Skip to main content

Verrekijkerbieb - Leerjaar 6 - Kijker 5 - Thema 8 - N3 - Over zeeziekte en zeeduivel

Page 1

ducatieve uitgaven

Over zeeziekte en zeeduivel

BIEB

Katrien Vervaele

Kijker educatieve uitgaven

Verrekijker 6

5


Over zeeziekte en zeeduivel

1


Slechte punten Ik was veertien en zat in het tweede jaar in het college. Het eerste trimester zat erop. De punten waren afgeroepen, de ‘puntenkaarten’ uitgedeeld en de mijne was ronduit slecht. Heel slecht. Mijn vader en ik werden bij de directeur geroepen. ‘Nee, meneer,’ zei de directeur tegen mijn vader. ‘Als hij de twee komende trimesters zo verder doet, kan hij absoluut niet overgaan naar het volgende jaar. Toch niet in deze school.’ ‘Ik begrijp het niet,’ zei mijn vader. ‘Vorig jaar had hij in de tachtig en nu bengelt hij aan het staartje van de klas.’ ‘Hij hangt zelfs niet meer aan de staart van de klas,’ zei de directeur. ‘Hij hinkelt mijlenver achterop. Hij bakt er niets meer van. En het is niet dat hij niet kan! Het is een slimme gast, maar hij veegt er gewoon zijn broek aan.’ De directeur had het bij het rechte eind. Het was niet dat ik het niet kon, het interesseerde me zelfs wel. Maar ik wilde gewoon niet meer naar school. Ik wilde op zee, net als mijn maten, Jan van de Kaaie en Roste Pier1.

2


‘Ik pik het niet,’ zei mijn vader. ‘Zelf heb ik nooit de kans gehad om te studeren. Toen ik twaalf jaar was, stuurden ze me naar de visserijschool. Op m’n veertiende zat ik al op zee. Nog voor mijn vijftiende viste ik in IJsland!’ ‘Dat wil ik dus ook,’ zei ik ferm. ‘Ik heb het je al tientallen keren gezegd, gevraagd, gesmeekt … Ik wil gaan vissen, maar je luistert gewoonweg niet.’ ‘Eerst je middelbaar afmaken en als je achttien bent, ben je oud genoeg om te kiezen,’ antwoordde mijn vader. ‘Dan kun je eens een reisje mee en ga je wel anders praten!’ Ik schudde mijn hoofd. Kon hij nu echt niet geloven dat ik maar één iets wilde en dat was op zee gaan. Eerst als siesje2, dan als lichtmatroos, matroos en later als schipper. Want dat was wat ik wilde worden: schipper, zoals hij en zoals mijn grootvader en overgrootvader. De directeur en mijn vader praatten nog een hele poos verder, alsof ik er niet meer bij was, dus vond ik dat ik toch wel even mijn gedacht mocht zeggen: ‘Ik heb geen zin meer om nog jaren op de schoolbanken te verspillen!’ ‘Verspillen?’ foeterde mijn vader. ‘Alles wat je hier op de schoolbanken leert, komt ooit nog weleens van pas!’ Ik trok mijn schouders op.

3


‘Het heeft geen zin meer,’ zei de directeur. ‘Hier kunnen we niets meer met hem aanvangen.’ ‘Er zijn zo veel mooiere beroepen dan visser!’ probeerde mijn vader nog. En tegen de directeur: ‘Het is een beestenleven, die visserij!’ ‘Ik denk dat je zoon helemaal geen dokter, advocaat of apotheker wil worden,’ zei de directeur nog. ‘En doet hij op die manier verder, wordt het al helemaal niets. Hij heeft geen boek opengedaan dit trimester, heeft geen letter geleerd voor zijn toetsen, ik vermoed zelfs dat hij met opzet de verkeerde zaken invulde.’ De directeur had me dus door! Ik had inderdaad een heleboel vragen met opzet verkeerd beantwoord. Maar dat zei ik niet hardop want ik wilde geen draai rond mijn oren. ‘Goed,’ zei mijn vader. ‘Er zit dus niets anders op.’ Hij gaf de directeur een hand, mij behandelde hij alsof ik lucht was. Hij deed heel koel en afstandelijk als we door de gang naar buiten liepen en wanneer we de schoolpoort achter ons dicht hadden getrokken, zei hij alleen nog een keer ‘Goed’. En dat was tegen zichzelf, niet eens tegen mij. Een keer de straat op, stapte hij snel door, ik moest me haasten om hem bij te houden. Hij zei niets, hij zei ook niet waar we heen gingen. We stapten tot bij de winkel waar hij altijd zijn werkplunje en andere benodigdheden kocht.

4


‘Je kunt voor mijn part nog deze winter vertrekken,’ zei hij. ‘Ik vind wel een schip voor je. Je kunt de feestdagen eens “vieren” op zee. Als je dan toch nog kiest om weer naar school te gaan, kan dat nog altijd. Een paar dagen missen op school, haal je zo wel weer in, met jouw verstand!’ In de winkel vroeg mijn vader oliegoed3, laarzen, handschoenen en een gutmes4. Hij wees daarbij achterom met zijn duim naar mij. ‘Het is voor hem!’ Ik slikte even. Dat het zo snel zou gaan … Mijn vader ging dan naar buiten, stond een sigaret te roken terwijl ik binnen de kleren paste. Als ik klaar was, kwam hij weer de winkel in, trok zijn portefeuille boven en betaalde met een nogal heftig gebaar. Als we buitenkwamen zei hij alleen maar: ‘Hier heb je je laarzen! Een keer dat je zult geproefd hebben van het zeezout, spreek je wel anders!’ En dan brommend, binnensmonds: ‘Gaan varen … gaan varen…’ Zo kwam het dat ik op mijn veertiende aanmonsterde op een schip naar IJsland. Het was niet met het schip van mijn vader. Dat wilde hij niet. ‘Ik ben bang dat ik te veel medelijden met hem zou hebben,’ zei hij die avond tegen mijn moeder. Ik begreep toen nog niet wat hij bedoelde.

5


Schapulier5 van opa Ook mijn moeder was niet blij toen ze hoorde dat ik een reis meeging. Hoewel ze het had zien aankomen. Ze had het gezien in mijn ogen, zei ze. Elke keer toen ze me meenam om mijn vader en zijn schip uit te zwaaien, had ze altijd die hunker in mijn ogen gezien. Dat verlangen naar zee, naar varen, naar verre visgronden … En ze wist dat ik op een dag definitief voor de zee en de visserij zou kiezen.

