. Lees tot slot de fragmenten op pagina 5 voor. Ga opnieuw hardop denkend aan de slag. Bijvoorbeeld: Vorig jaar zat hij bij juf Magda. Wie zou dit jaar zijn nieuwe juf worden? Zou zijn nieuwe juf even lief zijn? Otto weet al wie zijn nieuwe juf wordt. Juf Evelien! Maar hij kent haar niet goed. Wat weet hij al over haar? Ze is groot en ze heeft een luide stem. Mmm, dat klinkt als een strenge juf. Otto vraagt vijf zoentjes. Waarom zou hij dat doen? Zou hij van zoentjes houden? Misschien vraagt hij zoveel zoentjes, omdat het afscheid dan wat langer duurt. Hoeveel zoentjes willen jullie bij het afscheid aan de schoolpoort?

26

Thema 1

Les 2


2.2 Begeleide inoefening: tweede leesbeurt + opdrachten in het werkboek

RE

Controleer of alle leerlingen het verhaal begrepen hebben. Laat de leerlingen even nadenken en overleggen met hun schoudermaatje. Duid een willekeurige leerling aan. Vul het bordschema verder aan. - We wisten al over wie het verhaal gaat, en waar en wanneer het plaatsvindt. Wie kan dat nog eens herhalen? (Otto, aan de schoolpoort, op de eerste schooldag) - Wat gebeurt er in het verhaal? (Mama en papa brengen Otto naar school. Hij gaat naar een nieuwe klas.) - Hoe voelt Otto zich? (Hij is bang.) - Waarom is Otto bang? (Hij krijgt een nieuwe klas en juf.)

D

2.3 Zelfstandige verwerking: derde leesbeurt

IE

KE

U

Lees de tekst nogmaals in koor. Alle leerlingen lezen dus hardop. Jij hebt de regie en bepaalt het tempo. Tijdens de tweede leesbeurt stop je regelmatig en maak je tijd om de vragen in het werkboek klassikaal te beantwoorden. Voordat je elk tekstblokje leest, lees je de vragen hardop voor. De meeste vragen beginnen met een 5W1H-vraagwoord. Wijs hier telkens op en vraag de leerlingen om het vraagwoord te markeren of te omcirkelen.

AA

R

Als alle vragen beantwoord zijn, laat je de leerlingen de tekst een derde keer individueel of in duo’s doorlezen. Zorg ervoor dat er fluisterend of hardop gelezen kan worden.

PL

We hebben de tekst nu al goed gelezen, we weten al goed wat erin staat. Lees de tekst nu nog een keer samen met je buur of alleen. Je zal voelen dat dit al veel vlotter gaat dan in het begin. Tijdens deze laatste leesbeurt let je er vooral op hoe Otto zich voelt. Vergelijk het gevoel van Otto met hoe jij je zelf voelde op de eerste schooldag.

Lesafsluiting

EX

3

EM

Bespreek met de leerlingen hoe Otto zich op deze eerste schooldag voelde en waarom. - Wie voelde zich hetzelfde als Otto op de eerste schooldag? Hoe kwam dat? - Was dat gevoel de tweede dag nog steeds hetzelfde of was het toen anders?

KI

JK

De leerlingen nemen hun wisbordje waarop ze aan het begin van de les een woord schreven dat ze bij Otto vonden passen. Toon opnieuw de cover van het boek (afbeelding 1) en overloop de woorden die de leerlingen hadden opgeschreven. - Wie vindt zijn/haar woord nog steeds goed bij Otto passen? - Wie zou nu een ander woord opschrijven. Welk woord zou dat zijn?

IN

Het woordweb van de vorige les kan eventueel uitgebreid worden met woorden als schoolpoort, juf, klaslokaal, boekentas …

Thema 1

Les 2

27


Vandaag leerden we in een verhaal het antwoord zoeken op vragen.

IN

KI

JK

EX

EM

PL

AA

R

D

IE

KE

U

RE

- Met welke woordjes beginnen die vragen meestal? (wie, wat, waar, wanneer, waarom, hoe) - Waarom is het belangrijk om deze vragen bij een tekst te kunnen beantwoorden? (Ze helpen om het verhaal beter te begrijpen.) - Welke vragen vond jij makkelijker om te beantwoorden? - Op welke vragen vond je moeilijker een antwoord? - Hoe komt dat denk je? (Het antwoord op vragen als wie, waar, wanneer … staat meestal letterlijk in de tekst, bij de hoe- en waarom-vragen moet je zelf mee nadenken.)

28

Thema 1

Les 2


Les 3

Een weekje rond 50’

Lesdoelen 1 2 3 4

De leerlingen kennen de dagen van de week. De leerlingen kennen de belangrijkste gebeurtenissen van elke dag. De leerlingen kunnen de datum schrijven volgens een afgesproken schrijfwijze. De leerlingen kunnen een weekkalender gebruiken.

Woordenschat in deze les (richtinggevend)

R

de scheurkalender de schoolkalender vandaag de verjaardagskalender de voormiddag vrijdag de week de weekdag

PL

het weekend de weekkalender woensdag zaterdag zondag

EM

Leerlijn

de maand maandag de maandkalender de middag morgen de namiddag overmorgen de planning

AA

de activiteit de dag de daglijn dinsdag donderdag eergisteren gisteren de jaarkalender

IE

KE

U

concordantie werkboek p. 6-8 afbeelding 2: weekkalender afbeelding 3: maandkalender audio 1: dagen van de week set bijlagen voor de kennismuur post-its wisbordje en stift voor elke leerling

D

-

RE

Lesmaterialen

Wat ging vooraf? Wat is de voorkennis?

JK

EX

In het eerste leerjaar hebben de leerlingen de dagen van de week geleerd. In de introles hebben we die kort herhaald en bij iedere les in dit werkboek moeten ze de dag en datum onderaan invullen. In deze les herhalen we de dagen van de week grondig. Ook de begrippen vandaag, gisteren, eergisteren, morgen en overmorgen komen terug aan bod. Voor sommige leerlingen zal ‘weekend’ een nieuw begrip zijn. We oefenen in deze les met de weekkalender en de maandkalender.

KI

Wat volgt?

IN

In de volgende les wereld (les 7) oefenen we met de jaarkalender. In die les moeten de leerlingen elke maand ook kunnen voorstellen met het juiste getal. In deze les moeten ze de datum ook al kunnen schrijven, maar kun je nog meegeven dat september de negende maand van het jaar is, en dus door het cijfer 9 voorgesteld wordt.

Voor de les Zorg voor evenveel post-its als er leerlingen zijn. Op elke post-it schrijf je op voorhand een dag van de week.

Thema 1

Les 3

29


LESVERLOOP 1

Voorkennis activeren en lesdoel

IE

KE

U

RE

Verdeel de leerlingen in groepjes van 3 of 4. Ga rond en kleef een post-it op hun voorhoofd waarop een dag staat. Zorg ervoor dat elke leerling van een groepje een andere dag heeft. De groepsleden kunnen dus de dag bij elkaar lezen, maar weten niet welke dag op hun voorhoofd kleeft. Vertel dat ze het spelletje ‘Wie ben ik?’ zullen spelen, maar dan met de dagen van de week. De leerlingen proberen te raden welke dag er op hun voorhoofd kleeft. Om beurten mogen ze een vraag aan hun groepje stellen. Let op: ze mogen maar één keer hun dag raden (bv. Ben ik maandag?) Als het antwoord op die vraag ‘nee’ is, mogen ze niet meer meespelen. Geef op voorhand eventueel enkele voorbeeldvragen ter inspiratie. Bijvoorbeeld: - Ben ik een dag in het weekend? - Moeten we naar school op mijn dag? - Is mijn dag een halve dag school? - Hebben we turnen op mijn dag? - Valt mijn dag tussen maandag en woensdag? Bij wie lukte deze oefening goed? Wie kon raden welke dag hij/zij was?

Kern

AA

2

R

D

Vandaag gaan we de dagen van de week verder inoefenen. We oefenen met een weekkalender en een maandkalender zodat we die vlot kunnen gebruiken.

