ucatieve uitgaven
De grote boze weerwolf
BIEB
Jonas Boets
Kijker educatieve uitgaven
Verrekijker 6
8
De grote boze weerwolf
Er was eens een meisje dat altijd een rood kapje droeg. Omdat haar ouders en de familie van haar ouders en zelfs hun vrienden niet erg origineel waren, noemde iedereen haar Roodkapje. Het meisje vond dat best een stomme naam, maar ze vond ook niets beters. Ze was al lang blij dat het niet Roodschoentje of Withemdje was, want dat droeg ze ook. Op een dag vroeg haar mama of ze koekjes naar grootmoeder wilde brengen. Roodkapje sprong meteen recht en zei: ‘Geen denken aan.’ Grootmoeder woonde aan de andere kant van het bos en Roodkapje wilde veel liever naar filmpjes op haar tablet1 kijken. Er waren filmpjes van vallende mensen die ze nog niet had gezien en dat leek haar leuker dan door een donker bos te dwalen en zelf te vallen. Stel je voor dat iemand dat dan filmde en op het internet zette, dan zou iedereen met haar lachen. Nee, dat zou ze niet laten gebeuren.
1
Maar haar mama werd weleens Roodsmoeltje genoemd, en als je weet dat haar vrienden niet erg origineel waren, dan was dat omdat ze heel boos kon worden. De tablet van Roodkapje vloog door de kamer, wat best wel grappig was als iemand het gefilmd zou hebben, en Roodkapje ging toch naar grootmoeder.
2
De sfeer in het bos was niet geweldig. Roodkapje passeerde voortdurend hangdieren die zomaar wat op een boomstronk zaten of aan een tak hingen, zonder dat ze echt een doel hadden. Vooral de eekhoorns waren heel agressief geworden. Vanuit de bomen gooiden ze eikels naar je hoofd en ze mikten bijna altijd raak. En ook de kabouters werkten niet meer voor hun geld. Ze zaten liever heel de dag op hun paddenstoel dan klusjes uit te voeren voor de mensen. Jammer, want anders had Roodkapje een kabouter met de koekjes naar haar grootmoeder kunnen sturen. Ze keek naar de volle maan en huiverde. Ze hoopte maar dat ze snel weer thuis was en dat er niet te veel naars zou gebeuren. Met de koekjes tegen zich aan geklemd om af en toe een harde eikel tegen te houden, baande Roodkapje zich een weg door het bos. Maar halfweg hield ze halt toen ze een man uit de struiken zag komen. Ze was blij dat het geen vervelende kabouter was. ‘Psst, Roodkapje,’ zei de man. Hij snoof terwijl hij sprak en veegde voortdurend met zijn hand over zijn forse baard. ‘Wil je een roos kopen?’ Hij toonde een boeket rozen, allemaal netjes apart verpakt.
3
Roodkapje gruwde van zijn handen, die vol haren stonden en nagels hadden die zo lang waren dat ze een brood zouden kunnen snijden. ‘Waarom zou ik dat doen?’ vroeg ze. ‘Om aan je grootmoeder te geven.’ Het nieuws ging weer snel rond in het bos, vond Roodkapje. Ze vond zijn idee niet slecht, maar toch vertrouwde ze hem niet. Hij wilde vast alleen maar winst maken en ze wilde haar zakgeld liever besteden aan een nieuwe smartphone dan aan haar grootmoeder. ‘Geef de rozen aan je eigen grootmoeder,’ zei Roodkapje bits. ‘Ik pluk mijn eigen bloemetjes wel.’ Ze gunde hem geen blik meer, waarop de man begon te huilen. Overal uit zijn lichaam begonnen haren te groeien. In het licht van de volle maan ging Roodkapje van het pad af en zocht ze naar het juiste boeket.