Maar dat ik nu al op veertienjarige leeftijd vertrok, dat vond ze erover. Ze hadden die avond woorden, mijn vader en mijn moeder. Ik verstond niet wat ze zeiden, maar ik hoorde ze. Ik hoorde mijn moeder zelfs op een bepaald moment huilen. Maar de volgende dag was ze er al wat over en probeerde ze de zaak aan de positieve kant te bekijken. Zo nam ze me mee naar het visserskapelletje van Bredene. Ze brandde er een kaars en wilde dat ik samen met haar zou bidden. 6


‘Waarom moet dat nu?’ had ik gevraagd. ‘Om je te beschermen,’ had ze gezegd. ‘Tegen de zeeziekte en tegen de zeeduivel!’ Wat zeeziekte was, wist ik wel. Ik was al eens een paar keer met een garnaalschuit op zee geweest en wanneer er wat bries zat, voelde ik dat inderdaad een beetje in mijn maag. Maar echt zeeziek zijn, is naar het schijnt veel erger. ‘Dat is vreselijk,’ vertelde een visser me ooit. ‘Dat is om te sterven.’ Ach, ik maak me geen zorgen, ik kom uit een familie van vissers en ik ben op de wereld gezet met zeebenen. Ik zal daar wel geen last van hebben, dacht ik toen nog. Wat ze met de zeeduivel bedoelde, wist ik evenwel niet. Ik wilde het haar niet vragen, want ik vermoedde dat het over verongelukte schepen en verdrinkingen zou gaan.

7


We gingen ook even langs bij mijn grootmoeder, mijn mémé. ‘Ochere, mijn jongetje!’ riep ze uit toen ze hoorde dat ik een reis meeging. ‘En voor de eerste keer midden in de winter!’ Ik haalde glimlachend mijn schouders op. ‘Moet dat nu echt?’ vroeg ze fluisterend aan mijn moeder. Die knikte alleen maar. ‘Zijn vader zegt dat het de enige manier is om dat visserijgedoe uit zijn kop te krijgen!’ ‘Hoe is dat nu toch mogelijk?’ mopperde mémé en hoofdschuddend liep ze naar de buffetkast. Ze trok een schuif open en nam er iets uit. Ze kwam weer naar me toe gesloft. In haar hand had ze een ketting waaraan een schapulier bengelde. Op de kleine zilveren medaille stond aan de ene kant een afbeelding van Maria, aan de andere kant een afbeelding van de heilige Antonius, de patroonheilige6 van de vissers. Ze maakte aanstalten om het rond mijn hals vast te maken, maar ik trok me terug. ‘Ik doe dat niet aan,’ weigerde ik. ‘Wat … je wil niet?’ zei mémé. ‘Maar dat is het schapulier van opa geweest! Dat is nooit van zijn nek geweest. Het heeft hem dag na dag beschermd. Tegen de zeeziekte en tegen de zeeduivel.’

8


Ik moest lachen. mémé toch! Ze begint nu ook al over die zeeduivel. ‘Lach er niet mee, ventje,’ zei ze en ze maakte de ketting vast rond mijn hals. Mijn grootmoeder kuste me en maakte nog het gebruikelijke kruisje op mijn voorhoofd. ‘Voorzichtig zijn hé, jongen?’ Ik knikte. Mijn vader zei niet veel die avond. Hij keek alleen maar toe terwijl ik en mijn moeder mijn pangel7 vulden. Een dozijn eieren, een stuk jonge kaas, wat boerenham, twee pakken koeken, een paar repen chocolade. Speciaal voor de feestdagen had mijn moeder ook een grote zak met snoep gekocht. ‘Om uit te delen,’ zei ze. Ik mocht dan ook het pakje openmaken dat mijn moeder voor mijn kerst had gekocht. Een dikke wollen trui. ‘Dat zal helpen tegen de kou,’ zei ze zacht. Van zodra mijn vader het cadeau zag, begon hij te foeteren: ‘Maar je hebt nu toch geen groene gekocht? Je weet toch dat de schipper geen groen op zijn schip wil. Volgens hem brengt dat ongeluk aan boord. Je kunt een dikke trui van mij krijgen, maar met die groene vertrek je niet, want dan ligt hij al in ’t water nog voor jullie zijn uitgevaren!’

9


Het zeegat uit8 Mijn moeder kwam niet mee om me uit te zwaaien. Ook weer zo’n raar bijgeloof. Vrouwen die het schip uitzwaaien, brengen ongeluk. Maar onder ons gezegd en gezwegen, ik denk dat het nog een andere reden had dat ze niet meekwam. Ze was bang te moeten huilen als het schip vertrok. En dat zou het nog erger maken dan het al was. Mijn vader was wel meegekomen, maar hij had het zichtbaar ook niet gemakkelijk. Hij rolde een sigaret waar hij meer op kauwde dan zoog. Een grote visbak9 voer voorbij, die was al op weg naar IJsland. Een grote rookpluim kwam uit de schouw, de stoomfluit floot.

10


Ons schip was veel kleiner. Wat comfort betreft, kon het al zeker niet tippen aan zo’n groot stoomschip waar er douches waren en velen van de bemanning een eigen kajuit hadden. Mijn vader wist goed waarom hij me op een kleiner schip stak. Dat zou me de zin om te gaan varen wel helemaal ontnemen. Dacht hij. De motoren ronkten al. De geur van stookolie sloeg in mijn neus. Mijn vader gooide de voorste tros los en wierp het touw naar het schip. Dan gooide hij ook de achterste tros tot op het dek. Dat gebaar deed me wel iets. Los van thuis, los van de wal. Het schip zette zich zinderend en traag in beweging. Mijn vader keek eerst weg, keek toen wel. Maar hij keek niet naar mij. Hij keek naar het schip, hij vertikte het om in mijn richting te kijken. Hij stond daar maar te staan, met zijn handen in zijn broek gepropt. Hij kauwde op zijn sigaret die al lang uit was. Hij liep langzaam mee met het schip. Omdat hij niet zwaaide, zwaaide ik dus ook maar niet. Ik zocht oogcontact, maar hij bleef maar langs me weg kijken, kauwend op zijn sigaret. Hij bleef staan toen we in de sluis lagen en dan verder voeren. Hier ging het al wat sneller.

11


Ik trok mijn muts wat dieper over mijn oren en ging achteraan op het schip staan, starend in de lichtgroene schuimstreep die de schroef in het water woelde. Ik bleef nog zeker een uur staan, tot Oostende steeds kleiner werd en vervaagde. En dan was er alleen nog maar de zee en de lucht, het schip en de bemanning. ‘Ewel, siessen …’ werd er geroepen. Dat was dus naar mij. De stuurman had me nodig. ‘Ewel siessen,’ riep de stuurman nog eens. ‘Ga je nog lang staan blèèten10, of ga je een handje helpen?’ ‘Blèèten, blèèten, ik blèèt toch niet,’ mopperde ik. ‘Wat kan ik doen?’ Dit zou geen plezierreisje worden, ik was aangeworven en had het werk van de scheepsjongen, ‘de siessen’ te doen. ‘Kom maar mee, netten herstellen.’