2.1 Instructie: de dagen van de week

EX

EM

PL

Bekijk samen met de leerlingen de daglijn in de klas. Som de dagen van de week klassikaal, hardop op. Gebruik hiervoor het versje dat de leerlingen in het eerste leerjaar leerden, of gebruik het versje van Labo (audio 1). Bespreek enkele typische kenmerken van bepaalde dagen. - Wanneer gaan we zwemmen/turnen? - Wanneer is het maar een halve dag school? - Wanneer is het weekend? - Op welke dag(en) doe jij een hobby? - Op welke dagen moet je naar school?

IN

KI

JK

Breng de begrippen ‘vandaag’, ‘morgen’, ‘gisteren’, ‘overmorgen’, ‘eergisteren’ en ‘weekend’ aan. - Welke dag is het vandaag? - Na vandaag komt morgen. Welke dag is het morgen? - Na morgen komt overmorgen? Welke dag is het dan? - Een dag terug is gisteren. Welke dag was het gisteren? - De dag daarvoor noemen we eergisteren. Welke dag was het eergisteren?

2.2 Instructie: soorten kalenders Vraag de leerlingen wie weet wat een kalender is. Laat hen verschillende soorten kalenders benoemen en omschrijven (weekkalender, maandkalender, jaarkalender, scheurkalender, verjaardagskalender, schoolkalender …). Bespreek ook waarom we die kalenders nodig hebben. - Waar hangt er bij jou thuis een kalender? Wat doet mama of papa daarmee? - Hebben mama of papa ook een kalender op hun telefoon? - Heb jij een kalender? Waarvoor zou je wel een kalender kunnen gebruiken? (wijs op de kalender in de schoolagenda) - Welke kalender(s) hebben we in onze klas?

30

Thema 1

Les 3


Bekijk de weekkalender van de klas of projecteer een weekkalender op het bord (afbeelding 2). Bespreek samen met de leerlingen wat jullie zien op deze kalender. Op deze kalender zien we de dagen van één week. Daarom heet dit ook een weekkalender. Wat kunnen we allemaal doen met een weekkalender? (plannen wanneer er een hobby is, plannen wanneer er tijd is om huiswerk te maken, plannen wat je gaat doen tijdens het weekend, plannen wat je gaat eten …)

2.2 Begeleide inoefening: een weekje rond

R

D

IE

KE

U

RE

Vertel de leerlingen dat een kalender niet alleen per week wordt opgebouwd, maar ook per maand. Bekijk de maandkalender van de klas of projecteer een maandkalender op het bord (afbeelding 3). Op deze kalender zien we alle dagen van één maand. Dit noemen we dus een maandkalender. Er zijn twaalf maanden in een jaar, dus er zijn ook twaalf maandkalenders in een jaar. En elke maandkalender ziet er een beetje anders uit. Dat komt omdat er maanden zijn met 30 dagen en maanden met 31 dagen. Er is zelfs een maand met maar 28 (of 29) dagen. Weet iemand welke maand dat is? Bespreek samen wat jullie zien op de maandkalender. - Hoeveel dagen zijn er in deze maand? - Op welke dag valt de eerste dag van deze maand? - En op welke dag valt de laatste dag? - Hoeveel volle weken zijn er in deze maand? (Tel samen met de leerlingen de volle weken op de kalender. Vertel dat een volle week start op maandag en eindigt op zondag. Leg de link tussen een volle week op de maandkalender en de weekkalender.)

PL

AA

De leerlingen nemen het werkboek op pagina 6-7. Verwerk de opdrachten klassikaal. Om de datum bij elke dag te noteren, gebruik je het best de scheurkalender. Voor sommige leerlingen zal het nog moeilijk zijn om de maand te benoemen met een getal. Herhaal dat september de negende maand van het jaar is.

EM

Als deze les op maandag of dinsdag plaatsvindt, dan kunnen de begrippen ‘gisteren’ en ‘eergisteren’ misschien niet ingevuld worden op de kalender. Benoem samen met de leerlingen welke dag ‘gisteren’ of ‘eergisteren’ was, en vertel dat die dagen ‘vorige week’ waren, en dus op de weekkalender van vorige week staan.

IN

KI

JK

EX

Als alle opdrachten zijn uitgevoerd en de weekkalender is ingevuld, geef je de leerlingen enkele opdrachten die voor hen relevant zijn. De bedoeling is dat de leerlingen op de rijen ‘voormiddag’, ‘middag’ en ‘namiddag’ woorden noteren en tekeningen maken van activiteiten die dan plaatsvinden. Maak een realistische weekkalender, dus benoem enkel activiteiten die ook echt plaatsvinden of hebben plaatsgevonden. Hanteer hierbij de werkvorm denken - delen - uitwisselen. De leerlingen denken eerst zelf na, ze wisselen nadien hun antwoord uit met hun buur en tot slot worden de antwoorden klassikaal besproken. Let erop dat je verschillende begrippen hanteert bij de opdrachten. Bijvoorbeeld: - Op donderdag gaan we in de namiddag zwemmen. Teken een zwembroek of badpak op donderdagnamiddag. - Gisteren zijn we in de voormiddag naar de bieb gegaan. Teken daar een boek. - De laatste schooldag van de week gaan we naar het bos. Teken een boom bij die dag. Besteed tijdens de bespreking kort aandacht aan de plaats waar de verschillende activiteiten doorgaan. Stimuleer de leerlingen om niet alleen de activiteit te benoemen, maar ook expliciet te zeggen waar deze plaatsvindt (bv. zwemmen doe je in een zwembad, voetballen doe je op een voetbalveld). Gebruik dit moment om de begrippen entertainmentfaciliteit (zoals een zwembad, bioscoop, speeltuin, bibliotheek) en sportterrein (zoals een voetbalveld of sporthal) kort te introduceren en

Thema 1

Les 3

31


te benoemen. Het is niet de bedoeling om deze termen uitgebreid uit te leggen, maar wel dat leerlingen ze eens horen en in een eenvoudige context gebruiken. Laat de leerlingen de juiste term koppelen aan de activiteit wanneer dat relevant is.

2.3 Begeleide inoefening: de maand september

RE

Blader verder naar opdracht 2 in het werkboek. Bij de maandkalender geef je enkele opdrachten. Help de leerlingen nog in deze fase en stuur bij waar nodig. Doe dit door gerichte (bij)vragen te stellen, hardop te denken en voor te doen op de kalender in de klas.

IE

KE

U

Mogelijke opdrachten: - Kleur de eerste volle week van september geel. - Stel dat het vandaag 20 september is. Zet een kruisje op die dag. Welke dag is het dan vandaag? - Oma komt binnen 10 dagen op bezoek. Welke dag is dat dan? - Zijn er jarige leerlingen in onze klas in september? Wanneer? Teken een kroontje met hun naam op de juiste dag. - Ik zag op tv dat … (een buitenlandse vedette) op 5 september naar ons land komt. Hij blijft tot en met 13 september in België. Teken een sterretje bij elke dag dat hij in ons land is. Hoeveel dagen zijn dat?

D

Kleine lesafsluiting

PL

AA

R

Controleer of de dagen van de week door alle leerlingen gekend zijn. De leerlingen antwoorden met hun wisbordjes. - Welke dag komt na woensdag? - Vandaag is het … . Welke dag was het gisteren? - Wat is de tweede dag van de week? - Wat is eerste dag van het weekend?

2.4 Zelfstandige verwerking: opdrachten in het werkboek

EM

De leerlingen die de dagen van de week goed beheersen, maken individueel opdracht 3 in het werkboek. Snelle leerlingen maken ook de touwoefening. Wie extra uitdaging nodig heeft, kan zelf een raadsel verzinnen voor zijn buur.

Lesafsluiting

JK

3

EX

De leerlingen die de dagen nog onvoldoende beheersen, neem je apart in een mini-groepje om een verlengde instructie te geven. Neem de weekkalender bij jullie en maak opdracht 3 samen.

IN

KI

Vandaag gingen we aan de slag met kalenders. We oefenden de dagen van de week en leerden een maandkalender gebruiken. - Wat vinden jullie het handigste, een weekkalender of een maandkalender? - Wat is er handig aan een weekkalender? - En waarvoor gebruik je eerder een maandkalender? - Welke kalender gebruiken we in onze agenda? - Welke kalender gebruiken we nog veel in de klas? (de jaarkalender. Vertel dat we in de volgende les wereld zullen werken met een jaarkalender.)

