De (1 + 27) voorspelt (5 + 9) . Mama koopt (3 + 11) bij de (17 + 18)
Er komt een zwarte (12 + 19) uit de (10 + 14)
Mijn (21 + 20) zit in mijn (16 + 22)
We liggen in onze (15 + 28) bij het (26 + 7)
De (21 + 24) gebruikt allerlei (23 + 25) .
De (2 + 6) staat aan het roer van het (8 + 13) .
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
Fout? Ik schrijf het woord juist.
Schrijf elk woord in de juiste kolom.
slang – man – bank – plan – pink – spin – tong – links – ben – gang – breng – winkel – honger –drink – win + ng
+ nk
Ik hoor ng of nk. Ik schrijf nooit meer dan twee letters!
Kleur wat klopt. Vul het woord aan in de zin.
beha nk ng Ik vind dat mooi .
gesche nk ng Ik koop een voor mama. le nk ng te De van die broek klopt niet. ja nk ng en De hond zit al een hele poos te . la nk ng e ste nk ng el Die bloem heeft een be nk ng el jo nk ng en Een is een wat stoute
Fout? Ik schrijf het woord juist.
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
Vul aan met ng of nk. Schrijf die woorden nog eens over.
De visser haalt de va st la zaam op.
Wie a st heeft, is echt ba
In die wi el vind je mooie gesche en.
De sla e sporter spri t over de lat.
Die dame heeft aan iedere vi er een ri .
Ik ha de sli er in de kerstboom.
Vul het woord aan op de juiste plaats en in de juiste vorm. Schrijf de zin over.
verlang – drankje
De loper naar een . zanger – klink
Die vals. vink – zingen
Hoor je die twee ?
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
Fout? Ik schrijf het woord juist.
de angel
De wesp heeft een scherpe angel waarmee hij kan prikken.
de behang
We plakken mooi behang op de muur om de kamer vrolijk te maken.
dooien
De sneeuw begint te smelten omdat het buiten dooit.
druppen
Het water blijft uit de kraan druppen.
de fooi
We geven een fooi of wat geld aan de ober omdat hij of zij zo vriendelijk was.
de angst
Liam voelt een beetje angst als hij moet spreken voor de klas.
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
de gifslang
Een gifslang kan met één beet heel gevaarlijk zijn.
de brooddoos
Mama smeert elke dag boterhammen en stopt ze in mijn brooddoos.
de dooier
De dooier is het gele bolletje in een ei.
de eeuw
Een eeuw is een heel lange tijd van honderd jaar.
het geschenk
Voor haar verjaardag kreeg ze een leuk geschenk.
gloeien
Het lampje begint te gloeien wanneer je het aanzet.
de griep
Ik kan niet naar school omdat ik de griep heb.
het hangslot
We doen het hangslot dicht zodat de poort niet open kan.
het klimrek
Op de speelplaats klimmen de kinderen graag in het klimrek.
de kreeft
De kreeft loopt met zijn grote scharen over de rotsen.
de kwal
Pas op, een kwal in de zee kan je pijn doen.
de hals
De hals is het lichaamsdeel dat je schouders met je hoofd verbindt.
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
plenzen
Het regent zo hard dat het water op de grond plenst.
de hesp
Op mijn boterham ligt een sneetje hesp.
knellen
Mijn schoenen knellen als ze te klein zijn.
de kruk
Hij zit op de houten kruk aan de tafel.
de pels
De vos heeft een dikke, warme pels.
plooien
Je kan het papier in twee plooien.
de pols
De pols is het stuk tussen je hand en onderarm.
de rits
Ik trek de rits van mijn jas dicht.
de rookpluim
Uit de schoorsteen komt een grijze rookpluim.
de schoolbus
De schoolbus brengt ons elke ochtend veilig naar school.
de slinger
We hangen een kleurrijke slinger op voor het feest.
de prul
Het speelgoed was meteen stuk, het was een echte prul.
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
de smeerkaas
Ik smeer smeerkaas op mijn boterham.
roesten
De oude fiets begon te roesten in de regen.
schaatsen
In de winter gaan we graag op het ijs schaatsen.
de slaapzak
In mijn slaapzak lig ik lekker warm tijdens het kamp.
het slot
Het slot van de deur klikt dicht met de sleutel.
de speer
De jager gooit zijn speer heel ver.
de spons
Met een spons maak ik de tafel schoon.
de stuurman
De stuurman zorgt ervoor dat de boot de juiste kant op gaat.
de toonbank
De winkeljuf legt het brood op de toonbank.
de vangst
De visser is vandaag niet blij met zijn vangst.
de wesp
Een wesp kan gemeen steken als je hem boos maakt.
de spreeuw
Een spreeuw is een zwart vogeltje met witte spikkels dat mooi kan zingen.
INKIJKEXEMPLAARDIEKEURE
de zweep
De cowboy zwaait met een lange zweep.
de surfplank
Hij staat rechtop op zijn surfplank in de hoge golven.
de trektang
Met een trektang trek je nagels uit een plank.
de werkbank
Papa timmert graag aan zijn werkbank in de garage.
de zanger
De zanger zingt een lied op het podium.
het zwempak
Ze trekt haar zwempak aan en duikt in het zwembad.