4
Ondertussen repte de man zich door het bos, op weg naar het huis van de grootmoeder. Dat oude wicht zou vast zijn bloemen wel willen kopen, ze rekende nog steeds in oude franken2 en was er vast van overtuigd dat ze een koopje zou kunnen doen. Toen hij aankwam bij het huis was hij geen man meer maar een volbloed wolf. Op vier poten rende hij de laatste meters naar de deur, waardoor de bloemen verpletterd werden onder zijn klauwen. ‘Verdorie,’ vloekte hij. ‘Daar gaat mijn winst.’ Grootmoeder opende de deur en tuurde zonder bril naar haar bezoeker. ‘Wie is daar?’ ‘De wolf.’ ‘Jan De Wolf?’ De wolf aarzelde. ‘Eh, ja.’ ‘Kom binnen.’ Grootmoeder gaf de wolf een stoel en ging naar de keuken om thee te zetten. ‘Zo laat nog op stap?’ ‘Ik ben eerder een nachtmens,’ knikte de wolf. ‘Ik ook,’ zei grootmoeder. ‘Maar dan vooral omdat ik nooit kan slapen. Mijn bed kraakt voortdurend en dan lig ik de hele tijd te denken dat ik niet mag bewegen. En dan beweeg ik natuurlijk toch, waardoor ik zeker niet kan slapen. Ken je dat?’
5
De wolf bevestigde en dronk braaf de thee op die ze aanreikte. Hij was niet te drinken. Een blik op de keuken leerde hem dat ze in plaats van haar theekruiden, paprikapoeder in het warme water had gedaan. Grootmoeder was zonder bril echt zo blind als een mol. Ze had ook een beetje de rimpelige huid van een mol, als hij beter keek. Wat deed hij hier eigenlijk nog? Hij voelde zijn maag grommen. Juist, ja. ‘En ik heb ook voortdurend jeuk,’ zei grootmoeder. ‘En hoe hard ik ook krab, ik geraak er niet vanaf.’ Ze trok haar nachtjapon naar boven en toonde haar eeltige3 knie. De wolf probeerde niet te kijken. ‘Hier vooral,’ zei grootmoeder. ‘Wil jij eens krabben?’ ‘Liever niet,’ antwoordde de wolf. ‘Stank voor dank,’ schudde grootmoeder het hoofd. ‘Ik geef je onderdak en thee, maar als ik eens iets vraag, krijg ik niets terug.’ De wolf legde een hand op zijn hongerige maag. Hij had helemaal geen trek in een knokige4 grootmoeder, maar als hij niet snel iets at, dan viel hij flauw. ‘Ik zei gisteren nog tegen Maria, je weet wel, die dame van het peperkoeken huisje hier verderop,’ ging grootmoeder verder. ‘Ik zei nog, je geeft en geeft, maar wat levert het op? Helemaal niets. En zij zei net hetzelfde.
6
Haar kinderen gaven niets terug, in de oven hebben ze haar geduwd. Ze heeft hen onmiddellijk onterfd! Niet dat ze veel had, hoor, onder ons gezegd en gezwegen, meer dan een bezem, een kat en snoepmuizen heeft ze niet te bieden. Geef mij dan maar die boze stiefmoeder van het kasteel, die ...’ Verder kwam grootmoeder niet. Met zijn ogen dicht en zijn neus toegeknepen slokte de wolf grootmoeder met huid en haar op. Eindelijk stopte het gezeur.
7
Na zes keer kloppen, had grootmoeder nog steeds niet opengedaan. Roodkapje kreeg het flink op haar heupen. Ze wist dat haar grootmoeder zo blind was dat ze op een koe sprong om boodschappen te doen en zich dan afvroeg waar de trappers waren gebleven. Maar haar gehoor was normaal gezien nog in orde, getraind om elke roddel op te pikken die rondom haar gefluisterd werd. Roodkapje duwde tegen de deur. Die was open en ze stapte voorzichtig naar binnen. Ze hoorde een diep geronk, het klonk in elk geval als grootmoeder. Maar één blik op het bed en Roodkapje wist dat het grootmoeder niet was. De wolf lag onder de dekens te sabbelen op het uiteinde van de kussensloop. Zijn buik was opgezwollen en er kwam een zacht gebrom uit, alsof iemand inwendig protesteerde. Roodkapje gooide de deur met een klap dicht en deed het licht aan. De wolf schrok wakker en rolde bijna uit het bed. ‘Wat doe je nu?’ ‘Wat doe ik nu?’ brulde Roodkapje. ‘Wat doe jij hier?’ De wolf herpakte zich snel, trok de dekens nog wat verder over zich heen en zei met een iets hogere stem: ‘Ik woon hier. Ik ben je grootmoeder.’ Meende hij dat echt?