Hang samen met de leerlingen de woordkaarten met de dagen van de week in de juiste volgorde op. Je kunt dit bijvoorbeeld tegen een muur of kast doen. Gebruik hiervoor de set bijlagen voor de kennismuur. Vanaf vandaag neem je een week lang elke dag een foto van de klasgroep tijdens een typische activiteit van die dag. Bijvoorbeeld: op maandag een foto van de schoolbieb, op dinsdag een foto

32

Thema 1

Les 3


van turnen, op woensdag een foto van leesouders, op donderdag een foto van zwemmen … Voor het weekend mogen de leerlingen foto’s of tekeningen meebrengen van iets wat ze deden. Laat wekelijks iemand anders een prent voor zaterdag meebrengen en iemand voor zondag. Deze prenten wissel je dus telkens op maandag tot iedereen een keer aan de beurt is geweest. Op deze manier maak je een foto-weekkalender van de klas. Hang de woordkaarten ‘vandaag’, ‘morgen’, ‘overmorgen’, ‘gisteren’, en ‘eergisteren’ eronder. Laat een leerling deze woordkaarten elke dag verhangen.

RE

Vul eventueel het woordweb op pagina 2 van het werkboek aan met nieuwe woorden als dag, week, weekend, kalender …

KE

U

Kennismuur van deze les

weekend

woensdag

donderdag

vrijdag

zaterdag

eergisteren

gisteren

vandaag

morgen

overmorgen

D

IE

dinsdag

zondag

IN

KI

JK

EX

EM

PL

AA

R

maandag

Thema 1

Les 3

33


Les 4

Klinkers en medeklinkers 25’

Lesdoelen 1 2 3 4

De leerlingen kunnen klinkers en medeklinkers onderscheiden. De leerlingen kunnen klinkers en medeklinkers rubriceren. De leerlingen kunnen klinkers met twee (dezelfde) lettertekens herkennen. De leerlingen kunnen de termen ‘klinker’ en ‘medeklinker’ gebruiken.

U KE

D

IE

concordantie werkboek p. 9 Memoboekje p. 6-7 instructievideo: klanken, letters en woorden instructievideo: klinkers en medeklinkers instructievideo: woorden vormen met klinkers en medeklinkers bijlage 3: bingokaarten kopieerblad 3: klinkers en medeklinkers kopieerblad 4: schema presentatie 1: klinkers en medeklinkers ronde schijfjes wisbordje en stift voor elke leerling digitale oefeningen op Kabas

R

-

RE

Lesmateriaal

de klinker kort

het letterteken de medeklinker

het woord

EM

Leerlijn

lang de letter

PL

de code de klank

AA

Woordenschat in deze les (richtinggevend)

Wat ging vooraf? Wat is de voorkennis?

IN

KI

JK

EX

Eind eerste leerjaar is de klank-letterkoppeling verondersteld geautomatiseerd te zijn. Dit betekent dat de leerlingen vlot alle letters kunnen lezen en ze ook vlot kunnen schrijven. Qua woordvorming gaan we ervan uit dat de leerlingen vlot woorden van de types MK (Medeklinker-Klinker), KM (Klinker-Medeklinker) en MKM (Medeklinker-Klinker-Medeklinker) schrijven. Een dubbele medeklinker in een werkwoordsvorm (stam + t) kan ook al eens. De termen klinker en medeklinker zijn verondersteld gekend vanuit het eerste leerjaar. Bijna alle woorden in het eerste leerjaar zijn klankzuiver en vallen daarom onder de hoorstrategie. Leerlingen hebben geleerd te schrijven wat ze horen. Ze hebben geoefend om eerst goed te luisteren naar het woord, het in ‘stukjes’ te zeggen en dan te schrijven. Dit is een essentiële basisvaardigheid waarop we nu verder bouwen.

Wat volgt? In de volgende les taalwijs (les 14) oefenen we op tweetekenklanken en meertekenklanken.

Voor de les Lamineer de bingokaarten (bijlage 3) en voorzie voldoende ronde schijfjes (of iets anders) waarmee de leerlingen de letters op hun bingokaart kunnen afdekken. Voorzie een exemplaar van kopieerblad 3 en kopieerblad 4 per groepje van vier leerlingen. Houd de klinkers en medeklinkers op het einde van de les goed bij zodat je deze in de volgende les opnieuw kunt gebruiken.

34

Thema 1

Les 4


LESVERLOOP 1

Voorkennis activeren en lesdoel Start met een klasgesprek. Welke klinkers kennen jullie? En welke medeklinkers?

KE

U

RE

Deel de bingokaarten (bijlage 4) en ronde schijfjes uit. Zo meteen lees je alle klinkers en medeklinkers één voor één in willekeurige volgorde voor. Je zegt eerst een klank, dan een woord met die klank en vervolgens herhaal je de klank. Bijvoorbeeld: a - kat - a. Een overzicht van alle klinkers en medeklinkers vind je in het Memoboekje op pagina 6. De doffe e, de klinker y, de tweetekenklanken met twee verschillende lettertekens en de medeklinkers q, x en y komen niet aan bod in deze oefening. De tweetekenklanken met twee dezelfde lettertekens (aa, ee, oo, uu) doen wel mee.

IE

Noteer de klinkers en medeklinkers die geweest zijn op het bord, zodat je achteraf kunt controleren. Klinkers en medeklinkers moeten door elkaar staan.

R

D

Overloop de spelregels met de leerlingen. Luister goed naar de klanken die ik zeg. Hoort deze klank bij een klinker of medeklinker op jouw kaart, leg dan een schijfje op die letter. Ligt er een schijfje op elke letter van jouw kaart, dan roep je BINGO. Daarna gaan we nog even door tot iedereen een volle bingokaart heeft.

2

AA

Vandaag oefenen we verder op het herkennen van klinkers en medeklinkers.

Kern

PL

2.1 Instructie: klinkers en medeklinkers

EM

Wat is het verschil tussen klinkers en medeklinkers? Wie weet dat nog uit het eerste leerjaar? Laat de leerlingen aan de hand van enkele voorbeelden ervaren dat we klinkers veel makkelijker kunnen ‘roepen’ dan medeklinkers.

JK

EX

Toon de klinkers en medeklinkers die je daarnet op het bord schreef. Teken een tabel met twee kolommen en overloop alle letters opnieuw. Wat denk je, klinker of medeklinker? De leerlingen wijzen naar links (K) of naar rechts (M). Noteer de letters ondertussen in twee groepen in de passende kleur op het bord.

IN

KI

Doorloop samen met de leerlingen presentatie 1. Met klinkers en medeklinkers kan ik woorden vormen. Eén letter verschil geeft een ander woord. De code MKM verschijnt. Zo is er een verschil tussen een beek en een beer. De laatste letter of medeklinker bepaalt hier het verschil. Of bijvoorbeeld een pen en een pan. De middelste klinker bepaalt het verschil. Of bijvoorbeeld een bom en een boom. Of wat dacht je van een roos en een doos, dan bepaalt de eerste medeklinker het verschil. Schrijf de code MKM op het bord. Noteer eronder de letters ‘m’ en ‘aa’. Laat de leerlingen kort even in duo overleggen welke medeklinker ze achteraan het woord kunnen plaatsen. De duo’s brengen enkele woorden aan. Noteer ze in de passende kleuren op het bord. Doe hetzelfde met ‘b oo …’, ‘… a t’ en ‘… e k’.

Thema 1

Les 4

35


2.2 Begeleide inoefening: klinkers met één en twee lettertekens Voor deze opdracht werken de leerlingen in groepjes van vier. Geef ieder groepje een voorgedrukt schema (kopieerblad 4) en de uitgeknipte klinkers en medeklinkers van kopieerblad 3.

RE

Op jullie tafel liggen klinkers en medeklinkers. Verdeel ze in twee kolommen: links de klinkers en rechts de medeklinkers. Welke letters liggen in de kolom van de klinkers? Over welke letters twijfel je? In deze fase mogen de leerlingen nog controleren met het schema op het bord.

IE

KE

U

Kijk nu alleen naar de kolom van de klinkers. Verdeel de klinkers opnieuw in twee kolommen: klinkers met één letterteken en klinkers met twee lettertekens (tweetekenklanken). Klinkers met één letterteken klinken meestal kort, bijvoorbeeld de ‘a’ van ‘kat’. Klinkers met twee lettertekens klinken altijd lang, bijvoorbeeld de ‘aa’ van ‘haan’. Welke klinkers hebben één letterteken en klinken kort? Welke klinkers hebben twee lettertekens en klinken lang?