12


Hij dacht wellicht dat ik dat niet kon. Ik had dan wel geen visserijschool gevolgd, maar mijn grootvader zaliger had het me geleerd. Het ging zo vlot dat ik een melodietje begon te fluiten. De schipper riep vanop de brug11 dat ik ermee moest stoppen. ‘Weg met dat gefluit,’ brulde hij. Ik begreep niet waarom, maar de stuurman, die naar de bijnaam ‘de rosten’ luisterde, vertelde dat de schipper erg bijgelovig was. Groen aan boord was verboden. Maar dus ook fluiten mocht niet. Dat betekende zoveel als om wind vragen. En als een schipper ergens niet om vraagt, dan is het wel om storm en slecht weer. ‘Als scheepsjongen moet je wel op je tellen passen,’ gaf de rosten me nog de goeie raad. ‘Je moet doen wat de schipper zegt én wat de bemanning beveelt.’ Bij deze woorden duwde hij me een borstel in de handen om de eindjes touw op te vegen. Ik was echter nog maar net begonnen of de schipper brulde alweer. Ik schrok dus nog maar eens en wist niet wat ik verkeerd deed. De rosten was er gelukkig weer om me uit te leggen dat het niet op die manier moest. Ik mocht het dek niet van voren naar achteren vegen! Altijd van achteren naar voren. Zo veeg je het geluk niet van het schip. Ik begon het nu stilaan toch wat op mijn heupen te krijgen, maar toen gebeurde er iets waardoor ik helemaal van mijn melk geraakte. Het schip minderde ineens vaart.

13


De rosten die naast me stond, grinnikte en wees naar de brug. Ik schrok, want ik zag dat de schipper zijn broek liet zakken en een grote behoefte deed. Ik wist niet wat ik zag! En toen hij klaar was, beval hij me om het dek te schrobben. Ik stond daar een hele poos raar te kijken. Ik kon dat niet geloven, maar de rosten grinnikte weer: ‘Ja, siesje, ook dat is het werk van een scheepsjongen!’ Ik zuchtte, mijn vader wist dus wel heel goed met welk schip hij me had laten meevaren.

Zeeziek Na dat vieze werkje ging ik aan de reling staan om te bekomen. Ik moest de hele tijd slikken. Als het elke dag van ’t zelfde is, wordt dit een hellevaart! Ik ademde een paar keer diep in en uit, keek naar de wolken en dan naar het groene water dat schuimde aan de boeg. Ik hoopte toen al dat mijn beslissing om te gaan varen niet de verkeerde was geweest. We waren amper een halve dag aan het varen en ik voelde me verre van gelukkig. Maar de misselijkheid ebde weg en ik probeerde mezelf te overtuigen. Het was gewoon even wennen aan de geur van stookolie, aan het wiebelen van het schip en aan de vreemde gebruiken. En dat de schipper een rare kwibus was, dat had ik al meer gehoord. Veel tijd om te denken had ik niet, want de machinist kwam me roepen.

14


Hij zou aan het eten beginnen en ik moest daarbij helpen. Ik schilde dus de aardappelen terwijl hij bloemkool in witte saus klaarmaakte en een gehaktbrood in de oven schoof. Ik zag dat de handen van de machinist onder de olie en de smeer zaten. Wedden dat hij niet eens zijn handen had gewassen vooraleer hij aan het eten begon? Maar ik was geen haar beter! Zelf had ik niet eens mijn handen afgekuist na dat vuile werkje van daarnet. Trouwens … wassen zat er voorlopig niet in, want de hele reis lang moest er op water worden bespaard. Dat was er enkel om te drinken en om het eten klaar te maken. Voor de afwas gebruikten ze zelfs zeewater. En jawel, ook afwassen was mijn taak. Ik moet eerlijk zeggen dat ik me de reis anders had voorgesteld. Wat de bemanning betreft; viel dat nogal mee. De schipper was een nerveuze man, maar hij was goed van inborst. En heel erg bijgelovig zoals ik van mijn vader al hoorde. De machinist, Schele Rolle, een wat norse kerel, was nogal stil. En dan waren er de drie matrozen, Rudy, Redgy en Jeftje Pupe. Toffe kerels wel, maar die hadden zoveel aan mekaar dat ze mij amper zagen staan. Het was alleen aan de rosten dat ik wat had.

15


Ook aan hun geplaag moest ik wennen. Vaak wist ik niet of ze het nu meenden of niet. Zoals Redgy’s opmerking van daarnet: ‘Ach jongetje, was je niet beter thuisgebleven bij je moeder om kerstdag te vieren? Je bent precies zelf nog een kerstkindje!’ Ik heb er toen maar niets op gezegd, dat leek me het beste. Ik had gelukkig een paar boeken mee en ik ging wat in mijn kooi12 liggen terwijl de anderen een kaartje legden. De geur in de kooi was niet wat je aangenaam noemt. Het rook er naar vuile lakens, zweet, vuile sokken en oude sigarettenrook. Ik vroeg me af hoe de nacht zou verlopen als we daar met zijn vieren lagen. Ik hoopte maar dat er geen snurkers bij waren. Ik las een paar pagina’s. Ik voelde me nog niet thuis op het schip. Ineens begon ik me lichtjes onwel te voelen. De bloemkool van daarnet leek misvallen. Ik begon te geeuwen, en nog meer te geeuwen, en toen wist ik het wel. Zeeziek. Verdomd. Ik bleef wat rustig liggen, hoopte dat het zou overgaan, maar het werd alleen maar erger. En de rook van de sigaretten deed er ook geen goed aan. Buitenlucht was de enige optie. Ik klom het trapje omhoog en ging wat aan de reling staan. Ik was als de dood dat de anderen het zouden merken. Ik probeerde het te onderdrukken door te focussen op de zee, op de horizon.

16


‘Ik ben toch geboren uit een vissersfamilie? Ik heb toch zeebenen?’ prentte ik mezelf in. Maar dan ineens gulpte het eruit. De bloemkool en de saus. Tot overmaat van ramp trok de schipper net zijn ruitje open. ‘Is het al van dat?’ riep hij spottend. Ik liep wat meer naar achteren, waar hij me niet meer kon zien. En braakte daar de ziel uit mijn lijf. ‘Jongetje toch,’ zei de rosten die het in de gaten had gekregen. ‘Sorry,’ piepte ik, hoewel ik me hier echt niet voor moest excuseren. ‘De meeste hebben het de eerste reizen. Met wat geluk gaat het binnen een paar dagen over …’ Een paar dagen? Ik kan niet beschrijven hoe ik me voelde. En samen met de misselijkheid, sloeg ook heimwee toe. En hoe misselijker en meer heimwee, hoe kouder ik het kreeg. Ik had het berekoud, al stond ik daar in de dikke trui van mijn vader, een oliejas eroverheen, een muts op mijn hoofd en wanten aan. Het was tenslotte december. En hoe noordelijker we zouden varen, hoe kouder het zou worden. Zo dom was ik ook niet. Maar ik durfde niet meer terug naar mijn kooi, want ik vreesde dat het daar nog erger zou worden. Dus bleef ik staan tot de avond viel.