8
‘Wat lief dat je me komt bezoeken, lief kind.’ Roodkapje keek de kamer rond. Waarom deed hij alsof hij grootmoeder was? Wat was er hier gebeurd? ‘Ik heb koekjes bij, grootmoeder,’ zei Roodkapje om tijd te winnen en ze toonde haar mandje. ‘Die zien er lekker uit,’ zei de wolf, en zijn tong kwam even tussen zijn lippen uit. ‘Kom eens wat dichter.’ Roodkapje aarzelde. En toen zag ze in de buik van de wolf iets bewegen. Een hand, ze was er zeker van dat ze een hand tegen het vel zag drukken. Was dat grootmoeder? Ze moest hier weg, zo snel mogelijk. Ze wilde niet opgegeten worden, want ze wilde nog zoveel bereiken in haar jonge leven: op een paard leren rijden, haar gewicht in snoep opeten en een eigen vlog5 beginnen. Opgegeten worden door een wolf was natuurlijk wel een goed begin om over te vloggen. Maar haar aarzeling had te lang geduurd. De wolf greep haar pols vast. Ze voelde zijn klauwen in haar huid snijden. ‘Kom dichter,’ beval hij. Ze keek hem aan. Wat moest ze doen? Kon ze nog weg? Misschien moest ze hem afleiden. ‘Maar grootmoeder, wat heb je grote oren!’
9
‘Dat is om je beter te kunnen horen, lief kind,’ zei de wolf. ‘Maar grootmoeder, wat heb je grote ogen!’ ‘Dat is om je beter te kunnen zien.’ Geloofde hij echt dat ze dacht dat hij haar grootmoeder was? Dan was hij toch minder slim dan ze had gedacht. Oké, de baardgroei van grootmoeder was de laatste tijd ook een beetje overdreven, maar toch. Moest ze dan wel schrik hebben? Ze nam een besluit. ‘Grootmoeder, wat heb je een grote mond!’ De wolf kwam overeind, hij grijnsde. ‘Dat is om je beter te kunnen op...’ Op dat moment kreeg hij het rieten mandje met alle koekjes erin tegen zijn muil. Roodkapje sloeg zo hard ze kon. De wolf vloog achteruit en keek haar verdwaasd aan. ‘Wel, jij rotwicht!’ Hij sprong uit het bed en vloog op haar af. Roodkapje wist plots niet meer of ze wel een juist besluit had genomen. Ze zette een stap opzij en de wolf knalde tegen de glazen kast achter haar. Die barstte in stukken en alle kopjes en borden vielen kletterend op de grond. Onmiddellijk begon Roodkapje weer met haar mandje te slaan. Ze raakte de wolf in zijn buik en op zijn neus en hij huilde van de pijn.
10
Maar de wolf had vlees geroken en zette zich snuivend weer op zijn poten. Hij toonde zijn blinkende tanden. Daarop gooide Roodkapje het mandje naar zijn hoofd. Hij bukte zich en het mandje knalde een vaas van de tafel. Roodkapje nam een stoel en zwierde die naar de wolf. En daarna de volgende. Een voor een braken de stoelen in stukken op zijn harige vacht. ‘Mijn maaltijd heeft een eigen willetje,’ grijnsde de wolf. Hij sprong naar voren, zo snel dat Roodkapje hem nauwelijks zag bewegen. Met zijn voorste poten greep hij haar armen en duwde haar achteruit. Roodkapje wankelde, verloor haar evenwicht en viel met haar rug tegen de muur. Au, dat deed pijn. Op het internet gold meestal de regel dat hoe meer pijn iemand zich deed, hoe grappiger Roodkapje het vond. Maar hier vond ze helemaal niets amusants aan.