D

Let op: klinkers met één letterteken kunnen ook lang klinken (bijvoorbeeld de ‘a’ in ‘hanen’). Dit is nu nog geen leerstof voor de leerlingen. Daarom splitsen we hier op in ‘klinkers met één en twee lettertekens, en niet in ‘korte en lange klinkers’.

AA

R

Zoek voor elke klinker of medeklinker een woord waarin die klinker of medeklinker voorkomt. Schrijf dat woord op in de juiste kolom, bij de juiste klinker of medeklinker.

Kleine lesafsluiting

EX

EM

PL

Controleer of alle leerlingen de klinkers en medeklinkers kennen. Werk hiervoor met wisbordjes. - Schrijf een klinker op die kort klinkt. (a, e, i, o, u) - Welke klinker hoor je in het woord ‘mus’? En in het woord ‘bel’, kip’, ‘mol’, ‘kat’? - Schrijf een klinker op die uit twee lettertekens bestaat en lang klinkt. (aa, ee, oo, uu) - Schrijf een MKM-woord op met die klank. - Ken je nog andere klinkers die we vandaag niet herhaald hebben? (ei, ij, au, ou, oe, eu, ie, ui) - Schrijf de medeklinkers op die in jouw naam voorkomen.

JK

2.3 Zelfstandige verwerking: opdrachten in het werkboek

KI

Laat de leerlingen hun werkboek nemen op pagina 9. Overloop de opdrachten klassikaal. Nadien gaan de leerlingen individueel aan de slag.

IN

Bij opdracht 1 staan alle klinkers en medeklinkers door elkaar. Jullie moeten alle klinkers markeren. Let op: een klinker heeft soms meer dan één letterteken! En … klinkers kunnen we roepen! In de tweede opdracht zetten we de vette woorden juist in de hokjes en vullen we aan met de juiste code. Elke letter noteren we dus in een ander hokje. Denk eraan: een klinker kan ook meerdere lettertekens hebben. Die schrijven we samen in één hokje.

3

Lesafsluiting Noteer een code op het bord: MKM. De leerlingen bedenken individueel een woord dat bij deze code past. Overloop de woorden en noteer ze op het bord.

36

Thema 1

Les 4


Voor de volgende codes werken de leerlingen in groepjes van vier. Noteer de codes op het bord: MKMM - MMKM - MMKMM. De leerlingen bedenken zo snel mogelijk een woord dat bij deze code past. Welk groepje mag zich na deze les tot letterkampioen kronen? Vandaag oefenden we verder op het herkennen van klinkers en medeklinkers.

RE

- Bij wie gaat dit al goed? Welke oefening vond je makkelijk? - Wat ging nog moeilijk en moeten we volgende keer nog wat extra inoefenen?

U

Neem er ook het Memoboekje bij op pagina 6 bij. Begrijpen de leerlingen alles wat daar staat? Wijs de leerlingen erop dat het Memoboekje een belangrijk hulpmiddel is wanneer ze leren voor de toets.

IN

KI

JK

EX

EM

PL

AA

R

D

IE

KE

De leerlingen kunnen verder oefenen op klinkers en medeklinkers via de digitale oefeningen op Kabas die bij deze les horen. Afhankelijk van de prestaties van de leerling kiest Kai het passende niveau van de oefening en het traject dat moet worden afgewerkt.

Thema 1

Les 4

37


Les 5

Ik, jij, hij of zij?! 25’

Lesdoelen 1

De leerlingen kunnen een gesprek voeren met een medeleerling waarbij ze via gerichte vragen de gewenste informatie krijgen. 2 De leerlingen kennen en gebruiken de 5W1H-vraagwoorden.

Lesmaterialen

U

RE

concordantie kopieerblad 5: vragen enveloppen (één voor elke leerling) belletje of timer rubric spreken en luisteren

KE

-

Woordenschat in deze les (richtinggevend) de speeddate de vraag

het vraagwoord

IE

het interview het onderwerp

D

het antwoord het gesprek

Wat ging vooraf? Wat is de voorkennis?

R

Leerlijn

PL

AA

De spreekstrategie van dit thema is ‘Ik verzamel informatie’ en ‘Ik stel vragen met wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe’. Tijdens de intro-les hebben de leerlingen al kort met elkaar kennisgemaakt. In deze les gaan ze via gerichte vragen op zoek naar informatie over elkaar. Ze voeren een informeel gesprek met leeftijdsgenoten.

EM

Wat volgt?

Voor de les

EX

Het stellen van gerichte vragen om informatie te verzamelen is een strategie die we ook in de schrijfles hierna (les 6) verder zullen oefenen.

JK

Kopieer de vragen (kopieerblad 5) en stop ze in een envelop.

KI

In deze les kun je, indien je dat wenst, de spreek- en luistervaardigheid van de leerlingen observeren en beoordelen met behulp van de rubric:

IN

Gesprekken voeren – Deelnemen aan het gesprek Ik neem niet goed deel aan het gesprek. Ik luister niet goed naar de anderen en zeg niets of spreek te veel. Ik neem deel aan het gesprek. Ik luister meestal goed naar de anderen, maar ik vertel nog te weinig wat ik denk of weet. Ik neem goed deel aan het gesprek. Ik luister goed naar de anderen en vertel wat ik denk of weet.

38

Thema 1

Les 5


LESVERLOOP 1

Voorkennis activeren en lesdoel

RE

Houd een klasgesprek. Wat doe je als je iemand beter wil leren kennen? Hoe kom je iets te weten over iemand anders? (door vragen te stellen) Wat is een vraag? Hoe herken je een vraag? (een vraag eindigt altijd met een vraagteken)

KE

U

Laat de leerlingen verschillende soorten vragen en antwoorden ontdekken door zelf vragen te stellen. Begin eerst met enkele ja-/neevragen, zoals: - Mag je met de fiets rijden in de klas? - Eet jij graag appelflappen? - Gaan we vandaag zwemmen met onze klas?

IE

Bespreek. Zijn dit goede vragen? Waarom wel of waarom niet? (Je kunt met ja/nee antwoorden. Je komt niet zo veel info te weten.)

AA

R

D

Vertel de leerlingen dat ze ook vragen kunnen stellen waarop je niet met ja of nee kunt antwoorden. Die vragen beginnen met een vraagwoord. - Wat mag je niet doen in de klas? - Wie eet graag appelflappen? - Wanneer gaan we zwemmen met onze klas?

PL

Noteer de vraagwoorden op het bord.

EM

Wie kan er nog een vraag bedenken, maar met een ander vraagwoord? Laat op deze manier de vraagwoorden waar, waarom en hoe nog aan bod komen. Vul deze ook aan op het bordschema.

2

Kern

EX

Vandaag gaan we elkaar beter leren kennen door wie-, wat-, waar-, wanneer-, waarom- en hoe-vragen te stellen.

JK

2.1 Instructie: vragen met vraagwoorden

IN

KI

Zet twee cirkels stoelen tegenover elkaar, zodat er in totaal voldoende stoelen zijn voor alle leerlingen. Bij een oneven aantal leerlingen, doe je als leerkracht zelf mee aan de speeddate. Vertel dat de leerlingen elkaar beter gaan leren kennen door korte gesprekjes. Zulke gesprekken met vragen en antwoorden noemen we ook wel een interview. De leerlingen hebben één minuut per klasgenoot om vragen aan elkaar te stellen. Als ze een belletje (of timer) horen, moet de buitenste kring een plaats naar links opschuiven, zodat iedereen over een nieuwe klasgenoot komt te zitten. Om de leerlingen te ondersteunen, krijgen ze een envelop met vragen (kopieerblad 5). Leg duidelijk uit hoe ze hiermee werken: wanneer twee leerlingen tegenover elkaar zitten, neemt één leerling een kaartje uit de envelop en leest de vraag luidop voor. De andere leerling luistert en geeft een antwoord. Daarna neemt de tweede leerling een nieuw kaartje en stelt hij of zij een andere vraag terug. Thema 1

Les 5

39


Benadruk dat de leerlingen de vraag niet zelf moeten bedenken, maar ze duidelijk moeten voorlezen en goed moeten luisteren naar het antwoord van hun klasgenoot. Geef een klassikaal voorbeeld. Stel dat ik samen met Liene aan de beurt ben. Dan neem ik een kaartje uit mijn envelop. Als beide leerlingen een vraag hebben gesteld, staan ze in stilte recht achter hun stoel.