17


De schipper kwam naar me toe. Hij had precies wel met me te doen, al zei hij dat niet. ‘Zou je niet beter gaan slapen?’ vroeg hij. Ik schudde van nee. ‘Je mag ook samen met de rosten de wacht doen,’ stelde hij voor. Ik knikte, alles liever dan weer mijn kooi in te duiken. Zo gebeurde het dus dat ik die eerste nacht de wacht deed, samen met de rosten. Hij rookte de ene sigaret na de andere. Regelmatig ging ik wat op het dek staan, waar het wel ijskoud was, maar de lucht zuiver. Ik keek naar de donkere zee waarop de maan een lichtende streep legde. Tussen de sterren zocht ik de grote beer en de poolster die eraan vasthing. Een flintertje licht, een flintertje hoop dat het over zou gaan. Om twee uur was het wisselen van de wacht en de rosten maakte Redgy en Rudy wakker. Ik rolde in mijn kooi, luisterde nog een poos naar het brommen van de motor. Ik was doodop en viel gelukkig toch in slaap.

De oversteek Het beterde niet, zoals ik had gehoopt. Integendeel. Ik was al flink vermagerd en kreeg geen hap door mijn keel. Met de regelmaat van een klok trok mijn maag samen en gulpte donkergele gal naar buiten. Ik begon mezelf nog meer en meer te vervloeken.

18


De visserij was misschien toch niets voor mij? De enige hoop was dat Rudy en Redgy me verzekerden dat ze het ook hadden gehad en dat het een kwestie van tijd was. Zeeziekte, daar moesten de meesten door. Dat het na een poos wel zou beteren. Zelfs helemaal overgaan. Dat sprankeltje hoop hield me recht. Na twee dagen varen naderden we de nauwe doorgang tussen Schotland en de Orkney-eilanden. Penthland Firth, maar door onze vissers simpelweg ’t Gat genoemd. Daar kwam je van de Noordzee in de Atlantische Oceaan. Mijn vader had al vaker verteld over die beruchte plek die fungeerde als een flessenhals13. Met het ene tij werd water van de Noordzee naar de Atlantische Oceaan gestuwd en met het andere tij andersom. Het was vaak een heksentoer om daardoorheen te varen. Met windstil weer en getij mee, duurde het amper een half uurtje. Maar zat het getij tegen en was het stormachtig weer, dan kon het uren duren en mocht je je handjes kussen dat het schip er veilig doorheen geraakte. Verstandige kapiteins wachtten met die omstandigheden het kerende getij af, ofwel maakten ze een omweg. Nerveuze kapiteins trokken zich nergens van aan en voeren er gewoon doorheen. Dat de golven dan met grote gulpen over het dek sloegen, deerde hen niet.

19


Ik had eerder al een en ander opgezocht en wist precies waar dat ‘Gat’ gelegen was. En dat er een uitstekende rots genaamd The Old Man of Hoy als grimmige, duistere wachter stond. Veel heb ik er toen niet van gezien want ik was doodziek. Nog zieker dan voorheen, want de wind was opgestoken en nam alleen maar toe. Ik zag dus met lede ogen dat ‘Gat’ alsmaar naderen. De schipper had geroepen: ‘Geen tijd te verliezen, we gaan erdoor!’ De bemanning had alles wat loszat op dek vastgesjord. De matrozen en de machinist gingen naar de kajuit en de rosten en ik bleven op de brug, naast de schipper. Ik met een emmer in mijn hand. Het schip was al een hele poos aan ’t zwalpen door de storm, maar dan begon het vervaarlijk te slingeren. De golven sloegen over het dek, tegen de ruiten. Ik zag The Old man of Hoy opdoemen als een spook. Ik wist dat hier al meer schepen waren vergaan en ik was bang, echt bang. En de hand die de rosten op mijn schouder legde, hielp echt niet. Eindelijk, na ik weet niet hoelang, twee uur, drie uur, waren we erdoor. Het stormde nog, maar dan werd alles anders. De golven voelden anders, zagen er ook anders uit. In de Noordzee waren die kort met schuimkraagjes, in de Atlantische Oceaan waren ze veel hoger. Het schip moest hier tegen de hoge golven opklimmen om dan telkens te duiken met een doffe slag die zinderde door het hele schip.

20


Nu leek het ook alsof ons schip moederziel alleen was, daar op die immense oceaan. En heel raar, ik had het gevoel iets vreselijks overwonnen te hebben. En ineens voelde ik me beter. Niet dat ik genezen was van mijn zeeziekte, maar het leek draaglijker. Toen de storm een paar uur later luwde, ging het helemaal beter. Veel beter. Ik kon weer eten. Ik kreeg een boel klusjes te doen, maar dat kon me niet deren. Liever hard werken dan zeeziek.

De eerste sleep Vanaf het Gat was het nog twee dagen varen. De matrozen en de stuurman begonnen zo stilaan alles in orde te brengen om te gaan vissen. Ze zetten de planken rechtop in stutten14 om zo grote houten bakken te maken waarin de opgeviste vangst terecht moest komen.

21


De netten werden nog eens goed geïnspecteerd. En dan kwam het ergste. Het ijs moest worden gekapt. Het ijs om tussen de vis te strooien, was vier dagen geleden in het visruim15 gegooid. Dat was een hele vracht losse, kleine klompjes. Dat had ik met mijn eigen ogen kunnen zien toen de machinist er het vlees en het brood inlegde. Een prima koelkast, heel dat visruim! Die klompjes ijs die je aanvankelijk kon opscheppen, waren nu helemaal aan elkaar vastgekoekt. Dat moest dus worden losgehakt. Dat was werk voor de stuurman, maar ook de scheepsjongen werd daarvoor ingezet. Ik dus! Best dat ik al wat minder wankel op mijn benen stond, want het was zwaar werk. Beestenwerk! Met een pikhouweel moesten we die keiharde ijsmassa kappen tot kleine, strooibare klompjes. Het was kappen tot ik er bijna bij neerviel. Als ik weer aan dek kwam, wachtte me een verrassing. Aan de horizon, in het flauwe winterlicht, doemde de rotskust van IJsland op.

22


Ik had er mijn vader zoveel horen over vertellen dat het woord IJsland alleen al een mythische dimensie had gekregen. Maar wat ik zag, was nog veel mooier dan wat ik had verwacht. Meer nog, het voelde bijna magisch. Bovendien was ik zo blij dat ik af was van mijn zeeziekte. Bezig zijn was dus heilzaam. En de ziekte overwinnen kon dus ook. Of was het mémé die gelijk had en was het dat schapulier dat me ervan af had geholpen? Ik hoor nog haar woorden … ‘Toontje en Maria gaan je beschermen!’ ‘Kijk,’ zei de rosten die na mij uit het ruim was gekomen. ‘Die langwerpige rots die je ziet, noemen we de kiste … omdat het er net als een doodskist uitziet. Al die rotsen en gletsjers geven we namen, zo herkennen we ze beter! Fantasie hebben de vissers genoeg!’ Dan wees hij naar twee schepen een paar mijl verderop. ‘Kijk! Daar zijn nog twee Belgen aan het vissen. Daar zie je Charles op de O.224 en Henri op de O.157.’