11
De wolf klemde haar polsen tegen de koude grond en boog zich over haar. Ze probeerde zich te verweren, maar de klauwen waren als ijzeren boeien. Ze voelde zijn briesende adem in haar gezicht. ‘Grootmoeder, wat heb je een grote keel!’ wilde Roodkapje nog zeggen, maar dat hoorde niemand nog, want het volgende moment verdween ze zelf in de ruime mond van de wolf. ‘Au!’ Grootmoeder brulde het uit toen Roodkapje met grote vaart op haar in kwam gebeukt. ‘Sorry!’ Roodkapje probeerde zich nog tegen te houden, maar ze kon niet vermijden dat haar voeten in de zij van grootmoeder duwden. ‘Wie is daar?’ Het was aardedonker in de buik van de wolf. Roodkapje wist dat grootmoeder zo blind was als een mol, maar konden mollen net niet goed zien in het donker? ‘Ik ben het, Roodkapje.’ ‘Je komt me nog eens een bezoekje brengen,’ zei grootmoeder. ‘Dat is lang geleden. Had je dat niet kunnen doen vóór ik in de buik van een wolf verdween?’
12
Roodkapje kreeg weer spijt dat ze niet rustig op haar kamer was gebleven om naar filmpjes te kijken. ‘Ik was je graag in je huisje tegengekomen,’ antwoordde ze. ‘Maar ik kon je alleen maar hier vinden.’ ‘Heb je koekjes bij?’ ‘Die heb ik tegen de muil van de wolf geslagen.’ ‘Wat jammer.’ Even werd het stil. ‘Zullen we vragen aan de wolf dat hij de koekjes opeet? Dan komen ze alsnog naar hier.’ Roodkapje schudde even het hoofd. Ze zaten in de buik van een wolf. Erg normaal was dat niet. Ze voelde aan haar armen en benen, die zaten er nog allemaal aan, de wolf had dus niet gekauwd voor hij haar inslikte. Gelukkig maar, zonder vinger kon ze geen tablet meer bedienen. ‘Maria van het peperkoeken huisje heeft altijd koekjes in huis,’ begon grootmoeder. ‘De meeste zijn wel wat oudbakken, want die liggen al jaren op haar dak. En o wee als je er eentje durft te pakken, dan schiet ze in een kramp. Die zijn voor de kinderen, zegt ze dan. Terwijl er al jaren geen kinderen meer langs zijn geweest. Die weten wel beter.’
13
Roodkapje probeerde haar oren af te sluiten voor het gezeur. In haar maag voelde ze iets rommelen, alsof ze honger had. Ze wist niet hoe of wanneer, maar ze wist wel dat ze hier zo snel mogelijk weg moest. Niet ver van het huisje vandaan liep een grote man met een geweer op de schouder. De jager, noemden ze hem weleens, ook al had niemand hem ooit horen schieten. Hij hield van dieren en was niet van plan er zomaar eentje neer te knallen. Toch was hij een jager: hij had een bruin hoedje met een pluim op, dan kon je niet anders dan een jager zijn. Alleen had hij nooit de juiste prooi gevonden.
14
De jager hoorde het gestommel in het huisje van grootmoeder. Even dacht hij dat grootmoeder weer een mug achterna zat met een deegrol, zo had ze ooit eens haar eigen ramen ingeslagen. Maar deze keer klonk het anders, er was geroep over en weer. De jager had nog nooit een mug zo luid horen roepen. Met zijn geweer in de aanslag ging hij naar het huisje. De deur stond op een kier. Het was weer stil, even twijfelde de jager. Misschien was grootmoeder doodmoe na haar muggenjacht en mocht hij haar niet wakker maken. Als grootmoeder moe was, kon ze immers flink zeuren. Toch zette hij zijn rugzak neer en duwde de deur open. Het huis was een ravage6, alles was stuk, alsof er een orkaan door was geraasd. Hij hoorde een zacht gesnurk. Zijn hart klopte in zijn keel, hier was iets niet juist. Grootmoeder zou veel harder snurken. In het bed zag hij de wolf liggen. Hij lag boven op de lakens waardoor zijn bolle buik goed zichtbaar was. Veel uitleg had de jager daar niet bij nodig. Op de tippen van zijn tenen sloop hij naar de wolf en haalde een groot mes uit een koker aan zijn riem. Met een flinke haal bevrijdde hij Roodkapje en haar grootmoeder. ‘Au, mijn haar!’