RE

Moedig de leerlingen aan om tijdens hun gesprek bewust te zijn van hoe ze praten (intonatie) en hoe ze staan of zitten (lichaamstaal). Zowel spreker als luisteraar kunnen bijvoorbeeld proberen om rechtop te zitten en oogcontact te maken.

U

2.2 Begeleide inoefening: speeddate

IE

KE

De leerlingen gaan aan de slag met de enveloppen in de binnen- en buitencirkel. In deze enveloppen zitten vragen (kopieerblad 5). Wanneer twee leerlingen tegenover elkaar zitten, nemen ze elk een kaartje met een vraag (bv. ‘Wat vind jij leuk aan onze school?’, ‘Waar speel jij graag?’). Ze vullen deze mondeling aan tot een volledige vraag en stellen die aan hun klasgenoot. Daarna wisselen ze van rol.

D

Je kunt in deze les differentiëren door sterkere leerlingen vraagwoorden en onderwerpen te geven waarmee ze zelf vragen kunnen formuleren.

AA

R

Na een aantal minuten stop je even voor een korte reflectie. Laat de leerlingen stilstaan bij hun stem en lichaamshouding: - Hoe voelde je lichaam zich tijdens het praten? - Wat merkte je op aan je eigen stem en houding?

EM

PL

De speeddate wordt hervat en na een aantal minuten stop je weer even voor een korte reflectie, nu met focus op hun intonatie: - Lukt het om met een vrolijke of geïnteresseerde intonatie te praten? - Zie je tijdens het praten ook de reacties van je klasgenoot?

Lesafsluiting

JK

3

EX

Wanneer iedereen een keer bij elkaar is geweest, stopt de speeddate. Vraag de leerlingen wat ze hebben opgemerkt over hun eigen lichaamstaal en intonatie tijdens de gesprekken.

IN

KI

Haal na de speeddate alle enveloppen op. Vertel dat je benieuwd bent of de leerlingen veel info onthouden hebben uit hun kleine interviewmomentjes. Vraag een aantal leerlingen wat ze hebben geleerd over hun klasgenoten. Op deze manier worden enkele kenmerken ook even klassikaal aangehaald. Eindig met een klasgesprek. We hebben elkaar vandaag beter leren kennen door vragen te stellen die beginnen met wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe. - Vond je het leuk om elkaar vragen te stellen? Wat ging goed? Wat was nog moeilijk? - Lukte het goed om te luisteren naar elkaar? Hoe zou je dat volgende keer beter kunnen doen? - Vond je het moeilijk om op sommige vragen te antwoorden? Waarom?

40

Thema 1

Les 5


Wie, wat, waar, wanneer?

Les 6

50’

Lesdoelen 1

De leerlingen kunnen vragen bij een uitnodiging schrijven om zo de nodige informatie te weten te komen. 2 De leerlingen weten welke informatie een goede uitnodiging bevat.

Lesmaterialen

U

RE

concordantie werkboek p. 10-11 Memoboekje p. 33 uitnodiging van Otto (kopieerblad 2 uit les 1) set bijlagen voor de kennismuur rubric schrijven

KE

-

Woordenschat in deze les (richtinggevend) de ontvanger de plaats het tijdstip

de uitnodiging de vraag het vraagteken

IE

het doel de info de kenmerken

het vraagwoord de zender

Leerlijn

AA

Wat ging vooraf? Wat is de voorkennis?

R

D

het antwoord de boodschap de datum

PL

In les 1 (intro) kregen alle leerlingen een uitnodiging van Otto om samen spelletjes te spelen. Deze uitnodiging gebruiken ze nu als basis om de kenmerken van een uitnodiging te ontdekken. Ze leren welke vraagwoorden beantwoord worden op een uitnodiging en hoe ze een uitnodiging moeten aanvullen met ontbrekende informatie.

EM

Wat volgt?

JK

Voor de les

EX

Op het einde van het thema (les 34) wordt er een toonmoment georganiseerd waarbij de leerlingen de klas en de school aan de leerlingen van het eerste leerjaar zullen tonen. Hiervoor gaan ze in week 2 zelf een uitnodiging schrijven (les 11).

Zorg dat elke leerling de uitnodiging van Otto uit les 1 terug op de bank heeft liggen.

IN

KI

In deze les kun je, indien je dat wenst, de schrijfvaardigheid van de leerlingen observeren en beoordelen met behulp van de rubric: Schrijven – Inhoud Ik kan nog niet schrijven wat er gevraagd wordt. Ik kan al enkele dingen schrijven van wat er gevraagd wordt. Ik kan veel schrijven van wat er gevraagd wordt.

Thema 1

Les 6

41


LESVERLOOP 1

Voorkennis activeren en lesdoel

IE

KE

U

RE

De leerlingen nemen de uitnodiging van Otto uit les 1 er terug bij. Bespreek samen de kenmerken van een uitnodiging aan de hand van het communicatiemodel (Memoboekje p. 33). - Wie heeft deze uitnodiging geschreven? Wie is de zender? (Otto) - Voor wie is deze uitnodiging geschreven? Wie is de ontvanger? (de leerlingen van het tweede leerjaar) - Voor wat wil Otto ons uitnodigen? Wat is de boodschap? (Hij wil ons uitnodigen om samen een paar leuke spelletjes te spelen.) - Welke info krijg je nog in deze uitnodiging? (waar moeten we zijn: plaats, wanneer moeten we daar zijn: datum en/of tijdstip, wat moeten we doen) - Waarvoor kun je allemaal een uitnodiging schrijven? (feestje, tentoonstelling, activiteit, speelnamiddag, toneelvoorstelling …)

D

zender

boodschap

Otto

leerlingen 2e leerjaar

PL

AA

R

samen spelletjes spelen

ontvanger

EM

Vertel dat de leerlingen op het einde van dit thema hun werkjes, de klas en de school zullen tonen aan de leerlingen van het eerste leerjaar. Hiervoor gaan de leerlingen binnenkort zelf een uitnodiging schrijven. Het is dus belangrijk om vandaag goed te onderzoeken wat er allemaal in een uitnodiging aan bod komt.

Kern

JK

2

EX

Vandaag leren we wie-, wat-, waar-, wanneer-, waarom- en hoe-vragen bij een uitnodiging noteren en beantwoorden.

2.1 Instructie: vraagwoorden

KI

De leerlingen nemen hun werkboek op pagina 10.

IN

In de vorige lessen hebben de leerlingen vraagwoorden gebruikt om een verhaal beter te begrijpen. In deze les worden de vraagwoorden herhaald en ontdekken de leerlingen dat je deze ook kan gebruiken om informatie te halen uit een uitnodiging. Daarnet heb ik enkele vragen gesteld bij de uitnodiging van Otto. Wat voor soort vragen waren dat? Waren het ja-neevragen? Nee, want je kon niet alleen met ‘ja’ of ‘nee’ antwoorden. Met welk woord begonnen mijn vragen? Laat de leerlingen de verschillende vraagwoorden opsommen. Wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe. We hebben deze woorden in de vorige lessen al gezien.

42

Thema 1

Les 6


Weet iemand nog hoe we zulke woorden noemen? Inderdaad, dat zijn vraagwoorden. Vraagwoorden helpen ons om veel informatie te vinden in een tekst. Ook bij een uitnodiging kan je ze gebruiken. Zo kan je bijvoorbeeld te weten komen wie jou uitnodigt, waarom je wordt uitgenodigd, waar je wordt uitgenodigd, etc. Schrijf de vraagwoorden die de leerlingen benoemen op het bord. De leerlingen noteren de 5W1Hvraagwoorden rond het vraagteken bij opdracht 1.

RE

2.2 Begeleide inoefening: vraagwoorden noteren

KE

U

Bekijk samen met de leerlingen de uitnodiging bij opdracht 2 in het werkboek. Laat de leerlingen nu zelf het vraagwoord noteren bij de informatie in de uitnodiging. Ze mogen kiezen of ze individueel, per twee of in een mini-groepje bij de leerkracht werken. Help de leerlingen bij wie dit moeilijk gaat en bespreek de uitnodiging nadien klassikaal.