23


Hoe hij die schepen van zo ver kon herkennen, begreep ik niet. ‘Ga maar eens luisteren op de brug,’ zei hij. ‘De schipper is aan ’t babbelen met hen!’ Ik haastte me naar de brug en inderdaad, de schipper was aan het telefoneren. ‘Veel schelvis?’ hoorde ik hem zeggen en: ‘Niet zo’n goeie vangst?’ Ik hoorde de stem van de schipper van het andere schip. Maar ik begreep er niets van. Zoveel ruis, zoveel gekraak. Maar de schipper leek alles perfect te verstaan. ‘We gaan eerst hier wat vissen en als ’t niet vet is, lopen we door naar ’t Lèègland16.’ En zo ging het nog een tijdje door tot de schipper vond dat het tijd was om de netten uit te gooien. Het was maar kwestie van zijn hoofd buiten de brug te steken en te roepen of de hele bemanning schoot in actie. De stuurman ging achter de lier17 staan en zette de boel in gang.

24


Het net ging omhoog. Een immens net met een mond van wel tien meter werd de hoogte in gehesen en werd dan langzaam in het water neergelaten. De kabels rolden uit. ‘Dat net gaat wel honderd meter diep,’ zei Redgy. Honderd meter diep? Om te duizelen! En dan begon het slepen. Tijd voor de mannen om uitgebreid te gaan eten. De machinist was worstjes aan het bakken. En geloof het of niet: ik had er zin in. Het was de eerste keer in vier dagen dat het eten me smaakte. En dat het zou binnenblijven. Ook de rode kool en de aardappelen waren lekker. ‘Morgen vis op ’t menu,’ zei de kok-machinist. Zoals de anderen ging ik nu even liggen. Na een paar minuten dommelde ik al in. De rook van de sigaretten deerde me niet, de geur van de stookolie evenmin. Ik moet heel diep geslapen hebben, want ik schrok toen iemand me wakker schudde. Het was Redgy. ‘Ze zijn al aan ’t winden18,’ bromde hij. Ik deed mijn oliegoed aan, schoot in mijn laarzen en haastte me naar het dek. De mannen stonden al op een rij, kijkend naar de kabels die werden gewonden, wachtend tot het net tegen de boord kwam. En dan was het zover. De vis kwam boven. Een grijze massa vis schoot met een suizend geluid omhoog, zweefde zowat op het wateroppervlak.

25


‘Weet je dat je daarop zou kunnen lopen?’ riep Redgy tegen me. ‘Dat is één massa lucht!’ Moest ik dat nu geloven? Maar dan, met een sissend geluid als van een reusachtige ballon die zijn lucht verliest, zakte het net met de vis weer onder water. Pas achteraf kwam ik te weten hoe dat fenomeen in mekaar zat. Bij ronde vissen gaat de zwemblaas door het grote drukverschil uitzetten en daarna klapt de zwemblaas weer toe. Zo krijg je eerst het zweven van de massa vis en daarna het wegzinken. Een eigenaardig fenomeen! Maar dan kwam écht het zware werk. Het was met alle krachten trekken om het net binnen te zetten. Ook van mij werd verwacht dat ik alles gaf. Gelijk met de anderen greep ik het net vast en trok. Beetje bij beetje hesen we het net hogerop. ‘Pas wel op je vingers, hé makker!’ riep Redgy. 26


Hij had het nog maar net geroepen of ik zat al geklemd met een vinger tussen touw en boord. ‘Au!’ ‘Wat zei ik?’ brieste Redgy. Het was een lastig karwei, mijn vingers, mijn armen, mijn schouders … Maar ik hoorde ook de matrozen naast me zuchten en vloeken. Eindelijk was het net aan boord en gleed de vis in de bakken.

‘Schone vangst!’ riep de rosten. Maar ik dacht: moet ál die vis gegut worden! ‘Nog voor we klaar zijn, komt er nog een lading bovenop,’ riep Redgy die wellicht mijn verbaasde blik had opgemerkt. Net als de anderen haalde ik mijn gutmes boven en vis na vis passeerde door mijn handen. Een snede maken in de buik en de ingewanden eruithalen en dan in een bak gooien.

27


Ondertussen was het net opnieuw overboord gezet en was de schipper alweer aan het slepen. Na een poosje moest ik samen met de rosten naar beneden om de vis tussen het ijs te leggen. Een laag vis, een laagje ijs, een laag vis, een laagje ijs … Toen we na een uur weer bovenkwamen, riep de schipper alweer ‘winden!’ En het was zoals Redgy had gezegd: we zouden nog niet klaar zijn en er zou een nieuwe vangst binnen zijn. En dan opnieuw en opnieuw. Dat werd werken, uren- en urenlang. Het werd avond, werd nacht, we waren nog steeds bezig. Ik was doodop. Maar eindelijk waren de laatste kabeljauwen gegut en in het ruim gestapeld. Uit de kajuit kwam de geur van gebakken vis. 28


Black frost Zo ging het door, dag na dag. Slepen, winden, net bovenhalen, vis gutten, vis in het ruim. Ik was doodmoe, ik had het vaak erg koud, vooral wanneer de wind opstak. Maar ik werd harder, ik werd sterker, ik werkte zonder veel na te denken. Gedachten op nul. Automatische piloot. Op een ochtend - ik weet al niet meer de hoeveelste, want alle dagen leken op elkaar en ik was te moe om de tel bij te houden, liep de schipper erg nerveus. Het was mistig en er was vrieskou op komst. ‘Slechte combinatie,’ bromde hij. De matrozen knikten. Zij wisten ook wel wat dat betekende. Ik niet. Nog niet. De dag begon zoals alle andere dagen. Nog voor de klaarte in de lucht kwam, en dat was in die periode van het jaar amper een paar uur, ging het net overboord. Slepen, winden, net ophalen, gutten, vis in het ruim … Maar we waren die dag nog maar net aan het gutten of het begon flink kouder te worden. Een ijzige wind drong door mijn oliegoed, door mijn trui, door mijn ondergoed, tot op mijn vel. Het voelde alsof mijn vingers en mijn tenen er afvroren. Ik zag het even niet meer zitten. ‘Mag ik stoppen, Redgy?’

29


Ik hoopte dat hij zou zeggen dat ik mocht ophouden en even gaan rusten om de warmte binnen op te zoeken. Maar nee, hij snauwde dat ik niet moest ‘trunten19’ maar zo snel mogelijk verder werken. Dat die vis zo snel mogelijk binnen moest. Iedereen werkte snel door, er werd geen woord gesproken. Er hing een zenuwachtige sfeer. De rosten tikte me op de schouder en wees naar het luik met het trapje naar beneden. De vis wegsteken! Ik was blij dat ik naar het visruim kon. Ook daar was het koud, maar daar stond op zijn minst niet die ijzige wind. Het voelde er zelfs warm in vergelijking met buiten. ‘De weerberichten ruiken naar black frost20,’ zei de rosten toen ik vroeg waarom de schipper zo nerveus was en waarom het net niet weer overboord ging.