15
De jager keek naar zijn mes. Daar zat naast heel wat bloed ook een rood kapje en een pluk haar op. Misschien had hij eerst even moeten voelen waar hij sneed. Niet veel later dook uit de buik van de wolf het half kale hoofd van Roodkapje op. Haar gezicht stond op onweer. ‘Kun je niet uitkijken?’ De jager zette snel haar kapje op haar hoofd, en verborg de pluk haar die hij had afgesneden. ‘Sorry, ik moest snel zijn.’ Naast Roodkapje dook grootmoeder op, die ook niet echt blij keek. ‘Nu krijg ik plots iedereen tegelijk op bezoek,’ bromde ze. ‘Maar waar zijn jullie als mijn teennagels geknipt moeten worden?’ ‘Kom er maar snel uit,’ zei de jager. ‘Dan kunnen we stenen in de buik van de wolf stoppen.’ Roodkapje en grootmoeder klauterden uit de buik van de wolf. Ze zochten naar een stoel die nog heel was, maar vonden er geen. ‘Je moet eens leren zorgzaam te zijn met spullen van een ander,’ sprak grootmoeder vermanend tegen Roodkapje. De jager schudde het hoofd en ging naar buiten om stenen te zoeken.
16
De buik van de wolf vullen was een hele klus. Vooral omdat er rond het huisje bijna geen stenen te vinden waren. De jager moest telkens een hele tocht naar de rivier maken om een goede kei te vinden. Het kostte hem de hele nacht. Roodkapje en grootmoeder hielpen niet mee, ze zaten dof voor zich uit te staren op de grond. Ze volgden hem telkens met hun ogen als hij binnen en buiten ging. De jager weet het aan stress, in de buik van een wolf opgesloten zitten was vast geen pretje.
17
Toen de zon voorzichtig kwam piepen, kwam de jager aandraven met de laatste steen. Maar hij liet hem vallen, recht op zijn teen. De kreet die hij slaakte, was meer van verbazing dan van pijn. In het bed van grootmoeder lag plots een man. Wat deed die hier? Hij was felbehaard en zijn gezicht was verwrongen van de pijn. ‘Alles oké?’ vroeg de jager onmiddellijk. ‘Heb je hulp nodig?’ De man bromde iets onverstaanbaars. Zijn scherpe lange nagels klauwden in het bed. Zijn buik vertoonde een flinke snee. ‘Ik zie dat je gewond bent.’ De man knikte. ‘De wolf,’ gromde hij. ‘Heeft de wolf dit gedaan?’ vroeg de jager. ‘Wat gemeen!’ Naast hem zaten Roodkapje en grootmoeder nog steeds naar nergens te kijken. Al leken ze wel wat te ontwaken. ‘Hebben jullie iets gezien?’ ‘Ik heb al jaren niemand gezien,’ zeurde grootmoeder. De jager zag dat er stenen in de buik van de man lagen. De wolf had vast de stenen uit zijn eigen buik gehaald en die in de buik van de man gelegd. Wolven waren echt voor geen haar te vertrouwen.
18
19
De jager wist nu wel zeker dat hij een wolvenjager moest worden. De mensen zouden blij zijn dat hij dat op zich nam. ‘Hé, ik ken jou,’ zei Roodkapje. ‘Jij bent die rozenverkoper.’ De man knikte, maar zei nog steeds niets. De jager vermoedde dat hij te veel pijn had. Hij moest hem helpen. De jager begon de stenen uit de buik van de man te plukken. Aan het einde van het zware karwei naaide hij de buik weer toe. Wat een nacht was het geweest. Er kwam weer leven in het huis van grootmoeder. Roodkapje doorzocht alle kasten en gooide er alles uit wat haar niet beviel. ‘Valt er hier wat te bikken7?’ vroeg ze aan grootmoeder. ‘Ging jij geen koekjes meebrengen?’ ‘Ik weet niet of die nog te eten zijn.’ Ze zocht naar het mandje, waarin de geplette koekjes zaten. Hongerig stak ze de kruimels in haar mond. ‘Hé, geef mij ook eens wat,’ sprak grootmoeder vermanend. Ze graaide naar het mandje. Roodkapje liet echter niet los en zo rukten ze met twee aan het riet.