Kleine lesafsluiting

PL

AA

R

D

IE

In een uitnodiging vind je heel wat informatie terug. Elk stukje informatie geeft antwoord op een andere vraag. Welke vragen worden meestal beantwoord in een uitnodiging? Laat de leerlingen in duo’s overleggen en duid willekeurige leerlingen aan. - Wie nodigt uit? - Wie wordt uitgenodigd? - Wat is er te doen? (bv. een feest) - Waarom (is er een feest)? - Waar (is het feest)? - Wanneer (is het feest)? - Hoe moet ik reageren? Hoe moet ik gaan?

EM

2.3 Zelfstandige verwerking: informatie aanvullen

KI

JK

EX

Bekijk samen de uitnodigingen van opdracht 3. Bespreek met de leerlingen wat er niet klopt aan deze uitnodigingen. Er ontbreken stukjes informatie. Geef de opdracht om zelf info te verzinnen zodat de uitnodiging weer volledig is. De leerlingen werken hiervoor in duo’s. Bij de eerste uitnodiging helpen de vraagwoorden om de juiste info aan te vullen. Bij de tweede uitnodiging staan de vraagwoorden niet expliciet vermeld. Eventueel kun je de vraagwoorden in de tekst laten markeren of erbij laten noteren.

Lesafsluiting

IN

3

Bespreek de verschillende vragen en info die de leerlingen hebben genoteerd. Laat enkele leerlingen een van de uitnodigingen kiezen en met een grappige stem voorlezen. Sluit de les af door terug te koppelen naar het lesdoel. Vandaag leerden we wat vraagwoorden zijn en wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoevragen bij een uitnodiging beantwoorden. - Wat vond je het moeilijkste? Zoeken welke vraagwoorden worden beantwoord? Of de vragen beantwoorden en de uitnodiging aanvullen met informatie?

Thema 1

Les 6

43


- Op welke vraag vond je moeilijk een antwoord? En welke vragen waren makkelijk te beantwoorden?

RE

Bouw de kennismuur op met de woordkaarten en foto’s van de set bijlagen voor de kennismuur. Laat de leerlingen de juiste vraagwoorden bij de uitnodiging hangen.

KE

U

Kennismuur van deze les

D

IE

Waarom? Wat?

Happy Bowl Brugge Graag een seintje 0490/11.22.23

IN

KI

JK

EX

EM

PL

Waar? Hoe?

R

Wanneer?

WARRE

ZATERDAG 14u00 - 17u00

AA

Wie?

VERJAARDAG

44

Thema 1

Les 6


Les 7

Twaalf maanden in een jaar 50’

Lesdoelen 1 2 3 4

De leerlingen kunnen de maanden van het jaar benoemen en op volgorde zetten. De leerlingen weten hoeveel maanden of weken er in een jaar zijn. De leerlingen kunnen enkele belangrijke gebeurtenissen koppelen aan de juiste maanden. De leerlingen kunnen de tijd tussen twee data berekenen met behulp van een jaarkalender.

Lesmaterialen

KE

U

RE

concordantie werkboek p. 12 kopieerblad 6: jaarkalender kopieerblad 7: knipkaarten jaarcirkel afbeelding 4: jaarkalender klassikale schooljaarkalender minstens twee dobbelstenen set bijlagen voor de kennismuur wisbordje en stift voor elke leerling

IE

-

Woordenschat in deze les (richtinggevend)

D

de lente de maand maart mei november oktober het schooljaar

R

het jaar de jaarcirkel de jaarkalender januari juli juni de kolom

AA

april augustus de dag december februari de feestdag de herfst

PL

Leerlijn

de schooljaarkalender het seizoen september de volgorde de week de winter de zomer

EM

Wat ging vooraf? Wat is de voorkennis?

Wat volgt?

EX

In les 3 oefenden de leerlingen het gebruik van een weekkalender en maandkalender. In deze les gaan ze aan de slag met een jaarkalender en leren ze de maanden van het jaar juist benoemen en ordenen. Ze situeren de seizoenen en belangrijke gebeurtenissen in de juiste maanden.

JK

In Thema 2 leren de leerlingen meer over de seizoenen en verdiepen ze zich in de herfst.

Voor de les

IN

KI

Voorzie twee (grote) dobbelstenen voor een klassikale lesafsluiting, of twee dobbelstenen per twee leerlingen als je de lesafsluiting in duo’s wil laten uitvoeren. Gebruik de jaarkalender van afbeelding 4 of zoek op het internet een goed voorbeeld van een jaarkalender van het huidige jaar.

Achtergrondinfo bij deze les In Labo hanteren we de astronomische seizoenen. De begindatum van elk seizoen ligt daarbij tussen de 20ste en de 23ste en verschilt per jaar. Je kan ervoor kiezen om met de exacte data van dit jaar te werken, of om telkens de 21ste als startdatum te gebruiken. De exacte data kun je raadplegen via deze link: www.jaarkalender.nl/a-z/zomer-lente-herfst-winter/ Je kunt er ook voor kiezen om met de meteorologische seizoenen te werken. De begindata van de seizoenen liggen dan op 1 september, 1 december, 1 maart en 1 juni Thema 1

Les 7

45


LESVERLOOP 1

Voorkennis activeren en lesdoel

RE

Bekijk samen met de leerlingen de schooljaarkalender in de klas. - Hoeveel maanden telt een jaar? (tel de maanden hardop samen met de leerlingen) - In welke maand start het schooljaar? (september) - In welke maand eindigt het schooljaar? (juni)

2

KE

Vandaag gaan we oefenen op de maanden en seizoenen van een jaar.

U

Benoem de twaalf maanden een voor een. Vraag de leerlingen om de maanden na te zeggen en zoek herkenningspunten zoals feestdagen of seizoenen.

Kern

IE

2.1 Instructie: twaalf maanden in een jaar

PL

AA

R

D

Projecteer een jaarkalender op het bord (afbeelding 4). Deze kalender ziet er een beetje anders uit dan de kalender die in onze klas hangt. De kalender in onze klas is een schooljaarkalender. Een schooljaar start op 1 september en eindigt op 30 juni. Deze kalender is een jaarkalender. - In welke maand start een nieuw jaar? (januari) - En in welke maand eindigt een jaar? (december) - Kent iemand de datums waarop een jaar start en eindigt? (een jaar start op 1 januari en eindigt op 31 december) - Wat vieren we dan? (we vieren oudjaar op 31 december en Nieuwjaar op 1 januari) - Welk jaar zijn we nu? En welke maand?

EX

EM

Elk hokje op de kalender stelt een dag voor. In totaal zijn er 365 hokjes, dus een jaar telt 365 dagen (Een schrikkeljaar met 366 dagen komt straks aan bod.). Weten jullie nog hoeveel dagen er in een week zijn? Zeven dagen. (Duid een blokje van 7 dagen aan op de kalender.) Als ik alle dagen op de kalender in blokjes van 7 dagen zou verdelen, dan zou ik 52 blokjes hebben. Er zijn dus 52 weken in een jaar.

IN

KI

JK

Om een kalender netjes te ordenen, worden al die dagen ook verdeeld in kolommen. Elke kolom stelt een maand voor. Tel opnieuw de maanden/kolommen op de jaarkalender, samen met de leerlingen. Er zijn twaalf kolommen, een jaar bestaat dus uit twaalf maanden. De maanden staan in een vaste volgorde. Die moeten we uit ons hoofd leren. Zeg de maanden van het jaar hardop samen met de leerlingen. Gebruik eventueel een versje of liedje om de maanden beter te memoriseren. De maanden staan in een vaste volgorde. Dat wil zeggen dat elke maand dus ook een vast getal heeft. Noteer de getallen van één tot twaalf op het bord. Zeg de maanden opnieuw hardop en schrijf elke maand naast het juiste getal. Wie weet hoeveel dagen elke maand heeft? Leg uit dat je met behulp van een ezelsbruggetje eenvoudig kunt onthouden hoeveel dagen er in elke maand zijn. Maak van je handen een vuist. De knokkels staan voor de maanden met 31 dagen en de holtes tussen de knokkels zijn de maanden met 30 of minder dagen. Doe het trucje voor en laat de leerlingen de maanden hardop mee zeggen. Op deze manier oefenen ze nogmaals de juiste volgorde.