Black frost! Mijn vader had het een paar keer meegemaakt en had erover verteld. Een weerfenomeen waarbij de mist begint aan te vriezen. De mast wordt zo dik als de stam van een struise boom, de kabels zo dik als mannenarmen en alles wat in metaal is, vriest in een minimum van tijd aan. Toen we nog niet eens klaar waren met de vis te stouwen, hoorden we boven op het dek een grote vloek. De schipper riep naar beneden: ‘Het is zover, als jullie klaar zijn daarbeneden, kunnen jullie hierboven komen helpen kappen!’

30


Ik zag het gezicht van de rosten betrekken. We haastten ons met de vis en toen we uit het ruim klommen, zag ik met mijn eigen ogen waarover mijn vader zo vaak had verteld.

‘Al dat ijs moet er zo snel mogelijk af,’ riep de rosten en hij duwde een hamer in m’n handen. Ik deed dus wat me bevolen was en net als de anderen begon ik te kappen. Het schip galmde van de bijl- en hamerslagen op het metaal. Het was oorverdovend. Maar het leek of het allemaal niet hielp. Het ijs koekte steeds dikker aan. Ik zag dat Redgy haastig een kruisteken maakte. Dat maakte me bang. De wind was nu weer opgestoken en de golven begonnen over het dek te slaan. ‘Kappen verdorie!’ riep de schipper toen hij zag dat ik even was gestopt. Ik kapte verder. Het gegalm van metaal op metaal galmde door mijn hoofd, door mijn handen, mijn hele lijf. 31


Mijn handen, mijn armen, mijn schouders, mijn rug voelden gekraakt. Ik was doodop. Hoe lang zou dat nog doorgaan? Mijn vader had verteld dat zo’n situatie uren kon duren. Ineens stopte iedereen met slaan. Het was doodstil. Alsof iedereen zijn adem inhield. Alsof het schip stopte met ademen. We voelden het schip kantelen naar stuurboord. En terzelfdertijd kraakte en kreunde het. Maar het kwam terug. Het kantelde nu naar de andere kant. Krakend en kreunend. Ik zag dat Redgy weer een kruisteken sloeg. Maar het schip kwam terug recht te liggen. De gezichten van de mannen waren nog witter dan het ijs. Ik zag dat de rosten iets aan het prevelen was. Een gebed? Ik ging met mijn ijskoude hand onder mijn oliejekker, onder mijn trui. Ik rilde. Maar ik wilde even het schapulier van mijn grootvader aanraken. ‘Het zal je beschermen tegen de ziekte en de duivel,’ had mijn mémé gezegd. Want nu weet ik echt wel wie hier aan boord is. Aan boord, of in het water aan de kant van het schip, of in de wind en de wolken. Hij is hier. De zeeduivel. Nu ging het schip weer krakend en kreunend naar de andere kant overhellen. Maar het kwam terug.

32


‘Kappen!’ riep de schipper. En de hamers en bijlen galmden en ketsten weer tegen de boord en de mast en de kabels. Toen ging de wind ineens helemaal liggen, de zee werd rustiger, het schip stopte met heen en weer te hellen. We hielden even op met hakken en timmeren, keken elkaar aan. Nu leek alles ineens zo vreemd, zo stil. ‘We moeten naar de kant,’ zei de schipper en ging naar de brug en zette de motoren weer aan. Heel langzaam voer hij het schip naar een inham die beschutting bood. Daar hebben we verder ijs gekapt, maar niet meer met die doodsangst in het lijf. Het ergste was achter de rug. En ik, ik had voor de eerste keer in mijn leven de zeeduivel in de ogen gekeken.

Tatoeage Die avond na het eten kreeg ik, net zoals de anderen, een poester: een tas koffie met twee suikertjes in en een scheut brandewijn. ‘Je hebt je doop nu wel gehad, gast,’ zeiden de mannen tegen me. ‘Misschien het moment voor een tatoeage?’ bromde Redgy tussen zijn tanden. De mannen keken allemaal naar mij. Ik durfde niet neen te zeggen. Rudy haalde wat naalden boven en een potje met OostIndische inkt.

33


Hij bond drie naalden samen met wat garen. ‘Een zeemansgraf?’ vroeg hij. Ik schudde van nee. Mijn moeder vermoordt me, als ze dat ziet. ‘Een anker?’ Ik schudde een beetje twijfelend van nee. ‘Een kleintje? Op een plekje dat niemand ziet?’ drong de rosten aan. Ik kreeg nog een poester ingeschonken. En toen kon het me al niet meer schelen dat ik van mijn moeder een ferme draai rond mijn oren mocht verwachten. ‘Maar laat die jongen toch,’ zei de schipper. ‘Straks krijg ik nog ruzie met zijn ouders!’ Geen een van de mannen reageerde erop. Ze bleven me aankijken. Ze drongen niet echt aan, maar ze verwachtten wel dat ik toegaf. Ik voelde dat ze het zouden appreciëren als ik het liet doen. Dan was ik een van hen. Het voelde hoe langer hoe troebelder en waziger in mijn hoofd. De vermoeidheid, de drank … En dan zei ik ja. Een kleintje? Op mijn bovenarm, tegen mijn schouder aan. De mannen murmelden goedkeurend. Ik trok mijn trui uit, Rudy doopte zijn naaldjes in de inkt. Ontsmetten? Maar nee, waar is dat goed voor?

34


Ik deed mijn ogen dicht en voelde hoe de tekening in mijn huid werd getekend. Prikje voor prikje. Het deed wel wat zeer, maar ik gaf geen kik. De schipper die weer even was komen kijken, schudde zuchtend zijn hoofd. ‘Nu kan ik toch niet meer stoppen, hé schipper?’ zei Rudy. ‘Met een half anker ben je toch niets?’ En hij prikte verder. Ik dronk nog een slok en verbeet de pijn.

We hebben nog twee dagen liggen wachten, beschut in een baai tot het weer beterde. Pas wanneer alle ijs van het schip was gekapt, konden we weer uitvaren. We voeren naar een andere visgrond. De schipper op de brug vertelde me ondertussen hoe de bodem op IJsland verschilde van de bodem van onze Noordzee. ‘In de Noordzee heb je vooral zand en iets wat op duinen lijkt en het is er niet zo diep. Je laat daar je net over de grond slepen om te vissen. Maar rond IJsland moet je voorzichtiger zijn, want het is allemaal steen en rots.