20
Grootmoeder moest als eerste lossen, waardoor Roodkapje achteruitvloog en ook het mandje door de lucht werd gekatapulteerd. Alle restjes van de koekjes vielen op de grond. ‘Kijk wat je nu hebt gedaan!’ riep grootmoeder. ‘Wat ik heb gedaan?’ vroeg Roodkapje verontwaardigd. ‘Jij moest niet zo trekken!’ De jager en de man op het bed keken toe hoe de twee dames verder verwijten naar elkaars hoofd slingerden. ‘Misschien is dit het moment om te vertrekken,’ zei de jager. De jager verliet het huis met gemengde gevoelens. Ja, hij had Roodkapje en grootmoeder gered uit de buik van de wolf. Al had hij niet meteen de indruk dat ze daar zo dankbaar voor waren. Toen hij probeerde om dag te zeggen, luisterden ze niet. Ze waren enkel ruzie aan het maken over hoeveel keer Roodkapje op bezoek was geweest de laatste jaren. Geen enkele keer, beweerde grootmoeder, terwijl Roodkapje ervan overtuigd was dat ze minstens een keer was langsgekomen, en minstens twee keer erover had gedacht om langs te komen. En dat deze keer bovendien voor vier keer telde. Maar tegelijk was de jager teleurgesteld. Hij had de wolf niet kunnen vangen. Net op het einde was hij kunnen ontsnappen. Dat was een drama voor een wolvenjager.
21
22
Een jager die zijn prooi liet ontsnappen was toch geen goede jager? Misschien moest hij maar op egels of schildpadden gaan jagen, die kon hij nog wel bijhouden. In de verte zag de jager de man lopen die hij had aangetroffen in het bed van grootmoeder. Hij bleef het een rare snuiter vinden. Kon hij hem wel vertrouwen? Misschien had hij onder een hoedje gespeeld met de wolf. Misschien had hij de wolf laten ontsnappen. De jager volgde de man een stukje. Misschien leidde de man hem naar de wolf. Maar dan bedacht hij zich dat dat belachelijk was. Een man en een wolf konden toch niet samenwerken? Hij twijfelde en bleef staan. Het pad dat de man op liep, was de weg naar de huisjes van de drie biggetjes en moeder geit. De jager kende hen goed. Hij waarschuwde de geitjes altijd om voor niemand open te doen als hun mama er niet was. En de broers big, tja, dat waren koppigaards. Met hun huisjes van stro en hout, wie bouwde in deze tijden nog met zo’n slecht materiaal? De jager schudde zijn hoofd en draaide zich om. Hij dacht te veel na. Hij had een hele nacht niet geslapen en nu zag hij dingen die er niet waren. Hij liet man de weg naar de huisjes volgen. Hij had vast geen slechte bedoelingen.
23
Woorduitleg 1 tablet = computer van klein formaat met groot scherm en zonder toetsenbord 2 frank = oude Belgische munteenheid voor de euro 3 eeltig = waar de huid hard en verdikt is 4 knokig = mager met uitstekende botten 5 vlog = verslag op een website met videobeelden 6 ravage = puinhoop 7 bikken = eten
24
Roodkapje gaat naar grootmoeder om koekjes te brengen, dik tegen haar zin, want ze zou veel liever filmpjes kijken op haar tablet. Maar ze wordt toch het bos in gestuurd, gaat bloemen plukken en klopt bij grootmoeder aan. Alles lijkt goed te gaan, tot de man die ze in het bos ontmoet een weerwolf blijkt te zijn.
Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 6. ISBN 978 90 486 2537 6 Bestelnummer 60 1021 597 KB D/2016/0147/106 NUR 191 Illustraties: Geert Nijs Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge
9 789048 625376
Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.