46

Thema 1

Les 7


Februari is een bijzondere maand. Wie weet waarom? Normaal zou die maand 30 dagen moeten tellen, maar februari telt maar 28 dagen. En om de vier jaar telt ze 29 dagen. Dat is bijzonder! Want in een jaar dat februari 29 dagen telt, zijn er 366 dagen in een jaar in plaats van 365. Dat noemen we dan een schrikkeljaar. Is er iemand op 29 februari jarig, of ken je iemand die op 29 februari jarig is?

2.2 Instructie: de vier seizoenen

U

RE

In Thema 2 komen de seizoenen uitgebreid aan bod. In deze les situeer je kort waar in een (school-) jaar de seizoenen zich situeren. Bespreek welke maanden in elk seizoen voorkomen. Een jaar kunnen we verdelen in twaalf maanden, maar ook in vier seizoenen. - Wie kent de vier seizoenen van een jaar? (lente - zomer - herfst - winter) - Welk seizoen is het nu?

IE

KE

Bekijk opnieuw de jaarkalender op het bord en duid de seizoenen met verschillende kleuren aan. Een seizoen duurt drie maanden. Weet iemand op welke dag een seizoen start? En wanneer eindigt een seizoen?

D

Bepaal op voorhand of jullie de astronomische telling (variabele begindata tussen de 20ste en de 23ste) of de meteorologische telling (begindatum op de 1ste) van de seizoenen gebruiken. In de correctiesleutel van het bordboek zijn beide versies opgenomen.

R

2.3 Begeleide inoefening: kijken, tellen en begrijpen

JK

EX

EM

PL

AA

Verdeel de leerlingen in duo’s en geef elk duo een kopie van de jaarkalender (kopieerblad 6). Geef de leerlingen opdrachten en laat ze samen kijken, tellen en zoeken op de kalender. - Hoeveel maanden zijn er in een jaar? - Hoeveel dagen telt de maand september? - Hoeveel dagen telt oktober? - Hoeveel weken zijn er in september? - Welke maand zit tussen januari en maart? - Op welke dag valt 1 april? - Zet je vinger op de datum van jouw verjaardag. Wie is er jarig op een woensdag? - De herfstvakantie start op … en eindigt op … Kleur de dagen van de herfstvakantie groen. Hoeveel schooldagen zijn er in die vakantie? - Hoeveel weekends zijn er tussen 1 september en 1 juli? - Als het vandaag 15 maart is, welke dag is het dan? En welke dag is het dan drie dagen later? - Stel dat je tijdens de zomer op vakantie gaat. Je vertrekt op 10 juli en je bent terug thuis op 5 augustus. Hoeveel dagen duurde je vakantie dan? Hoeveel weken zijn dat?

KI

Kleine lesafsluiting

IN

Controleer of alle leerlingen vertrouwd zijn met de maanden en seizoenen van een jaar. Stel enkele vragen en laat ze individueel antwoorden met hun wisbordjes. - Welke maand zit er tussen april en juni? - Welk getal hoort bij de maand maart? - Welke maand hoort bij het getal 10? - Welk seizoen is het in de maand juli? - Welke maand valt in de lente?

Thema 1

Les 7

47


2.4 Zelfstandige verwerking: mijn eigen jaarcirkel Als 80% van de leerlingen of meer de vragen van de kleine lesafsluiting goed beantwoordde, kun je hen de opdracht in het werkboek zelfstandig laten verwerken. De overige leerlingen neem je apart in een mini-groepje voor een verlengde instructie. Als de meerderheid van de leerlingen nog moeite had met de vragen uit de kleine lesafsluiting, maak je de opdracht in het werkboek klassikaal. De leerlingen nemen hun werkboek op pagina 12.

U

RE

Tot nu toe hebben we het jaar voorgesteld met kolommen. Elke maand kreeg een andere kolom. We kunnen een kalender ook anders voorstellen, bijvoorbeeld met een cirkel. Zo’n weergave van een jaar noemen we een jaarcirkel. Jullie mogen zo meteen de maanden en seizoenen van een jaar uitknippen en op de juiste plaats in de jaarcirkel kleven.

D

IE

KE

Deel de knipkaarten voor de jaarcirkel uit (kopieerblad 7). Voordat de leerlingen de maanden en seizoenen vastkleven, loop je rond en controleer je of alle kaartjes op de juiste plaats liggen. Als iedereen klaar is, stel je opnieuw enkele vragen die de leerlingen moeten beantwoorden. - Welke maand is de eerste maand van het jaar? - Welke maand komt er na augustus? - De hoeveelste maand is mei? - Start een seizoen ook bij het begin van een maand? Hoe zie je dat op de cirkel?

Lesafsluiting

R

3

PL

AA

Laat de leerlingen om beurten met twee (grote) dobbelstenen gooien. Ze benoemen de maand die bij het gegooide getal hoort. Eventueel kunnen de leerlingen dit spelletje ook per twee doen waarbij ze om de beurt gooien en antwoorden.

EM

We hebben vandaag goed geoefend op de maanden en seizoenen van een jaar. De komende weken en maanden gaan we hier nog flink verder op oefenen, zodat we de maanden en seizoenen goed uit ons hoofd kennen.

EX

Vul eventueel het woordweb op pagina 2 van het werkboek aan met nieuwe woorden als maand, jaar, seizoen …

JK

Bouw de kennismuur van deze les op aan het bord of de klaswand zodat jullie hier regelmatig naar kunnen teruggrijpen. Gebruik hiervoor de woordkaarten en foto’s uit de set bijlagen voor de kennismuur.

IN

KI

Vertel ook dat jullie dit schooljaar nog veel over de seizoenen zullen leren. Het volgende thema gaat over de herfst.

48

Thema 1

Les 7


Kennismuur van deze les Een jaar 1

januari

31 dagen

winter

2

februari

28 (of 29) dagen

3

maart

31 dagen

lente

4

april

30 dagen

lente

5

mei

31 dagen

6

juni

30 dagen

zomer

7

juli

31 dagen

zomer

8

augustus

31 dagen

9

september

30 dagen

herfst

10

oktober

31 dagen

herfst

11

november

30 dagen

12

december

31 dagen

winter

U

52 weken

AA

R

herfst/winter

herfst

365 (of 366) dagen

KE

zomer/herfst

zomer

IE

lente/zomer

lente

D

winter/lente

RE

winter

E e n ja ar

PL

december

12

EM

november

EX

oktober

JK

februari

2 3

winter herfst

4

9 8

7

juli

april

lente

zomer

augustus

maart

5 6

mei

juni

IN

KI

1

11

10

september

januari

Thema 1

Les 7

49


Les 8

Memo-les 1 50’

Lesdoelen 1 2 3 4

De leerlingen verankeren kennis uit de lessen wereld. De leerlingen verankeren talige kennis. De leerlingen kunnen verbanden leggen tussen verschillende kenniselementen. De leerlingen ervaren dat ze door gespreid herhalen kennis beter onthouden en duurzaam opslaan in het langetermijngeheugen.

U

concordantie bijlage 4: ABCD-kaarten bijlage 5: flitskaarten Memo presentatie 2: Memo-les 1 wisbordje en stift voor elke leerling

KE

-

RE

Lesmaterialen

IE

Voor de les

AA

R

D

Tijdens de Memo-lessen herhalen de leerlingen leerstof uit vorige thema’s. Ze oefenen kennis uit de lessen taal en wereld. Zo zorgt Labo voor diepe verankering en beter onthouden. We werken doelbewust niet digitaal en niet in het werkboek. We bevorderen ‘interactie’ en ‘graven in de hersenen’. Naast het oefenen, krijgt samen hardop reflecteren een belangrijke plaats. Leraar en leerlingen geven taal aan hun denken – leren wordt zichtbaar gemaakt – én er ontstaat een mooie kans tot het geven van feedback.

EM

PL

De werkvormen zijn zo gekozen dat alle leerlingen actief kunnen deelnemen. Bovendien gebruiken we telkens weerkerende werkvormen (routines) zodat er weinig tijd verloren gaat aan klasmanagement en er herkenbaarheid en vertrouwdheid ontstaat voor de leerlingen. Lees ook de gouden tips bij de Memolessen in de algemene inleiding. In het tweede leerjaar bieden we voornamelijk klassikaal geleide werkvormen aan. Zo kan instructie, informatie of feedback van de leraar of medeleerlingen kennisgaten opvullen bij leerlingen die minder onthouden hebben uit de vorige thema’s.