35


Je net kan in één twee drie helemaal gescheurd zijn. Het is hier niet alleen veel dieper, er lopen ook valleien. In die valleien zit er wel veel vis. De kunst is nu om het net heel voorzichtig door zo’n vallei te slepen, oppassen bij de randen, want daar kan het net scheuren. ‘Het is alsof je je net door een straat sleept,’ zei hij. ‘Je moet heel mooi rechtdoor blijven vissen, zonder de scherpe randen van de rotsen te raken.’ Hoe hij dat allemaal zo precies wist, wilde ik weten. ‘Dat is ervaring. En het beste is om alles te noteren. Ik heb een schriftje dat ik al bijhoud sinds ik ben beginnen varen. Doe dat ook, als ik je een raad mag geven. Hou alles goed in de gaten, je oren en ogen wijd open en begin alvast maar alles te noteren. Zo word je later een goeie schipper. Zoals je vader …’ We werden onderbroken door een stem uit de radio. ‘Dat is Henri van de O.217,’ zegt de schipper.

36


Gekraak en geruis. Ik begreep er geen woord van, maar kon het gesprek volgen door wat hij antwoordde en vertelde. ‘Ja, we hebben ervan gehad … Het was inderdaad wel een doop voor die kleinen … ja, we zijn er content van … goed gastje …’ Ik kreeg een blos van trots. Ik heb het toch maar gedaan! ‘Jullie stomen21 alweer naar huis? Met een vol ruim? Ja, wij kunnen ook niet klagen … schone vangst!’ Ineens overviel me een gevoel van heimwee. Nu had ik graag even mijn vader aan de telefoon gehad, een babbel met hem, of liever nog met mijn moeder. Maar op IJsland was er geen radioverbinding met Oostende. Alleen de schepen hadden onderling contact.

Levertraan We visten nog drie dagen en ons ruim raakte stilaan boordevol. Maar de schipper wist van geen ophouden. De vangst was goed, meer dan goed, maar elke extra kabeljauw deed zijn winst stijgen. Net als de bemanning werd hij betaald met een percentage van de opbrengst. Hoe groter de vangst, hoe meer ze verdienden. De bemanning was dus niet kwaad dat de schipper nog een paar extra sleepjes deed.

37


Ikzelf begon er stilaan wel genoeg van te krijgen en ik sprong bijna een gat in de lucht wanneer hij op een bepaald moment zei: ‘Gasten, we gaan naar huis …’ Er klonk gejuich en de laatste kabeljauwen werden gegut en in het ruim gestapeld. Maar als je denkt dat ik dan in mijn kooi kon kruipen om een tukje te doen? Nee, ik moest helpen in de keuken. De kok-machinist vroeg me om nog een brood van tussen het ijs uit het visruim te halen. Er lagen er nog een zestal, maar die zagen er niet meer uit als brood. Er zat een groene laag schimmel rond. Ik werd bijna misselijk toen ik er een pakte en naar de keuken bracht. ‘Het is slecht,’ zei ik. ‘Slecht? Welnee! We gaan die korst eraf snijden, duwen dat nog even in de oven en ’t is weer eetbaar. Het zal precies een versgebakken brood zijn. Haal er nog maar ééntje uit, we gaan daar lekker van smullen.’ Die avond at ik amper een snee brood, maar deed me tegoed aan de visjes die sudderden in de pan. De afwas was ook alweer voor mij. Maar het ergste moest nog komen … ze gingen levers smelten. Er werd een grote pan water op het vuur gezet en daarin werd een andere pan gezet boordevol kabeljauw- en schelvislevers.

38


De levers begonnen in de hitte te smelten. De geur was gewoonweg niet te harden. Ik moest daar natuurlijk ook weer bij helpen. Al de olie die uit die levers sijpelde, moest ik in flessen gieten. En zonder morsen lukte me dat niet. Er was wel een trechter, maar hele gulpen kwamen op de vloer terecht. Een kleverig, vettig goedje dat achteraf moest worden opgekuist. En ja, wie werd daarvoor ingezet? De flessen levertraan werden op een rij gezet. Heldergele doorschijnende levertraan. Voor elk bemanningslid een fles of drie. Ook ik kreeg mijn drie flessen mee. ‘Elk zijn deel,’ zeiden ze. Als je dat verkocht, kreeg je daar goed geld voor. Dat was het drinkgeld waarmee de mannen een paar dagen op café gingen vooraleer ze weer gingen varen. Kopers voor die levertraan waren er genoeg! De mensen kochten dat voor de kinderen. Elke ochtend het lepeltje vitamines. Ik kreeg het niet door mijn strot, maar het was verplicht. Willen of niet. Elk bemanningslid had zijn drie flessen opzijgezet en er was een fles over. Wat ik toen zag, kon ik bijna niet geloven! De fles die over was, ging van mond tot mond. Ze dronken het alsof het pompwater was. Elk een grote slok of vijf.

39


‘Pure gezondheid,’ zeiden ze en toen reikten ze me de fles aan. Ik weigerde. Het was al welletjes geweest. Maar ze bleven aandringen. Toen begon Redgy te lachen. ‘Als hij het niet wil drinken, dan smeren we hem er een keer goed mee in. Je weet nooit waar het goed voor is!’ Ik probeerde weg te lopen, maar ze hadden me al vast. Ze trokken al mijn kleren uit, behalve mijn onderbroek. Die vernedering bleef me nog bespaard! En toen begonnen ze me in te smeren met het goedje. Ik probeerde weg te glippen uit hun handen, maar ze lieten me niet los tot heel mijn lijf vol levertraan zat. De schipper had wellicht het gejoel gehoord en kwam kijken. ‘Maar gasten toch!’ riep hij. ‘We wilden hem nog eens extra dopen,’ riepen ze, gierend en brullend van de pret. Het huilen stond me nader dan het lachen. Ik stond daar in mijn blootje, of toch bijna. Mijn vel glom van de olie. Ik voelde me net een vis … ‘Wat een smeerboel,’ zei de schipper. Inderdaad, de keuken was een en al vette levertraan. ‘Ik wil dat hier in de kortste keren helemaal proper,’ riep de schipper tegen de mannen. ‘En ondertussen warmen jullie een grote teil en mag hij zich wassen.’

40


Ik mocht me wassen. Met veel warm water, schuimend warm zeepwater. De mannen mopperden nu. Er was amper water genoeg om koffie te zetten en ik mocht me daar uitgebreid wassen. De schipper was ook nog even komen zeggen dat ik van alle klusjes ontheven was en dat ik nu best wat ging rusten. Ik kroop dus in mijn kooi, viel meteen in slaap en sliep een dag en een nacht. Nog twee dagen en het schip naderde Oostende. Ik genoot nu volop van de zee en de wind. Ik begon me eindelijk wat thuis te voelen tussen de mannen. En zij betrokken me af en toe bij hun grotemensengesprekken. De laatste nacht deed ik samen met de rosten de hondenwacht, de laatste wacht van de nacht. We staarden zwijgend de duisternis is en dan ineens zag ik het. Een lichtje. Nog eentje. Dan duidelijker. Kort kort kort. Lang lang lang. De vuurtoren van Oostende. Nu verlangde ik heel erg om weer thuis te zijn. En ja, ik zou weer naar school gaan, toch nog een aantal jaar. Het college wilde ik wel ruilen voor de visserijschool. Want nog meer dan voordien was ik er heel zeker van. Later werd ik visser. Meer nog, later werd ik schipper.

41


En dat schapuliertje, dat heb ik nooit meer afgedaan. Achteraf gezien, ben ik er trouwens rotsvast van overtuigd dat het me heeft beschermd, elke keer dat ik op zee ging. Tegen de zeeziekte en tegen de zeeduivel.

42


Nawoord Dit is geen waargebeurd verhaal in de zin dat dit het verhaal van één welbepaalde visser is. Toch is het ook niet zomaar verzonnen, want alle afzonderlijke elementen zijn allemaal echt gebeurd. Het is wat scheepsjongens meemaakten als ze de eerste keer op zee gingen. De eerste keren dat ze gingen varen, was het bijzonder hard. Zeker de jongens die meevoeren met een schip naar IJsland. Dat was meteen drie weken op zee, drie weken weg van huis in toch wel ruige omstandigheden. En de bemanning was niet altijd even vriendelijk voor hen. Ik sprak met veel oude vissers die me vertelden over vroeger, hoe het was om als jong gastje mee op zee te gaan. Veel van hun verhalen waren gelijklopend, maar voor de een woog het ene meer door, voor de ander weer iets anders. De een zag meer af van zeeziekte, de ander had meer last van de koude, nog een ander werd gepest door de matrozen. Er waren moeilijke schippers, maar er waren ook schippers die probeerden een vaderfiguur voor de jongens te zijn. Dit verhaal is een samenvoeging van allerlei verhalen en anekdotes die oude vissers me vertelden. Ik haalde de informatie uit hun vele verhalen en voegde het samen. In die zin is het dus toch een waargebeurd verhaal.

43


De foto’s bij het verhaal werden door de vissers zelf genomen, met een klein cameraatje. Die afbeeldingen werden willekeurig bij de tekst geplaatst. De mannen op de foto’s staan niet in rechtstreeks verband met het verhaal. Ze dienen enkel om het verhaal te illustreren.

IJslandvaart en -visserij Tot in het begin van de 20e eeuw voer men met zeilschepen naar IJsland. Ze vingen de kabeljauw met lijnen waaraan haakjes waren bevestigd. De vis werd in grote vaten in het zout gelegd om te bewaren. De reizen duurden 4 tot 5 maanden en gebeurden in afgrijselijk zware omstandigheden. In Navigo, het Nationaal Visserijmuseum in Oostduinkerke, kun je heel wat informatie vinden over die oude IJslandvaart.

44


Vanaf 1900 begon men vanuit Oostende met stoomschepen en later ook met motorschepen naar IJsland te varen. Dit wordt de IJslandvisserij genoemd. De reizen duurden slechts drie weken: vier dagen heen, tien dagen vissen en vier dagen terug. De gevangen vis werd nu tussen het ijs gelegd om te bewaren. De grote schepen werden de visbakken genoemd, ze hadden een bemanning van ongeveer 18 man. Vanaf het jaar 1950 begonnen er ook kleinere schepen met een bemanning van amper 7 man naar IJsland te varen. Deze schepen hadden heel wat minder comfort dan de grotere visbakken. Het is op zo’n kleiner motorschip dat dit verhaal zich afspeelt, rond het jaar 1960. Het allerlaatste schip dat op IJsland voer, was de O.129 Amandine. Het werd gerestaureerd22 en ingericht als museum. Het ligt aan de Vindictivelaan in Oostende op het droge. Dat schip bezoeken, is even naar het verre Noorden varen …

45


Woorduitleg

46

1

Jan van de Kaaie en Roste Pier = Vroeger hadden alle vissers een bijnaam, een ‘lapnaam’. De reden hiervoor was dat er veel vissersjongens trouwden met vissersmeisjes. Zo hadden veel vissers dezelfde achternaam. Er kwam nog bij dat er toen ook nog niet zoveel voornamen als nu waren. Zo had je veel Jantjes Vantorre rondlopen en veel Mieltjes Savels. Om er zeker van te zijn dat je de juiste jongen of man bedoelde, noemde je hem dus best bij zijn bijnaam. Het gebruik leeft nu nog steeds in de visserij, zij het in mindere mate.

2

siesje, siessen (dialect) = scheepsjongen

3

oliegoed = oliejekker en zuidwester (hoed), kleren die beschermen tegen het water.


4

gutmes = mes om te gutten, de vis van de ingewanden te ontdoen.

5

schapulier = medaille met aan beide zijden een afbeelding van Maria, Christus of heilige.

6

patroonheilige = beschermheilige

7

pangel = een soort blikken emmer met eten en snoep. Voor vlees, aardappelen, groenten en brood zorgt de schipper, maar voor de rest, zoals beleg voor bij het brood en voor snoep, zorg je zelf.

8

het zeegat uit = de vissersuitdrukking is dus niet ‘het zeegat in’ zoals je zou denken, maar wel degelijk ‘het zeegat uit’.

9

visbak (dialect) = groot schip dat met een bemanning van ongeveer 18 man naar IJsland ging vissen. Aanvankelijk waren het stoomschepen, later ook motorschepen.

10 blèèten (dialect) = huilen; de Oostendenaars en zeker de Oostendse vissers staan ervoor bekend graag te spotten, te plagen, te jennen. 11 brug = de ruimte waar alle instrumenten staan en waar de schipper het schip bestuurt 12 kooi = slaapplaats op een schip

47


13 flessenhals = nauwe doorgang 14 stutten = houten palen met inkepingen waarin houten planken werden gezet 15 visruim = gekoelde ruimte onderaan in het schip waar de vis wordt bewaard 16 ’t Lèègland = visgrond aan de zuidkust van IJsland 17 lier = werktuig om het net neer te laten en op te halen 18 winden = net bovenhalen 19 trunten (dialect) = zeuren, klagen 20 black frost = ijsafzetting op het schip als gevolg van nevel, mist en onderkoelde motregen; de koude, stalen delen worden bedekt met een dikke laag ijs dat zo dik kan worden dat het schip zijn stabiliteit verliest en zelfs kan gaan kapseizen. 21 stomen = snel varen 22 restaureren = een kunstwerk of oud gebouw herstellen in de vroegere toestand.

48


Een veertienjarige jongen heeft geen zin meer om naar school te gaan. Hij wil gaan vissen. Liefst in IJsland. Dat is tegen de zin van zijn ouders, die hem liever zien verder studeren. Maar hij houdt voet bij stuk.

Dit boekje maakt deel uit van de Verrekijkerbieb 6. ISBN 978 90 486 2537 6 Bestelnummer 60 1021 597 KB D/2016/0147/106 NUR 191 Foto’s: Privéverzameling vissers Verantwoordelijke uitgever die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge RPR 0405 108 325 © Copyright die Keure, Brugge

9 789048 625376

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form by print, microfilm or any other means without written permission from the publisher.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijkerbieb - Leerjaar 6 - Kijker 5 - Thema 8 - N3 - Over zeeziekte en zeeduivel by die Keure - Issuu