JK

EX

De inhouden van deze herhalingslessen bestaan in dit thema voornamelijk uit: - belangrijke woorden kennen die in meerdere situaties bruikbaar zijn; - belangrijke concepten rond de thema’s tijd, veiligheid, dieren, logische volgorde; - verankeren van kennis via taal, tekenen, schematiseren.

IN

KI

Deze les wordt aangeleverd als een les van 50 minuten, maar kan opgedeeld worden in twee lessen van 25 minuten. Sommige opdrachten kunnen opgenomen worden in de zelfgestuurde werking zoals contract- of hoekenwerk. Knip de ABCD-kaarten van bijlage 4 en de flitskaarten van bijlage 5 uit voor het begin van deze les. In deze eerste lessenreeks bieden we meer tijd om de leerlingen te laten kennismaken met de materialen en oefenvormen waarmee we werken. Voor de inhoud baseren we ons op de leerplandoelen voor het kleuteronderwijs en het eerste leerjaar. Deze eerste reeks oefeningen is bewust eenvoudig gehouden als laagdrempelige instap.

50

Thema 1

Les 8


LESVERLOOP 1

Voorkennis activeren en lesdoel Wie weet er nog iets dat we in het eerste leerjaar geleerd hebben? Lezen, schrijven, rekenen? Wat hebben we geleerd over dieren? Wat hebben we geleerd over planten?

Kern

U

2

RE

Vandaag gaan we belangrijke zaken uit vorige jaren herhalen, zodat we ze beter onthouden en ze kunnen gebruiken wanneer we nieuwe dingen leren.

KE

Verduidelijk dat de leerlingen tijdens deze les dingen herhalen die ze eerder al leerden. Soms oefent heel de klas samen, soms werken de leerlingen in duo’s en soms alleen. Jouw rol als leerkracht tijdens dit onderdeel van de les bestaat uit instructie geven, begeleid oefenen, begrip controleren en leerlingen activeren om actief deel te nemen aan de oefeningen.

IE

2.1 Wisbord quiz – woord noteren

D

Vertel de leerlingen dat je een vraag zult stellen en dat iedereen het antwoord op zijn/haar wisbordje moet noteren. Het antwoord is altijd een woord dat ze al eerder geleerd hebben. Welke dag is het vandaag?

Controle

maandag/dinsdag/woensdag/donderdag/vrijdag (de dag waarop je deze oefening doet)

Feedback en reflectie

Welke dag is het vandaag? Laten we eens op de kalender kijken. Wie kan de dagen van de week nog in volgorde opsommen? Wie kan de dagen die volgen noemen als je met de dag van vandaag begint?

Vraag 2

Welke maand is het nu?

Controle

september

Feedback en reflectie

Wie kent de maanden van het jaar? Wie kan ze op onze kalender aanduiden?

AA

PL

EM

Welk dier ben ik? Ik heb schubben, ik adem via kieuwen, ik heb vinnen, ik leg eieren en ik ben koudbloedig. een vis

JK

Controle

EX

Vraag 3

R

Vraag 1

IN

KI

Feedback en reflectie

Wie heeft er ‘vis’ opgeschreven? Wie heeft een vis opgeschreven zoals een goudvis of een forel? Dat is ook juist, maar ‘vis’ is nog beter omdat alle vissen aan deze kenmerken voldoen. Ken je nog andere soorten dieren? (zoogdieren, vogels, insecten …)

2.2 Wisbord – tekenen Vertel de leerlingen dat we op de wisbordjes blijven werken. Nu moeten ze geen woord opschrijven, maar een eenvoudige tekening maken. Vraag 4

Teken iets dat zoet smaakt.

Controle

Laat leerlingen verwoorden wat ze tekenden.

Feedback en reflectie

Als leerlingen iets tekenen dat niet zoet is, vraag dan aan de leerlingen welke smaak het wel is. Sta stil bij de smaken zoet, zuur, zout, bitter, (umami).

Thema 1

Les 8

51


Vraag 5

Teken een paddenstoel en schrijf er de woorden hoed, steel en schimmeldraden bij.

Feedback en reflectie

Loop rond door de klas en vraag enkele leerlingen hun wisbordje te tonen aan de andere leerlingen. Leg de nadruk op duidelijk tekenen. Weet je nog wat schimmeldraden of een zwamvlok zijn? Weet je nog wat er in de hoed van de paddenstoel zit? (buisjes, plaatjes, sporen …)

2.3 ABCD-kaarten – volgorde leggen

U

RE

Vraag de leerlingen om hun ABCD-kaarten te nemen (bijlage 4). Vertel dat ze telkens vier foto’s zullen zien met een letter erbij. Zij moeten hun ABCD-kaarten in de juiste volgorde leggen. Wat komt er eerst, wat dan … ? De eerste keer doen we het samen. Luister hoe juf/meester dat doet.

Planten groeien Ga naar de eerste slide van presentatie 2. Vertel wat er op de vier foto’s te zien is. Ik zie dat de tekeningen vertellen hoe een plant groeit. Ik zie de tekening van een zaadje met de letter C. Leg jullie kaartje met de C. Dan zie ik een klein plantje met een letter A. Leg jullie letter achter de letter C. Dan zie ik een grotere plant, maar nog geen bloemetjes, met de letter D. We leggen de letter D in ons rijtje. Dan zie ik nog een plantje met bloemetjes met de letter B. We leggen de letter B als laatste letter in ons rijtje.

Controle

C–A–D–B

Feedback en reflectie

We maken dus een rijtje met de letters in de juiste volgorde. Ik kijk of het iedereen gelukt is. Leg je kaartjes maar terug. Nu proberen jullie.

AA

R

D

IE

KE

Vraag 6

Ga naar de volgende slide van de presentatie.

Tanden poetsen Kijk goed naar de foto’s. Wat zien we? Drinken uit een beker bij A, tandpasta op de borstel bij B, water uitspuwen bij C, tanden poetsen bij D. Leg je kaartjes in de juiste volgorde.

Controle

B–D–A-C

Feedback en reflectie

Ik heb B D A C, want ik begin met tandpasta op de borstel te doen, dan D poets ik mijn tanden, dan A drink ik een slok water en spoel mijn mond, dan C spuw ik het water met tandpasta uit. Wie heeft het rijtje B D A C goed gemaakt? Doet iemand het anders? Wat doe je anders?

JK

EX

EM

PL

Vraag 7

Ga naar de volgende slide van de presentatie.

IN

KI

Vraag 8

Mensen doorheen de tijd Kijk naar de foto’s? Wat zie je? Vraag de leerlingen om in volgorde te leggen van heel lang geleden to nu.

Controle

B–C–D–A

Feedback en reflectie

Hoe weet je de volgorde? Waar zag je dat aan?

2.4 Flitskaarten – duo quiz Vertel de leerlingen dat je 10 pakjes met flitskaarten hebt klaargelegd (bijlage 5). Elk pakje heeft kaartjes met een vraag of opdracht aan de voorkant en het antwoord op de achterkant. De leerlingen werken in duo’s. Een leerling leest de vraag, de andere leerling antwoordt. Controleer samen het antwoord. Dan wissel je de vragensteller. Klaar met de kaartjes? Dan ruil je kaartjes met een ander duo.

52

Thema 1

Les 8


De 10 sets flitskaarten zijn materiaal voor de drie Memo-lessen van dit thema. De leerlingen moeten in deze les dus zeker niet alle sets verwerken.

U

Lesafsluiting

KE

3

RE

set 1: woordenschat planten set 2: woordenschat water/weer set 3: foto’s dieren herkennen set 4: soorten dieren set 5: waar is het van gemaakt? set 6: gezond of ongezond set 7: afval (gft, pmd, papier en karton) set 8 tekstsoorten set 9: temperatuur set 10: Egypte

IN

KI

JK

EX

EM

PL

AA

R

D

IE

Vandaag hebben we belangrijke zaken uit vorige jaren herhaald. Want herhalen helpt om iets beter te onthouden. Wat was je uit het eerste leerjaar vergeten en weet je nu terug?

Thema 1

Les 8

53


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook